"Wie was dat toch, die van morgen vroeg zoo lang bij u in de
werkplaats is geweest?" vraagde Vrouwe Agnes op zekeren dag aan haar
echtgenoot. "Hij zag er zoo voornaam uit."
"Ja, daarin hebt gij gelijk," antwoordde Dürer, "het was Ulrich Fugger,
een man uit een der oudste en rijkste families van Augsburg. Hij is
eerst naar de Allerheiligenkapel gegaan om het schilderij te zien en
daarna is hij bij mij gekomen om te vragen, of ik voor hem ook zulk
een stuk wil schilderen."
Vrouwe Agnes kon haar ontsteltenis niet verbergen en vraagde snel:
"En hebt gij het beloofd? Gij kunt zoo moeilijk iemand iets weigeren."
Glimlachend legde Dürer zijn hand op haar arm. "Wees niet bezorgd;
dezen keer is uw man niet zwak geweest. Die heer uit Augsburg heeft
getracht mij te vangen, door mij den grootst mogelijken lof toe te
zwaaien, maar ik heb dapper weerstand geboden, want ik ben vast
besloten geen groote paneelschilderingen meer te maken, daar zij
slecht worden betaald en mij dikwijls ook nog ergernis en verdriet
berokkenen."
"Heeft Bisschop Johan van Breslau nu eindelijk zijn schuld
afgedaan?" vraagde Catherina, de zuster van Vrouwe Agnes, die er bij
tegenwoordig was. "Ik herinner mij, dat gij u beklaagdet, omdat hij
steeds uitstelde het mooie schilderij van Maria, dat hij bij u kocht,
te betalen."
"Eindelijk, na drie jaar," antwoordde Dürer, "is hij er toe overgegaan
om mij te betalen en het zou toen zeker nog niet zijn gebeurd, als
zijn geheimschrijver, Johannes Hessus, een Neurenberger, mij niet
had geholpen. Hij schreef mij, dat de bisschop zich volstrekt niet
meer herinnerde voor welken prijs wij het eens waren geworden. En
daarom wil ik met die aanzienlijke heeren niets meer te maken hebben
en mij weer meer gaan bekommeren om het volk, waaraan ik mij in de
laatste jaren te weinig heb laten gelegen liggen. Met dat doel voor
oogen wil ik mijn teekeningen uit de Openbaring van Johannes op nieuw
uitgeven; en ook andere houtsneden en kopergravuren, waarvan ik het
meerendeel reeds sinds lang klaar heb, met nieuwe platen vermeerderen,
zooals het leven van Maria, en de groote en kleine Passie, de eerste
op koper gegraveerd en de laatste als houtsneden. Het leven van
Maria telt nu twintig teekeningen; de groote Passie twaalf en de
kleine zevenendertig. Daarmee geloof ik het Duitsche volk beter
van dienst te kunnen zijn dan met mijn groote altaarschilderijen
en het is tegelijkertijd voordeeliger voor het onderhoud van mijn
gezin.--Maar nu heb ik nog een bijzonder plan in mijn hoofd: ik wilde
de teekeningen niet als losse bladen uitgeven, maar bij elkaar gebonden
in een boek en voorzien van bijschriften, opdat de minst ontwikkelde
hun beteekenis en doel zouden kunnen begrijpen. Mijn goede vriend,
Pater Chelidonius van de Benedictijnen is mij daarin behulpzaam en
heeft mooie versregels daarvoor gemaakt, die bij elke teekening van
de groote en kleine Passie zullen worden gedrukt. Op die wijze zullen
het meditatieboeken worden ter bevordering van het zieleheil.--En nog
iets anders wil ik u vertellen, beste Catherina, als gij het ten minste
niet reeds door Agnes hebt gehoord: Anton Koburger, mijn peter, zal
mij helpen aan een drukpers, die ik in mijn eigen huis wil opstellen,
dan kan ik mijn werk zelf afdrukken. Hans en een der gezellen kunnen
mij daarbij helpen, dan kunnen zij zich ook in die kunst oefenen."
Er werd op de deur geklopt en er trad een monnik binnen in de
kleederdracht der Benedictijnen.
"Lupus in fabula!" riep Dürer vroolijk en hij reikte zijn vriend
de hand.
"Daar juist sprak ik van u en nu staat gij in levende lijve voor
mij! Wees hartelijk welkom!"
De pater zette zich aan de tafel en haalde een rol papier uit zijn
pij te voorschijn:
"Zie eens, Meester, of gij over mijn werk tevreden zijt. Het eerste
boekje is nu klaar; aan het andere wilde ik niet beginnen, voordat
ik uw oordeel had gehoord."
Dürer nam het papier en las eenige oogenblikken in stilte, daarop
reikte hij over de tafel den monnik de hand. "Gij hebt mij begrepen,
zoo heb ik het bedoeld. Ga maar op deze wijze voort, dan zullen mijn
teekeningen ingang vinden bij het volk en goed worden begrepen.--Gij
zijt een uitstekend poëet, beste Chelidonius! Ik zal uw verzen aan mijn
vriend Pirkheimer laten lezen, hij zal zeker daarmee zijn ingenomen."
De meid bracht op een wenk van Vrouwe Agnes een kan wijn binnen
en de vrouw des huizes vulde de kleine, tinnen kroezen met het
druivensap. Toen kwamen allen in de beste stemming, vooral meester
Dürer, die het gezelschap aangenaam onderhield met te vertellen, wat
hem in Venetië was overkomen. Maar eensklaps liet hij dit onderwerp
varen en zich tot den monnik keerend, zei hij: "Ook ik ben eenige
jaren geleden begonnen mij in uw kunst te oefenen en heb het gewaagd
versregels aan elkaar te lijmen."
Verbaasd keek de pater hem aan. "Zijn dan de Muzen zoo mild geweest
om u alle gaven in den schoot te werpen?"
Dürer moest lachen. "Wees niet te voorbarig met uw lof; ik ben al
genoeg bestraft, omdat ik mij op vreemd terrein heb gewaagd, vooral
door mijn vriend Pirkheimer. 't Is nu twee jaar geleden, dat ik mijn
eerste rijmpjes heb gemaakt. Het waren slechts twee regels en ik
had goed geteld, de eene had evenveel lettergrepen als de andere,
en daarom dacht ik, dat het goed was, het versje was als volgt:
Gij aller englen spiegel en Verlosser van de zonden.
Om mij hebt gij zulk bitter lijden en den dood gevonden.
"Toen ik dit aan mijn vriend Pirkheimer liet zien, lachte hij mij uit
en zei, dat elke regel niet meer dan vier voeten of acht lettergrepen
mocht hebben. Daaraan gedachtig, ging ik dadelijk weer aan het werk
en rijmde achttien regels bij elkaar, waarin ik God vraagde om de
acht gaven der wijsheid.
"Het begon zoo:
Bidt om der wijsheid gaven acht,
God geen naarstig bidder veracht.
Met recht wordt een man wijs genoemd,
Die niet op geld of armoe roemt.
"En zoo ging het door. Nu meende ik zeker te kunnen zijn van de
goedkeuring van den hooggeleerden heer Pirkheimer, maar ik vergiste
mij: hij begon weer dadelijk te spotten en te vitten. Ik dacht dat hij
mij die kunst misgunde en ging daarom naar den heer Lazarus Spengler,
den Secretaris der stad, daar hoopte ik een zachter en rechtvaardiger
oordeel te vinden. Maar ook die verwachting werd bedrogen, want hij
wroette in mijn verzen als een everzwijn in een wijnberg en zond
mij de totaal veranderde verzen weer terug met een spotdicht er bij,
waarvan ik mij het begin nog heel goed herinner:
Ofschoon men vaak door vele lieden
De vreemdste dingen ziet geschieden,
Waarover men verbaasd moet staan,
Zoo wil ik u iets zeggen gaan,
Dat uwe lachlust op zal wekken
En u tot groot vermaak zal strekken.
En daarom zeg ik: luister dan!
Gij, allen, kent gewis een man
Met langen baard en krullend haar,
Een nooit volprezen kunstenaar
Met teekenstift en met penseel,
Aan roem en eer heeft hij ruim deel,
In ieders achting hoog gerezen!
En daar hij schrijven kan en lezen,
Is hij zich waarlijk gaan verbeelden:
In woord en rijm iets af te beelden
Speelt hij ook, als een dichter, klaar,
Nu rijmt hij verzen bij elkaar.
Maar hoe hij rijmt, het gaat niet vlot!
En 'k vrees gewis, dat aan het slot
Hem wacht des schoenenmakerslot.
"En dan wordt er verder verhaald van een schoenmaker, die een
schilderij bekijkt, dat door een schilder in de zon was geplaatst om te
drogen en die tot den kunstenaar zegt, dat de schoenen die hij heeft
geschilderd niet goed zijn. Daarop verbetert de schilder de fout,
die hem wordt aangewezen en zet het stuk weer in de zon. Nu waagt
de schoenmaker in zijn overmoed ook aanmerkingen op de plooien in de
kleederen te maken--maar daarover wordt de schilder boos en vraagt,
of hij zich verbeeldt ook kleermaker te zijn en hij roept hem toe:
schoenmaker, blijf bij uw leest! En na dit verhaal besluit de heer
Spengler zijn gedicht aldus:
Ik zeg daarom tot dezen man,
Die zoo voortreflijk schildren kan:
Laat mij u raden, blijf daarbij,
Dan ducht gij geene spotternij."
"Hoe onaardig van hem; ik had zoo iets in het geheel niet van den
heer Spengler verwacht," riep Catherina uit en juist wilde Vrouwe
Agnes in den zelfden geest lucht geven aan haar verontwaardiging,
toen Dürer, hartelijk lachende, vervolgde:
"Wees maar niet boos op hem, ik heb het hem betaald gezet, want
terstond heb ik de pen weer opgenomen en hem het volgende hekeldicht
gezonden:
't Is wetenswaardig wel gewis,
Dat in Neurenberg een schrijver is,
Die zich zelf vindt een kranig man,
Omdat hij missiven schrijven kan.
"En daarop heb ik hem ruim zijn deel gegeven en hem bij een notaris
vergeleken, die maar één enkel formulier voor zijn akten er op
nahoudt en zich daardoor de spotternij der menschen op den hals
heeft gehaald. Daarna heb ik hem nog meer getrotseerd en gezegd,
dat ik niet alleen verzen wilde schrijven, maar mij ook met de
artsenijkunde zou gaan bemoeien en tegelijkertijd heb ik allerlei
recepten van schilderspreperaten voor hem opgeschreven en ben op deze
wijze geëindigd:
En al lacht die schrijver nog zoo luid,
Met dichten scheid ik toch niet uit;
Dat zegt die gebaarde, langharige schilder
Tot den spotlustigen schrijver."
Er was wel een beetje angst in de vragende blikken, die zich daarop
op den spreker richten en Catherina vraagde haastig: "En hoe heeft
de heer Spengler die woorden opgenomen?"
"Juist zooals zij waren bedoeld," antwoordde Dürer glimlachend:
"als een grap en we zijn altijd goede vrienden gebleven. Pirkheimer
is later ook tot andere gedachten gekomen; toen hij zag, dat het
mij ernst was om mij op de dichtkunst toe te leggen, heeft hij mij
geholpen om den vorm mijner verzen mooier en sierlijker te maken. En
nu zal ik u ook maar vertellen, dat ik een heele verzameling verzen,
die niemand ooit heeft gelezen, in mijn cassette heb, maar die weldra
het licht zullen zien tegelijk met de teekeningen, die ik er bij heb
gemaakt tot nut en leering van het volk."
Men drong er op aan, dat Dürer ze voor den dag zou halen, maar hij
bleef weigeren. "Hebt een weinig geduld--als ik mijn drukpers heb
en zelf drukker ben geworden, dan moogt gij zoowel de dichtregels
als de platen zien."--En werkelijk werden de rijmspreuken met de
daarbij behoorende houtsneden na eenigen tijd uitgegeven--het waren
vlugschriften, die veel goeds stichtten.
Maar het volk ontving met nog meer vreugde de andere teekeningen,
die Dürer op zijn drukpers had afgedrukt en de wereld ingezonden;
vooral oefende de groote en de kleine Passie een machtigen invloed
uit en predikten de lijdensgeschiedenis op betere wijze dan eenig
priester het van den kansel deed.