Langen tijd na zijn terugkomst ging Albrecht Dürer zijn weg als in een
droom. Alles was hem zoo vreemd geworden en met den arbeid kon hij niet
op streek komen. Na het verblijf in het zonnige Zuiden, waar hij langer
dan een jaar had vertoefd, weder verplaatst in het land van sneeuw
en grijze luchten, moest hij tijd hebben om zich daar weer in te leven.
Het wederzien der zijnen had zijn hart goed gedaan en hem uitermate
verheugd; vooral was zijn jongste broeder Hans een reden tot blijdschap
geweest. De knaap had bij den ouden Wolgemut veel geleerd en het bewijs
geleverd, dat er een uitstekend kunstenaar in hem stak, van wien men
kon verwachten, dat hij onder de leiding van zijn ouderen broeder zich
nog verder zou ontwikkelen en hem een goede hulp worden. De leegte,
die den teruggekeerde in den vreemde voelde, werd hier in zijn tehuis
aangevuld, doch den kunstenaar ontbrak iets; aan zijn scheppingskracht
ontbraken de ware drang en bezieling.
In Maart kreeg hij weer een opdracht van zijn vroegeren begunstiger,
den keurvorst Frederik van Saksen, die een nieuwe paneelschildering
van hem begeerde, voorstellende hetzelfde onderwerp, dat Dürer eenige
jaren geleden in houtsneden had behandeld; de marteling der tienduizend
onder Koning Sapores van Hongarije. Dürer maakte daarvoor een ontwerp
en teekende de schets, maar hij voelde, dat de echte bezieling hem
ontbrak en stelde de uitvoering telkens weer uit.
Ook de ontwakende lente was niet in staat om hem te bezielen, en in het
midden aan den zomer bleek het wat het was, dat hem in dien toestand
had gebracht. Op zekeren morgen kon hij het bed niet verlaten, omdat
hij door hevige hoofdpijn werd gekweld. Terstond liet zijn bezorgde
vrouw den dokter halen, en deze wist langen tijd niet welke ziekte hem
aan zijn leger kluisterde en waaruit zij voortkwam; de medicijnen,
die hij klaar maakte, bleven zonder eenige uitwerking op de koorts,
die reeds terstond in hevige mate was opgekomen en naar niets wilde
luisteren. De zieke nam verontrustend in krachten af, omdat hij niets
wilde eten, doch voortdurend begeerde te drinken.
Pirkheimer, die van zijn reis voor stadsbelangen was teruggekeerd,
ontstelde toen hij zijn vriend in dezen toestand terug zag en zorgde
er voor, dat er een tweede geneesheer werd geraadpleegd, in wien hij
bijzonder veel vertrouwen had.
En werkelijk, het gelukte dezen arts de koorts te bedwingen, zoodat
de kranke na eenige dagen kalm werd en kon slapen--zelfs begeerde hij
voor het eerst weer iets te eten, en zijn huisgenooten herademden na
deze lange, bange dagen. Toch ging er nog een geheele week voorbij,
voordat de zieke het bed mocht verlaten en hij voelde zich toen nog
zoo zwak, dat hij nauwelijks een voet kon verzetten.
Wat was dat edel, schoonbesneden gelaat smal en bleek geworden, en hoe
doorschijnend waren die vermagerde handen. Het kostte Vrouwe Agnes
moeite haar tranen te bedwingen, toen zij hem zoo in zijn stoel zag
zitten en haar hart voelde zich met innige, warme liefde getrokken
tot hem, wien zij haar teederste zorgen wijdde.
Deze trouwe toewijding deed den kranke goed en hij dankte God in stilte
voor deze ster in den donkeren nacht. Zijn krachten namen merkbaar
toe en tegen het eind van Augustus was hij in zooverre hersteld,
dat hij weer aan den arbeid kon gaan.
Naar lichaam en geest gesterkt, ging toch het werk slechts langzaam
van stapel.
Misschien was 't het onderwerp, dat hem niet genoeg wist te bezielen,
want een terechtstelling van vele duizenden op de afschuwelijkste
wijze was ook weinig verkwikkelijk! Het kwam er op aan door de
wonderen der kunst het afgrijselijke hiervan te bedekken; en zie,
hoemeer moeite de kunstenaar zich gaf, om dit doel te bereiken,
des te grooter werden ook zijn bezieling en scheppingskracht. Toch
ging de arbeid langzaam voort, omdat hij dikwijls ander schilder-
of teekenwerk onder handen nam; en toen hij de laatste hand er aan
legde, was er bijna een jaar voorbijgegaan.
De schepper van dit kunstwerk voelde zich bevredigd en verheugde
zich in den lof der kenners, die vooral de handigheid bewonderden,
waarmee de kunstenaar het oog tot de afzonderlijke groepen wist te
trekken, zoodat het vreeselijke van het geheel niet te veel de aandacht
trok. Op den voorgrond ziet men den koning met zijn gevolg in turksche
kleederdracht. Op het tweede plan staan palen opgericht, waaraan de
heiligen zijn gebonden; rechts daarvan gaan een menigte ontkleede
gevangenen een hoogte op, van waar de martelaars in den afgrond,
vol spiezen en stokken, worden geworpen. Links worstelen een aantal
bloedgetuigen aan het kruishout met den dood en daarnaast legt een
ander zijn hoofd op een blok, terwijl daar om heen een groote schare,
waaronder ook een bisschop, op hetzelfde lot wacht.
Terwijl nu iedereen het tentoongestelde stuk bewonderde, had Dürer
reeds een ander groot schilderij in zijn geest voorbereid, waartoe hij
zich nu met hart en ziel aan het werk zette. Hij had een bestelling
uit Frankfort gekregen om voor het altaar van den H. Thomas in de
kerk der Dominicanen een schilderij te leveren.
Den man, die het had besteld, had hij in Neurenberg persoonlijk
leeren kennen; het was de rijke lakenwever Jacob Heller, iemand,
die uit bijzonderen angst voor zijn zieleheil er op uit was om door
allerlei goede werken den duur van het verblijf in het vagevuur
te verkorten. Voor 130 Rijnsche guldens zou Dürer dit aan de kerk
beloofde altaarstuk schilderen. Dadelijk, nadat hij het voor den
keurvorst bestemde schilderij had voltooid, ging Dürer aan den
arbeid. Het zou een vleugelaltaarstuk worden: het middelste paneel,
dat ook het voornaamste was, moest de hemelvaart van Maria voorstellen,
de rechtervleugel den marteldood van Jacobus en de linker dien van
de H. Catharina.
Dürer was nog niet ver er mee gevolgd, toen hij zich verplicht
voelde om aan Heller, die reeds op spoed begon aan te dringen, te
schrijven, dat de schilderij zooveel tijd en zorg vereischte, dat
hij op een prijsverhooging tot 200 gulden, moest aandringen. Doch hij
beloofde daarbij, dat geen vreemde hand iets aan het middenstuk zou
schilderen. Heller, die hierin zijn koopmansgeest niet verloochende,
was hierover erg ontsticht; maar toen Dürer hem antwoordde, dat hij
het schilderij wilde houden, omdat hem honderd gulden meer daarvoor
was geboden, sloeg hij een anderen toon aan.
Niettegenstaande deze onaangenaamheden ging het werk goed en vlug
van de hand, en de bekwaamheid, die Hans bij zijn medewerking aan de
zijvleugels aan den dag legde, droeg er niet weinig toe bij om zijn
opgewektheid in dit kunstwerk te vermeerderen.
De winter ging voorbij; de lente kwam en tegen Paschen was
het middenste zoover gevorderd, dat er weinig meer aan ontbrak,
en nu reeds baarde het alom in de stad groot opzien. Dürer werd
meermalen door nieuwsgierigen gestoord; vele raadsheeren kwamen om
hem hun oprechte hulde aan te bieden en ook de vreemdelingen, die te
Neurenberg kwamen, verzuimden niet om hem op te zoeken. Sommigen boden
hem groote sommen en wilden met alle geweld het schilderij bemachtigen,
waardoor duidelijker dan ooit bleek, hoe hoog de Neurenberger meester
ook in den vreemde stond aangeschreven. Op den derden Paaschdag
verzamelde zich in alle kerken der stad het volk om de mis van den
Heiligen Geest te hooren; na het einde van het koorgezang vermaanden
de priesters de menigte tot bidden en werd God aangeroepen om Zijn
zegen te geven over hetgeen op het raadhuis zou geschieden, opdat
daar tot regenten zouden worden gekozen mannen, die aan wijsheid en
verstand ook godsvrucht paarden.
Na het einde van den dienst werd de klok van het raadhuis geluid en
kwamen de raadsheeren bijeen voor hun gewichtige taak, waarvan de
uitslag den volgenden dag aan de burgerij zou worden meegedeeld.
Bij het vallen van den avond ging Albrecht Dürer, gekleed in
zijn kostbaren, met marterbont omzoomden mantel, met zijn vrouw,
die eveneens in feestgewaad was gehuld, uit in de richting van de
Thiergärtnerpoort, om daar het groote huis, over welks aankoop Dürer
met den eigenaar in onderhandeling was, nog eens nauwkeurig te gaan
opnemen. Het was het hoekhuis in de Zistelstraat met het front naar
het oosten.
Op het oogenblik dat het echtpaar naar buiten trad, kwam de heer
Imhoff, het hoofd van een der aanzienlijkste Neurenbergsche families,
haastig op hen toegeloopen en stak hun beide handen toe. Zijn gelaat,
dat gewoonlijk zulk een ernstige en barsche uitdrukking had, zag er
nu bijzonder gelukkig en tevreden uit.
"Wees gegroet, waarde Meester en ook gij, geachte Vrouwe! Ziet,
met welk een gouden gloed de zon den hemel kleurt, als wilde zij een
schoonen dag met een schoon besluit kronen. Zij ziet er zoo tevreden
uit, alsof zij zich verblijdt over de stad Neurenberg, die zich heden
van een eereschuld heeft gekweten. Houdt u maar goed." Daarop ging
hij verder.
Dürer zag hem verbaasd na en mompelde voor zich heen: "Wat scheelt
dien man? Wat kan er toch gebeurd zijn?"
Terwijl zij daar nog stonden, kwam er weder een heer met groote
stappen op hen aan; het was Wilibald Pirkheimer. Ook zijn gelaat had
een vreemde expressie, ook zijn oogen schitterden en op zijn vriend
losstormend, trok hij hem mee naar binnen in het voorhuis en viel
hem om den hals met de woorden: "Geluk gewenscht, heer collega!"
Nu werd Dürers verwarring nog grooter: "Wat is er toch gebeurd? Eerst
doet de heer Imhoff zoo wonderlijk en zegt onbegrijpelijke dingen
en nu doet gij nog veel dwazer! Kunt gij, beiden, dan geen goed
verstaanbare taal meer spreken?"
Vroolijk klopte Pirkheimer zijn vriend op den schouder. "Alles op
zijn tijd, zegt koning Salomo. Laten wij vandaag maar eens dwaas zijn,
morgen is het weer tijd om verstandig te praten. Houdt u maar goed!"
Met deze woorden ging ook hij verder.
Dürer bleef nog een oogenblik met zijn vrouw in het voorhuis, alsof
hij nog een derden dwaas verwachtte; daarop gingen zij samen uit en
vergaten spoedig dit wonderlijke geval, toen zij aan het doel van
hun wandeling dachten.
"Ik verheug mij hartelijk op den dag, waarop wij onze nieuwe woning
zullen kunnen betrekken," sprak Dürer. "Want hoewel wij meer ruimte
hebben gekregen sinds vader is heengegaan, is het oude huis toch
wel wat klein. God zij gedankt, dat Hij ons zoo heeft gezegend,
voornamelijk door hetgeen ik in het buitenland heb verdiend, dat
ik twee jaar geleden, de schuld, die op ons huis rustte, heb kunnen
aflossen!"
"Ja, het was wel klein, ons oude huis," zei Vrouwe Agnes, "maar het
waren toch gelukkige jaren, die wij daarin doorbrachten. Moge de Heer
ons even rijkelijk zegenen in onze nieuwe woning!"--
Het was een statig gebouw, het huis op den hoek der Zistelstraat,
met den voorgevel naar het ruime plein gericht. De vorige eigenaar,
de sterrekundige Bernhard Walter was gestorven en nu wilden zijn
erfgenamen het huis verkoopen en de opbrengst onder elkaar verdeelen.
Dürer werd het voorloopig eens met den zaakgelastigde, nadat hij
het huis nog eens nauwkeurig had bezichtigd en keerde daarna met
zijn vrouw in de beste stemming huiswaarts. Den volgenden morgen
werd de uitslag van de raadsverkiezing openbaar gemaakt. Kort daarop
begaven zich de beide heeren, die de hoogste betrekking in den raad
bekleedden naar de woning van Albrecht Dürer, juist op het oogenblik,
dat hij naar zijn werkplaats was gegaan. Zij kwamen om den meester,
die nu eensklaps vermoedde, wat er den vorigen dag was gebeurd,
mee te deelen, dat de stad Neurenberg niet wilde, dat men haar kon
verwijten een harer burgers de eer te onthouden, die hem toekwam en
dat men daarom meester Dürer, wiens roem wijd en zijd was verbreid,
tot raadslid had verkozen.
Blozend als een jonkvrouw stond daar de meester, die op deze wijze werd
gehuldigd en hij vond in zijn verwarring slechts enkele onsamenhangende
woorden van dank. Maar toen de heeren weg waren, viel Agnes, die alles
had gehoord, haar echtgenoot om den hals, drukte hem tegen zich aan
en omhelsde hem met tranen in de oogen, terwijl zij fluisterde:
"Uw vreugde is mijn vreugde, uw eer is mijn eer!"
Albrecht Dürers hart begeerde geen ijdele eer, maar de vriendschap
en hartelijkheid, die men hem zoo duidelijk met deze verkiezing had
bewezen, deden hem goed en waren een nieuwe spoorslag voor zijn
scheppend genie. Het schilderij, voor Frankfort bestemd, naderde
zijn voltooiing; nog eenmaal werd zijn arbeid onderbroken door de
verhuizing in Juni naar het huis bij de Thiergärtnerpoort--toen was
het klaar en kon Dürer zijn monogram er onder zetten.
Hij voelde zich gelukkig door deze nieuwe schepping, die hem innig lief
was en waarvan hij met moeite scheidde. Bezield met teedere bezorgdheid
voor zijn werk, zette hij zich neder om een brief er bij te schrijven:
"Mijn eerbiedige groetenis, zeer waarde en hooggeachte Heer Heller!
"Nu is de geduldsproef, waartoe ik u heb moeten dwingen, geëindigd en
ontvangt gij het door u bestelde schilderij. Het doet mij genoegen,
dat Frankfort de plaats van bestemming is; er is geen plaats in
Duitschland, waar ik het liever zou zien. Het is geschilderd met
de beste verven, die ik heb kunnen bemachtigen, en is met goede
ultramarijn over- en opgeschilderd, wel vijf of zesmaal, en toen het
klaar was, heb ik het nog tweemaal overgeschilderd, opdat het lang
goed zou blijven. Indien gij het goed rein houdt, ben ik overtuigd,
dat het vijfhonderd jaar kleur houdt, want het is op andere wijze,
dan waarop men het gewoonlijk doet, geschilderd. Zorg er dus voor,
dat het schoon wordt gehouden, dat men het niet aanraakt en het
niet met wij water besprenkelt. Over twee of drie jaar kom ik zelf,
om het op bijzondere wijze te vernissen, dat verzekert haar duur
nog wel honderd jaar langer. Ik verzoek u dringend, dat gij niemand
toestaat om het te vernissen, want het zou mij zeer spijten, dat
een werk, waaraan ik langer dan een jaar heb gearbeid, daardoor werd
bedorven. En wees zelf bij de plaatsing tegenwoordig, opdat het stuk
niet worde beschadigd, terwijl ik u vriendelijk verzoek er voortdurend
op te blijven letten." [21]
Geheel Frankfort verdrong zich naar de Dominicanerkerk, toen het
in de stad bekend werd, dat de schilderij, die door Jacob Heller
was geschonken, was aangekomen en op het altaar van den H. Thomas
prijkte! Iedereen was vol geestdrift, vooral de gever zelf, die bij
den bedongen prijs nog een kostbaar gouden sieraad voor Vrouwe Agnes
voegde. Dürer had in zijn "leven van Maria," hetzelfde onderwerp
behandeld, maar welk een ontzettend groot verschil tusschen de
kleine, zwarte houtsnede en het groote, van kleuren schitterende
altaarstuk! In Italië verkondigde het Rozenkransfeest des meesters
roem, maar op vaderlandschen bodem sprak dit tweede werk nog luider,
want de schilderij te Frankfort overtrof die van Venetië door de
levendige actie van alle figuren en de groote zuiverheid der teekening.
In een kring staan de apostelen geschaard om het geopende
graf van Maria, met een uitgestrekt, heerlijk landschap op den
achtergrond. Johannes in het wit gekleed, buigt zich over de groeve,
waarin hij staart. Rondom het graf staan sommige der apostelen, andere
liggen geknield en allen heffen het gelaat hemelwaarts. De met groote
zorg afgewerkte schilderachtige drapeering hunner gewaden, wedijvert
in schoonheid met de fijn gevoelde kleurschakeering, die elk oog,
ook het minst ontwikkelde, in verrukking moet brengen. Boven in de
wolken des hemels zweeft Maria, die ten hemel vaart; zij heeft een
blauw gewaad aan en een witte sluier omgeeft haar. Aan weerszijden
houden God, de Vader, en Christus, de Zoon, de kroon des levens boven
haar hoofd. God is voorgesteld als een vriendelijke grijsaard in goud
en geelbruin kleed en Christus in purper gewaad als een overwinnaar
en als de Rechter der wereld. Boven deze groep verschijnt in hellen
lichtglans de H. Geest in den vorm eener duif, terwijl rondom een
koor van engelen hun halleluja's met harpspel begeleiden.
Dit is het middenstuk van het altaarschilderij, het hoofdmotief van
het geheel. De twee zijvleugels, het martelaarschap van Jacobus en
van de H. Catherina voorstellend, en met de beeltenissen van den gever
Jacob Heller en van zijn vrouw Catherina von Mehlen versierd, stonden,
hoe voortreffelijk ook van teekening, in de uitvoering achter bij
het middenvak. Zij waren dan ook slechts als bijwerk bedoeld, maar
juist daardoor waren zij geschikt om het effect van het voornaamste
gedeelte te verhoogen.
Terwijl geheel Frankfort nog in verrukking was over het meesterstuk
van den Neurenberger kunstenaar en hem luide prees, was diens hand
alweer bezig aan een nieuw, groot werk. Een Neurenbergsche burger
had hem een altaarschilderij besteld voor de kapel van het door
hem opgerichte Twaalfbroedershuis. En met waar genot greep Dürer
deze gelegenheid aan om zijn geboorteplaats metterdaad zijn dank te
bewijzen voor de eer hem aangedaan, om hem tot raadslid te verkiezen
en nu een kunstwerk te scheppen, dat al de vorige nog zou overtreffen.
Wel had hij zich voorgenomen geen groote paneelschilderingen meer
te leveren, omdat de geringe sommen, die men er voor betaalde,
tijd en moeite niet beloonden en hij daardoor weldra in geldelijke
moeilijkheden zou komen; daarom was hij van plan in het vervolg
voornamelijk zijn kunst in houtsneden, kopergravuren en etsen te
geven, op welk gebied hij nieuwe vorderingen en ontdekkingen had
gemaakt. Maar het was hem, om den genoemden reden, onmogelijk de
opdracht van meester Mattheus Landauer te weigeren en daarom besloot
hij zijn minder omvangrijken arbeid voor de avonduren te houden,
hoewel dat bij het walmende kaarslicht zeer inspannend moest zijn. Door
den vurigen wensch om zijn geboorteplaats het beste, wat hij had, te
geven, kreeg zijn geest nieuwe gedachten en ontving zijn genie nieuwe
openbaringen. En had hij reeds zijn uiterste zorg aan het Frankfortsche
schilderij besteed, hier steeg die tot in het overdrevene.
Reeds de vorm van het werk was nieuw. Het was geen vleugelaltaarstuk,
maar een enkel paneel met een lijst, die de kunstenaar zelf had
ontworpen en gemodelleerd. Dit bouwkunstig prachtwerk was uit
hout gesneden en op zich zelf een meesterstuk. Op het vak in het
ronde bovenstuk der lijst zit de Heiland, als Rechter der wereld,
tusschen Johannes en Maria, terwijl op de beide hoeken twee engelen
de bazuinen van het jongste gericht blazen. Daaronder op de fries ziet
men het oordeel der wereld afgebeeld, de scheiding tusschen boozen en
goeden. Dit bovenstuk wordt gedragen door twee Corinthische zuilen,
met bewonderenswaardige fijnheid uitgevoerd.
Dürer had voor de schilderij, die in deze heerlijke omlijsting zou
worden gevat, hetzelfde onderwerp gekozen als Rafael terzelfde tijd
te Rome, namelijk: de aanbidding der H. Drievuldigheid. Doch welk
een verschil tusschen zijn opvatting en die van den Italiaan! Rafael
schilderde voor de aanzienlijken en geleerden; Dürer voor allen,
die met een beangst en verslagen hart troost bij den Heer zoeken;
hij beoogde niet aesthetisch genot, maar wilde door zijn werk het
gebroken hart genezen en bemoedigen en leverde dus dat, wat een
waar altaarstuk moet zijn: een prediking in kleuren, een troost voor
vermoeiden en belasten.
En hoe goed was hem nu zijn prediking gelukt! Er lag een gouden
gloed, als ochtendzonneschijn in Mei op de schepping, over het
geheel verspreid. Alles schijnt bovenaardsch, het is alsof men
niet met tastbare verf te doen heeft, maar alsof het een hemelsch
luchtbeeld is. En de groepeering van het geheel! Het oog wordt niet
getrokken door afzonderlijke deelen, maar het kan het geheel met één
blik omvatten, zooveel harmonie is er in de rangschikking, zooveel
eenheid in de stemming, die er in ligt uitgesproken! En nu de wemelende
menigte der zaligen des hemels, die de H. Drievuldigheid aanbidden,
evenals de Christengemeente op aarde, van den paus en den keizer af
tot den landman met zijn dorschvleugel toe--hoe weerspiegelt op al
die verschillende gezichten dit eene gevoel, dat aller hart bezielt,
de jubel van het schepsel over de teweeggebrachte verlossing! En
eindelijk, hoe eigenaardig is de opvatting en het weergeven van het
goddelijk geheim der Drievuldigheid: God, de vader, boven wiens hoofd
de H. Geest in de gestalte van een duif zweeft in stralenden glans,
houdt naar beneden de groote, zalige verborgenheid; het bloedende en
stervende Lam Gods aan het kruis genageld!
Deze schilderij maakte een overweldigenden indruk. Behalve de
stadgenooten kwamen ook vele vreemdelingen om dit hooggeprezen wonder
van menschelijke kunst met eigen oogen te zien, en met diepgevoelde
voldoening en vrome dankbaarheid jegens God, die hem deze heerlijke
gave had verleend, zag de meester op het gelaat der beschouwers dat
wat hij had begeerd te voorschijn te roepen, weerspiegeld: vroomheid
en aanbidding.