BEDWELMENDE WIEROOK.

Op een stillen, somberen Novembermorgen voeren eenige gondels het

"Canale grande" af. In pronkgewaad gehuld, alsof men op weg naar een

feest was, deed de groep kunstenaars, die Dürer te Venetië om zich

had verzameld, hem uitgeleide op zijn reis naar Bologna.

Het was zijn hartewensch geweest, Rome, die stad der steden, het

paradijs der kunst, te zien, en het scheen, dat deze wensch zou worden

vervuld, daar het bericht kwam, dat Keizer Maximiliaan een bedevaart

naar Rome wilde ondernemen, waarbij hij zich wilde aansluiten. Doch

dit voornemen van den keizer kwam niet tot uitvoering en Dürer moest

zijn plan opgeven. Ook was hij zoo gaarne naar Mantua gegaan, om zijn

leermeester Mantegna te bezoeken. Zoo gauw zijn altaarstuk klaar was,

wilde hij daarheen gaan, toen op den dertienden September het bericht

kwam, dat de grijsaard was gestorven. Nu besloot hij naar Bologna

te gaan, omdat hij wist daar gelegenheid te hebben om nog meer te

leeren en vooral de geheimen der perspectief te doorgronden. Niet

dat hij daarvan niet op de hoogte was, maar het was hem te doen om

zekere practische voordeelen tot vergemakkelijking der mechanische

constructie, waarop de kunstenaars van Bologna bijzonder trotsch waren,

en die zij angstvallig geheim hielden.

Hij nam zijn weg over Ferrara. Tot zijn groote verbazing werd Dürer aan

de poort der stad door een groot aantal der aanzienlijkste inwoners

opgewacht en begroet. Ricardo Sbroglio, die uitstekende geleerde,

ontrolde een blad perkament en droeg een lang gedicht voor, vol

uitbundigen lof over den Duitschen meester, die zijn wangen voelde

gloeien en niet wist, waarheen hij zijn oogen moest wenden. Wel was

hij in Venetië reeds aan overmatige loftuigingen gewend, maar hier was

het toch nog erger. Natuurlijk liet men hem niet dadelijk vertrekken;

hij moest een geheelen dag blijven en men bood hem een gastmaal aan

in het stadhuis.

Den volgenden dag deed men hem in optocht uitgeleide en een der

edelen liet er zich niet afbrengen hem te vergezellen en met hem

Bologna binnen te rijden.

Toen zij de stad naderden, bemerkte Dürer, dat men ook daar op de

hoogte van zijn komst was. Aan de poort stond eveneens een groote

menschenmassa en toen hij dichter bij kwam, zag hij van de met groen

en bloemen versierde stadspoort bonte vlaggen wapperen.

In de voorste rij van de verzamelde menigte stonden de, in Bologna

woonachtige, kunstenaars. Dürers gelaat teekende blijdschap, toen

hij aan de spits der schilders een bekend gezicht zag en nog wel

het gezicht van een stadgenoot, Christoffel Scheurl, den Duitschen

thesaurier aan de universiteit van Bologna. Het huis, waarin hij

was geboren, stond in Neurenberg "onder de veste" schuin tegenover

Dürers huis. Hij was drie jaar jonger dan deze en behoorde tot diens

vurigste bewonderaars.

Nu had er een hartelijke begroeting plaats, waarna de kunstenaars en

edelen aan de beurt kwamen; zij voerden Dürer in triomf mee naar de

markt en noodigden hem uit de gildekamer der schilders binnen te gaan,

waar de eigenlijke ontvangst zou plaats hebben. Het deed Dürer goed,

die gezichten, waarop zooveel welgemeende hartelijkheid en oprechte

bewondering te lezen stond, om zich heen te zien.

Op een wenk van den ouden Francesco Raibolini trad een jonge man

vooruit, ook een schilder, Luca Pacioli geheeten: een statige gestalte

met schitterende oogen en lange, golvende, ravenzwarte haren. Hij sprak

Dürer aldus aan: "Heil wedervaart heden onze stad Bologna, nu zij zulk

een gast binnen haar muren mag zien, een man met een stralenkrans

van roem en eer gesierd, en die, waar hij ook komt, triomfen viert

en iedereen bewondering afdwingt. Wij buigen ons ootmoedig voor u,

Meester Albrecht Dürer, den grootsten schilder der wereld, die is

gekomen op een hoogte, die niemand ooit heeft bereikt, of immer zal

bereiken. Bologna heeft Venetië haar hoogen gast benijd--nu is dit

niet meer noodig, nu de meester der meesters het niet beneden zich

heeft geacht ook Bologna's poort binnen te komen--en het sterven zal

ons gemakkelijker vallen, nu wij hem, naar wien ons hart zoo lang

heeft verlangd, hebben mogen aanschouwen. Wees welkom, Meester Dürer,

wees duizendmaal welkom in onze goede stad!"

Op deze woorden volgde een diepe stilte: Dürer, in verwarring

gebracht door dien bombast en overdreven lof, welke dien te Ferrara

nog overtrof, wist zoo dadelijk niet wat te antwoorden. Gelukkig kwam

de oude Raibolini hem te hulp, doordat hij op hem toetrad en hem op

vaderlijke wijze de hand drukte, zeggende:

"Pacioli heeft in ons aller naam gesproken, laten wij u nu ieder

afzonderlijk de hand mogen drukken als zegel op hetgeen hij heeft

gezegd."

Ook de anderen traden op hem toe en nu werd Dürer weer zich zelf, en

kon hij hen danken op Duitsche manier, dat is op rustige, bedaarde

wijze, die om het ongewone daarvan op zijn bewonderaars een diepen

indruk maakte en hun bewezen, hoe bescheiden die door hen zoo hoog

geroemden en vergooden kunstenaar was.

Meester Dürer bleef verscheidene weken in de stad, waar men het niet

moede werd, hem voortdurend te huldigen, totdat hij onder Pacioli's

leiding zooveel had geleerd als hij begeerde. Daarop nam hij afscheid

en keerde naar Venetië terug.

Nu eerst brak voor hem de tijd aan, dat hij zich vrij kon bewegen

en den drang van zijn genie volgen, want nu hij zijn opdracht had

vervuld en de Bartolomeuskapel met zijn altaarstuk prijkte, kon

hij schilderen, wat hij wilde. En naar hartelust hanteerde hij nu

penseel en graveerstift, terwijl zijn geldbuidel dagelijks meer werd

gevuld. Met gerustheid kon hij zich aan zijn lust tot scheppen en aan

het gezellig samenzijn met Venetiaansche kunstbroeders overgeven, want

de berichten van zijn gezin waren steeds gunstig. Door zijn vriend

Pirkheimer vernam hij, dat de pest reeds sinds lang had opgehouden

haar offers te eischen en dat al de zijnen goed gezond waren. Dit en

nog andere berichten verblijdden hem zeer.

Op deze wijze ging de laatste tijd van het jaar voorbij.

Toen men evenwel het nieuwe jaar was ingetreden, werd zijn

verlangen naar de zijnen hem te machtig en besloot hij te vertrekken,

niettegenstaande de pogingen der Signoria, die hem door het aanbieden

van een jaargeld van tweehonderd dukaten, trachtte over te halen,

te Venetië te blijven. Doch Dürer weigerde, hoe zwaar het hem ook

viel, te scheiden van de stad, waar men hem op de handen had gedragen

en van dit land, waar de zon zooveel helderder scheen en de kleuren

zooveel meer gloed bezaten dan in het koude noorden. De vriendschap,

die men in deze dagen hem in dubbele mate bewees, maakte hem het

scheiden nog moeilijker. Daarom verblijdde het hem te hooren, dat de

handelsreizigers, bij wie hij zich op de terugreis wilde aansluiten,

's morgens vroeg op weg gingen, want hij hoopte, dat het afscheid

daardoor in alle stilte zou plaats hebben. Maar daarin zag hij zich

teleurgesteld; het was bekend geworden op welk uur hij van plan was

heen te gaan, en zoo moest hij zich laten welgevallen, dat een groote

menigte vrienden en vereerders hem uitgeleide deed tot ver buiten de

poort der stad.

Het kostte hem moeite om bij de laatste groeten en handdrukken zijn

aandoening te bedwingen en toen hij op grooten afstand nog eenmaal

het hoofd omwendde naar de stad Venetië, die juist schitterde in het

purper en goud der opgaande zon, was hij zich niet langer meester en

er blonk een traan in zijn oog.

Albrecht Dürer: Een levensbeeld · 第 40 / 70 题