Op een Septembermorgen van het jaar 1502 trad een aanzienlijk man,
de patriciër Löffelholz Dürers werkplaats binnen.
"Is meester Dürer niet thuis?" vraagde hij aan de gezellen. "Hoe
komt het, dat hij, die anders zoo stipt is, zijn woord niet heeft
gehouden? Ik wacht reeds drie dagen op de schilderij, die ik bij hem
heb besteld."
Schäufelein, die het dichtst bij stond, haalde de schouders op.
"Gij zult nog een weinig geduld moeten hebben, edele heer, wij kunnen
er niets aan doen. De meester wil volstrekt niet, dat wij er aan
werken, hij wil het geheel zelf afmaken."
"Nu, waarom maakt hij daarmee dan zoo weinig haast?" vraagde
Löffelholz.
"Hij is de laatste dagen bijna niet in de werkplaats te zien, omdat
hij andere plichten heeft te vervullen."
"Wat voor plichten?"
"Zijn plicht als zoon. Reeds lang is de oude meester Dürer bedlegerig
en zeer hulpbehoevend en ellendig. Vrouwe Barbara en Vrouwe Agnes
hebben hem tot nu toe liefderijk opgepast, maar een paar dagen geleden
is hij zoo erg geworden en het is niet meer alleen zijn oude kwaal,
maar nog andere ongesteldheden er bij, die hem kwellen en dubbele
verpleging eischen. De beide vrouwen hebben zooveel van haar krachten
gevergd, dat zij zich nauwelijks meer op de been kunnen houden en
daarom heeft de meester een deel der verzorging op zich genomen en
vooral het waken 's nachts; dan kunnen de vermoeiden een weinig rust
nemen. Maar daardoor is hij overdag niet alleen te vermoeid om te
werken, maar zijn geest is er ook niet toe gestemd, want de zorg en
kommer drukken hem ter neer. Gij moet weten, dat er slechts zelden een
zoon zal worden gevonden, die zoozeer met hart en ziel aan zijn ouden
vader is gehecht als onze meester. Hij heeft dan ook trouw voor hem
in zijn ouderdom gezorgd, en in zijn zorgen zich zelf geheel vergeten."
"Ik wist het," viel Löffelholz den gezel in de rede, "het is overbekend
hoe goed meester Dürer voor zijn ouders en broeders is. En nu heb ik
waarlijk spijt over mijn ongeduld en zal ik kalm afwachten, totdat
de meester in staat is, het schilderstuk af te maken." Toen ging hij
groetende weg.
Op straat gekomen, drong door het open venster van de kamer uit het
benedenhuis een luid steunen en zuchten tot hem door; hij begreep nu
welke bittere pijnen en smarten de oude meester had door te staan.
En werkelijk de grijsaard lag in hevig lijden op het ziekbed neer;
zijn zoon zat bij hem en trachtte hem het lijden zooveel mogelijk
te verzachten door zijn pijnlijk lichaam met zachte kussens te
ondersteunen en hem nu en dan een glas kostbaren wijn uit Istria te
laten drinken.
Daarna werd de zieke rustiger. Hij keerde het aangezicht naar den
muur en sliep in--toen stond zijn zoon zachtjes op en deed de deur
open om de frissche lucht naar binnen te laten stroomen.
Intusschen kwam Vrouwe Agnes en even daarna Vrouwe Barbara binnen,
die eenige uren hadden geslapen en nu meester Albrecht kwamen aflossen.
Hij weigerde echter en sprak vriendelijk: "Laat mij hier blijven,
ik verlaat vader nu liever niet."
En zoo bleven alle drie in de kamer zacht met elkaar fluisteren,
om den kranke niet te storen. Er hingen in het zieke vertrek twee
geschilderde portretten van den ouden meester Dürer. Beide waren door
Albrecht gemaakt, het eene op het eind zijner leerjaren, toen zijn
vader betrekkelijk nog in de kracht zijns levens was, en het andere
bij zijn terugkomst uit den vreemde, om aan zijn vader te laten zien,
wat hij daar had geleerd. Het laatste portret vertoonde het gelaat
van een zeventigjarigen grijsaard, waarop de tijd zijn verwoestenden
invloed had uitgeoefend, want het was vol rimpels en de oogen hadden
een zeer vermoeide uitdrukking.
Vrouwe Barbara had de portretten uit de woonkamer laten nemen, om
ze in dit vertrek op te hangen. Nu viel haar oog op de beeltenissen
en ze zuchtte diep, toen ze zei: "Ach, hoe broos en vergankelijk is
toch het leven van den mensch!"
Albrecht knikte haar toe en sprak na eenige oogenblikken: "Het
lichaam vergaat tot stof en asch, maar de rechtvaardige blijft in
gedachtenis. Mijn goede vader is steeds een deugdzaam, vroom man
geweest, dat is zeker en niemand heeft dat in ruimer mate ondervonden
dan ik. O, ik kan God niet genoeg er voor danken, dat Hij mij zulk
een vader heeft gegeven, die altijd als een voorbeeld van deugd en
vroomheid voor mijn oogen heeft gestaan en mij den goeden weg heeft
leeren bewandelen."
Vrouwe Barbara schreide zacht en na eenige oogenblikken begon ook zij
haar man te prijzen; dankbaar herdacht zij, hoe goed hij altijd voor
haar was geweest in hun lang huwelijksleven.
Een beweging van den zieke trok aller aandacht tot zich; hij was
ontwaakt en scheen iets te willen zeggen, want hij wenkte zijn zoon
toe om dicht bij hem te komen en zijn hand in de zijne nemende, sprak
hij: "Mijn zoon, ik voel dat ik ga sterven, en ik wilde u op het hart
drukken, uw vrome, godvreezende moeder in haar ouderdom niet alleen
te laten, haar, die altijd zulk een trouwe moeder voor u is geweest!"
Albrecht boog zich over de klamme hand zijns vaders en drukte een
kus er op. "Gij behoeft u niet ongerust te maken, lieve vader. Ik ken
mijn plicht en zal dien met Gods hulp zoo goed als ik kan vervullen."
Een dankbare blik uit zijns vaders oogen was zijn belooning.
Maar op hetzelfde oogenblik werd de kranke weder onrustig en begon
op nieuw te steunen; het moest dus wel een ontzettend pijnlijk
lijden zijn, want tot nog toe had de grijsaard zijn smarten met
onvergelijkelijk geduld en gelatenheid gedragen. Hij klaagde over
brandende pijn in de ingewanden en wilde uit het bed komen, ijlende
alsof hij door hersenkoorts werd geteisterd.
Met groote moeite hield men hem in bed en trachtte de pijn te
verzachten door warme doeken op zijn lichaam te leggen, maar het
hielp niet veel en den geheelen dag hadden alle drie het zoo druk,
dat er geen tijd overbleef om iets te nuttigen. Toen de avond viel
kwam de zieke pas tot rust, hij begeerde te drinken en sliep daarna
in. De beide vrouwen drongen er nu bij Albrecht op aan, dat hij naar
zijn eigen kamer zou gaan om een weinig te slapen en nieuwe krachten
voor den volgenden dag te verzamelen, en daar ook de natuur haar
rechten eischte, gehoorzaamde de vermoeide man.
Tot laat in den avond konden de beide vrouwen rustig bij elkaar
blijven zitten, want de kranke verroerde zich niet. Toen richtte hij
zich weer met een angstige kreet overeind en wilde het bed verlaten.
Vrouwe Barbara gaf hem zijn zin, wischte het klamme zweet van zijn
voorhoofd en toen hij om drinken vraagde, gaf Agnes hem een glas
zoeten wijn.
"Dat heeft mij goed gedaan!" zei hij en nu wilde hij weer naar
bed worden gebracht. Nauwelijks lag hij weer in de kussens, of zijn
gelaat onderging plotseling een groote verandering: zijn gelaatskleur
werd geheel anders, zijn oogen zonken in de kassen en schenen reeds
gebroken.
De vrouwen schrokken, toen zij het bemerkten en ijlings stak Barbara
een licht op, om dat aan het hoofdeinde bij den stervende te plaatsen,
zooals toen het gebruik was. Zij wilde daarop de meid naar den kapelaan
sturen, om den zieke van de Sacramenten der stervenden te voorzien,
doch zij zag wel, dat het te laat was en daarom vervulde zij de plaats
van den priester, maakte het teeken des kruises, vouwde de handen en
sprak de woorden van St. Bernardus, het gewoone gebed der stervenden.
Ondertusschen snelde de meid op een wenk van Vrouwe Agnes, die den
zieltogende in haar armen hield, naar boven om meester Albrecht
te roepen.
In aller ijl kleedde hij zich aan en snelde in grooten angst de trap
af. Toen hij echter de kamer in kwam, had zijn brave vader reeds
den laatsten adem uitgeblazen en drukte Vrouwe Barbara den doode de
oogen toe.
Albrechts smart was groot en hij verweet zich bitter, dat hij het
laatste uur had geslapen, maar zijn moeder trachtte hem te troosten
met de woorden: "Stel u gerust, mijn zoon, want al waart gij hier
geweest, dan zoudt gij hem het sterven toch niet gemakkelijker hebben
kunnen maken dan het is geweest. Laten wij God danken, die hem zulk
een zalig, kalm sterfbed heeft gegeven!"
Daarop ging Albrecht naar het bed van den doode, keek langen tijd
met eerbiedig gevouwen handen naar het vriendelijke, rustige gelaat
en fluisterde biddend:
"Ave, pia anima. Requiem aeternam da ei, Domine, et lux ei luceat
perpetua!" [16]
Het was de avond voor St. Mattheus van het jaar 1502 tegen middernacht
dat de oude meester Dürer op vijf-en-zeventig jarigen leeftijd tot
zijn vaderen werd verzameld.
Den volgenden dag werd onder klokgelui en onder het geleide van het
geheele goudsmidsgilde het lijk op het Sebalduskerkhof ter aarde
besteld. Van het hoogaltaar werd de zielmis gelezen en aan de armen
der stad werd brood uitgedeeld. Gedurende drie dagen bleef het zwart
fluweelen lijkkleed op het graf uitgespreid en brandden daarop twee
kaarsen, die door houten kasten tegen den wind werden beschut, terwijl
twee geestelijke zusters den geheelen dag bij het graf bleven om
lijkzangen te zingen en te bidden voor de ziel des afgestorvenen. Dit
alles gebeurde op verlangen van Albrecht, die hiermee zijn vader de
laatste eer wilde bewijzen en toen hij en zijn betrekkingen na den
lijkdienst waren teruggekeerd, nam hij de zorg voor zijn moeder en
zijn jongsten, twaalfjarigen broeder Hans geheel op zich, zooals hij
zijn vader had beloofd en zooals zijn eigen hart hem ingaf.
Zijn broeder Andreas evenwel nam ransel en staf op en trok de wijde
wereld in.