Op een helderen, kouden lentedag van het jaar 1499 stroomde een groote
menigte volks naar de Hallerweide, om daar te genieten van den aanblik,
dien de inspectie van een legerafdeeling aanbood. Keizer Maximiliaan
had een oproeping aan het rijk gedaan om hem manschappen te bezorgen
tegen de Zwitsers, die hij met het zwaard wilde terugbrengen van
hun voornemen om zich aan zijn heerschappij te ontrukken. Terwijl
hij zelf in Tyrol troepen uitrustte en de Zwaabsche bond onder Graaf
Fürstenberg huurlingen wierf, wilde de rijksstad Neurenberg hierin niet
achter blijven. Zij versterkte het keizerlijke leger met vierhonderd
man voetvolk, zestig ruiters en zes stukken geschut. Het gevoel van
kracht, dat in gelijke verhouding steeg met het toenemende algemeene
welzijn, wilde zich nu ook uiten in krijgshaftige verrichtingen en
bij den glans des rijkdoms ook dien des heldenroems voegen.
De vierhonderd voetknechten boden reeds een trotschen aanblik, maar
zij werden overtroffen door de ruiters, gekleed in een schitterenden,
rooden wapenrok. Het volk genoot van dit ongewone schouwspel en keek
met trots naar de bende ruiters, in de zekere verwachting met hen eer
in te leggen in den strijd, vooral nu zij werden aangevoerd door een
man, van wiens moed en veldheerstalent men de hoogste verwachtingen
koesterde: namelijk door Wilibald Pirkheimer, den jongen raadsheer.
Hoe trotsch stapte zijn zwart strijdros, schitterend opgetuigd en met
een blauw met gele zijde gestikt zadelkleed, alsof het voelde, dat het
een eer was den veldoverste te mogen dragen. En hoe schoon zag deze
zelf er uit in den scharlaken wapenrok, het harnas van verguld staal
en den wapperenden, witten vederbos! Aller harten klopten opgewonden,
toen zij hem zagen en hij werd luide toegejuicht, toen hij de troepen
in lange, rechte linie had opgesteld.
Een weinig buiten het gedrang van het volk stond onder een
alleenstaanden lindeboom een man, wiens oogen met gespannen aandacht
het schouwspel volgden. Zoodra de troepen waren opgesteld, nam hij
een stuk perkament en een potlood uit zijn borstzak en ging ijverig
aan het teekenen. Toen na een half uur alles was afgeloopen, leunde
hij nog tegen een boom en teekende nog steeds; daarna stak hij het
perkament in zijn zak en ging naar huis. Die man was Albrecht Dürer.
Verscheidene dagen later begaf hij zich naar de Heerenmarkt en liet,
bij Pirkheimers huis gekomen, den klopper driemaal op de koperen
deurplaat neervallen.
In het voorportaal vond hij de bedienden bezig allerlei toebereidselen
te maken voor den afmarsch, die den volgenden dag zou plaats hebben.
Hij vond zijn vriend in de huiskamer bij zijn jonge vrouw, Vrouwe
Crescentia, om haar in haar smart over zijn aanstaande afwezigheid
moed en troost toe te spreken.
De komst van zijn boezemvriend was Pirkheimer blijkbaar zeer aangenaam
en hij heette hem dan ook hartelijk welkom. Daarop sprak hij: "Meester
Albrecht, help mij mijn bedroefd en beangst vrouwtje bemoedigen; zij
ziet erg op tegen de eenzaamheid, waarin zij moet achterblijven en is
in grooten angst over de krijgsgevaren, die haar echtgenoot dreigen."
Ook Vrouwe Crescentia zag meester Dürer gaarne komen: het ernstige,
waardige en tegelijkertijd het zachtzinnige van zijn persoonlijkheid en
zijn zielenadel hadden zoozeer haar achting en genegenheid verworven,
dat zij hem de eereplaats onder de huisvrienden toekende. En zoo misten
zijn bemoedigende woorden ook nu hun uitwerking niet; zij werd er
stiller en kalmer door, zoodat ze zich reeds spoedig kon mengen in het
gesprek, dat de beide mannen over den aanstaanden veldtocht voerden.
In den loop van het gesprek tastte Dürer in zijn zak, zeggende:
"De monstering der troepen is niet alleen een genot geweest voor mijn
oogen, maar heeft mij ook stof gegeven voor twee kleine, onbelangrijke
teekeningen. Ziet, hier zijn ze!"
Daarop reikte hij de eene aan Wilibald toe en de andere aan Vrouwe
Crescentia. De eerste stelde een vaandrig voor, op wiens in den wind
wapperend vaandel het Andreaskruis [15] van de orde van het heilige
Vlies schitterde; op de andere was St. George afgebeeld, den voet op
den gedooden draak zettende.
Pirkheimer was aangenaam verrast en sprak: "Gij hebt reeds grooter
kunstwerken dan deze geschapen, meester Albrecht; maar toch zie
ik ze met bijzonder veel genoegen, want ik begrijp, wat gij er mee
wilt zeggen. Die vaandrig met zijn wapperende banier moet onzen moed
versterken en Ridder George, met den gedooden draak, predikt ons te
vertrouwen op een goeden uitslag. Ik dank u mijn vriend--ook nu heb
ik uw bedoeling begrepen; nu is de lust tot den strijd zoowel als de
begeerte naar roem nog gestegen." Zij bleven nog langen tijd praten
over den aanstaanden veldtocht onder het genot van een beker wijn en
door hun gesprek werd Vrouwe Crescentia bemoedigd en vertroost. Den
volgenden morgen riep de krijgstrompet de strijders tot den afmarsch.
Zij verzamelden zich wederom op de Hallerweide, spoedig waren de
troepen opgesteld, doch de aanvoerder was er nog niet. Eindelijk kwam
hij aangereden en werd met luid gejuich ontvangen.
Maar voordat hij de legerafdeeling had bereikt, zag hij meester Dürer
in de voorste rij der menigte staan en wenkte hem toe om even bij
hem te komen.
Hij zag er zeer opgewonden uit, zijn wangen gloeiden en zijn oogen
waren rood.
"Ik heb een moeilijk oogenblik achter den rug," zei hij, "het afscheid
viel ons zeer zwaar. Ik dacht, dat Crescentia nu moedig zou zijn
geweest, doch, toen het uur van scheiden was gekomen, begaf haar hare
kalmte en was zij zoo wanhopig, dat ik mij met groote moeite uit haar
omhelzingen moest losmaken. Daarom beveel ik haar in uw vriendschap
aan; heb medelijden met haar, die zoo eenzaam achterblijft en wil haar
troosten en bemoedigen. Misschien kom ik gauw terug, want wellicht zijn
die weerbarstige vlegels spoedig tot rede gebracht; als ik geen bode
tot u zend van het slagveld, dan beteekent dit, dat alles goed gaat;
maar als mij een ongeluk mocht overkomen zal ik het u laten weten,
dan kunt gij het zelf aan Crescentia mededeelen en haar tegelijkertijd
vertroosten en moed inspreken, gij hebt zooveel invloed op haar en zij
heeft in u nog meer vertrouwen dan in haar eigen vader." "Gaarne beloof
ik u alles voor haar te doen, wat ik kan, mijn vriend," verzekerde
Dürer, "maar ik geloof vast en zeker, dat gij mij geen bode zult
toezenden, maar dat gij zelf zult terugkomen met lauweren bekranst."
"Dat geve God!" riep Wilibald; daarop reikte hij zijn vriend de hand
tot afscheid, gaf zijn paard de sporen en stelde zich aan het hoofd
der troepen, die spoedig daarop onder vroolijk krijgsgeschal en luide
heilwenschen en afscheidsgroeten van de menigte op marsch gingen.
Er waren reeds weken verloopen en nog had men niets van de strijders
vernomen. Dit lange stilzwijgen werkte neerdrukkend op aller hart;
de hoop op een zegenrijken uitslag verminderde, in de herbergen,
op de markt of waar ook de menschen gewoon waren samen te komen,
sprak men over niets anders.
Dürer ging dikwijls naar de Heerenmarkt om te zien hoe de vrouw van
zijn vriend zich in haar eenzaamheid hield en om met haar over den
afwezige te kunnen praten. Het deed haar altijd goed, haar beangst
hart te kunnen uitstorten aan iemand, die haar vreugde en kommer
deelde en die het zoo uitstekend verstond bedroefden te bemoedigen
door zijn vriendelijke woorden en zijn vertrouwen inboezemende kalmte
en zielevrede.
Twee maanden waren er bijna verloopen, toen, nadat er reeds allerlei
berichten, die met elkaar in tegenspraak waren, in de stad waren
verspreid, door een reiziger het gerucht werd verbreid, dat het ongeluk
den keizer overal achtervolgde, doordat de hulptroepen op zich hadden
laten wachten, waardoor de Zwitsers in de gelegenheid waren geweest,
elke legerafdeeling afzonderlijk te verslaan. De man verhaalde dat de
Grauwbunderlanders met de Tirolers twee dagen achtereen slaags waren
geweest, waarbij de laatsten het onderspit moesten delven. Daarop waren
de eedgenooten de afdeeling der Zwaben te gemoet gegaan en was het
bij Hardt tot een treffen gekomen. Kort daarop had er een gevecht bij
Bazel plaats gehad, waarbij de Zwitsers weer hadden overwonnen en Graaf
Thierstein met zijn vijfhonderd man den dood zou hebben gevonden. Ook
vertelde hij nog van een derde en vierde gevecht, een bij Constanz,
waar veertienhonderd Zwaben sneuvelden en het andere bij Frastenz,
een hooggelegen bergpas waar de Duitschers door den moedigen Hendrik
Wolleb uit het kanton Uri waren ingesloten en overwonnen.
Deze geruchten brachten een groote ontsteltenis in de stad te weeg. In
alle werkplaatsen en winkels werd het werk gestaakt, niemand dacht
aan arbeiden en steeds waren de herbergen overvol met mannen, in wier
ernstige, sombere blikken men kon lezen, hoezeer zij zich bezorgd
maakten over de Neurenberger legerafdeeling.
Driftig werd er op meester Dürers huisdeur geklopt en de meid, die de
deur opendeed, schrok hevig, toen zij Vrouwe Crescentia met een bleek
gelaat en naar adem hijgende, voor zich zag staan. Angstig vraagde
zij om meester Dürer te spreken. Hij kwam haar reeds op de trap
tegemoet--want hij had haar stem gehoord en vermoedde waarom zij kwam.
Duidelijk las hij doodelijken angst op haar gelaat en zij zeide hem
terstond, wat het was, dat haar zoo had doen ontstellen. "Hebt gij
het dan nog niet gehoord, waarvan de heele stad is vervuld?" vraagde
zij niet zonder verwondering, toen ze zag hoe rustig en kalm meester
Dürer was.
"Ook mij is het bericht van 's keizers ongeluk in den strijd ter oore
gekomen," antwoordde Dürer, "en zooals elke Duitscher, betreur ik
dat oprecht; maar wat uw echtgenoot betreft, ben ik volkomen gerust:
er is hem geen ongeluk overkomen."
Vrouw Crescentia bleef den meester met strakke blikken aanstaren;
zij begreep er niets van. "Hebt gij dan de gave der profetie, dat gij
weten kunt wat er ver van ons geschiedt?" vraagde ze. "Meester Dürer,
hoe is het mogelijk, dat gij zoo kalm zijt? Zie, ik leef in zulk
een doodsangst, dat ik niet weet, wat ik denken of doen moet." Dürer
nam Vrouwe Crescentia bij de hand en geleidde haar naar een stoel,
waarna hij bij haar plaats nam, zeggende: "Men behoeft waarlijk geen
profeet te zijn om te weten dat het met uw echtgenoot goed gaat:
zijn stilzwijgen alleen is het bewijs daarvan." Vrouw Crescentia zag
hem angstig aan; zij begreep er nu nog minder van.
"Hoe moet ik toch uw duistere woorden uitleggen? Heb medelijden met
mij en zeg mij duidelijk, wat gij bedoelt."
Dürer, die slechts had willen weten of Pirkheimer bij het afscheid
nemen met zijn vrouw dezelfde afspraak had gemaakt als met hem,
bemerkte nu, dat dit niet het geval was en hij vraagde zich zelf af,
of hij hetgeen zijn vriend hem had toevertrouwd, mocht verraden. Maar
toen hij den doodsangst van Vrouwe Crescentia zag en begreep, dat deze
mededeeling haar zou kunnen troosten, besloot hij haar de reden, van
zijn gerustheid te vertellen. "Gij vraagt mij, edele Vrouwe, waarom
het stilzwijgen van uw echtgenoot voor mij het bewijs van zijn welzijn
is. Nu dan, toen hij afscheid nam, sprak hij tot mij "alleen als mij
een ongeluk overkomt, zal ik een bode sturen en wel aan u, Albrecht,
opdat mijn arme vrouw de ongelukstijding niet zoo onvoorbereid zal
hooren, en gij haar tegelijkertijd zult kunnen troosten." De reiziger
heeft wel verhaald van verloren veldslagen en dat is zeker treurig
genoeg, doch de boodschapper van uw echtgenoot is weggebleven. Maak
u dus niet ongerust en vrees niet, dat hem iets zou zijn overkomen."
Vrouwe Crescentia had met gespannen aandacht geluisterd; toen greep
zij zijn hand en drukte die hartstochtelijk: "o dank, dank voor die
woorden, Meester Dürer! Waarlijk, het is mij alsof gij een engel zijt
door God gezonden om mijn beangst gemoed tot rust te brengen. Ook dank
ik u, Wilibald, voor uw teedere zorg voor uw arme vrouw! Ja, dat was
een goed denkbeeld van hem, om zijn boodschapper tot u te zenden in
plaats van regelrecht tot mij. De Heilige Maagd geve, dat die bode,
die toch slechts een onheilsbode zou kunnen zijn, moge wegblijven, en
al de heiligen mogen ons bijstaan, opdat er spoedig een einde aan den
strijd kome! -- -- -- Ach, mijn hart begint weer angstig te kloppen,
als ik er aan denk, dat het reeds verscheidene dagen is geleden,
sinds die reiziger het tooneel van den strijd heeft verlaten, en dat
er sedert dien tijd weer veel kan zijn gebeurd." Dürer legde zijn hand
op haar schouder: "o wees niet ondankbaar jegens Hem, die tot nu toe uw
echtgenoot voor alle gevaar heeft behoed, maar vertrouw op Hem! Alleen
een onbeperkt vertrouwen op Gods almacht en barmhartigheid maakt het
hart stil en sterk." Zwijgend bleef Vrouwe Crescentia geruimen tijd
in gepeinzen; toen hief zij de oogen langzaam op en knikte: "Gij hebt
gelijk, lieve Meester, en ik wil naar u luisteren. Bid voor mij opdat
mijn hart ook zoo gelaten en sterk moge worden als het uwe is!"
Ondertusschen kwam Vrouwe Agnes binnen, die zich in het gesprek mengde,
en toen Crescentia na een uurtje naar huis ging, was haar hart geheel
gerustgesteld.
Er verliep wederom eenige tijd, toen kwam er een reizende koopman te
Neurenberg, wiens mededeelingen nieuwe onrust teweeg brachten. Hij
vertelde van een nieuwe nederlaag van het keizerlijke leger bij Mals in
Vienstgau en ook dat de keizer het leger in twee deelen had gesplitst:
het grootste gedeelte zou onder bevel van Graaf van Fürstenberg naar
Bazel zijn opgerukt en met het andere gedeelte zou de keizer zelf naar
de Bodenzee zijn getrokken. Daarop was Fürstenberg bij Dornach met
den vijand slaags geraakt, bij welken strijd de graaf het onderspit
had gedolven en zelfs het leven verloren.
Nu begon ook meester Dürers hart onrustig te kloppen. Misschien had
zijn vriend plotseling den dood gevonden en geen tijd meer gehad om
een bode te zenden? Juist wilde hij zijn ongerustheid aan Vrouwe
Agnes meedeelen, toen de klopper haastig driemaal op de deur werd
neergelaten en even daarna een man, bestoven en verreisd, voor hem
stond, bij wiens aanblik meester Dürer doodelijk bleek werd. "Götz,
zijt gij het!" riep hij, terwijl hij de handen afwerend uitstrekte,
want in den reiziger had hij Pirkheimers knecht herkend.
Maar nog voordat hij iets kon vragen, riep de man snel: "Wees niet
ontsteld, ik heb niets kwaads te berichten! Het gevaar is geweken, de
wond was niet doodelijk. Mijn meester heeft mij slechts gezonden, omdat
hij vreesde, dat gij u zoudt verontrusten over de slechte tijdingen,
die misschien in Neurenberg zijn verspreid geworden. Het is waar,
dat de ongeschiktheid en de onwil der Duitsche troepen den keizer
geen geluk hebben aangebracht, doch mijn meester is geen ander leed
wedervaren dan een lichte schram aan het hoofd. Hij wilde gaarne,
dat gij dit zelf aan Vrouwe Crescentia zoudt mededeelen en ook dit:
dat de oorlog als geëindigd is te beschouwen, want dat de keizer,
hoewel niet zonder tegenzin, van plan is vrede te sluiten."
"O wees hartelijk welkom, gij, brenger van zulk een goede
boodschap!" riep Dürer innig verblijd en hij drukte den goeden man
de hand. "Doe u nu eerst eens te goed na die lange reis, terwijl ik
gauw naar Vrouwe Crescentia ga, om haar uw tijding over te brengen."
IJlings greep hij zijn baret en liep haastig naar de Heerengracht.
Vrouwe Crescentia zat juist met haar beide dochtertjes op schoot in
de kinderkamer, toen hij binnentrad. Ook haar waren de jobstijdingen
omtrent het keizerlijke leger ter oore gekomen, doch zij had aan haar
herlevende ongerustheid niet willen toegeven, maar die met alle kracht
overwonnen, denkende aan hetgeen meester Dürer haar had gezegd.
Nu stond hij op eens zelf voor haar en haar hart stond stil. Wat zou
er gebeurd zijn? Maar één blik op zijn gewoonlijk zoo ernstig gelaat,
waarop nu een glans van vreugde lag verspreid, stelde haar gerust.
Dürer boog eerbiedig en sprak: "God zij met u, edele Vrouwe! Uw
echtgenoot heeft zich niet aan de afspraak gehouden, want hij heeft
iemand gezonden met tijding, doch gelukkig met goede tijding. Wel
is waar had de vreemdeling gelijk, die berichtte hoe ongelukkig het
keizerlijke leger het er heeft afgebracht, doch uw echtgenoot maakt
het, Gode zij dank, goed. Zijn knecht is het mij komen zeggen en
versterkt zich op dit oogenblik met spijs en drank thuis bij mijn
Agnes." Vrouwe Crescentia zette de beide kinderen van haar schoot en
stond op met hooggekleurde wangen, terwijl zij de handen hemelwaarts
hief en uitriep:
"O, de heiige Maagd zij geloofd, tot wie ik dagelijks heb gebeden en
gesmeekt!--En wat heeft Götz verder gezegd?"
"Iets, dat u eveneens zal verheugen: dat de vrede voor de deur staat,"
sprak Dürer. Toen barstte Vrouwe Crescentia in tranen uit en in de
overmaat van haar geluk viel zij bijna den brenger van deze heerlijke
tijdingen om den hals.
Even daarop stond Götz zelf voor haar en moest haar alles van het
begin af uitvoerig vertellen. De goede man was het liefst maar weer
dadelijk terug gegaan naar zijn meester, maar Vrouwe Crescentia wilde
den vermoeiden reiziger niet laten gaan voor den volgenden morgen,
voorzien van haar zegenbeden en een ruim reisgeld.
Spoedig bevestigden zich Pirkheimers mededeelingen: de keizer sloot te
Bazel vrede met de Zwitsers, en de Neurenberger legerafdeeling trok
weldra de stadspoort binnen. Zij had zich uitstekend van haar plicht
gekweten en de keizer had haar in het bijzonder zijn tevredenheid
betuigd, terwijl hij vooral vol lof was over de ridderlijkheid en
onverschrokken moed, die de aanvoerder in den strijd had getoond en
hem beloonde met den titel van keizerlijk raadsheer.
Aan den avond van den dag, waarop de krijgslieden de stad waren
binnengetrokken, waren de vensters van het huis der familie Pirkheimer
helder verlicht en zat een vroolijk gezelschap om den welvoorzienen
disch verzameld. Tusschen den gastheer en de gastvrouw was meester
Dürer gezeten en die plaats kwam den vriend toe, die de eenzame en
angstig gestemde vrouw van den veldheer trouw met troost en raad
had bijgestaan.