DE PREDIKER IN DE WOESTIJN.

Het einde der eeuw naderde. Elk afsterven van het jaar reeds wekt

door zijn luide prediking van het voorbij snellen van den tijd en van

het vergankelijke van al het aardsche, velerlei aandoeningen in het

hart der menschen; hoeveel te meer moet het verwisselen der eeuwen

het gemoed tot in zijn diepste diepte aangrijpen! In groote mate was

dit het geval, toen de vijftiende eeuw haar einde te gemoet ging.

In Duitschland heerschte een geest van opgewondenheid en

verontwaardiging en met afschuw waren aller oogen gericht op Rome, waar

de pauselijke stoel werd ingenomen door een man, die volleerd in zonden

en misdaden, den naam van stedehouder van Christus volkomen onwaard

was. Die man was Alexander VI. Hij beschikte op een schandelijke

wijze over de hoogste kerkelijke ambten, die hij meerendeels door zijn

handlangers liet waarnemen. Nog erger was zijn groote zedeloosheid;

men beschuldigde hem zelfs in ongeoorloofde verhouding met zijn

dochter Lucretia te leven. En in zijn eigen belang ontzag het hoofd

der Christenheid zich niet om tegen den "allerchristelijksten"

koning van Frankrijk met den aartsvijand der Christenen, Turkije,

een verbond te sluiten.

Verlammend werkte de pauselijke tiranny op het Duitsche volk, dat zwaar

leed onder den druk der ijzeren hand, die gewelddadig elke poging tot

verzet onderdrukte. Met argusoogen bewaakten 's pausen handlangers

alles wat van de pers kwam: elke uitgever, die het waagde een boek

uit te geven, zonder het eerst aan de pauselijke goedkeuring te hebben

onderworpen, kreeg den banvloek naar het hoofd geslingerd. Het Duitsche

volk, benauwd en gedrukt, zuchtte naar verbetering der toestanden en

naar verlossing van het pauselijke juk, dat den menschelijken geest

in slavenketenen boeide, en snakte naar licht en vrijheid.--

In het begin van het jaar 1497 trad Wilibald Pirkheimer de werkplaats

van Dürer binnen.

Hij vond daar alleen de beide gezellen, die bezig waren een groot

schilderij, dat door Dürer was geschetst en waarvan hij de voornaamste

gedeelten had aangezet, af te maken.

Schäufelein antwoordde hem op zijn vraag, waar de meester was:

"Hij is alleen in zijn kamer, en komt tegenwoordig zeer zelden in

de werkplaats."

"Waarom?" vraagde Pirkheimer.

"Ik weet niet wat er aan scheelt," antwoordde Schäufelein

schouderophalend.

"Hij ziet er zoo ernstig uit, alsof hij veel verdriet had en onder

zware zorgen gebukt ging."

"Is zijn vader erger geworden terwijl ik uit de stad was?" vraagde

Pirkheimer.

"Neen," zei Schäufelein, "de oude man maakt het tegenwoordig beter

dan anders: hij eet, drinkt en slaapt goed, en arbeidt zelfs nu en

dan in de werkplaats--alleen de beenen willen niet goed meer mee."

Pirkheimer verliet met een korten groet de werkplaats en ging naar

Dürers kamer. Ook hem was het opgevallen, dat zijn vriend er zoo

somber en ernstig uitzag, maar op zijn deelnemende vragen had hij

nooit een bevredigend antwoord gekregen.

Hij vond den meester met een portefeuille met teekeningen voor zich,

die hij haastig dicht deed: "Gegroet Albrecht! Gij ziet, dat ik weer

terug ben na een afwezigheid van bijna een maand. Mijn eerste bezoek

geldt u, want ik heb u al dien tijd zeer gemist."

Dürer begroette zijn vriend hartelijk en drukte hem de hand.

"Ei zoo," zeide Pirkheimer lachend, "welke geheimen hebt gij voor

mij? Wat heb ik u misdaan, dat gij mij uw vertrouwen ontzegt?"

Dürer schudde het hoofd: "Dat moogt gij niet zeggen, want gij weet

toch wel, dat gij mij liever zijt dan ooit. Koestert gij nu argwaan,

omdat ik iets voor u heb verborgen gehouden, dat nog niet rijp was om

aan de wereld te worden vertoond? Maar nu gij toch hebt ontdekt, dat

er een geheim is, wil ik het niet langer voor u verbergen; temeer,

daar ik reeds lang in mijn hart den wensch koesterde, mijn vriend

mee te deelen, wat mijn ziel vervult. Als gij tijd hebt, ga dan hier

zitten en luister naar hetgeen ik u zal zeggen." Pirkheimer nam plaats

en zag Dürer met gespannen aandacht aan.

"Gij spreekt in raadselen, Albrecht; bijna zou ik vreezen iets te

moeten hooren, dat mij verdriet zal doen. Wat is er toch?"

Dürer schudde de lokken van zijn voorhoofd. "Ik lijd onder de kwaal,

waaronder alle weldenkenden zuchten en bedroef mij over den treurigen

toestand, waarin wij leven en dien wij te wijten hebben aan hem,

die zich de stedehouder van Christus noemt. Wie het waagt, om met

een enkel woord te getuigen tegen de algemeene verdorvenheid, moet

verstommen onder den pauselijken ban. De moedige Johannes Hus heeft

men het zwijgen opgelegd door den brandstapel. Hoe lang zal Hieronymus

Savonarola's machtige stem te Florence nog weerklinken, nu hij die

durft verheffen in protest tegen de verbasterde kerk en de heerschende

misbruiken en men tevergeefs heeft getracht hem door het aanbieden van

den kardinaalshoed het stilzwijgen op te leggen? Tevergeefs trachten

de edelste mannen de vernederende ketenen te verbreken; het verderf

neemt toe met elk jaar en het schijnt dat tegelijk met de eeuw ook

de wereld haar eind tegemoet gaat."

"Maar waarop wilt gij nu daarmee neerkomen? Gij weet, dat al deze

dingen ook mijn hart bezwaren," viel Pirkheimer hem in de rede.

"Geduld, mijn vriend," vervolgde Dürer, "gij zult het terstond

begrijpen. De pen der geleerden en dichters is afgestompt door

de bedreigingen van den Paus; het is hun verboden het volk te

onderrichten."

Pirkheimer stampte met den voet en met somberen blik sprak hij:

"Ja, het schreit ten hemel, zooals die man te Rome het leven van den

menschelijken geest doodt!"

"In dezen zorgvollen tijd," vervolgde Dürer, "is er een gedachte in mij

opgekomen, die mij nu overal vervolgt en mij niet met rust laat. Nu

de pen niet meer spreken mag, moet het penseel het doen. Waar woord

en schrift der waarheid geen getuigenis meer mogen geven, daar moet

het afgebeelde spreken. Het getuigt wel is waar niet zoo duidelijk

als het woord, maar ik vertrouw, dat zijn prediking toch den weg

naar aller hart zal vinden en ik heb een stem vernomen, die zeide:

"Doe uw mond open en predik!" -- -- Maar hoe? Met het penseel? Och,

slechts weinigen zien mijn schilderijen en ik wil tot het geheele volk

spreken. En ziet gij, toen sprak dezelfde stem: Leg het penseel weg

en grijp naar mes en graveerstift. Bij meester Wolgemut hebt gij u

ook geoefend in de houtsnijkunst en kopergravuur, neem die te baat en

woeker er mede het volk ten zegen! Dat is de kunst, die in aller bereik

ligt, de afdrukken van houtsneden kan de armste op de markt koopen

en deze kunst, die tot nu toe vrij is gebleven van den pauselijken

banvloek, kan op deze wijze een prediking in de woestijn worden."

Hier zweeg de spreker en hij zag zijn vriend vragend aan. Pirkheimer

liep in groote opgewondenheid de kamer op en neer, bleef toen voor

Dürer staan en greep hem bij den arm: "Albrecht, die gedachte is

van God! Ja, wees gij de stem van den prediker in de woestijn,

spreek tot het volk met uw kunst en het volk zal naar u luisteren,

u begrijpen, u danken! En zie, nu begin ik te vermoeden"--en hij zag

naar de portefeuille--"dat op de gedachte de daad is gevolgd en gij

reeds met uw prediking begonnen zijt."

"Uw vermoeden is juist," antwoordde Dürer glimlachend. "In deze

portefeuille vindt gij wat ik gedurende twee jaar in stilte heb

ontworpen. Het is de Openbaring van Johannes, die mij stof heeft

gegeven voor mijn platen." Op Pirkheimers gelaat was duidelijk zijn

verwondering te lezen:

"De Openbaring van Johannes? Toch niet een tweede "Pausezel,"

[14] zooals verleden jaar meester Wolgemut in de wereld heeft

gegeven? Wel is waar, heeft Rome het verdiend met bijtenden spot te

worden overgoten, maar volgens mij is meester Wolgemut te ver gegaan

en heeft hij daardoor de zaak meer geschaad dan gebaat. Hij heeft voor

zijn afbeelding aanleiding gevonden in de woorden uit de Openbaring

van Johannes: "en de vrouw, die gij gezien hebt, is de groote stad,

die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde," maar ik vind

het niet goed van hem, dat hij Rome zoo hard heeft aangepakt."

Dürer legde zijn hand op den schouder van zijn vriend: "Wees er niet

verbaasd of ontstemd over, dat ook ik in de Openbaring van Johannes

stof voor mijn teekeningen heb gevonden. Heeft men in droevige tijden

niet altijd weer naar dit profetische boek gegrepen, om het verborgene

daarvan te doorgronden en zich er mee te troosten? Ik ben u dankbaar,

dat gij zijt gekomen, want uw oordeel heeft steeds groote waarde voor

mij en mijn werk zal niet in druk verschijnen, voordat gij uw oordeel

hebt uitgesproken en het hebt goedgekeurd."

Hij opende de portefeuille en nam er vijftien teekeningen uit.

De eerste stelde den marteldood van den evangelist Johannes voor,

ten aanschouwe van den Romeinschen Keizer Domitianus, op zijn troon

gezeten en omringd door een groote volksmenigte; sober en breed van

opvatting en uitvoering. Dit was eigenlijk het titelblad.

De tweede teekening muntte eveneens uit door eenvoud en rust, de

kenmerken van het ware schoone. Hier was Johannes voorgesteld op het

oogenblik, dat hij wordt geroepen om neer te schrijven hetgeen de

Heiland hem zou openbaren. Johannes knielt diep ontroerd neder voor

den Heer, wiens uitgestrekte hand de zeven sterren, het zinnebeeld

der zeven gemeenten, vasthoudt.

Op de derde afbeelding ziet men Gods troon in het stralende licht

des geopenden hemels. En in de hand desgenen, die op den troon

zit, ligt het boek met de zeven zegelen; rondom zijn op troonen de

vier-en-twintig ouderlingen gezeten, elk met een kroon op het hoofd

en een harp in de hand.

Bij elke teekening namen Pirkheimers verbazing en bewondering toe,

en bij het vierde blad ontsnapte hem een luide kreet van verrukking,

die de vier Apokalyptische ruiters gold, boven wier hoofd op een

wolk de engel der wrake zweeft, terwijl de ontzette menschheid

tracht te ontvluchten. De eerste ruiter spant den boog, de tweede

trekt het zwaard, de derde houdt de weegschaal en de vierde,

de dood, rijdt op een schraal paard en slingert den helschen

drietand. Een groot aantal figuren vertegenwoordigt het vluchtende

volk, waarvan de gelaatsuitdrukking eenig, onvergelijkelijk is. Op

bewonderenswaardige wijze was Dürer er in geslaagd eenheid te brengen

in deze menschenmassa, die men uitstekend kan overzien, al is de

ruimte zeer beperkt. Pirkheimer was één en al lof en bewondering.

De vijfde teekening bevatte het openen van het vijfde en zesde zegel

te zamen genomen; boven in de wolken heeft de uitdeeling der witte

kleederen aan de martelaren plaats en onderaan is de verduistering van

zon, maan en sterren afgebeeld. Treffend is op het bovenste gedeelte

de wijze, waarop zij, die ter wille van het Evangelie vermoord zijn,

vertroost worden door de engelen, die hun naaktheid bedekken. Diep

aangrijpend is op de onderste helft het oordeel Gods. En wie zijn het,

die in hevige ontzetting zich voor den toorn des Rechters trachten

te verbergen? Juist daarin wordt de toeleg en bedoeling van den

schilder duidelijk; het zijn aan de eene zijde: een keizerpaar, de

paus, kardinalen, bisschoppen, priesters en monniken, aan de andere

zijde het door hen verleide volk in welks midden, vol beteekenis,

een vrouw, met een kind op den arm, haar hand aanklagend tegen de

verleiders opheft met een gebaar, dat duidelijk zegt: Vloek over u,

die zooveel ellende over ons hebt gebracht! Dürer wilde zijn vriend

het daarop volgende blad aangeven, doch Pirkheimer weerde hem af en

bleef in diep nadenken verzonken: hij kon deze teekening nog niet

ter zijde leggen.

"Prachtig, Albrecht!" riep hij uit, "gij hebt het voortreffelijk

gedaan! O, welk een aangrijpende, machtige prediking, die elk kind,

elk eenvoudig boertje kan begrijpen. Met ongeduld wacht ik het

oogenblik af, waarop gij hierdoor openlijk zult getuigen tegen hen,

die schuldig zijn aan het groote verderf, waarin de menschheid is

verzonken." Nu bekeek Pirkheimer de volgende teekeningen. De zesde

stelde de vier engelen voor, die de vier winden der aarde vasthouden,

en de verzegeling der 144000 dienstknechten Gods; de zevende: de

uitdeeling der bazuinen aan de zeven engelen en verschillende plagen,

die het bazuingeschal der eerste vijf veroorzaken. De achtste geeft

weer de uitwerking der zesde bazuin: de losbinding der vier engelen,

die gebonden zijn bij de rivier, den Euphraat, en het derde deel der

menschen dooden--deze vooral was zeer schoon en aangrijpend.

De negende stelde den sterken engel voor, die aan Johannes het boek

geeft om het op te eten; de tiende: de vrouw bekleed met de zon, wier

kind de roode draak met de zeven door koninklijke hoeden bekroonde

hoofden, dreigt te verslinden; de elfde: den strijd van den aartsengel

Michael en zijne engelen tegen den satan en diens engelen; de twaalfde:

de aanbidding der beide monsters, die uit de zee zijn opgekomen en

daarboven God op zijn troon met de scherpe sikkel en de engelen, die

gereed staan voor den bloedigen oogst. De dertiende teekening beeldde

den bruiloft des Lams af; op die kleine ruimte waren niet minder dan

vijftig figuren zichtbaar. De veertiende gaf de groote Babylonische

ontuchtige vrouw te zien, hetzelfde onderwerp, dat meester Wolgemut

met zijn "Pausezel" had weergegeven. Hoe geheel anders had Dürer het

opgevat en uitgevoerd! Hij had er geen afzichtelijk dier van gemaakt,

doch een menschelijke figuur, een vrouw met weelderige vormen, gekleed

in een laag uitgesneden kleed van brocaatzijde, rijk met goud en

edelgesteenten versierd, gezeten op een beest met zeven hoofden, en

in de hand den gouden drinkbeker vol van gruwelen en onreinheid. Voor

haar staan een menigte menschen, die onverschillig en zonder ontzag

naar haar kijken; alleen een kunstenaar werpt haar een dreigenden,

toornigen blik toe, terwijl een monnik eerbiedig en aanbiddend voor

haar knielt. Boven in de wolken komen reeds de twee engelen aanvliegen

om haar het oordeel Gods te verkondigen. De laatste teekening vertoont

eindelijk den grooten engel der wrake, die op het punt is den duivel

en satanas in den afgrond op te sluiten, totdat de duizend jaren

zullen zijn geëindigd, terwijl een andere engel den in verrukking

geraakten profeet het nieuwe Jeruzalem toont, dat is het heilige,

zuivere evangelie, niet verduisterd door menschelijke dwalingen.

Pirkheimer was diep getroffen door deze prediking in beelden van

zijn vriend; hij voelde zich er door overweldigd en van gedachten

veranderd. In den grond der zaak was hij het wel met meester Wolgemut

eens geweest, maar de al te ver gedreven spot had hem mishaagd. Hij

zag nu, dat Dürer de juiste maat had weten te houden en meegesleept

door den overweldigenden indruk, drukte hij hartstochtelijk 's

meester hand: "O, laat mij u danken, laat mij u de hand drukken, de

hand, die zoo iets groots heeft kunnen scheppen! Zie, ik ben er diep

door getroffen! O, hoe geheel anders is uw prediking dan die van den

ouden Wolgemut! Nu begrijp ik, dat men met bijtenden spot en bitteren

hoon niet verder komt; uit uw werk spreekt de heilige ernst van een

geloovig hart, en dat is het ware. Het hart moet spreken, het hart,

dat lijdt onder den druk der tijden en deze predicatie zal haar weg

tot aller harten vinden. Ja, predik, mijn vriend en het volk zal naar

u luisteren!"

De goedkeuring en aanmoediging van zijn vriend deden den kunstenaar

goed en met vernieuwden ijver herzag hij zijn scheppingen in alle

deelen, om ze tot meerdere volmaking te brengen.

Er ging nog een jaar voorbij, voordat de profeet zijn prediking tot de

wereld richtte: de teekeningen moesten eerst in hout worden gesneden

en afgedrukt. Doch toen kwam Pirkheimers voorspelling uit en verwekten

Dürers illustraties van de Openbaring van Johannes groot opzien en

oefenden een verbazenden invloed. De kunstwereld zag met verwondering,

dat meester Dürer ook op dit gebied iets nieuws had gevonden en een

ongeëvenaard standpunt innam. Maar niet alleen dat: iedereen begreep,

wat hij had willen zeggen met deze zwijgende afbeeldingen en een ieder

wilde de exemplaren bemachtigen. Ze werden niet alleen door de rijken

gekocht, ook de arme tastte in zijn zak en had geen berouw over zijn

uitgave. De geestelijken en kloosterlingen zagen toe met donkere,

booze blikken en voelden den steek, dien meester Dürer hen toebracht,

maar hun smalen verstomde bij de algemeene opgewondenheid en hun

woede gaven zij lucht in heimelijk tandgeknars.

Albrecht Dürer: Een levensbeeld · 第 28 / 70 题