Er volgde een warme zomer op de lente. Een drukkend zwoele temperatuur
heerschte in Neurenberg, waar de straten als uitgestorven schenen. Al
de burgers, die er tijd en geld voor hadden, ontvluchtten die benauwde,
ongezonde atmosfeer en zochten de bosschen en de berglucht op,
vooral ook omdat de sterfte bedenkelijk toenam en men bang was voor
het uitbreken van de pest.
Een heete Augustusdag liep ten einde en vele wandelaars bewogen zich
in de richting der stadspoorten om in het nabijgelegen Lorenzer-
en Sebalderwoud zich te verkwikken aan de frissche, reine koelte,
die in de schaduw der oude eiken en beuken waaide.--
Vrouwe Agnes trad bij haar man in de werkplaats binnen: "Zouden wij
niet een oogenblik gaan wandelen na al den arbeid en de hitte des
daags, beste Albrecht?" vraagde zij op den drempel staande.
"Ik zou het heel graag doen, Agnes," antwoordde Dürer, terwijl hij
ophield met schilderen. "Ook ik zou gaarne eens frissche lucht gaan
scheppen, maar mijn plicht houdt mij aan het werk. Zie eens, hoeveel
ik nog aan dit schilderij heb te doen, en over zes dagen komt hij er
voor, die het mij heeft opgedragen. Het heeft mij weinig geholpen,
dat ik 's morgens met de zon opstond en niet voor middernacht naar bed
ging. Ik krijg voortdurend meer bestellingen en het is mij onmogelijk
alles alleen uit te voeren, zonder vóór mijn tijd geheel op te zijn."
Vrouwe Agnes trad op haar echtgenoot toe en legde haar hand op zijn
schouder: "Zoo mag ik u hooren spreken, want nu zijn wij het eens. Heb
ik u niet duizendmaal gevraagd, om het voorbeeld van uw leermeester
Wolgemut te volgen en gezellen die u bij uw arbeid kunnen helpen bij
u te nemen, en die u in staat stellen, alle bestellingen, die men u
doet, uit te voeren? Gij hebt nooit naar mijn raad willen luisteren,
en nu ben ik heel blij, dat gij van meening zijt veranderd."
"Toch schik ik mij met grooten tegenzin in deze noodzakelijkheid,"
antwoordde Dürer, "want mijn ziel komt in opstand tegen de manier,
waarop men tot nu toe de kunst heeft verlaagd. Veel liever schilderde
ik alles alleen. Dikwijls heb ik bij meester Wolgemut met eigen oogen
gezien, hoe de gezellen een werk van den meester geheel bedierven,
zoodat men duidelijk kon zien, dat verschillende handen er aan
hadden gewerkt. Ja, als ik iemand kon vinden, wiens arbeid volkomen
op den mijne geleek, zooals het eene ei op het andere, dan zou ik
hem gaarne bij mij nemen; doch hoe moeilijk vindt men dat! Evenals
elk vogeltje in het woud zingt zooals het gebekt is, zoo heeft elk,
wien God de gave der schilderkunst heeft verleend, zijn eigen manier
om het penseel te voeren."
"Dat is wel waar," beweerde Agnes, "maar in de werkplaats onderwijst
de meester den leerling en daardoor krijgt deze de manier van zijn
leermeester.
"Waart gij zelf niet vol lof over Hans Schäufelein, die ook bij meester
Wolgemut heeft gewerkt en over Albrecht Altdorffer? Gij zelf hebt hun
kunst en bekwaamheid geprezen. En van Schäufelein hebt gij gezegd,
dat zijn kunst veel overeenkomst met de uwe had."
"Gij hebt gelijk," antwoordde Dürer, langzaam met het hoofd
knikkend, "maar wat baat het of wij al over den Nördlinger schilder
praten? Sedert een jaar is hij reeds weg en wie weet, waar hij nu is."
"Nu dan," sprak Agnes ernstig en zij legde haar hand op Albrechts arm,
"kom hier en zie eens in den spiegel, hoe bleek gij zijt en welke
kringen gij onder de oogen hebt! Al dikwijls heb ik met stillen
angst er naar gekeken! Als gij geen gezellen wilt nemen of er geen
kunt vinden, dan blijft er niets over dan dat gij een groot deel der
opdrachten afwijst.--Maar laten we nu dit vervelende onderwerp laten
rusten en gebruik maken van het overige van den avond om een weinig
frissche lucht te gaan scheppen."
Dürer streek de weelderige lokken van zijn voorhoofd en knikte zijn
vrouw toe: "Ik wil het niet weigeren, lieve Agnes, vooral daar ik
wel begrijp, dat gij het meer om mijnentwil dan voor u zelve vraagt."
Hij verwisselde zijn werkbuis voor een betere kleeding, zette zijn
baret op en ging met zijn vrouw uit om buiten de stad te wandelen.
Nauwelijks waren zij buiten de poort gekomen, toen een jonge man op hen
toe trad en beleefd het hoofd ontblootte: "Gegroet, Meester Dürer! Wel,
wat een geluk, dat gij de eerste zijt, die ik bij Neurenbergs poorten
ontmoet! Want, juist om bij u aan te kloppen, ben ik hier gekomen."
"Hoe, zijt gij het, Schäufelein?" riep Dürer verbaasd uit. "Het schijnt
mij waarlijk een beschikking des hemels, dat ik u ontmoet. Begrijp
eens, we spraken juist over u! En waarmee kan ik u van dienst zijn?"
"Het is mijn hartewensch, dat gij de kroon wilt zetten op het werk,
dat meester Wolgemut aan mij is begonnen. Bijna een jaar lang heb ik
overal rondgezworven om bij andere schilders te leeren; toen dacht
ik aan u en sprak tot mij zelf: waarom zoekt gij het zoo ver, terwijl
gij den besten leermeester in de nabijheid hebt? Hebt gij nog plaats
voor een gezel, dan zou ik heel gaarne bij u komen?"
Dürer zag zijn vrouw veelbeteekenend aan en antwoordde: "Plaats
is er genoeg, want ik heb altijd alleen gearbeid en vreemde hulp
versmaad. Maar mijn lieve vrouw dringt er sterk op aan, dat ik iemand
zal opzoeken, die mij behulpzaam kan zijn bij het vele werk, dat mij
wordt opgedragen. In u heb ik vertrouwen, omdat ik uw kunst ken; en
nu gij op mijn pad komt, alsof God mij u toezendt, roep ik in Zijn
naam u hartelijk welkom toe."
Hij reikte hem daarop de hand, die Schäufelein stevig schudde.
Ook Vrouwe Agnes drukte hem de hand met een blijden glimlach en de
wandeling in het bosch vergetende, noodigde zij de beide mannen uit
om te keeren, om het avondeten voor den vermoeiden reiziger te kunnen
klaar maken.
Met innig genot zag Agnes dat langzamerhand de kleur weer op Albrechts
wangen terugkeerde en dat de verhouding tusschen de beide schilders
bijzonder hartelijk was. Zij stonden niet tegenover elkaar als
meester en leerling: Dürer behandelde Schäufelein als zijn vriend en
vertrouweling en dat verdiende hij ook, want niet alleen won zijn
karakter Dürers genegenheid, ook zijn kunst drong hem 's meester
achting af.
Schäufelein was een kunstenaar met rijken aanleg en had
ernstige studiën gemaakt. Daarbij kon hij zich gemakkelijk Dürers
penseelbehandeling eigen maken en het duurde niet lang, of hij had
zich geheel aan zijn wijze van arbeiden gewend en Dürer vertrouwde
hem gerust toe, aan grootere stukken mee te werken. Al was er nog wel
iets van Schäufeleins eigen manier in te bespeuren, het verschil was
toch niet zoo groot, dat het storend op de eenheid werkte of afbreuk
deed aan den totaal-indruk.
En zoo konden de bestellingen, die Dürer alleen niet op zich had
kunnen nemen, gezamenlijk worden uitgevoerd.
Tegen Kerstmis bood zich een tweede schilder aan, Hans von Kulmbach,
ook een knap kunstenaar, die reeds naam begon te krijgen--en dat
hij bij meester Dürer als gezel werkzaam was, rekende deze zich tot
eer en vermeerderde zijn roem niet weinig. Dürer kon zich op zulke
gezellen waarlijk wel beroemen. Als zulke begaafde kunstenaars hem
hun meester noemden, hoe groot moest hij dan zelf niet zijn! En
het was geen wonder, dat meester Dürer voortdurend in aanzien steeg
bij de Neurenbergers en dat buiten af zijn naam steeds met meer lof
werd vermeld.