De ondergaande Aprilzon wierp haar purperen gloed in de werkplaats
van Albrecht Dürer, waar de kunstenaar met zooveel inspanning en
ijver aan een groot stuk schilderde, dat de zweetdroppels op zijn
voorhoofd parelden.
Er werd aan de deur geklopt en eenigszins ontstemd over de stoornis
keek de schilder van zijn werk op, doch dadelijk hernamen zijn oogen
hun vriendelijke uitdrukking, toen hij in den binnenkomende zijn
ouden leermeester herkende.
"Zijt gij nog zoo laat aan den arbeid?" vraagde Wolgemut. "Gij moest
uw oogen meer sparen."
"Ik heb haast," antwoordde Dürer, "want het is nog slechts drie dagen
vóór het feest ter eere der tentoonstelling van de rijksinsignes en
kleinoodiën." [11]
"Wilt gij daar deze schilderij ten verkoop aanbieden? Nu, gij zult
er ongetwijfeld eer mee inleggen. 't Is een meesterstuk. O wat heeft
God u bevoorrecht! Ik zou bijna jaloersch worden, als ik zie hoever
de leerling den meester boven het hoofd is gegroeid; doch Johannes
de Dooper bewaart mij voor nijd en afgunst."
"Johannes de Dooper?" vraagde Dürer verwonderd.
"Ja zeker!" knikte Wolgemut. "Niet lang geleden las ik in den
bijbel van Anton Koburger en ik was getroffen door een tekst, die
mij mijn tevredenheid terug gaf. Het was in het derde hoofdstuk van
het Evangelie van Johannes, waarin ik las, dat de Dooper tot hen,
die niet konden verdragen, dat Jezus van Nazareth hun leeraar in de
schaduw stelde, zeide: "Hij moet wassen en ik moet minder worden." Hoe
ootmoedig was hij en toch hoe groot juist daardoor, dat hij zich
zoo vernederde! En ik wil hem navolgen en hem gelijk trachten te
worden, opdat ik mij van ganscher harte daarin kunne verheugen, dat
de discipel meer is dan zijn leermeester. God zegene u!--En hoe gaat
het overigens, Albrecht?"
"Mij gaat het goed, meester," antwoordde Dürer, "ik heb alle
reden om God te danken voor Zijn goedheid, want ik ben gezond
en vol moed en levenslust, al heb ik in den laatsten tijd vrij
wat onaangenaamheden ondervonden door mijn gezellen, die met mijn
schilderwerk rondreizen. Velen hunner blijken schelmen te zijn, die
zeer ontrouw hebben gehandeld met het werk, dat ik aan hun zorgen
had toe vertrouwd, en mij slechts een klein deel der opbrengst
hebben gebracht. Een ander, wien ik geld had geleend, heeft mij ook
schandelijk bedrogen. Doch hoewel ik door deze wederwaardigheden veel
schade heb geleden en de zorg voor mijn ouders en jongere broeders
op mij neerkomt, zoo heb ik door Gods goedheid steeds alles gehad
wat noodig was en nooit gebrek geleden."
"Hoe gaat het met uw vader?" vraagde Wolgemut deelnemend. "Ik heb
gehoord, dat hij ziek te bed ligt."
Dürer knikte toestemmend: "Hij ligt reeds vijf dagen te bed. De
acht-en-zestig-jarige is zeer zwak en mag maar heel weinig in de
werkplaats arbeiden. Zijn oogen zijn slecht en zijn handen beven;
Andreas mijn broeder, is nu veel aan zich zelf overgelaten, maar het is
een flinke knaap, die bij vader goed heeft geleerd. Ik dank God, dat
Hij mij mijn Agnes heeft gegeven! Zij helpt mijn moeder zoo trouw met
oppassen en verpleegt den ouden man, alsof hij haar eigen vader ware."
"Ja," sprak Wolgemut, "het verblijdt mij ook zoo, dat God u in haar
zulk een heerlijken schat heeft gegeven. Houd haar in eere!"
"Die vermaning is waarlijk niet noodig," antwoordde Dürer glimlachend,
"want ik weet zelf het best welk een kostbaar kleinood zij is."
Wolgemut trad nu dicht bij den ezel om het werk nauwkeurig te kunnen
beoordeelen, en daarna sprak hij: "Het is dus uw plan het op het feest
ten verkoop ten toon te stellen? Dan zult gij u moeten haasten want
ik zag reeds een groote menigte vreemdelingen voor het feest aankomen."
Dit feest was ter eere der tentoonstelling der rijksinsignes en
kleinoodiën, waarvan Neurenberg, als middenpunt van het Duitsche
rijk, de eer genoot die te mogen bewaren. Jaarlijks, in de lente,
werden die kleinoodiën aan het volk vertoond en sinds de regeering van
koning Sigismund werd er bij deze gelegenheid een groote jaarmarkt of
kermis gehouden, die zooveel menschen uit alle deelen des lands trok,
dat er in de herbergen nauwelijks plaats genoeg was.
Meester Wolgemut bleef nog eenigen tijd met zijn voormaligen leerling
praten, totdat Vrouwe Agnes verscheen, met wie hij nog eenige woorden
wisselde; toen vertrok hij. Vrouwe Agnes zag er vermoeid uit. Reeds
sedert twee dagen was zij niet te bed geweest en zij had daarbij veel
huishoudelijke plichten moeten waarnemen. Zij ging stil bij de tafel
zitten met haar moe hoofd op de hand steunende.
Dürer ging naar haar toe en kuste haar op het voorhoofd. "Mijn arm
vrouwtje, wat rust er nu veel op uw schouders! Gij hadt zeker wel
gedroomd, dat gij het beter bij mij zoudt hebben!"
Met zacht verwijt keek Agnes naar hem op. "Foei, stoute man, hoe durft
gij zoo iets zeggen! Van mijn vroegste jeugd af heb ik ledigheid nooit
kunnen uitstaan, en hoe heerlijk vind ik de grootste drukte en moeite,
waar het u geldt!"
"Mijn lieve vrouw!" riep Albrecht in vervoering en hij drukte zijn
Agnes vurig aan zijn hart. Toen ging hij tegenover haar zitten om met
haar te babbelen, want het was veel te donker geworden om nog te kunnen
schilderen. Langzamerhand antwoordde Agnes weinig of niets meer, hij
zag hoeveel moeite zij had om haar oogen open te houden--en eindelijk
vielen ze dan ook toe en sliep zij. Toen stond hij zachtjes op, nam
perkament en potlood en teekende Agnes uit, zooals zij daar zat met
haar schort en witte muts, en met de kin op haar hand steunende.
Het was een vluchtige schets, een aardigheid, maar niettemin was Agnes
blij verrast, toen zij bij haar ontwaken zich zelve op deze wijze zag
weergegeven. Ondertusschen kwam Hans binnenstormen, Albrechts jongste
broeder en de lieveling zijner ouders, de eenige, die behalve Albrecht
en Andreas, van de achttien kinderen nog in leven was.
Hij liep luid schreiend op Agnes toe en zag er erbarmelijk uit: zijn
gezicht was met bloed beloopen en de flarden hingen bij zijn wambuis.
"Om 's hemels wil, Hans, wat is er gebeurd?" riep Vrouwe Agnes.
"Wij waren aan het spelen bij de "mooie bron" en toen heb ik een duw
gekregen, waardoor ik gevallen ben," huilde het kind.
Vrouwe Agnes haalde gauw uit de keuken een kom met frisch water en
een linnen doek, waarmee zij Hans gelaat afwiesch, terwijl zij hem
allerlei troostwoorden toesprak; daarop trok zij zijn buisje uit en
ging het dadelijk verstellen. Albrecht keek met een innig gelukkige
uitdrukking in zijn oogen naar alles, wat zijn vrouw deed, hij zag
weder duidelijk welk een warm, liefhebbend hart zij had. Hoe vurig lief
moest zij haar echtgenoot hebben, dat zij zelfs aan zijn broertje en
zijn overige familieleden zooveel trouwe zorgen wijdde! Zwijgend zag
hij hoe haar zachte handen de naald hanteerden bij dezen ongewonen
arbeid, want thuis had zij zich nooit met dergelijk werk behoeven
te bemoeien; dat deden de dienstboden, die zij bij alles tot haar
beschikking had gehad en haar een gemakkelijk leventje hadden bezorgd.
Toen zij klaar was, trad Albrecht op haar toe en sloot haar in zijn
armen: "Wat zijt gij toch goed en lief, Agnes! Dikwijls voel ik mij
beschaamd, als ik bedenk, hoe weinig ik u waard ben."
Agnes legde haar hand op zijn mond: "O wees stil, dan spreekt gij
ten minste niet langer onwaarheid, stoute man! Geloof mij liever,
als ik zeg, dat ik het ben, die mij dikwijls zoo beschamend onwaardig
tegenover u voel. Maar laat mij nu gaan om voor het avondeten te
zorgen." Tegelijkertijd wikkelde zij zich uit zijn omarming los en
dekte de tafel. Maar voordat zij zelf ging zitten, liep zij snel de
trap af naar de kamer in het onderhuis, waar de oude Dürer te bed
lag en bracht hem zijn soepje. Zij had deze zorg op zich genomen,
opdat haar schoonmoeder zich geheel aan de verpleging van den zieke
zou kunnen wijden.
"Hoe komt het toch, lieve Agnes, dat alles wat gij klaar maakt
zoo heerlijk smaakt?" vraagde Albrecht aan tafel. "Doet gij
er iets bijzonders in?" Vrouwe Agnes keek verwonderd op: "Iets
bijzonders? Neen, alleen een weinig liefde."
Eerst moest Albrecht hierom lachen, doch toen kreeg zijn gelaat
een peinzende uitdrukking en na eenige oogenblikken zei hij: "Ja,
gij hebt gelijk, dat is het, dat is het!"
En nu deed hij de eieren met spek eer aan.