VERVULDE WENSCHEN.

Op een morgen in Juni van het jaar 1494 werd de koperen klopper

drie malen op de huisdeur van den heer Hans Frey neergelaten, en

daar stonden meester Dürer en zijn zoon, uitgedost in hun schoonste

kleedij. Zij werden klaarblijkelijk verwacht, want al de huisgenooten

waren eveneens in feestgewaad; alles in huis blonk en glom en op

de tafel in de ruime woonkamer stond een heerlijke ruiker witte en

roode rozen.

Toen de klopper zich liet hooren, verlieten de moeder en dochters het

vertrek en de heer des huizes trad op den drempel om de binnenkomenden

te verwelkomen. De begroeting had met veel ernst en deftigheid plaats

en meester Dürer en zijn zoon traden binnen.

"Veroorloof mij te vragen, wat u hierheen voert?" begon Hans Frey

op afgemeten toon. Hij wist wel met welk doel de beide mannen waren

gekomen, maar het was in dien tijd het gebruik deze vormelijke vraag

te doen.

Op even deftige wijze antwoordde meester Dürer: "God geve u en uw huis

heil en voorspoed! Ik kom tot u voor mijn oudsten zoon Albrecht, die

na zijn terugkomst uit den vreemde niet meer aan anderen ondergeschikt

behoeft te zijn, en nu van plan is een eigen huis in te richten en

daarin een huisvrouw binnen te leiden. Aangezien hij hiervoor de oogen

op uw oudste dochter heeft geslagen, en het genoegzaam is bekend,

dat de jonkvrouw hem genegen is, zoo kom ik uit zijn naam u vragen,

heer Hans Frey, of gij uw dochter Agnes aan mijn zoon Albrecht ten

huwelijk wilt geven."

Hans Frey kuchte even en antwoordde toen: "Met lof spreekt een ieder

over uw zoon, meester Dürer, niet alleen wat zijn kunst betreft,

maar ook om zijn deugdzamen, reinen levenswandel. Gaarne geef ik dus

gehoor aan uw verzoek en ik stem toe in het huwelijk mijner dochter

met uw zoon Albrecht."

De mannen drukten elkaar de hand en daardoor werd de verloving

bekrachtigd, want in dien tijd had de vader het recht de hand zijner

dochter te schenken aan wien hij wilde. Doch zij werd niet beschouwd

als een willooze koopwaar, zooals nog vroeger het geval was, neen, de

tijden waren ook in dit opzicht beter geworden, men had meer eerbied

gekregen voor de rechten der vrouw en daarom werden de wenschen der

dochter wel degelijk in acht genomen en besliste men na haar zelve

ernstig te hebben geraadpleegd.

Nu ging Hans Frey naar de aangrenzende kamer en wenkte Agnes, die

daarop met neergeslagen oogen, blozende wangen en kloppend hart op

den drempel verscheen.

"Zie," sprak haar vader, "het is om uwentwil, dat wij heden bezoek

ontvangen van meester Dürer, die voor zijn zoon Albrecht uw hand

komt vragen. En nadat ik mijn vaderlijke toestemming heb gegeven,

vraag ik eerst aan u, Albrecht Dürer, begeert gij mijn dochter Agnes

tot uw wettige huisvrouw?"

Het antwoord werd met luide stem gegeven: "Ja, van ganscher harte!" Nog

tweemaal herhaalde Hans Frey zijn vraag en telkens volgde daarop

hetzelfde antwoord.

Daarop wendde de vader zich tot zijn dochter en vraagde op dezelfde

wijze: "Agnes, begeert gij den jongen Albrecht Dürer tot uw wettigen

echtgenoot?" Ook uit haar mond klonk het, wel minder luid, doch even

vurig: "Ja, van ganscher harte," en zoo tot driemaal toe.

Toen legde haar vader hun beider handen in elkaar en de zijne er

op leggende, sprak hij: "Albrecht, ik vertrouw Agnes aan u toe,

evenals Christus de sleutels van het Rijk des hemels aan Petrus heeft

toevertrouwd. Agnes, ik vertrouw u Albrecht toe, evenals Christus aan

Petrus de sleutels van het Rijk des hemels heeft toevertrouwd." Toen

nam hij een zwaard uit den hoek, zette een hoed op de punt en stak een

gouden ring aan het gevest, nam daarna een mantel en een penning en

voerde de verloofde tot haar bruidegom met de woorden: "Hiermee geef ik

mijn wettig kind over in uw trouw en genade, en vraag u ter wille van

het vertrouwen, waarmee ik haar aan u afsta, dat gij een rechtvaardig

en goedertieren leidsman en een trouw beschermer voor haar zult zijn."

De bruigom hief plechtig de hand op met den eed: "Ik zweer het voor

het aangezicht van den alomtegenwoordigen God!"

"Neem haar dan tot uw echtgenoot, haar, die gij hebt

uitverkoren!" sprak Hans Frey en nu trapte de bruigom zijn bruid op

haar voet, om daarmee te toonen, dat hij haar heer en meester was, maar

daarna sloot hij haar in zijn armen als bewijs, dat zijn heerschappij

zacht en liefdevol zou zijn en gaf hij haar den verlovingskus.

Een paar uren later was de ruime huiskamer gevuld met de verschillende

familieleden der verloofden, die allen hun gelukwenschen en

geschenken kwamen aanbieden; deze laatsten echter moesten binnen

zekere grenzen blijven volgens ingewortelde, overdreven bemoeizucht

der stedelijke regeering, die hierop strenge beperkingsverordeningen

had uitgevaardigd.

Het was alleen aan de beide naastbestaanden veroorloofd de bruid een

gouden ketting ter waarde van achttien gulden en een zilveren gesp

tot den prijs van vijftien gulden op zijn hoogst te schenken.

Aan een welvoorzienen disch bleven de gasten gezellig bijeen tot den

avond en op aller gezichten stond te lezen, hoezeer men was ingenomen

met deze belangrijke gebeurtenis.

Hans Frey, hoe rijk en gezien ook in de oogen aller ingezetenen,

zag volstrekt geen vernedering in het huwelijk zijner dochter met den

zoon van een goudsmid; hij, de begaafde man, zelf bedreven in de kunst,

voornamelijk in zang en spel, rekende het zich tot eer, de hand zijner

dochter te mogen schenken aan een man, van wien hij voor de kunst de

grootste verwachtingen koesterde. Meester Dürer was bovenmate verheugd

en dankbaar, dat zijn zoon zulk groot geluk was ten deel gevallen, en

al zag hij in het begin wel een weinig op tegen den omgang met deze

aanzienlijke familie, spoedig voelde hij zich bij hen geheel thuis

door de welgemeende vriendelijkheid, waarmee men hem tegemoet kwam.

Het gelukkigst van allen waren natuurlijk de beiden, die het middelpunt

der algemeene vreugde uitmaakten. Hun wederzijdsch, stilzwijgend

verlangen was nu bevredigd, ze konden elkander nu vrijuit vertellen,

hoe lief zij elkaar hadden en met verrukking hoorde Albrecht de

bekentenis van Agnes, dat zij hem als knaap reeds in stilte heel

gaarne mocht lijden.--

Den 7den Juli op St. Margriet, werden de deuren der Sebalduskerk

geopend voor een deftigen stoet: Albrecht Dürer geleidde zijn lieve

bruid naar het altaar. Beide trokken aller blikken tot zich en vol

bewondering was men het hierover eens, dat nooit een mooier paar deze

kerk had betreden.

Hoe schoon kwam Albrecht Dürers statige gestalte uit in het blauw

fluweelen wambuis, den zwarten met bont afgezetten mantel en hoe goed

stond hem de met goud doorvlochten bruigomskroon van sterkriekende

kruiden! En hoe lief zag de bruid er uit in haar wit zijden kleed,

waarvan de lange sleep met blauw fluweel en schitterende paarlen was

omzoomd; hoe liefelijk was de blos op haar wangen onder den bruidkrans

van rozemarijn met vergulde bladeren!

Het jonge paar werd gevolgd door een langen prachtigen stoet van

bruidsjuffers en jonkers en verdere bruiloftsgasten.

Onder plechtige orgelmuziek trad het jonge paar voor het altaar, waar

hun door den priester de vraag werd gedaan, of zij elkaar wenschten

te huwen en elkander trouw wilden blijven tot in den dood; waarop

hij hun handen vereenigde en hen zegende met de woorden: Ego coniungo

vos in nomine Patris et Filii et spiritus sancti. Amen. Daarop maakte

hij over hen het teeken des kruises, besprenkelde hen met wijwater,

stak hun den gouden ring aan den vinger en besloot de plechtigheid

met een gebed, waarop het koor de huwelijksmis aanhief.

Intusschen waren in de groote zaal van het raadhuis een groot aantal

tafels aangericht voor het bruiloftsmaal. Het bruidspaar nam aan de

middelste plaats met de beide ouderparen, den overigen werd een plaats

aangewezen volgens rang en geslacht. Terzijde zaten de muzikanten,

die de gasten met hun deuntjes opvroolijkten.

Aan elke tafel dienden twee schenkers, en een omroeper ging van de

eene tafel naar de andere, om in fraaie rijmpjes tot eten uit te

noodigen--dat was zoo de gewoonte.

Als de muziek ophield, kwam de hansworst om met zijn grappen de

vroolijkheid te verhoogen--trouwens, hij had zich die moeite kunnen

besparen, want voortdurend nam de luidruchtigheid toe en de muzikanten

hadden het overdruk om met hun trompetten en pauken al de toasten

te beantwoorden.

Nadat men ruimschoots had genoten van de spijzen en dranken, had de

brandschatting plaats. Het eerst verscheen de kok met den schotel,

die bij de gasten moest rondgaan en waarin de gaven moesten worden

gelegd. Met hetzelfde doel kwam de keldermeester met zijn drinkhoorn,

de braadspitdraaier, de vrouw, die de vaten moest wasschen, en

eindelijk de armvoogd met de bus voor de arme luitjes; allen werden

rijkelijk bedeeld met klinkende munt.

Na afloop van den maaltijd kwam een der bedienden met een zilveren

schaal en een meid met een handdoek, en gingen beurt voor beurt naar

elk der gasten, om hen uit te noodigen hun handen te wasschen. Nadat

hieraan was gehoor gegeven, was het trompetgeschal het sein,

dat men zich voor het dansen naar de benedenzalen moest begeven,

terwijl de bruiloftsoep, waarvoor de vader van de bruid een vetten

os ten geschenke had gegeven, werd verzonden aan de kerkdienaars,

de raadsbedienden, de zieken in het hospitaal en eveneens aan de

doortrekkende reizigers in de herbergen. Het was 's avonds laat,

toen men het jonge echtpaar met fakkellicht naar het huis van den

vader der bruid begeleidde.

Maar daarmee waren de feestelijkheden niet afgeloopen; den volgenden

dag namen ze daarentegen nog toe. Reeds in den vroegen morgen

verschenen de gasten weer om hun geschenken aan te bieden. Het eerst

van allen was de bruigom in het vertrek der bruid binnengetreden om

haar het eerste geschenk te brengen: een kostbare parure van goud met

echte parelen, robijnen en smaragden, een meesterstuk van den ouden

Dürer en een verrukkelijk schilderij van zijn eigen hand, een landschap

in Tyrol. De overige gasten wedijverden met elkaar in bewijzen hunner

liefde en achting, waaraan geen einde scheen te zullen komen. Daarna

ging men wederom gezamenlijk ter kerke, en nu droeg de jonge vrouw het

haar niet meer loshangend zooals tot nu toe, doch opgebonden onder

een muts, als bewijs dat zij nu het huwelijksjuk droeg. Na de mis

legde het jonge echtpaar hun gave op het altaar en ontving den nazegen.

Na deze kerkelijke plechtigheid trok men weer naar het raadhuis,

om zich daar nogmaals te vereenigen aan een welvoorzienen disch,

die in pracht en overvloed den eersten nog overtrof en een bewijs

was van den grooten rijkdom van Hans Frey.

Na afloop daarvan ging men onder vroolijken zonneschijn naar de veste,

waar onder de linde op het voor ieder toegankelijke plein, met dansen

de feestelijkheden zouden worden besloten.

Evenals den vorigen avond was het laat, toen de fakkels weder werden

aangestoken om het jonge paar naar huis te begeleiden. Nu ging

men evenwel niet naar het ouderlijke huis der bruid, maar naar de

woning van den ouden meester Dürer, want Albrecht volgde niet het

gebruik om bij zijn schoonvader te gaan inwonen, maar verkoos het

huis zijner ouders, omdat hij dan steeds in de nabijheid van zijn

ouden, gebrekkigen vader kon zijn en zijn kinderplicht tegenover den

grijsaard beter vervullen.

Het was wel wat bekrompen wonen in het huis van meester Dürer en deze

keek zijn schoondochter wel eens met bezorgden vragenden blik aan,

omdat hij vreesde, dat het haar, die zooveel weelde was gewend,

moeilijk zou vallen zich in deze bescheiden omstandigheden te

schikken--doch zijn vrees was ongegrond: Vrouwe Agnes was volkomen

tevreden met de beperkte ruimte, nu zij die deelen mocht met den man,

met wien zij onuitsprekelijk gelukkig was.

Albrecht Dürer: Een levensbeeld · 第 20 / 70 题