Bella verborg haar teleurstelling niet en Carlo vraagde, of zij
misschien toch zijn kamer mochten zien.
De vrouw zag er geen bezwaar in om de gasten binnen te laten, daar
het vertrek niet was afgesloten.
Zij waren verrukt over het schoone arrangement. Aan den muur hing
een groot aantal schilderijen, die zij ternauwernood een blik gunden,
want al hun aandacht werd terstond in beslag genomen door een portret,
dat midden in de kamer op een schildersezel stond.
"Dat is hij zelf!" riepen broeder en zuster als uit één mond en Carlo
voegde erbij: "Wat een meesterstuk!"
Ja, hier had Albrecht Dürer het beste gegeven wat hij had. Het
edele, mannelijk schoone gelaat met zijn donkerblauwe oogen zag den
toeschouwer zoo ernstig aan en de indruk werd nog verhoogd door de
prachtige kleedij. Een rood kapje dekte de bruine, golvende haren, de
kraag om zijn hals was met een met goud gestikten zoom versierd, linten
van perzikkleur sloten de opengespleten mouwen en over de borst was
een schilderachtige draperie van grijs-blauw, met gele koorden afgezet.
"Wat voor een blauwe bloem heeft hij daar in zijn rechterhand?" vraagde
Carlo, terwijl hij langen tijd in zwijgende bewondering verdiept het
portret had bekeken. "Wat zou hij daarmee willen zeggen?"
"Zie eens, daarboven heeft hij iets geschreven, dat verklaart het
misschien," merkte Bella op.
Carlo trad er dicht bij en las toen: "Mein Sach die gaht, als es oben
staht. [10]"
"Dat is niet duidelijk," sprak hij hoofdschuddend, "wie kan dat
verklaren." Daarbij keek hij vragend naar de waardin, die zwijgend
op den drempel was blijven staan.
"Die Duitsche schilder is een zeer vrome man," antwoordde zij. "Toen ik
hem vraagde, wat deze woorden beteekenden, wees hij naar boven en zei:
"God in den hemel is mijn hoop en mijn vertrouwen; in Zijn handen stel
ik mijn leven en al wat ik heb." Maar toen ik ook naar de beteekenis
van die blauwe bloem vraagde, wendde hij zich met een blos af en
sprak: "die bloem heet bij ons "mannentrouw."" Ik denk, dat er in
het vaderland een aardig meisje met liefde aan hem denkt en dat hij
haar gevoelens met evenveel trouwe liefde beantwoordt." Bella keerde
zich om en bekeek de andere schilderstukken; de uitdrukking van haar
gelaat was geheel veranderd en haar blikken dwaalden, zonder te zien,
van het eene schilderij naar het andere. Kort daarop drong zij er op
aan te vertrekken--men was toch waarlijk ook reeds te lang gebleven.
Haar broeder voldeed niet zonder tegenzin aan haar wensch en hij
verwonderde zich onder het naar huis gaan over de stilheid van zijn
anders zoo vroolijke, spraakzame zuster.
Dürer vernam bij zijn thuiskomst het bezoek, dat in zijn afwezigheid
aan zijn werkplaats was te beurt gevallen, en dacht, dat de beide
bezoekers het zouden herhalen, doch hij wachtte tevergeefs en zag
het schoone gelaat der Signora niet meer terug.
In plaats van haar kwam kort daarop een landgenoot, de koopman Tucher
uit Neurenberg, die hem de groeten zijner familie overbracht en de
tijding, dat zij het thuis allen goed maakten.
Ook hij was vol lof over het eigenhandig geschilderd portret van den
kunstenaar en vraagde na eenige oogenblikken; "Maar waarom hebt gij
dit groote portret op perkament in plaats van op paneel geschilderd?"
"Omdat het dan kan worden opgerold en gemakkelijk worden verzonden,"
antwoordde Dürer. "En ik heb een vriendelijk verzoek aan u. Wilt
gij het mee naar Neurenberg nemen en het mijn vader met een briefje
overhandigen?" De koopman had er niets op tegen en reeds enkele dagen
later was het portret op weg naar Neurenberg.
Tucher had wel eens gaarne willen weten, wat er in het briefje stond,
want hij vermoedde wel, voor wie het portret eigenlijk was bestemd. In
geheel Neurenberg was het geen geheim meer waarom jonkvrouw Agnes
Frey sedert Albrecht Dürers vertrek zoo stil was geworden en uit het
feit, dat de oude meester Dürer den heer Hans Frey dikwijls bezocht,
begreep men het overige.
Tucher had tegelijkertijd den jongen kunstenaar te kennen gegeven,
dat het de wensch zijns vaders was, dat hij nu eens zijn terugkomst
moest bepalen, en aan dien wensch gehoor gevende, zeide Albrecht
spoedig daarop Venetië vaarwel en trok wederom noordwaarts naar Tyrol.
Opgewekt reisde hij verder--hij ging immers naar huis om allen, die
hij liefhad, terug te zien na een vierjarige afwezigheid. Maar het
Tyrolerland was te schoon om er snel door te reizen. Hoe mild had hier
de Schepper Zijn heerlijkheid ten toon gespreid; hoe genoot hier het
oog van den kunstenaar, die het schoone beter dan iemand anders weet
te ontdekken en te waardeeren. Menigmaal voelde hij zich gedrongen
stil te houden en met teekenstift of penseel een schets te nemen van
het schoone en opmerkenswaardige, dat de natuur aanbood. Soms was het
een boomgroep, of een rotsachtig gedeelte, dan weer een landschap,
een burcht of een stad.
Zijn hart klopte luider toen hij aan de bergpas kwam, waardoor
eenmaal zooveel zijner landgenooten waren getrokken en met hun bloed
den bodem hadden gedrenkt: de Venetiaansche kloof. Hij kon het niet
van zich verkrijgen verder te gaan, voordat hij deze romantische
plek geschetst in zijn portefeuille kon meenemen. Ook vertoefde hij
lang op een hoogte bij Triënte om vol geestdrift die schilderachtig
gelegen stad in haar geheel met frissche kleuren weer te geven. En
toen hij Innsbruck naderde juichte zijn ziel bij den aanblik van
deze parel van Tyrol en terstond kwamen palet en penseelen weder
voor den dag. Hij nam het gezicht op deze stad van de noordzijde,
zoodat de Inn den voorgrond inneemt en dicht langs de huizen stroomt,
die zich in den vloed weerspiegelen. Op den achtergrond verheffen
zich majestueus de sneeuwbergen in het zachte blauw des hemels,
waarin kleine, witte wolkjes zweven.
Meer en meer naderde Albrecht de Beiersche grenzen. Nu bleven de
penseelen weggeborgen en zijn hart ging open, toen hij voor het
eerst zijn eigen taal in de ooren hoorde klinken. O Vaderland! gij
heerlijk! innig geliefd woord!