OP SCHOOL.

Elken morgen te negen uur kwam er aan het paleis der Pirkheimers een

kleine man, die door de portierster met alle teekenen van eerbied

werd binnengelaten.

Om zijn kleine, magere gestalte fladderde een lange, wijde jas van

vuurrood laken, hij droeg een hooge, spits toeloopende muts van zwarte

wollen stof en om zijn scherp belijnd gelaat met lange, spitse neus,

fladderden dunne, grijze haren. Met de rechterhand leunde hij op een

stokje en in de linker droeg hij een rol perkament.

"God zegene u, mijnheer de Doctor!" zoo verwelkomde de meid geregeld

den binnentredende; dan liep zij eerbiedig vooruit de trap op om de

deur aan het eind der lange, donkere gang voor hem open te doen.

"God zegene u, Doctor!" klonk het daarop driestemmig in de kamer en

het kleine, roode mannetje drukte allen met vriendelijken lach de hand.

Het was Doctor Henricus Philander, die op deze wijze in het paleis

werd ontvangen. Eigenlijk heette hij Hendrik Liebmann, maar volgens

de gewoonte der geleerden in dien tijd, had hij zijn voornaam in een

Latijnsch en zijn familienaam in een Grieksch kleed gestoken.

Henricus Philander verdiende ten volle de algemeene achting om zijn

groote geleerdheid en om zijn bijzonder talent van onderwijzen,

dat hem alle kinderen der aanzienlijke families uit de stad als

leerlingen bezorgde.

Bij den keizerlijken raadsheer en medebestuurder der stadsregeering

van Neurenberg Johan Pirkheimer, kwam hij reeds zeven jaar aan huis,

eerst om de oudste dochter Charitas onderricht te geven en later ter

wille van Sabine, de jongste.

Met bijzondere voldoening en ijver kweet hij zich van zijn taak, want

de beide meisjes waren zoo leergierig en zoo verstandelijk ontwikkeld,

dat Doctor Philander dikwijls vergat, met meisjes te doen te hebben

en hen onderwees, alsof zij jongens waren. Zij leerden Grieksch en

Latijn zonder moeite en zij verdiepten zich gaarne en met vrucht in

de geheimen der mathematica en der astronomie.

Sedert eenigen tijd was het aantal leerlingen in het paleis tot drie

geklommen, want Wilibald was bij de lessen tegenwoordig, waardoor

Doctor Philanders ijver nog toe nam, want hij bemerkte spoedig, dat

de knaap het in verstand en geestesgaven nog van zijn zusters won. Het

was waarlijk ook geen onaangename taak den knaap te onderwijzen, maar

daarentegen een groot genot en naarmate Wilibald vorderingen maakte,

steeg ook de achting voor den leermeester bij de ouders, die hem

met weldaden overlaadden. Want het was het vurig verlangen van Johan

Pirkheimer, dat zijn zoon een groot geleerde, zooals hij zelf was, zou

worden, en zich op het gebied des geestes bijzonder zou onderscheiden.

Na een jaar was de knaap al aardig op de hoogte van de geschiedenis

van het herleefd klassieke tijdperk en kende hij voldoend Latijn.

Nu weerklonken in den tuin van het paleis slechts zelden de stemmen

der spelende knapen. 's Middags, als er geen les was, zaten ze

samen aan de groote, eikenhouten tafel, die in het midden van de

leerkamer stond en dan luisterde Albrecht met gespannen aandacht

naar hetgeen Wilibald vertelde. Wat hij des morgens had geleerd,

deelde hij 's middags aan zijn vriend mee, evenals de lekkernijen,

die zijn moeder hem gaf. Bijzondere belangstelling toonde Albrecht

voor de oude Grieksche godenverhalen en heldensagen en hij vergat

alles om zich heen, als Wilibald begon te vertellen van den held

Hercules, van Prometheus, die aan de rots was geketend en duldelooze

smarten leed door Jupiters adelaar, die dagelijks een stuk van zijn

altijd weer aangroeiende lever afbeet, van den tocht der Argonauten

om het guldenvlies, van den strijd der zeven helden tegen Thebe, van

de beide vrienden Orestes en Pylades, van den Trojaanschen oorlog,

van Odysseus en andere heerlijke verhalen.

Al spoedig bemerkte Wilibald, dat Albrecht steeds stiller en meer

in zich zelf gekeerd werd, als hij naar die verhalen luisterde en

toen hij hem eindelijk vraagde, wat er toch aan scheelde, antwoordde

Albrecht met een diepen zucht: "Ik benijd u."

Wilibald keek verbaasd: "Benijdt gij mij? En gij zijt zelf toch

ook op school?" Maar Albrecht schudde droevig het hoofd: "Och,

wat is nu de St. Sebaldusschool en onze meester in vergelijking

met doctor Philander! Het is als mijn grove kiel vergeleken bij uw

fluweelen buis. Gij kent toch meester Burgdörffer wel--wat gaat hem

alles langzaam en moeilijk af! Hij heeft er ook zoovelen tegelijk om

les te geven en dan het schoollokaal is zulk een naar, donker hok,

dat men er nauwelijks kan ademhalen en de banken staan zoo dicht bij

elkaar en zijn zoo ongemakkelijk, dat al mijn ledematen pijn doen,

als ik naar huis ga. Op een houten katheder zit onze schoolmeester,

een strenge, sombere man, die op het zwarte bord letters schrijft om

ons die te laten nazeggen en op de lei naschrijven. Daarbij maakt hij

flink gebruik van de roede van berketakjes gemaakt en tuchtigt daarmee

allen, die lui, lastig en ondeugend zijn. Nu deze laatste soort is

rijk vertegenwoordigd bij ons op school, vooral bij die zwervende

luitjes, die men niet weet vanwaar zij komen en die weer verdwijnen,

als zij er lust in hebben."

"Ja, ik kan me begrijpen, dat de meester met zulke lastposten heel

wat heeft te stellen," zei Wilibald. "Mijn vader zegt dat het sluwe

schepsels zijn, een echte plaag voor den onderwijzer. Is het waar

wat Renate, onze meid, vertelde, dat de beul vijf van die schelmen

gisteren heeft gegeeseld en uit de stad gejaagd?"

"Ja, dat is waar," bevestigde Albrecht.

"Wat hadden ze uitgevoerd?" vraagde Wilibald nieuwsgierig.

"Zij hadden het achtste gebod overtreden en het vijfde ook en zijn

in de omliggende dorpen gegaan om brood bedelende; doch terwijl twee

van hen aan de boeren kruiden, die genees- en tooverkrachten zouden

hebben, verkochten, pleegden de anderen een aanslag op den kelder

en namen alles mee, wat ze aan worsten, hammen enz. vonden. Daarna

hebben ze den schoolmeester, die hen met strenge straf bedreigde,

heel brutaal geantwoord en hem zelfs mishandeld."

"Nu dan hebben ze hun verdiende loon," vond Wilibald.

"Hm," bromde Albrecht, "het is waarlijk geen wonder, dat er van leeren

weinig komt, als er zulke snaken op school zijn; soms troost ik mij

wel, als ik denk aan zoovele arme jongens, die in het geheel niet op

school gaan en steeds op straat slenteren: maar als ik aan u denk,

Wilibald, dan word ik jaloersch. Hoe graag zou ik ook les nemen bij

doctor Philander, want ik wenschte veel, heel veel te leeren."

Wilibald zweeg en keek peinzend voor zich. "Ik zou het u zoo gaarne

gunnen," sprak hij na eenige oogenblikken, "maar hoe zou het mogelijk

zijn?... Wilt gij echter eens stilletjes toeluisteren, dan zou ik

er wel iets op weten. Kijk, daar in den hoek achter de kast moogt

gij u verstoppen, maar zoo dat niemand het ziet. Morgen zoudt gij

al kunnen komen, tenminste indien meester Burgdörffer niet boos is,

als hij u mist."

"O, dat komt er niet op aan," sprak Albrecht opgewonden. "Het heeft

bij ons wel iets van een duiventil: elken dag ontbreekt een groot getal

scholieren, en er heerscht tucht noch orde door die zwervende lui, die

doen juist zooals zij willen en verbeelden zich, dat zij de baas zijn."

"Nu, kom dan morgen ochtend vroeg, maar vooral voordat Dr. Philander

er is."

Op den bepaalden tijd sloop Albrecht den volgenden morgen in het

donkere hoekje en bleef daar onbewegelijk twee uren lang zitten

luisteren naar het onderwijs van den doctor, die dien dag Latijn en

sterrekunde op het programma had.

Albrecht genoot zoo lang hij luisterde; doch toen de les uit was,

voelde hij dubbel hoeveel hij op de Sebaldusschool miste en met

loome schreden ging hij er den volgenden morgen weer naar toe. Hij

voelde zich ongelukkig en zijn ellende bereikte het toppunt, toen

de meester hem een pak slaag gaf, omdat hij klaarblijkelijk in het

geheel niet luisterde.

Zijn ouders bemerkten al gauw, dat er iets aan haperde; hij was zoo

stil en in zich zelf gekeerd, dat zijn vader op zekeren dag naar de

reden hiervan vraagde.

Het duurde lang voordat men iets uit hem kon krijgen, totdat

hij eindelijk bekende, dat het slechte onderwijs en de groote

wanordelijkheid op school hem zoo onvoldaan stemden. Zijn vader

troostte hem met de woorden: "Wie langzaam gaat, gaat zeker. Werk

zoo hard als gij kunt, opdat de meester tevreden over u kan zijn,

dan leert gij langzamerhand alles, wat gij noodig hebt te weten. Pas

op voor hoogmoed en ijdele wenschen, mijn zoon! Zie niet naar hen,

die uw meerderen zijn in de maatschappij; benijd Wilibald niet omdat

hij beter onderwijs geniet. Bedenk liever dat gij de zoon van een

handwerksman zijt en eens evenals uw vader in de werkplaats zult

arbeiden. Een goudsmid kan waarlijk zooveel geleerdheid wel ontberen."

Deze verstandige taal en de woorden zijner moeder die zij dagelijks

herhaalde: "Ga in den naam des Heeren," misten hun uitwerking niet

en met vernieuwden ijver ging Albrecht weer naar school.

Het gevolg was dan ook dat de meester pleizier in hem had, waardoor

de knaap werd aangemoedigd om steeds meer zijn best te doen.

Zoo ging het langen tijd goed; maar later had de meester weer over

Albrechts onoplettendheid te klagen en hij ontstak in hevige woede,

toen hij op zekeren dag bemerkte, wat er de oorzaak van was.

Hij zag onder de rekenles, dat verscheiden leerlingen steelsgewijze

de oogen naar Albrecht wendden. Plotseling verliet hij den katheder,

greep den knaap bij den arm en ontrukte hem een klein stuk papier,

waarop iets was geteekend. Toen hij het goed bekeek, herkende hij

zijn eigen portret en hij was zoo verontwaardigd en woedend over deze

majesteitsschennis, dat hij de roede greep en den armen teekenaar

zulk een pak slaag toediende, dat hem hooren en zien verging.

Er liep een afkeurend gemompel door de rijen der leerlingen, die niet

konden begrijpen, dat zulk een onschuldige scherts zoo streng gestraft

moest worden en een der oudste jongens had den moed een kreet van

afschuw te uiten. Maar dat maakte den meester nog toorniger en hij

jaagde de heele bende uit de school.

Het teekenen stilletjes onder de les was den jongen kunstenaar al

heel slecht bekomen en het zou niet te verwonderen zijn geweest,

als hij 't in het vervolg geheel had gelaten. Trouwens, hij waagde

het ook niet meer dergelijke grappen op school uit te halen, maar

zijn medescholieren, één en al bewondering over zijn kunst, bedelden

altijd om de een of andere teekening. En Albrechts goed hart, dat

zoo moeilijk iets kon weigeren, bevredigde hun wenschen.

Als hij 's morgens op school kwam, verdrongen ze zich dadelijk om

hem heen en ze strekten begeerig de handen uit, zoodra hij met een

veelbeteekenend gezicht in zijn zak voelde. Dan werd er gevochten,

dat het een aard had, want iedereen meende recht te hebben op de

door Albrecht gemaakte teekening. Soms ook kroop hij met den een of

anderen kameraad in een afgelegen hoek en deze zag dan met verbazing

hoe vlug hem het teekenen afging.

Natuurlijk was Wilibald bij de uitdeeling de meest bevoorrechte. En

toen Albrecht hem eens een afbeelding van een lansknecht met een harnas

van staal, een hoed met pluimen en schitterende wapens ten geschenke

gaf, kon Wilibald zijn oogen niet gelooven; langen tijd bekeek hij

de teekening met alle aandacht, toen riep hij op eens uit: "Benijdt

gij mij omdat Doctor Philander mij les geeft? Zie, gij kunt, wat hij

mij nimmer leeren kan. En nu zijn de rollen omgekeerd, nu benijd ik u!"

Het was in April 1484. Des morgens was het geheele gezin van Meester

Dürer bijeen voor het gebed en alle waren in bijzonder goede stemming,

want Vrouwe Barbara vierde heden haar naamdag.

Vader Dürer had het gebedenboek opengeslagen en wilde met lezen

beginnen, doch Albrecht was er nog niet; juist wilde zijn vader Andreas

naar hem toe sturen, toen hij binnen kwam en met de beide handen achter

zijn rug iets voor aller blikken trachtte te verstoppen. Zijn vader

wenkte hem te gaan zitten en deed het gebed, waarna hij zijn vrouw de

hand drukte en vurig Gods besten zegen toewenschte op haar verderen

levensweg. Ook de kinderen, wier aantal nu tot vijf was geklommen,

verdrongen zich om hun moeder en kusten haar handen.

Het laatst van allen kwam Albrecht bij haar en hij keek wel een

beetje verlegen, toen hij een blad papier te voorschijn haalde en

dat zijn moeder aanbood met de woorden: "Dit heb ik voor u gemaakt,

lieve moeder, als een herinnering aan dezen dag."

Vrouwe Barbara trad een schrede achteruit en staarde vol verbazing

eerst naar het papier en toen naar haar zoon: op het blad zag zij

Albrecht voor zich, sprekend van gelijkenis en uitdrukking. "Mijn

zoon"--meer kon zij niet zeggen, toen keerde zij zich tot haar man

en liet hem het portret zien. Hij kon zijn oogen niet gelooven:

"Heilige Moeder Gods, leert gij dan tooveren op school? Hebt gij dat

waarlijk zelf geteekend? Maar hoe kan men zijn eigen portret maken?"

Nu moest Albrecht glimlachen: "Het is waarlijk geen tooveren; ik heb

geteekend wat de spiegel mij voorhield."

"Och kom, gij zoudt dat zelf hebben gemaakt?" zei zijn vader

ongeloovig. "Spreek nu de waarheid, kleine schelm; 't is Meester

Wolgemut, die het portret heeft gemaakt."

Albrecht antwoordde vroolijk: "Gij hebt in zoover gelijk, vader,

dat Meester Wolgemut wel de hand in het spel heeft. Heel dikwijls

ben ik bij hem in de werkplaats geweest en heb toegekeken, hoe hij

schilderde. Daardoor heb ik het geleerd. En ook bij den heer Koburger,

mijn peetvader, ben ik dikwijls in de drukkerij geweest om te zien,

hoe Meester Wolgemuts houtsneden werden afgedrukt, dat heeft mij ook

veel geholpen. En nu zult gij, lieve moeder, mij een groot genoegen

doen, als gij dit kleine geschenk van mij wilt aannemen."

Zijn moeder sloot hem in haar armen, terwijl zijn vader het portret

dicht bij het venster nog eens nauwkeurig bekeek. Ja, het was

sprekend Albrecht; alleen de oogen waren niet heel goed geteekend,

maar de rest... wel Meester Wolgemut zelf had het niet mooier en

beter kunnen doen.

Met potlood was het portret op gekleurd papier geteekend [4]: op zijn

hoofd had hij een kapje van laken, eigenlijk een lap, welks eind

met drie knoopen boven op het hoofd bij elkaar werd gehouden, aan

de linkerzijde afhing en voorzien was van lange franjes. Het haar,

recht afgesneden, hing laag op het voorhoofd en verder in lange,

golvende lokken aan weerszijden op zijn schouders. Hij droeg een buis

met wijde mouwen, dat door de linkerhand van voren werd vastgehouden,

terwijl hij de rechterhand vooruit strekte, alsof hij op iets wees.

Nadat Dürer het portret langen tijd had bekeken, trad hij vriendelijk

op zijn zoon toe en legde zijn hand op diens schouder, zeggende: "Als

gij met smeltkroes en graveerstift even handig zijt als met potlood

en penseel, dan zal ik mij verheugen in den dag, waarop ik u in mijn

werkplaats aan mijn zijde zal zien arbeiden. Mogen al de heiligen u

zegenen en u bijstaan, opdat er een wakkere man uit u groeie!"

"Amen!" zei Vrouwe Barbara en toen haar zoon naar school ging, sprak

zij zooals gewoonlijk: "Ga in den naam des Heeren!"

Albrecht Dürer: Een levensbeeld · 第 9 / 70 题