Gedurende de afwezigheid van Columbus waren er onder het bestuur van
Ovando op de inlanders zulke vreeselijke misdaden gepleegd, dat het al
te erg is ze te noemen. Duivels hadden niet erger kunnen handelen. De
moed ontbreekt mij, om die barbaarschheden te beschrijven. Deze
onmenschen stelden bedaagde vrouwen en jonge maagden, bejaarde mannen
en jongens aan alle laagheid en wreedheid bloot, die een verdorven
verbeelding uitdenken kan.
Ruwe benden zwierven in alle richtingen rond, om goud te zoeken. Het
weinige geld, dat de gelukzoekers hadden meegebracht, was al spoedig
verteerd. Zij waren in de diepste armoede en ellende gedompeld. Velen
stierven, en vervloekten den dag, waarop ze uit Spanje waren gegaan. In
den loop van een paar maanden stierven meer dan duizend Spanjaarden. Er
werd een geregeld stelsel van slavernij ingevoerd, waarbij de
inboorlingen, niet aan zwaren arbeid gewend, gedwongen werden in de
mijnen te werken. Ieder Spanjaard kreeg een zeker aantal slaven. Zij
werden aan hun vrouwen en kinderen ontrukt, voor uitputtenden arbeid
gebruikt en aan de wreede zweepstraf onderworpen. Wist een slaaf aan
deze barbaarschheid te ontkomen, dan werd hij achtervolgd en door
bloedhonden verscheurd, als een waarschuwing voor anderen. Geheele
ploegen werden vaak 200 of 300 mijlen voortgejaagd als vee. Velen
bezweken onderweg. Las Casas schrijft:
"Velen zag ik dood op den weg liggen, anderen onder de boomen naar
lucht snakken, en weer anderen vond ik stervende, nauwelijks hoorbaar
kreunend: 'Honger, honger!'"
Irving, die van zulke vreeselijke tooneelen, uit afkeer er van,
geen melding maakt, schrijft: "Het is onmogelijk, om de schilderij,
door den eerwaardigen Las Casas opgehangen, en die schilderde niet
wat hij gehoord maar wat hij gezien had, aan te vullen. De natuur,
de menschelijkheid verzetten er zich tegen. Genoeg is het te zeggen,
dat de zware arbeid en het lijden, die dezen zwakken en goedhartigen
menschen werden opgelegd, zoo ondraaglijk waren, dat zij er onder
bezweken, en als het ware van den aardbodem verdwenen. Velen maakten
in wanhoop een einde aan hun leven; moeders zelfs overwonnen haar
natuur en doodden haar zuigelingen, om hun een leven van ellende
te besparen. Sedert de ontdekking van het eiland waren nog geen
twaalf jaren verloopen, en toch waren er reeds veel honderdduizenden
bewoners gestorven, allen als ellendige slachtoffers van de hebzucht
der blanken."
Vergelijkt men het bestuur van Bobadilla en Ovando met dat van
Columbus, dan is dit laatste rechtvaardig en menschelijk geweest. Hij
paste de doodstraf niet lichtzinnig toe, en gaf geen verlof tot het
opleggen van barbaarsche straffen. Zijn ernstige begeerte was het de
Indianen te beschaven en tot het christendom te bekeeren. Wel zond hij
vele inlanders naar Spanje, om daar als slaven te worden verkocht, maar
dat kwam door een dweepzucht, die men destijds vrij algemeen aantrof,
en die, wij schamen het ons te zeggen, nog geen halve eeuw geleden,
van de predikstoelen zoowel in Engeland als in Amerika, verdedigd en
aanbevolen is. Toch heeft Columbus hiervoor een strenge afkeuring
verdiend. Maar evenzeer zal een eerlijk gemoed rekening houden met
de eeuw, waarin hij leefde.
Sedert de schipbreuk was er een jaar vol angst en droefheid
voorbijgegaan, toen in den morgen van den 28en Juni 1504 twee karveelen
werden gezien, die naar de haven kwamen. Men werd bijna krankzinnig van
vreugde, en de wanhoop was geweken. De samenzweerders, die vergiffenis
hadden gekregen, waren in een kamp op het land gelegerd. Porras,
den aanvoerder, hield men gevangen. De anderen werden behandeld,
alsof ze aan geen misdaad schuldig stonden. Maar zij beefden toch van
angst en waren zeer gedwee en kruipend. Columbus stelde een vertrouwd
officier over hen aan, en zoo wachtten de twee troepen, één aan land
en één op de schepen, de aankomst van hulp af.
Algemeene verontwaardiging te San Domingo had Ovando genoodzaakt deze
hulp, hoe laat dan ook, te zenden. Met de inscheping was er geen tijd
te verliezen. Columbus liet op een van de schepen zijn admiraalsvlag
hijschen, en, grootmoedig alle geleden onrecht vergetende, behandelde
hij allen met de grootste vriendelijkheid. Van Santa Gloria langs
de zuidelijke kust van Jamaïca, van daar naar het westen van Haïti
en dan langs den zuidkant van het eiland naar San Domingo is nog al
een verre reis.
Stormen, tegenwinden en sterke tegenstroomen vertraagden den overtocht,
en niet voor den 13en Augustus wierpen de karveelen in de haven
het anker uit. Daar had Columbus veel vrienden, en zijn ongelukken
hadden een groote verandering in de gevoelens jegens hem veroorzaakt
bij velen, die ook eerst meegeschreeuwd hadden tegen hem. Zelfs de
Goeverneur, wiens geweten niet zuiver was, begon bang te worden, dat
men hem om zijn wreed uitstel ter verantwoording zou roepen. Columbus
verwonderde zich zelf, dat hij door allen met zooveel hoffelijkheid
ontvangen werd. Maar noch hij, noch zijn zoon Fernando liet zich
misleiden door de gehuichelde beleefdheden van den Goeverneur.
Zeer spoedig ontstond er een botsing tusschen beider niet juist
omschreven macht. Moeielijkheden over de bevoegdheden om recht te
spreken deden zich voor. Columbus was tot in het diepst van zijn ziel
getroffen over de behandeling, die de inlanders hadden ondergaan en
ook over de verwoesting, waarvan het heele eiland de sporen droeg. Hij
had gehoopt, de inlanders aan arbeid te gewennen en daardoor zoowel
hun eigen welvaart als die van de kroon te bevorderen. Hij schreef
aan den koning en de koningin:
"De Indianen van Hispaniola waren en zijn de rijksten van het
eiland. Zij bebouwen den grond en bakken brood voor de christenen;
zij halen het goud uit de mijnen en doen alle diensten en al het
werk, die mensch en dier verrichten. Ik heb bericht ontvangen, dat,
sinds ik dit eiland verliet, 6/7 van de inboorlingen dood is, en
dit enkel door onmenschelijkheid en mishandeling. Sommigen kwamen
door het zwaard om, anderen door slagen en wreede straffen, velen
door honger. Het grootste deel stierf in de bergen en bergpassen,
werwaarts zij gevlucht waren, om van den al te zwaren arbeid verlost
te worden, dien men hun had opgelegd."
Columbus was niet in staat ook maar een enkele grief weg te nemen. Hij
kon van Ovando geen afrekening krijgen en was daardoor niet in staat
te betalen wat hij schuldig was. Daarom maakte hij aanstalten, om met
zijn broeder naar Spanje terug te keeren. Twee schepen werden voor
de reis gereedgemaakt. Columbus zorgde voor het eene, de adelantado
voor het andere. Heel mild stond Columbus van het weinige, dat
hij zelf bezat, nog af, om in de behoeften van de arme zeelieden
te voorzien, die achter moesten blijven, ofschoon velen er van de
grootste oproermakers waren geweest. Nauwelijks waren zij buiten de
haven, of een windvlaag nam den mast van het admiraalschip weg. Het
ontredderde schip werd teruggezonden, en Columbus ging met zijn zoon
op dat van zijn broeder over, om de reis voort te zetten.
Met aanhoudende stormen hadden zij te worstelen. Columbus kon zijn
bed niet verlaten, zoo folterend waren de pijnen, die hij door
de jicht leed. Den 12en September 1504 verlieten de schepen San
Domingo, en den 7en November wierp zijn door stormen zeer gehavend
schip het anker in de haven van San Lucar uit. Dadelijk zette hij
de reis naar Sevilla voort. Zwakte, pijn, zorg en verdriet volgden
hem overal. Zijn eigen zaken waren deerlijk in de war en hij stak
diep in de schulden. Koningin Isabella lag op haar ziek- en sterfbed,
verteerd door zulk een menigte huiselijke verdrietelijkheden als maar
weinigen ooit hebben moeten verdragen. Ferdinand was een ongevoelig
mensch, die niet in staat was om door gevoelens van edelmoedigheid
geleid te worden.
Columbus schreef aan zijn zoon, dat het hoogst noodig was de meest
mogelijke zuinigheid in acht te nemen. "Ik ontvang," schreef hij,
"niets van hetgeen men mij schuldig is. Ik leef door te borgen. Weinig
voordeel heeft een twintigjarige dienst mij opgeleverd, een dienst,
waaraan zooveel moeite en gevaren verbonden waren. En nu heb ik in
Spanje zelfs geen eigen dak. Als ik eten en slapen wil, moet ik mijn
toevlucht tot een herberg nemen. En meestentijds heb ik zelfs niet
eens geld om de rekening te betalen."
Isabella stierf levenszat en met een gebroken hart te Medina del
Campo op den 26en November 1504. Haar levenspad werd slechts door
eenige weinige vreugdestralen verlicht. Toen zij haar vrienden,
die om haar heen stonden, in tranen zag baden, zeide zij tot hen:
"Weent niet om mij, en brengt uw tijd niet zoek met vruchtelooze
gebeden voor mijn herstel; bidt liever voor het heil van mijn ziel."
Zij was 54 jaar oud en had 30 jaren geregeerd. Toen men haar lijk
grafwaarts droeg, heerschte er een vreeselijke storm, die hemel en
aarde in beroering bracht. De regen viel in stroomen neer, en een
van de hevigste winterstormen gierde om de torens van het Alhambra,
toen Isabella in de sombere gewelven werd begraven.
De dood van Isabella was een van de grootste rampen, die Columbus
overkwam. Het overige gedeelte van den winter en de lente bracht
hij te Sevilla door. Den meesten tijd lag hij te bed met vreeselijk
lijden. Hij was zeer aan zijn broeders gehecht en hield veel van zijn
zoons Ferdinand en Diego. Aan den oudste schreef hij:
"Gedraag u jegens uw broeder als het den oudste tegenover den jongeren
betaamt. Gij hebt geen ander, en ik dank God, dat hij er een is zooals
gij behoeft. Tien broeders zouden niet te veel voor u zijn. Nooit en
nergens heb ik betere vrienden dan mijn broeders gevonden."
Aan het hof had Columbus nog veel vijanden, die er tamelijk wel
in slaagden om te maken, dat men op zijn armoedige omstandigheden
geen acht sloeg. Hij gevoelde zich zeer ongelukkig en begreep, dat
een persoonlijk bezoek aan het hof een gebiedende noodzakelijkheid
was. Maar hij was zoo verbazend zwak, dat het lang duurde eer hij de
reis wagen kon.
Nadat de winterstormen over waren, maakte hij van het zachte weer in
Mei gebruik, en ging hij met zijn broeder, den adelantado, den koning
te Segovia bezoeken. Als een vermoeid, droefgeestig, miskend man,
meer door verdriet dan door den ouderdom gebogen, ging de ontdekker
van een nieuwe wereld, door de poorten van de koninklijke stad.
De zelfzuchtige Ferdinand dacht niet meer aan de bewezen diensten,
en vond den man met zijn vragen lastig. Hij ontving hem wel is waar
vriendelijk, maar met dien kouden, onbeduidenden glimlach, die als
een zonnestraal bij winterdag over het gelaat gaat, zonder het hart
te verwarmen.
Columbus gaf den koning een uitgebreid en nauwkeurig verhaal van zijn
laatste reis. Maar geen vroolijken lach, geen traan van deernis kon het
meegedeelde afdwingen. De koning was mild met vriendelijke woorden,
maar karig, tot wreedheid toe, waar het aankwam op stoffelijke
erkenning van de verdiensten of de behoeften van den levensmoeden
admiraal. [8]
Droeve maanden van uitgestelde hoop en bittere teleurstellingen vloden
voorbij. De laatste zandkorrels uit het uurglas van het leven begonnen
te vloeien. Zijn geest werd minder en door een hevige aanval van de
jicht, werd de admiraal opnieuw aan zijn bed gekluisterd. Ter wille
van zijn bloedverwanten was hij er bijzonder op gesteld, dat zijn
waardigheden erkend, zijn eigendom beschermd zou worden en dat zij,
die hij liefhad, voor gebrek bewaard mochten blijven. Toch was hij er
veel meer op uit, zijn kinderen een eervollen naam na te laten dan
zijn geldelijke verliezen te herstellen. Van zijn sterfbed schreef
hij den koning nog, en verzocht dat zijn zoon Diego tot onderkoning
benoemd mocht worden, van welke waardigheid hij zelf zoo onrechtvaardig
ontzet was geworden.
"Dit", schreef hij, "is een zaak, die mijn eer raakt. Voor het overige
moet Uwe majesteit maar doen, wat zij het best vindt. Geef of neem
mij af, zooals het voor U het voordeeligst is, en ik zal tevreden
wezen. Ik geloof dat de zorg, die het uitstellen van deze zaak mij
geeft, de voornaamste oorzaak van mijn ziekte is."
Eindelijk kreeg hij de overtuiging, dat er van de zijde van Ferdinand
geen hoop op herstel van grieven was. Op zijn ziekbed schreef hij
aan zijn trouwen vriend, Diego de Deza, den volgenden wanhopigen brief:
"Het schijnt, dat de koning niet doen wil, wat hij en wijlen de
koningin mij mondeling en schriftelijk hebben beloofd. Het zou met
den wind vechten wezen, als ik mij daartegen ging verzetten. Ik heb
alles gedaan, wat ik kon. De rest laat ik aan God over, die altijd
goed voor mij geweest is."
Er is in den dood van dezen zwakken maar heldhaftigen man iets
onuitsprekelijk droevigs. Lichaam en geest hadden bij dien man door de
stormen van het onrustigste aardsche leven, dat men zich denken kan,
veel geleden. Sedert eenigen tijd was het zijnen vrienden duidelijk
geworden, dat zijn einde naderde. Hij zelf werd hiervan overtuigd. Het
verheven karakter van Columbus komt duidelijk uit bij het uitspreken
van zijn laatsten wil in die plechtige uren.
Overeenkomstig het erfrecht, was zijn zoon Diego zijn voornaamste
erfgenaam. Columbus bepaalde, dat zijn landgoed nooit in vreemde
handen overgaan of verbrokkeld mocht worden. Hij drong er op aan,
dat zijn erfgenamen altijd aan den koning getrouw zouden blijven en
alles zouden doen ter bevordering van het christelijk geloof. Eén
tiende van het inkomen moest besteed worden om arme bloedverwanten
en andere gebrek lijdende personen te ondersteunen. Hij stond er op,
dat bij de stad Concepcion op Hispaniola een kapel zou gebouwd worden,
waar dagelijks missen werden gelezen voor de rust van zijn eigen ziel,
en voor die van zijn vader, zijn moeder, zijn vrouw en van allen,
die in het geloof gestorven waren.
Eindelijk brak het stervensuur aan. Columbus was zich volkomen bewust,
dat de tijd van gaan voor hem gekomen was. Hij was blijde, dat de
dood naderde, als de vriendelijke bode, die hem van zorg, pijn en
verdriet zou bevrijden. Zijn laatste woorden waren: "In uwe handen,
o God! beveel ik mijnen geest."
Het was de 20en Mei 1506. Men vermoedt, dat Columbus toen 70 jaren
oud was. Zijn begrafenis had te Valladolid met veel plechtigheid
plaats. Eerst werd zijn lijk in de kerk van Santa Maria de la
Antigua bijgezet, maar zeven jaren daarna, in 1513, werd het naar
het Karthuizer klooster van Las Cuevas te Sevilla overgebracht. Drie
en twintig jaren later werd het met dat van zijn zoon Diego in de
hoofdkerk van de stad San Domingo begraven. Maar zelfs hier mocht
het de laatste rustplaats niet vinden. Toen de Franschen zich in
1797 van het eiland hadden meester gemaakt, werden de lijken door
de Spaansche gezaghebbers naar de hoofdkerk van Havana, op Cuba,
overgebracht. Daar rusten ze nu.
Ieder lezer zal, wanneer hij het vorenstaande verhaal nagaat, een
eigen oordeel vellen over het karakter van Columbus. Zijn afwisselend
leven was over het geheel een van de meest vreugdelooze en moeitevolle
levens, waarvan de geschiedenis melding maakt. Dat hij zijn gebreken
had, geven we toe. Maar geen eerlijk gemoed zal ontkennen, dat deze
vlekken op zijn karakter door vele en verhevene deugden werden vergoed.