III.

Een huwelijk op IJsland, negenhonderd jaar geleden, was heel wat anders

dan zulk een plechtigheid in dezen tijd. In den ouden heidenschen

tijd werd de bruid door eenige vrienden van den bruidegom, in optocht

naar diens huis gebracht, en daar had de plechtigheid plaats, die

bestond in het drinken van groote hoeveelheden wijn en bier en het

wisselen van geschenken tusschen de beide partijen. De bruid schonk

haar aanstaanden echtgenoot wapens, een maliënkolder en een paard,

terwijl hij haar een paard, een ploeg, een lans en andere geschenken

gaf, meestal zinnebeelden van de plichten, die beiden nu jegens

elkander te vervullen hadden. De wapens wezen aan, dat hij altijd

de beschermer van zijn huis moest zijn; het paard, dat hij altijd

gereed moest zijn den vijand te achtervolgen. Zijn geschenken aan

haar beduidden, dat de zorgen der huishouding en het bebouwen van het

veld haar bezigheden waren, terwijl het paard en de lans te kennen

gaven dat haar plicht haar ook in oorlogstijd aan zijne zijde riep,

en zij hem zelfs in het veld moest volgen.

Toen het Christendom werd ingevoerd, raakten veel van deze gewoonten

langzamerhand in onbruik, maar toch zijn er nog tegenwoordig sporen

van te vinden in het wisselen der trouwringen

Bij gelegenheid van het huwelijk tusschen Thorward en Freydisa was

het als 't ware een samensmelting van oude en nieuwe gebruiken. Van

weerszijden werden geschenken gegeven en er werden gouden ringen

gewisseld.

De overlevering zegt, dat Leif de eerste was aan wien men de invoering

van den Christelijken godsdienst op het eiland te danken heeft. Zeker

is het, dat hij op zijn schepen Christenpriesters heeft meegebracht

en dat het eerste Christenhuwelijk door die priesters werd ingezegend.

Toen al de feestelijkheden afgeloopen waren, was de zomer ver

gevorderd en de tocht naar Groenland, die ten doel had Eirik, den

Rooden, te bezoeken, kon niet langer uitgesteld worden.

Onder hen, die aan den tocht deelnamen, was ook Byarn Hergulfson, wiens

vader Hergulf een der boezemvrienden van Eirik, den Rooden, was. Byarn

had ook een schip uitgerust en wilde gelijk met Leif uitzeilen. Sigvald

had zijn zoon Edrik verlof gegeven twee zijner kameraden te vragen

om mee te gaan, als hun ouders er ten minste in toestemden.

"Ik zou Osrik en kleinen Nils het liefst mee hebben, als zij willen,"

zeide Edrik.

De jongens hadden er zeer veel lust in, en hun ouders waren blijde

dat hun zoons gelegenheid hadden zulk een uitstapje te maken. Op den

bepaalden dag zeilden dus twee schepen van Reikiavik af, het eene onder

Leif Eirikson, het andere onder bevel van Byarn, zoon van Hergulf.

In het begin van Augustus verlieten de twee schepen, de Rolf Krake en

de Sleipner, de haven van Reikiavik. Aan den oever stonden vrienden en

nieuwsgierigen. Edrik, Osrik en Nils stonden op het hoogere gedeelte

bij den achtersteven en keken naar de achterblijvenden, totdat het

voorgebergte hen voor hun blikken verborg.

"Wel, Edrik! nu begint het er op te lijken," zei Osrik, toen het land

uit het gezicht was. "Hier zijn wij vrij! Wat een heerlijk gevoel. Kijk

eens naar dit veld van blauw water. Dat wil ik altijd beploegen."

"Ja," zei Edrik, "en onze kiel is de ploegschaar."

"Maar," zoo nam Nils het woord, "ik zie niet in welken oogst wij hier

moeten binnenhalen."

"Roem!" zei Edrik, en trotsch keek hij rond. "Roem en eer," ging hij

voort, als door het onderwerp meegesleept. "Op de zee vinden wij een

roemrijk te huis en een eervol einde, als onze taak is afgedaan en

de oceaan ons graf wordt."

Byarn, de zoon van Hergulf, hoorde deze redeneering en zei lachend:

"Hoort eens, jongens! aan boord is niet veel tijd voor zulke mooie

redevoeringen. Wij hebben geen andere katten noodig dan die, welke

muizen vangen; gij moogt dus niet lui zijn. Kijkt eens daar ginds! Lars

Fostigson is bezig een touw te vlechten; hij zal u die kunst leeren."

Edrik en de andere knapen wisten echter meer van deze dingen af dan

Byarn eerst gedacht had, en wat zij nog niet wisten leerden zij spoedig

genoeg aan. Hun tweede dag op zee werd gekenmerkt door een dikke mist,

die het andere schip voor hun oog verborg. 's Nachts trok de mist

weer weg, maar de Rolf Krake was nog niet in 't gezicht. De derde dag

brak aan, en Edrik werd in den mast gezonden, om te trachten met zijn

jeugdige oogen het vermiste schip te ontdekken. Hij klom vlug naar

het kleine kraaiennest, of de mand, die aan het bovenste gedeelte

van den mast was bevestigd. Er konden mannen in staan, die van daar

op het dek van den vijand konden schieten, of naar alle kanten konden

rondkijken om voorwerpen te ontdekken, die van het dek af niet gezien

konden worden.

"Wat ziet gij daar boven?" riep Byarn.

"Niets! Er is geen schip te zien, zelfs geen spelende walvisch."

"Vreemd!" zei Byarn, "kom beneden, dan zal ik beproeven of ik

gelukkiger ben."

Edrik klom af en Byarn verving hem, doch hij zag evenmin iets.

"Wij kunnen nog niet ver van de kust af zijn; ongeveer twee honderd

mijlen, denk ik, en de wind is niet veel gedraaid. Wat kan die

verdwijning van Leif te beteekenen hebben? Ik zal een raaf laten

vliegen."

Het was de gewoonte onder de Noorsche zeelieden om twee of drie

raven mede te nemen, en die onder sommige omstandigheden te laten

vliegen. Toen Byarn dit beval gaf, was het met de bedoeling om te

zien waar het dichtstbijgelegen land lag.

De raaf werd meegenomen naar het kraaiennest en vandaar liet men

hem vliegen. Na eenige keeren om den mast gevlogen te hebben, gaf

het dier een schreeuw en vloog weg in de richting van waar het schip

gekomen was.

"Zie jongens, zie!" riep Byarn, "IJsland ligt nog zoo dicht bij dat de

vogel het kan bereiken. Het schip gaat dus vooruit naar Groenland. Aan

de riemen jongens! met roeien moeten wij de zeilen helpen."

Zoo gingen zij vooruit, drie dagen lang en toen werd de mist zoo

dik, dat zij op geen speerlengte van zich af konden zien. Er werd

een tweede raaf uitgezonden, maar die keerde spoedig terug, daar de

mist te dik was en zelfs de scherpe oogen van den vogel er niet in

konden doordringen.

Dien geheelen dag en nacht bleef de mist hangen. De morgen bracht

dikke wolken en zwaren regen, en de nacht, hoewel droog, was zoo

verduisterd door wolken, dat zij de sterren niet konden onderscheiden

en niet wisten hoe zij sturen moesten.

De volgende dag was zoo helder als zij maar wenschen konden; geen

wolkje was aan den hemel te zien. Er was een lichte bries opgestoken,

maar daar hun geheele berekening nu in de war was, wisten zij niet

of de wind hun gunstig was of niet. Zij lieten een raaf vliegen, maar

's namiddags kwam zij uitgeput terug, een bewijs dat er geen land in

de nabijheid lag.

"Zou Leif met de Rolf Krake verdwaald zijn?" vroeg Byarn.

"Leif Eirikson is een goed Christen," antwoordde Edrik. "Door God's

zegen zal alles wel terecht komen."

"Gij zult nog een prediker worden, Edrik!--maar ik geloof dat wij

Groenland in de mist voorbij zijn gezeild. Echter, dat kan toch niet,

want Groenland is het eind van Midgard (de aarde) en daar voorbij is

geen land of water meer."

Zij zeilden nog drie dagen voort en nog was er geen land in 't

zicht, wel ijsbergen. Nogmaals liet men een raaf vliegen; er ging een

geheele dag voorbij, doch het dier keerde niet terug. Dezen keer was

hij dadelijk van den voorsteven weg gevlogen, zonder een oogenblik

te aarzelen.

Den volgenden morgen werd kleine Edrik weer den mast in gezonden. Hij

bleef daar vier uur en was uitgeput van vermoeienis en honger, toen

hij eindelijk op het geroep van Byarn antwoordde; "Ik zie iets aan

stuurboord; misschien is het land."

"Een mistbank, denk ik! Kom beneden; het kan ook een ijsveld zijn."

"Wacht even, ik geloof dat het de kust is! Stuur recht op de

ondergaande zon aan, juist zooals de wind is.... zoo!"

Hoewel de Noorsche zeden niet toelieten dat men toonde ergens heel veel

belang in te stellen, konden de krijgslieden aan boord hun vreugde toch

niet bedwingen bij de woorden van Edrik. Zij roeiden met meer lust en

deden de Sleipner zoo snel voortgaan als maar eenigszins mogelijk was.

Edrik vergat vermoeidheid en honger, toen hij duidelijk bespeurde

dat hij werkelijk land zag. Byarn beval hem nu beneden te komen en

hij klom zelf naar boven, in zich zelven brommend dat hij wel haast

zeker was dat het een ijsveld zou zijn. Doch toen hij boven was, waren

zijn verwondering en verrassing zelfs voor Noorsche kalmte te veel.

"Bij alle heiligen! Daar is eindelijk Groenland na een

veertiendaagschen kruistocht. Van zoo iets heeft men nog nooit

gehoord!"

Bij zonsondergang waren zij de kust zoover genaderd, dat zij heuvels

met groene bosschen bedekt konden onderscheiden.

"Dit moet Groenland wel zijn!" riep Byarn uit. "Kijkt eens naar die

prachtige boomen!"

"Dat is Groenland niet!" zei een der roeien, "de kust ziet er anders

uit. Men noemt het geen Groenland om de dichte wouden, maar omdat

dicht bij het water zooveel gras en struiken groeien.--Groenland? Het

heeft meer van Steenland!"

"Gij hebt gelijk, geloof ik!" zei Byarn, "ik ken Groenland niet, maar

Leif heeft mij verteld dat de heuvels binnen in het land met sneeuw en

ijs bedekte toppen hebben, terwijl aan den waterkant de bodem bedekt

is met gras. Hier is het juist het tegenovergestelde; de kust is wit

van de steenblokken en in de verte zijn alle heuvels groen!"

De Sleipner zeilde langzaam langs de kust, maar vond nergens een

geschikte landingsplaats. Zij lieten dus het land met de steenen

links liggen, en kozen de open zee, en zooals de overlevering luidt:

"na twee dagen verder gezeild te zijn, ontdekten zij land, maar veel

lager dan het eerste en met boomen begroeid."

Hier gingen zij aan wal, en daar zij er allerlei dieren aantroffen

en overvloed van frisch water, namen zij een heelen voorraad in en

zeilden verder. "Zijn tocht voortzettend," zoo luidt het verder, "met

een gunstigen zuidwestenwind, bereikte Byarn in drie dagen weer een

uitgestrekt eiland, waarvan de kust bedekt was met talrijke ijsvelden

en ijsbergen. Daar het land er niet zeer aantrekkelijk uitzag, koos

Byarn weer zee."

"Ik zou toch wel eens willen weten of dat nu Groenland is geweest,"

zei Edrik, nadat zij dit nieuwgevonden land (New-Foundland) [1]

hadden verlaten en weer twee dagen op zee waren. "Misschien is het

een gedeelte van Groenland, dat nog nooit bezocht is geworden."

"Dat kan wel," antwoordde Nils, "hoewel ik hoop dat de rest van

Groenland wat aanlokkelijker is. De bosschen echter waren mooi. Ik

had daar wel eens op de berenjacht willen gaan, als er tijd voor

geweest was."

"Het was Groenland niet, jongens!" zei Osrik. "Mijn vader is in

Groenland geweest en heeft mij er alles van verteld. Het is evenmin

Groenland, als ik koning Olaf Tryggvason ben."

"Kent gij Olaf Tryggvason?" vroeg Nils.

"Neen! maar ik hoorde mijn vader over hem spreken."

"Is hij een reus?"

"Een reus? ha, ha! Waarom doet gij toch zulke dwaze vragen?"

"Het is geen dwaze vraag. Ik hoorde mijn vader zeggen: "Olaf en eenige

andere groote mannen van Noorwegen;" ik dacht stellig dat hij bedoelde

dat zij reuzen waren."

"Gij zijt een malle jongen! Koning Olaf is niet grooter dan andere

menschen, maar hij is een koning."

"Wij hebben dan zeker op IJsland geen koningen, omdat er geen

buitengewoon groote menschen wonen?"

"Hoor zulke knapen nu toch eens praten!" zei Byarn, die deze opmerking

hoorde. "Wij hebben geen koning op IJsland, omdat alle menschen daar

gelijk zijn, hoewel sommigen onder hen nog graven genoemd worden."

"Is Bren, de jager, dan gelijk met mijn vader?"

"Ja, volgens de IJslandsche wet."

"Waarom beval mijn vader dan om hem te slaan. Hij kan toch mijn vader

niet laten slaan?"

"Daar zal ik op een anderen keer eens met u over praten. Ga nu naar

boven en zeg mij of gij land kunt zien."

Edrik klom vroolijk naar boven en was er nog niet lang, toen men hem

hoorde roepen: "Land aan bakboord!" Hij kwam naar beneden en Byarn

klom in den mast. Hij bevestigde het bericht.

"Dat zal Groenland zijn en dat andere is dus zeker een eiland, waar

niemand iets van weet."

"Zoudt gij denken, dat Byarn zal vertellen welk nieuw land wij

gezien hebben?"

"Ik geloof het niet, want als hij het vertelde, zouden zij hem maar

uitlachen, omdat hij Groenland gemist heeft."

Byarn hoorde dit gesprek en hij dacht ook dat het voor zijn naam

wellicht beter was om zijn mond te houden. Hij zeide dus tot de

bemanning:

"Het is niet goed dat de menschen om ons lachen, daarom stel ik voor

aan onze vrienden in Groenland niets te zeggen van het land, dat wij

gezien hebben. Wat denkt gij er van, vrienden?"

Toen sprak Olog Arfvidson, een ernstig man, die meer geleek op een

woudeik met besneeuwden top, dan op een man van vleesch en bloed:

"Byarn Hergulfson, het is laag om te liegen. Ik kan natuurlijk mijn

mond houden, als de menschen verwonderd vragen waar wij geweest zijn

en waar wij onzen voorraad hebben opgedaan, want wij zijn nu een maand

onderweg geweest. Wij moesten liever vertellen, dat wij een nieuw en

onbekend land hebben gevonden, waar een menigte dieren leven."

"Maar men zal ons niet gelooven," zei Byarn, "want Groenland is het

eind der aarde. Toch moeten wij verklaren hoe wij voedsel vonden en

waar. Liegen helpt niet, maar niemand zal ons gelooven als wij de

waarheid zeggen."

Toen zei kleine Edrik: "Wij moeten onzen mond houden, totdat ons

bepaald gevraagd wordt wat wij gezien hebben, en dan moeten wij de

waarheid zeggen."

Het schip naderde intusschen het land en zeilde Eiriks-fjord in,

waar Leif's schip, de Rolf Krake, ten anker lag.

Het scheen dat de geheele kleine kolonie aan den oever verzameld was

om Byarn te verwelkomen, van wien men gedacht had, nooit meer iets

te kunnen of te zullen hooren.

Edrik, de Noorman · 第 4 / 15 题