Een huwelijk op IJsland, negenhonderd jaar geleden, was heel wat anders
dan zulk een plechtigheid in dezen tijd. In den ouden heidenschen
tijd werd de bruid door eenige vrienden van den bruidegom, in optocht
naar diens huis gebracht, en daar had de plechtigheid plaats, die
bestond in het drinken van groote hoeveelheden wijn en bier en het
wisselen van geschenken tusschen de beide partijen. De bruid schonk
haar aanstaanden echtgenoot wapens, een maliënkolder en een paard,
terwijl hij haar een paard, een ploeg, een lans en andere geschenken
gaf, meestal zinnebeelden van de plichten, die beiden nu jegens
elkander te vervullen hadden. De wapens wezen aan, dat hij altijd
de beschermer van zijn huis moest zijn; het paard, dat hij altijd
gereed moest zijn den vijand te achtervolgen. Zijn geschenken aan
haar beduidden, dat de zorgen der huishouding en het bebouwen van het
veld haar bezigheden waren, terwijl het paard en de lans te kennen
gaven dat haar plicht haar ook in oorlogstijd aan zijne zijde riep,
en zij hem zelfs in het veld moest volgen.
Toen het Christendom werd ingevoerd, raakten veel van deze gewoonten
langzamerhand in onbruik, maar toch zijn er nog tegenwoordig sporen
van te vinden in het wisselen der trouwringen
Bij gelegenheid van het huwelijk tusschen Thorward en Freydisa was
het als 't ware een samensmelting van oude en nieuwe gebruiken. Van
weerszijden werden geschenken gegeven en er werden gouden ringen
gewisseld.
De overlevering zegt, dat Leif de eerste was aan wien men de invoering
van den Christelijken godsdienst op het eiland te danken heeft. Zeker
is het, dat hij op zijn schepen Christenpriesters heeft meegebracht
en dat het eerste Christenhuwelijk door die priesters werd ingezegend.
Toen al de feestelijkheden afgeloopen waren, was de zomer ver
gevorderd en de tocht naar Groenland, die ten doel had Eirik, den
Rooden, te bezoeken, kon niet langer uitgesteld worden.
Onder hen, die aan den tocht deelnamen, was ook Byarn Hergulfson, wiens
vader Hergulf een der boezemvrienden van Eirik, den Rooden, was. Byarn
had ook een schip uitgerust en wilde gelijk met Leif uitzeilen. Sigvald
had zijn zoon Edrik verlof gegeven twee zijner kameraden te vragen
om mee te gaan, als hun ouders er ten minste in toestemden.
"Ik zou Osrik en kleinen Nils het liefst mee hebben, als zij willen,"
zeide Edrik.
De jongens hadden er zeer veel lust in, en hun ouders waren blijde
dat hun zoons gelegenheid hadden zulk een uitstapje te maken. Op den
bepaalden dag zeilden dus twee schepen van Reikiavik af, het eene onder
Leif Eirikson, het andere onder bevel van Byarn, zoon van Hergulf.
In het begin van Augustus verlieten de twee schepen, de Rolf Krake en
de Sleipner, de haven van Reikiavik. Aan den oever stonden vrienden en
nieuwsgierigen. Edrik, Osrik en Nils stonden op het hoogere gedeelte
bij den achtersteven en keken naar de achterblijvenden, totdat het
voorgebergte hen voor hun blikken verborg.
"Wel, Edrik! nu begint het er op te lijken," zei Osrik, toen het land
uit het gezicht was. "Hier zijn wij vrij! Wat een heerlijk gevoel. Kijk
eens naar dit veld van blauw water. Dat wil ik altijd beploegen."
"Ja," zei Edrik, "en onze kiel is de ploegschaar."
"Maar," zoo nam Nils het woord, "ik zie niet in welken oogst wij hier
moeten binnenhalen."
"Roem!" zei Edrik, en trotsch keek hij rond. "Roem en eer," ging hij
voort, als door het onderwerp meegesleept. "Op de zee vinden wij een
roemrijk te huis en een eervol einde, als onze taak is afgedaan en
de oceaan ons graf wordt."
Byarn, de zoon van Hergulf, hoorde deze redeneering en zei lachend:
"Hoort eens, jongens! aan boord is niet veel tijd voor zulke mooie
redevoeringen. Wij hebben geen andere katten noodig dan die, welke
muizen vangen; gij moogt dus niet lui zijn. Kijkt eens daar ginds! Lars
Fostigson is bezig een touw te vlechten; hij zal u die kunst leeren."
Edrik en de andere knapen wisten echter meer van deze dingen af dan
Byarn eerst gedacht had, en wat zij nog niet wisten leerden zij spoedig
genoeg aan. Hun tweede dag op zee werd gekenmerkt door een dikke mist,
die het andere schip voor hun oog verborg. 's Nachts trok de mist
weer weg, maar de Rolf Krake was nog niet in 't gezicht. De derde dag
brak aan, en Edrik werd in den mast gezonden, om te trachten met zijn
jeugdige oogen het vermiste schip te ontdekken. Hij klom vlug naar
het kleine kraaiennest, of de mand, die aan het bovenste gedeelte
van den mast was bevestigd. Er konden mannen in staan, die van daar
op het dek van den vijand konden schieten, of naar alle kanten konden
rondkijken om voorwerpen te ontdekken, die van het dek af niet gezien
konden worden.
"Wat ziet gij daar boven?" riep Byarn.
"Niets! Er is geen schip te zien, zelfs geen spelende walvisch."
"Vreemd!" zei Byarn, "kom beneden, dan zal ik beproeven of ik
gelukkiger ben."
Edrik klom af en Byarn verving hem, doch hij zag evenmin iets.
"Wij kunnen nog niet ver van de kust af zijn; ongeveer twee honderd
mijlen, denk ik, en de wind is niet veel gedraaid. Wat kan die
verdwijning van Leif te beteekenen hebben? Ik zal een raaf laten
vliegen."
Het was de gewoonte onder de Noorsche zeelieden om twee of drie
raven mede te nemen, en die onder sommige omstandigheden te laten
vliegen. Toen Byarn dit beval gaf, was het met de bedoeling om te
zien waar het dichtstbijgelegen land lag.
De raaf werd meegenomen naar het kraaiennest en vandaar liet men
hem vliegen. Na eenige keeren om den mast gevlogen te hebben, gaf
het dier een schreeuw en vloog weg in de richting van waar het schip
gekomen was.
"Zie jongens, zie!" riep Byarn, "IJsland ligt nog zoo dicht bij dat de
vogel het kan bereiken. Het schip gaat dus vooruit naar Groenland. Aan
de riemen jongens! met roeien moeten wij de zeilen helpen."
Zoo gingen zij vooruit, drie dagen lang en toen werd de mist zoo
dik, dat zij op geen speerlengte van zich af konden zien. Er werd
een tweede raaf uitgezonden, maar die keerde spoedig terug, daar de
mist te dik was en zelfs de scherpe oogen van den vogel er niet in
konden doordringen.
Dien geheelen dag en nacht bleef de mist hangen. De morgen bracht
dikke wolken en zwaren regen, en de nacht, hoewel droog, was zoo
verduisterd door wolken, dat zij de sterren niet konden onderscheiden
en niet wisten hoe zij sturen moesten.
De volgende dag was zoo helder als zij maar wenschen konden; geen
wolkje was aan den hemel te zien. Er was een lichte bries opgestoken,
maar daar hun geheele berekening nu in de war was, wisten zij niet
of de wind hun gunstig was of niet. Zij lieten een raaf vliegen, maar
's namiddags kwam zij uitgeput terug, een bewijs dat er geen land in
de nabijheid lag.
"Zou Leif met de Rolf Krake verdwaald zijn?" vroeg Byarn.
"Leif Eirikson is een goed Christen," antwoordde Edrik. "Door God's
zegen zal alles wel terecht komen."
"Gij zult nog een prediker worden, Edrik!--maar ik geloof dat wij
Groenland in de mist voorbij zijn gezeild. Echter, dat kan toch niet,
want Groenland is het eind van Midgard (de aarde) en daar voorbij is
geen land of water meer."
Zij zeilden nog drie dagen voort en nog was er geen land in 't
zicht, wel ijsbergen. Nogmaals liet men een raaf vliegen; er ging een
geheele dag voorbij, doch het dier keerde niet terug. Dezen keer was
hij dadelijk van den voorsteven weg gevlogen, zonder een oogenblik
te aarzelen.
Den volgenden morgen werd kleine Edrik weer den mast in gezonden. Hij
bleef daar vier uur en was uitgeput van vermoeienis en honger, toen
hij eindelijk op het geroep van Byarn antwoordde; "Ik zie iets aan
stuurboord; misschien is het land."
"Een mistbank, denk ik! Kom beneden; het kan ook een ijsveld zijn."
"Wacht even, ik geloof dat het de kust is! Stuur recht op de
ondergaande zon aan, juist zooals de wind is.... zoo!"
Hoewel de Noorsche zeden niet toelieten dat men toonde ergens heel veel
belang in te stellen, konden de krijgslieden aan boord hun vreugde toch
niet bedwingen bij de woorden van Edrik. Zij roeiden met meer lust en
deden de Sleipner zoo snel voortgaan als maar eenigszins mogelijk was.
Edrik vergat vermoeidheid en honger, toen hij duidelijk bespeurde
dat hij werkelijk land zag. Byarn beval hem nu beneden te komen en
hij klom zelf naar boven, in zich zelven brommend dat hij wel haast
zeker was dat het een ijsveld zou zijn. Doch toen hij boven was, waren
zijn verwondering en verrassing zelfs voor Noorsche kalmte te veel.
"Bij alle heiligen! Daar is eindelijk Groenland na een
veertiendaagschen kruistocht. Van zoo iets heeft men nog nooit
gehoord!"
Bij zonsondergang waren zij de kust zoover genaderd, dat zij heuvels
met groene bosschen bedekt konden onderscheiden.
"Dit moet Groenland wel zijn!" riep Byarn uit. "Kijkt eens naar die
prachtige boomen!"
"Dat is Groenland niet!" zei een der roeien, "de kust ziet er anders
uit. Men noemt het geen Groenland om de dichte wouden, maar omdat
dicht bij het water zooveel gras en struiken groeien.--Groenland? Het
heeft meer van Steenland!"
"Gij hebt gelijk, geloof ik!" zei Byarn, "ik ken Groenland niet, maar
Leif heeft mij verteld dat de heuvels binnen in het land met sneeuw en
ijs bedekte toppen hebben, terwijl aan den waterkant de bodem bedekt
is met gras. Hier is het juist het tegenovergestelde; de kust is wit
van de steenblokken en in de verte zijn alle heuvels groen!"
De Sleipner zeilde langzaam langs de kust, maar vond nergens een
geschikte landingsplaats. Zij lieten dus het land met de steenen
links liggen, en kozen de open zee, en zooals de overlevering luidt:
"na twee dagen verder gezeild te zijn, ontdekten zij land, maar veel
lager dan het eerste en met boomen begroeid."
Hier gingen zij aan wal, en daar zij er allerlei dieren aantroffen
en overvloed van frisch water, namen zij een heelen voorraad in en
zeilden verder. "Zijn tocht voortzettend," zoo luidt het verder, "met
een gunstigen zuidwestenwind, bereikte Byarn in drie dagen weer een
uitgestrekt eiland, waarvan de kust bedekt was met talrijke ijsvelden
en ijsbergen. Daar het land er niet zeer aantrekkelijk uitzag, koos
Byarn weer zee."
"Ik zou toch wel eens willen weten of dat nu Groenland is geweest,"
zei Edrik, nadat zij dit nieuwgevonden land (New-Foundland) [1]
hadden verlaten en weer twee dagen op zee waren. "Misschien is het
een gedeelte van Groenland, dat nog nooit bezocht is geworden."
"Dat kan wel," antwoordde Nils, "hoewel ik hoop dat de rest van
Groenland wat aanlokkelijker is. De bosschen echter waren mooi. Ik
had daar wel eens op de berenjacht willen gaan, als er tijd voor
geweest was."
"Het was Groenland niet, jongens!" zei Osrik. "Mijn vader is in
Groenland geweest en heeft mij er alles van verteld. Het is evenmin
Groenland, als ik koning Olaf Tryggvason ben."
"Kent gij Olaf Tryggvason?" vroeg Nils.
"Neen! maar ik hoorde mijn vader over hem spreken."
"Is hij een reus?"
"Een reus? ha, ha! Waarom doet gij toch zulke dwaze vragen?"
"Het is geen dwaze vraag. Ik hoorde mijn vader zeggen: "Olaf en eenige
andere groote mannen van Noorwegen;" ik dacht stellig dat hij bedoelde
dat zij reuzen waren."
"Gij zijt een malle jongen! Koning Olaf is niet grooter dan andere
menschen, maar hij is een koning."
"Wij hebben dan zeker op IJsland geen koningen, omdat er geen
buitengewoon groote menschen wonen?"
"Hoor zulke knapen nu toch eens praten!" zei Byarn, die deze opmerking
hoorde. "Wij hebben geen koning op IJsland, omdat alle menschen daar
gelijk zijn, hoewel sommigen onder hen nog graven genoemd worden."
"Is Bren, de jager, dan gelijk met mijn vader?"
"Ja, volgens de IJslandsche wet."
"Waarom beval mijn vader dan om hem te slaan. Hij kan toch mijn vader
niet laten slaan?"
"Daar zal ik op een anderen keer eens met u over praten. Ga nu naar
boven en zeg mij of gij land kunt zien."
Edrik klom vroolijk naar boven en was er nog niet lang, toen men hem
hoorde roepen: "Land aan bakboord!" Hij kwam naar beneden en Byarn
klom in den mast. Hij bevestigde het bericht.
"Dat zal Groenland zijn en dat andere is dus zeker een eiland, waar
niemand iets van weet."
"Zoudt gij denken, dat Byarn zal vertellen welk nieuw land wij
gezien hebben?"
"Ik geloof het niet, want als hij het vertelde, zouden zij hem maar
uitlachen, omdat hij Groenland gemist heeft."
Byarn hoorde dit gesprek en hij dacht ook dat het voor zijn naam
wellicht beter was om zijn mond te houden. Hij zeide dus tot de
bemanning:
"Het is niet goed dat de menschen om ons lachen, daarom stel ik voor
aan onze vrienden in Groenland niets te zeggen van het land, dat wij
gezien hebben. Wat denkt gij er van, vrienden?"
Toen sprak Olog Arfvidson, een ernstig man, die meer geleek op een
woudeik met besneeuwden top, dan op een man van vleesch en bloed:
"Byarn Hergulfson, het is laag om te liegen. Ik kan natuurlijk mijn
mond houden, als de menschen verwonderd vragen waar wij geweest zijn
en waar wij onzen voorraad hebben opgedaan, want wij zijn nu een maand
onderweg geweest. Wij moesten liever vertellen, dat wij een nieuw en
onbekend land hebben gevonden, waar een menigte dieren leven."
"Maar men zal ons niet gelooven," zei Byarn, "want Groenland is het
eind der aarde. Toch moeten wij verklaren hoe wij voedsel vonden en
waar. Liegen helpt niet, maar niemand zal ons gelooven als wij de
waarheid zeggen."
Toen zei kleine Edrik: "Wij moeten onzen mond houden, totdat ons
bepaald gevraagd wordt wat wij gezien hebben, en dan moeten wij de
waarheid zeggen."
Het schip naderde intusschen het land en zeilde Eiriks-fjord in,
waar Leif's schip, de Rolf Krake, ten anker lag.
Het scheen dat de geheele kleine kolonie aan den oever verzameld was
om Byarn te verwelkomen, van wien men gedacht had, nooit meer iets
te kunnen of te zullen hooren.