I
In een vruchtbaar dal met een weelderigen plantengroei, welke een
zonderlinge tegenstelling vormde met de dorheid in 't rond, stond
tegen het einde van de tiende eeuw een groot huis, dat met zijn hal
en talrijke bijgebouwen in dit afgelegen gedeelte van IJsland aan
eene Noorweegsche woning deed denken.
De geopende deuren van het huis toonden dat Noorsche gastvrijheid een
der deugden van den eigenaar was, terwijl de grootte en uitgestrektheid
der bijgebouwen hem als een vermogend man deden kennen.
Maar de herleving van den plantengroei na den langen IJslandschen
winter was niet het eenige bewijs van leven in Groendal, want uit
een der zijgebouwen stormde plotseling een half dozijn jongens. Zij
liepen zoo snel zij konden naar een breede, snel stroomende rivier,
welke nu door smeltend sneeuw en ijs gevoed, het grootste gedeelte
van het jaar echter slechts een beekje was.
De wedloop was echter met te veel vuur begonnen. Spoedig bleef een
der kleinere jongens, een knaap van ongeveer tien jaar, een heel
eind achter.
"Kom, Edrik! vooruit, jongen! Wat, kan je al niet meer voort?"
"Ja, maar ik ben buiten adem," was het antwoord.
De anderen lachten, doch wachtten goedhartig tot Edrik hen had
ingehaald en wandelden toen meer bedaard verder naar de rivier.
"Hoe mooi!" zeide Osrik, een dertienjarige knaap, die de oudste van
het troepje was, "zie eens hoe het water zich voortspoedt als een
strijdros, dat te lang in den stal heeft gestaan en zich verheugt in
zijn vrijheid."
"Ja," zei Olef, een elfjarige knaap, "en evenals een krijgsros zijn
manen schudt, werpt het water het schuim van zich af."
"Kijkt liever eens naar onze boot. Zij ligt klaar om af te steken. Er
ligt geen sneeuw meer op de planken."
Allen liepen haastig naar de boot. Het was een licht gebouwd,
langwerpig vaartuig; de vorm kwam vrijwel overeen met dien van onze
tegenwoordige roeibooten, maar voor- en achtersteven waren spitser.
"De riemen zijn in orde, jongens!" riep Osrik. "Wij zullen ons laten
voortdrijven tot aan de zee, dan naar Odins-fjord roeien, en vandaar
zullen wij naar Groendal terugwandelen. Helpt eens mee, jongens!"
Binnen weinige oogenblikken was de boot te water, en de stuurriem
stevig aan den rechterkant der boot bevestigd.
"Nu, Osrik!" riep Olef, "kijk goed hoe gij stuurt. Roeien is niet
noodig, maar wij moeten zorgen dat wij de blokken lava uit den weg
blijven. Hé, wat gaat zij er flink door!"
"Niets ter wereld is zoo goed als een boot," zei Edrik.
"Behalve een schip," gaf Olef ten antwoord.
"Een paard is nog beter," was de meening van Osrik.
"Ik had nog liever mijn vaders zwaard," riep een kleine blonde
twaalfjarige knaap, Knut genaamd.
"Neen," zei Nils, de snelvoetige, "ik zou mijn vaders zwaard niet
willen hebben."
"Waarom niet?" vroeg Otto de kleine, "zijt gij bang om het te
gebruiken?"
"Ik bevreesd?" riep Nils, "dat is een kinderachtige vraag. Neen,
ik ben niet bevreesd; ik ben een Noorman!"
"Waarom wilt gij dan uw vaders zwaard niet hebben?"
"Omdat, als ik dat zwaard krijg, mijn vader gestorven zal zijn. Zoolang
hij leeft scheidt hij er niet van, en ik zou mijn vader niet willen
verliezen."
Een goedkeurend gemompel volgde op deze woorden en toen wijdden allen
hun aandacht aan de boot, daar de talrijke blokken lava, door de
bergstroomen meegesleept en door gevallen boomstammen in hun vaart
gestuit, den tocht zeer gevaarlijk maakten.
Maar de jonge IJslanders waren tegen het gevaar bestand, en het ranke
vaartuig werd veilig naar zee gestuurd. Zij hadden zoo'n pleizier,
dat zij niet eens merkten hoe sterk de strooming was, waarmede het
opgestuwde water der rivier zich naar zee spoedde.
Eindelijk riep Osrik uit: "Kijkt eens, jongens! wij zullen niet terug
kunnen gaan, zooals wij van plan waren. Wij moeten zien een ander
kanaal te vinden om naar Reikiavik te komen."
"Laat ons dat maar dadelijk doen," zeide Edrik. "Ik weet een kleinen
inham, waar wij kunnen landen, en daar zal men ons wel paarden leenen
om naar Groendal terug te rijden."
"Vooruit dan!"
En voort vloog het lichte vaartuig over de koppen der schuimende
golven. Wind en getij waren gunstig en als een zwaluw spoedde het
zich voort naar Reikiavik.
Zij vonden spoedig de baai bij de stad, waaraan deze haar naam
ontleent. De jongens bewogen de riemen op de maat van een Noorsch
lied. Daar zagen zij iets, dat hun hart van blijdschap deed
kloppen. Een oorlogsschip, met rijkvergulden drakenkop, de zijden
beschermd door een rij schilden, om de roeiers tegen vijandelijke
pijlen te beschutten, kwam het voorgebergte omzeilen, recht op hen
af. Een krachtig krijgsman stond op den achtersteven en stuurde
het drakenschip. Het ronde, gevulde zeil, zonder eenige plooi of
rimpel, droeg het statig over de golven. Op het dek stond een bende
krijgslieden, wier lansen de stralen terugkaatsten der zon, die als
een roode, brandende vuurschijf in zee wegzonk. Hun maliënkolders van
glimmende ijzeren ringen, hun gouden armbanden en bronzen versierselen
op helm en schild, schitterden en blonken den knapen tegemoet. Dit
alles nam hun aandacht geheel in beslag; zij lieten de riemen rusten
en keken aandachtig toe.
"He, ho! Welke boot is dat?"
"De Zeeslang!" antwoordde Osrik, terwijl het schip naderde. "Welk
schip is dat?"
Aan boord van het drakenschip klonk gelach en een ruwe stem antwoordde:
"De Rolf Krake uit Noorwegen. Kom dadelijk aan boord."
Men liet den knapen niet veel tijd, want een pijl zette het bevel de
noodige kracht bij. Zij roeiden dus spoedig op zij van de Rolf Krake
en stonden weinige oogenblikken later allen aan boord. Met verbazing
keken zij naar de talrijke wapens, die in bonte verwarring aan den
mast en langs de binnenzijde van de verschansing hingen. Zwaarden,
strijdbijlen, speren en werpspietsen, slingers, bogen en pijlen,
van àlles was er. Kleine Edrik voelde zich bijzonder aangetrokken
door een reusachtige strijdbijl, die aan den mast hing, en toen de
bevelhebber hem vroeg, waar het huis stond van Sigvald, zoon van Eirik,
gaf hij ten antwoord:
"En kunt gij die met een hand zwaaien?"
De Noorman lachte.
"Neen, dat juist niet. Ik ben geen reus!"
"Zijt gij een Christen? Gij draagt een kruis op uw borst?"
"Men zegt het ten minste. Maar geef antwoord op mijn vraag. Waar
woont graaf Sigvald Eirikson?"
"Hij woont te Groendal, niet ver van hier. Kunt gij die bijl in het
gevecht gebruiken?"
"Dat kan ik en velen mijner vijanden hebben het ondervonden. Wie is
de oudste onder u?"
"Dat ben ik," antwoordde Osrik.
"Dat moet gij mij antwoord geven. Kent gij graaf Sigvald?"
"Edrik, die u daareven antwoordde, is Sigvalds zoon."
"Dan is hij mijn neef, want ik ben Leif, de zoon van Eirik Thorwaldson
en Sigvald is mijn broeder."
"Zijt gij Leif?" riep Edrik. "Ik heb mijn vader dikwijls over u
hooren spreken. Ik dacht dat gij in Groenland waart, bij den ouden
Eirik Thorwaldson."
"Nu ben ik hier, en gij moet mij naar uw vader geleiden!"
In dien tusschentijd was het zeil gestreken, de boot op sleeptouw
genomen en al roeiend bereikte men de baai van Reikiavik. De knapen
zagen met genoegen hoe de verschijning van het drakenschip in het
stadje algemeene schrik en ontsteltenis te weeg bracht. Doch rondom
het schip werden witte schilden gehangen om te toonen dat men met
vreedzame bedoelingen kwam, en spoedig staken wel dertig bootjes te
Reikiavik van wal, om de bemanning van het drakenschip te verwelkomen.
Zonder eenige verwarring werden allen aan land gebracht en na de
noodige rust begon de marsch. Met het aanbreken van den dag liep
Osrik met de andere knapen vooraan om den weg te wijzen. Leif hield
zijn neef bij de hand, de overige krijgslieden, zesendertig in getal,
volgden. Zoo bereikten zij Sigvald's woning, waar deze zijn broeder en
zijn mannen met blijdschap welkom heette, te meer omdat zijne komst
hem geruststelde omtrent het lot der knapen. Dien dag was er feest
en den volgenden dag beraadslaagden Sigvald en Leif over hun plannen.
"Gij wilt ons dus allen tot Christenen maken, Leif? Ik ben nieuwsgierig
wat onze vader daar van zeggen zal."
"Wij hebben nog een schip bij ons. Het zal wel spoedig aankomen. Aan
boord daarvan bevinden zich twee heilige mannen, die koning Olaf
Tryggvason gezonden heeft om de leerstellingen te prediken. Die
priesters zullen vader overhalen hun leer te omhelzen, en als hij
eenmaal gedoopt is zullen de anderen wel spoedig volgen."
"Maar als hij nu eens niet naar de priesters luisteren wil?"
"Daar dacht ik nog niet aan. In elk geval moeten wij het wagen. De
vrouwen, die wij aan boord hebben, zijn Christinnen. Zij zullen ons
wel helpen."
Sigvald schudde het hoofd.
"Eirik, de Roode, is de man niet om zich te laten overhalen, hoewel
hij met eerbied naar de leeraars zal luisteren. Maar broeder! gij
zijt toch ook een bekeerde. Waarom legt gij den ouden man niet zelf
de Christelijke leer uit?"
"Neen, broeder! daar ben ik de man niet voor. Er zijn wel eens
ingewikkelde punten, Waarmee ik geen raad zou weten; daarom heb ik
die geleerde mannen meegebracht, die elke moeielijkheid uit den weg
weten te ruimen. Hij weet te goed wat hem als vader toekomt, dan dat
hij om mijn woorden zou geven. Hij heeft nederig het hoofd gebogen
voor zijn vader Thorwald, en verwacht hetzelfde van ons."
"Natuurlijk, en ik heb ook den meesten eerbied voor hem; want er
leefde nooit een beter vader."
"Daar hebt gij gelijk in, maar toch ken ik hem te goed om mij er aan
te wagen met hem te redetwisten."
Toen sprak een edele Noorman, Thorfinn Karlsefni, een vertrouwd vriend
van Sigvald:
"Zeg mij, vriend Sigvald! is uw vaders tijd nog niet om? Als ik mij
goed herinner, werd hij voor den tijd van drie jaar verbannen. Die
tijd is immers reeds lang voorbij?"
"Dat is waar, Thorfinn! de drie jaren zijn reeds lang om, maar hij
is te hoogmoedig om naar het land terug te keeren, van waar men hem
verbannen heeft. In drift versloeg hij zijn tegenstander, en voor
die nietige overtreding werd hij--evenals zijn vader vóór hem--uit
huis en hof verdreven. Maar gedurende die drie jaren en langer heeft
Eirik een bloeiende kolonie gesticht bij Eiriks-fjord. Toen daarom
mijn broeder Leif zich naar den koning van Noorwegen, Olaf Tryggvason,
begaf, en hem smeekte om vergeving voor onzen vader, werd hem dat niet
alleen dadelijk verleend, maar hij zond deze krijgslieden en talrijke
geschenken naar graaf Eirik, en noodigde hem uit naar zijn hof te
komen en bevelhebber te worden op Noorweegsche schepen, of, als hij
dat liever wil, mag hij ook in Groenland blijven en de krijgslieden
gebruiken om hem daar bijstand te verleenen."
"Een edel vorst is Olaf; laat ons op zijn gezondheid drinken!" riep
Leif, en de drinkhorens gevuld met wijn en mede, werden tot op den
bodem geledigd.
Toen het gedruisch op zijn hoogst was, klonk het hoorngeschal van
een der wachters op de heuvels.
"Dat is de hoorn van den ouden Halvar," zei Sigvald. "Hij brengt ons
nieuws; het andere schip is zeker in het gezicht. Hoort gij, drie
opeenvolgende stooten op den horen. Hij houdt niet van praten en zijn
signalen zijn zoo bekend, dat hij het ook niet behoeft te doen."
"Daar komt de oude Halvar," zei de jonge Thorfinn, en dadelijk daarop
verscheen een oud man, gekleed als een vrije, maar met het deftige
en ernstige voorkomen van een priester.
"Een schip in zicht, graaf Sigvald! Geef mij mijn belooning!"
Het was namelijk de gewoonte op die afgelegen plaats om hem, die het
eerst tijding bracht dat een koopvaardijschip de baai naderde, een
zilveren ring en een drinkhoorn vol mede te schenken. Halvar deelde
nu het volgende mede:
"Een schip, graaf! geen oorlogsvaartuig maar een vreedzame
koopvaarder. Ik heb mijn ring en mede verdiend. Vaarwel!"
Zoo sprekend dronk hij in een lange teug den vollen hoorn, leeg en
ging heen, zonder een woord van dank te uiten.
De hal was vol krijgslieden, die aan de groote houten tafels gezeten
waren, welke langs den muur stonden. Allen zaten met het gezicht naar
het vuur gekeerd, dat zich in het midden der zaal bevond. De daïs,
of verhevenheid voor de meer aanzienlijke gasten, bevond zich in het
midden van den westelijken muur, juist tegenover de opgaande zon, en
op deze daïs zaten de beide broeders en Thorfinn, de volmaakte. Men
had hem dien bijnaam gegeven, omdat hij uitmuntte in alle mannelijke
deugden. Evenals graaf Sigvald was hij een Christen; met tal van
anderen op het eiland had hij het Heidendom vaarwel gezegd, hoewel,
om de waarheid te zeggen, velen van die Christenen, evenals Leif zelf,
weinig wisten van het Christelijk geloof.
Het middagmaal werd opgediend. Nogmaals gingen de horens rond, en
zaten de krijgslieden, Heidenen en Christenen, vreedzaam bij elkander
en dronken mede, totdat de avond viel. Toen kwamen de lieden, die
uit het pas aangekomen schip ontscheept waren.
Zij traden de zaal binnen tot voor de broeders. Voorop liep een
dapper krijgsman, geheel geharnast en gevolgd door tien krijgers. Toen
kwam een eerwaardig priester, wiens haar en baard, beide sneeuwwit,
tot op borst en schouders neerhingen. Vervolgens kwamen de vrouwen,
die alle gevaren getrotseerd hadden ter wille van hun echtgenooten,
en nog anderen, die, toen zij hun bloedverwanten het geliefde Noorwegen
zagen verlaten, gesmeekt hadden om aan hun arbeid deel te mogen nemen,
en zich dus bij hen hadden gevoegd, wier doel het was de Heidenen
te bekeeren in Eirik's kolonie op het dorre eiland, dat honderd
jaar te voren ontdekt was, en waaraan men den naam van IJsland had
gegeven. De stoet werd gesloten door tien andere krijgslieden en een
tweeden priester, veel jonger dan de eerste.
Onder de vrouwen bevonden zich twee schoone maagden; het waren twee
zusters, Guthrida en Hallfrida, die met hun ouders meegekomen waren
om het zendingswerk te verrichten.
Thorfrida, Sigvald's vrouw, ontving de vrouwen en bracht ze naar haar
vertrekken. De krijgslieden namen de ledige zitplaatsen in en waren
spoedig aan het eten en drinken. Doch Thorfinn staarde in gedachten
verzonken, naar de deur door welke de vrouwen verdwenen waren.