1 Vermoedelijk naar het Fransch ´Mille noms de Dieu.ª

Met de linkerhand had hij haar bij de keel gegrepen, als om haar te

verworgen; met de andere, geslotene vuist sloeg hij haar gestadig, uit

al zijne macht in 't aangezicht en met de kniÎen**, onder dewelke hij haar

in den grond gedrukt hield, stampte en schokte hij haar den buik ineen,

zooals de slachters doen met een gekeelde zwijn.

´Wie heeft dat gedaan, nondedzju!ª huilde hij woedend. En zonder haar

zelfs den tijd te laten van te antwoorden, sloeg en sloeg hij voort, om

dood.

Oogenblikkelijk was zij overvloedig begonnen te bloeden en zonder de

minste poging om zich te verdedigen, vermengde zij enkel, in de razende

vermaledijdingen van Cloet en het verschrikt geschrei der weggevluchte

kinderen een akelig en aanhoudend gehuil, een ´oeijoeijoeijoeijoeiª van

schier onmenschelijke smart, 't onnoemelijk gekreet van het geslachte

dier, dat met zijn bloed, zijn leven voelt heenvlieden.

Eensklaps vloog de deur hevig open en Rosse Tjeef, de gebuur, gevolgd

van een drietal andere mannen, ijlden binnen.

´O helpt toch moeder! trekt** er hem toch af!ª snikte smeekend het oudste

meisje.

´Cloet! Cloet!ª riep, verwilderd, Rosse Tjeef. En, met een soort van

weËrzin**, doch door de anderen voortgeduwd, vatte hij den vechter bij den

arm. Noodlottige beweging. Cloet keerde zich om, erkende zijnen vijand,

sprong recht en zijn aard van wreeden vechter kwam eensklaps met

ontembaar geweld te voorschijn: hij nam het broodmes van de tafel,

zwaaide het glinsterend in de lucht, sprong toe en Rosse Tjeef stortte,

met eenen straal dampend bloed uit den mond, op den vloer achterover.

Op dit oogenblik greep er eene worsteling aan de voordeur plaats. Het

toegestroomde volk werd hevig verdrongen en twee gendarmen, in uniform,

met het geweer op den schouder kwamen binnengestormd. In eenen oogwenk

hadden zij Cloet, schielijk stom en roerloos, ontwapend, geboeid en

gevangen genomen.

´Allez! spoedig om priester en dokter en alle man uit den huize!ª riep,

op gebiedenden toon, de oudste der twee.

Joelend, in een getrappel van voeten, verdrong zich het volk. De

kinderen schreiden steeds vervaarlijk en de moeder, naast den haard

achterover gevallen herhaalde onophoudend haar akelig gehuil, haar

´oeijoeijoeijoeijoeiª van stervend dier. Twee mannen hadden Rosse Tjeef

onder de schouders opgetild. Hij was niet dood.

´Vooruit, schelm!ª sprak de brigadier. Cloet, tusschen de twee

gendarmen, werd buiten gestampt. De brigadier hield het nog druipend

broodmes in de hand.

Met vasten, rassen tred en door een steeds aangroeiend gepeupel gevolgd,

trokken zij naar het dorpsgevang. Dit bevond zich op den koer van het

gemeentehuis. De zware ingangspoort stond reeds open. Met geweld werd

zij achter de twee gendarmen met hunnen gevangene en enkele

nieuwsgierigen weÍr toegegrendeld. De uitgesloten menigte liet een

gejoel van opstand en misnoegdheid hooren. Haastig, zonder een woord,

openden de gendarmen de ijzeren deur en na de deur het hek met ijzeren

staven. Zij deden den gevangene de boeien af.

´Ledig uw zakken,ª beval de brigadier.

Cloet, gebogen en als het ware verkleind, haalde een luikermes**, een

tabakzak en negen enkele centen te voorschijn. De brigadier nam deze

voorwerpen in zijn bezit en overtastte dan nog zelf de zakken van den

moordenaar, die hij omkeerde. Toen wendde hij zich om. Het ijzeren hek

werd weÍr gesloten, de ijzeren deur gegrendeld en in het somber hok,

achter de dikke, zwarte staven, bleef Cloet als een wild beest alleen.

Buiten, achter de hooge, zware ingangpoort, weÍrklonk** opnieuw het woest,

opstandelijk gejoel van 't toegestroomde volk.

* * * * *

Ditmaal, en hoewel Rosse Tjeef niet doodelijk gewond was, werd Cloet tot

vijf jaren gevangzitting veroordeeld; en toen hij, na dit tijdsverloop,

evenals de jongste maal, op een kouden winteravond in zijn huis

terug kwam**, vond hij, naast zijne vrouw en kinderen, een onbekend,

vijfjarig knaapje aan de avondtafel zitten: het kind dat zij, vier maanden

na zijne misdaad, op de wereld had gebracht.

Hij vroeg niet wie dat knaapje was en viel nu ook niet woedend, als een

dier, op zijne vrouw. Hij gaf geen antwoord op de schuwe welkomgroeten

van zijn huisgezin, hij zag zelfs niemand aan, maar na zijn pakje op het

schouwboord en zijnen gaanstok in den hoek, achter het schutsel

geplaatst te hebben, nam hij de papteil van de tafel, ging er meË** vÛÛr

den haard zitten, plaatste ze daar op zijne knieÎn** en begon,

uitgehongerd, te eten. Hij was vergrijsd, verouderd. De vrouw en de

kinderen, roerloos en bleek, keken tersluips**, in de flauwe schemering

van 't lampje, naar zijn breeden rug en zijne dikke schouders; en in het

doodstil, met schrik bevangene keukentje, hoorde men enkel nog het

regelmatig slokken zijner lippen en het geborrel der druppeltjes pap,

die na elken schep, in de papteil terugvielen. Toen hij geÎten** had stond

hij gebogen recht en trok, steeds sprakeloos, in 't nachtvertrek. Toen

zijne vrouw, bevend, hem na een half uur daar vervoegde om, zooals

eertijds, zijne rustplaats te deelen liet hij enkel dit ruw, met kalme

vastberadenheid gÎuite** woord hooren:

´Hieruit, nondedzju!ª

En aldus, van stonden af, richtte hij opnieuw zijn leven in. Hij at, hij

sliep, alleen. Nooit stuurde hij iemand van zijn huisgezin het woord toe

en gansch den dag, te fier om te gaan schooien of te stelen, wrocht hij

met de hardnekkigheid van een wroetdier op zijn land, waaraan hij alleen

het bestaan wilde verschuldigd zijn.

Deze onverwachte en zonderlinge handelwijze had aldra op zijne vrouw een

diepen indruk gemaakt. Slordig en somtijds aan den drank verslaafd, had

zij reeds, in den graad van zedelijke daling, tot welken zij gekomen

was, tevens de verzuiming harer plichten en zijn vreeselijke wraak

vergeten; en, alhoewel ze zich stellig, bij zijne terugkomst, aan nieuwe

mishandelingen verwachtte, toch dacht ze, dat men, door elkaar goed te

verstaan, nog in vrede zou kunnen leven. Cloet's kalme, maar

onoverwinbare hardnekkigheid had aldra deze hoop verijdeld, en zulke

toestand, onheilspellender voor haar dan de losbarsting zijner woede,

deed haar in eenen staat van bestendige onrust verkeeren. Beurtelings,

maar te vergeefs**, had zij alle mogelijke middels van verzoening

aangewend. Noch het door de kinderen ergens geschooide vleesch bij het

dagelijks zoo mager eten; noch de liters bier en genever des avonds;

noch de steeds welgevulde takakspot, niets had den ouden vechter uit

zijnen staat van sombere teruggetrokkenheid kunnen doen komen. Vrouw

Cloet begreep ten slotte dat alles vruchteloos zou blijven en toen, van

lieverlede, keerde haar schrik, in haat veranderd, zich tot de

aanhoudende oorzaak der oneenigheid, tot het schuldelooze kind der

zonde, dat ze reeds niet lijden kon, tot het arme Julken om.

Zulks begon voor goed** op eenen avond. Vrouw Cloet en hare kleinen

nutt'en** 't avondmaal rondom de tafel; Cloet, eenzaam en afgetrokken,

zat, als naar gewoonte, in den hoek van den haard. Sinds eenige stonden

bekeek vrouw Cloet haar jongste kind met barsch gelaat. Hare wangen

boven de kaaksbeenderen blonken, eene zonderlinge vlam schitterde in

hare stijve oogen; zij was dronken. En eensklaps, losbarstend, sloeg zij

hevig met de vuist op de tafel. ´Wilt ge verdome** ophouden van zoo in de

teil te zeeveren,ª riep ze den kleine dringend toe.

Verschrikt wipten de kinderen allen op en staakten zij het eten. Niemand

had iets misdaan en de onthutste verwondering van 't jongste knaapje was

zÛÛ groot, dat het onschuldig naar de anderen keek om te zien wie er

bekeven werd. Cloet, in zijnen hoek, had nauwelijks eens opgekeken en

was herbegonnen te eten; doch die blik was aan zijne vrouw niet ontsnapt

en, als in een weÍrlicht, had zij er eene zwijgende goedkeuring in

gelezen. Er heerschte een oogenblik volkomene en bevangene stilte.

´Kom alhier, sakerdzju,ª riep zij eensklaps tot den kleine.

Julken, als versteend, bleef zitten. De anderen, gapend, keken. En in

het nog verstilde keukentje hoorde men niets meer dan het luider

geworden tiktak der horloge en het slokken van Cloet's lippen in den

houten lepel.

´Wilt ge verdome komen!ª herhaalde zij huilend en half opstaande.

Eene beweging op zijn stoeltje, 't geluid van kleine klompjes op den

vloer en 't kwam, het stond vÛÛr haar.

´Neem, Goddome!ª

En zonder reden, ditmaal, zonder zelfs geveinsde reden, sloeg zij hem

hare hand volop in 't aangezichtje.

Het begon niet onmiddellijk te schreien; het viel, half achterover,

zijdelings tegen de tafel en bekeek, verdedigingshalve de handjes

uitstekend, met eene uitdrukking van onuitsprekelijken schrik, zijne

moeder. Het scheen bijna niet te begrijpen wat er met hem gebeurde en

eerst op een nieuw, dreigend gebaar van vrouw Cloet vluchtte het

vervaarlijk huilend weg en ging zich, bevend en snikkend, in den versten

hoek van 't keukentje verschuilen. De andere kinderen, stom van angst,

zagen steeds roerloos en met wijd open gespalkte oogen toe, terwijl

Cloet, gebogen in den hoek, met nog vergroote onverschilligheid zijnen

afzonderlijken papkom ledigde.

* * * * *

Tot dus toe had het arme kleintje, wel is waar** aan geene moederlijke

liefkozingen gewend, doch ook door niemand erg verstooten, schier

gelukkig geleefd. Het was een bleek, blondharig knaapje, met lichtblauwe

oogjes en schier onafgeteekende wenkbrauwen, volkomen verschillend van

al Cloet's andere kinderen, die kersrood van wangen en gitzwart van

haarbos waren. Langzaam, pijnlijk, was het opgegroeid. Om** tweejarigen

ouderdom wist men nog niet of het alleen zou kunnen lopen. 't Was wel,

onder uiterlijk opzicht, 't verworpelingje der natuur, het kind der

zonde, zooals men deze zich soms voorstelt; en de dorpelingen, steeds

bereid om bijnamen te geven, hadden hem met een woord dat d··r, te

Wilde, al de overige omvat, herdoopt: zij noemden hem den

´biezenstekkerª, 't is te zeggen het arm, misvormd en onderbleven** kind

van onbekenden vader.

Bij de dieren, als er zoo een avorton** voorkomt, wordt deze gewoonlijk,

in stede** van verdedigd, door de kloekere individus van 't ras mishandeld

en verdrukt. Omtrent hetzelfde greep hier met het kleintje plaats. De

moeder, meer en meer aan den drank verslaafd en doorde** onverschillige,

medeplichtige houding van Cloet aangemoedigd, werd alle dagen boozer en

onmenschelijker; de oudere broÍrs** en zusters, natuurlijk wreed van aard,

gelijk schier alle onbeschaafde kinderen, vonden in 't voorbeeld hunner

ouders eene al te schoone gelegenheid om hun broertje onophoudelijk en

ongestraft te tergen. Op korten tijd werd 't leven eene hel voor

't knaapje. Eerst mocht het met de anderen aan de tafel niet meer zitten.

´De zwijnen eten na de menschen,ª zei vrouw Cloet. En 't kreeg, alleen,

de slechte koude overschotten. Zijn kleederen hingen in flarden; zij

werden niet vernieuwd. De broÍrs en zusters gingen naar de school en

kregen 's Zondags centen; het** niet; en op zekeren morgen duwde zijne

moeder hem een korfje in de hand en zei:

´Gaat en verdient uwen kost, ik wil geene luiaards meer kweeken.ª Het

was toen vijf jaar oud.

Het wist zelfs niet, het arme kleintje, hoe het doen moest om te

bedelen. Het dwaalde den ganschen dag rond in het veld, en 's avonds,

uitgehongerd, kwam het met enkele, ergens uitgetrokken worteltjes en

rapen thuis.

´Hoe! is dat alles wat men u gegeven heeft!ª riep de ontaarde moeder

woedend. En eenen wortel bij den groes** vastnemende, sloeg zij hem dien

vloekend in het aangezicht.

Het leerde bedelen; het leerde langs de straten van het dorp, met zijn

korfje aan den arm, van huis tot huis rondgaan. In den eerste kreeg het

weinig. Het was te klein om aan de bellen te geraken, het klopte

zachtjes, met de vuistjes, op de zware deuren.

´Wat wilt ge, ventje?ª

.... ´Weet het niet.... het stond en draalde.

´Een boterham?ª

´Ja.ª

´Hoe heet ge?ª

´Julken.ª

´Julken wie?ª

Het gaf geen antwoord.

´Julken Cloet?ª

´Neen, neen.ª

´Hoe dan?ª

´Julken Biezenstekker.ª

Men had hem alzoo zijnen naam leeren zeggen en toen het den dorpelingen

't laag vermaak gegeven had dien door hemzelven te hooren uitspreken,

kreeg het zijnen boterham.

* * * * *

Cloet, nochtans, veranderde van houding noch gedragslijn niet, bleef

steeds de ruwe, ongezellige bruut, de vijand en de schrik zijns

huisgezins. Vruchteloos had zijne vrouw opnieuw beproefd hem te doen

spreken. Halsstarrig in zijne dreigende pruiling verdiept gaf hij geen

antwoord, scheen zich niets van zijn huisgezin aan te trekken,

affecteerde** daar enkel nog te zijn om te eten en te slapen. En

werkelijk, men zag hem anders niet dan gebogen over zijne teil, in den

hoek van den haard, met den rug naar de anderen. Die stelselmatige

handelwijze exaspereerde** zijne vrouw. Na hem tot een zeker punt

overhaald te hebben, voelde zij zich eensklaps door een onbekenden

hinderpaal gedwarsboomd en in hare ergernis vermengde zich van

lieverlede een soort van drift, de aangroeiende dierlijke begeerte van

dien man, dien zij bemind had en bedrogen, terug te bezitten. Toen

verergerde nog 't lijden van het kleintje. Zij voelde, ondanks alles,

dat deze vervolgingen aan Cloet behaagden, dat zij daardoor tot hem

naderde en gestadig, na elke mishandeling, zag zij den ruwen vechter in

de oogen aan om op zijn aangezicht zijn goedkeuring en 't oogenblik van

de verzoening te bespieden. Nuttelooze pogingen. Cloet, steeds

onveranderlijk, bleef, als een veeleischend afgod zitten in den hoek van

zijnen haard, scheen noch te hooren, noch te zien, maar woonde

onverschillig alles bij, alsof hij naar iets wachtte.

In het midden zijner ellende, nochtans, had Julken eenen vriend

gevonden, die hem hielp en hem beminde: Rosse Tjeef, de gebuur, de

vijand van Cloet. Hij woonde--weduwenaar met drie kinderen--aan den

ommedraai van 't straatje, in een klein huisje dat alleen stond en soms,

op 't uur van middag en van avondmalen, als het verdrukte knaapje daar

voorbijgedrenteld kwam, riep hij het heimlijk binnen. Het was een groot,

struisch man met geelros haar, met gele sproeten vol het aangezicht** en

groote, blauwe, glimlachende oogen. Vroeger, terwijl Cloet in het gevang

zat en nauwelijks genezen van zijn messteek, kwam hij soms, des avonds,

in het huis van zijne moeder. Sedert Cloet's terugkomst was hij achter

gebleven**.

Julken vond daar de zorgen en de liefde die hem thuis zoozeer ontbraken.

Het kreeg er goed, warm eten en ook al, eenige centen soms, des Zondags.

De kinderen deden hem geen kwaad en Rosse Tjeef, die hem vaak streelend

op zijn knieÎn nam, zei dat het hem mocht ´vaderª heeten, gelijk de

anderen. Dit alles gebeurde met groote omzichtigheid om de aandacht der

Cloets, de vijanden, niet op te wekken.

Op zekeren avond zat Julken in den versten en sombersten hoek van

't keukentje naast Siesken op den vloer. Siesken, dat was het glad, zwart

hondje, met zijn wakkere oogjes en zijn staartje in trompet, onlangs

door Jan, Cloet's oudsten zoon, van een boerenhof medegebracht. Beiden,

hond en knaap, kenden en beminden reeds elkaar en dien avond had Julken

heimelijk een van Rosse Tjeef gekregen vijfcentstuk** te voorschijn

gehaald en vermaakte zich in volle stilte, in volle eenzaamheid, met het

hondje er naar te doen happen en springen. Vrouw Cloet, met haar eten

bezig, gaf voor het oogenblik geen aandacht op den kleine; Cloet en de

andere kinderen waren nog niet thuis.

Maar eensklaps gaat de voordeur open en Cloet, met de spade op de

schouder, stapt lomp binnen. Julken hield juist het vijfcentenstuk**

omhoog en door de intrede van Cloet, die hem steeds een geheimen schrik

inboezemde, verstrooid, verloor het, gedurende eene seconde, Siesken uit

het oog. Noodlottige stond. Siesken, dievevlug, knapte het muntstuk

vast, liet het klinkend op den vloer neÍrvallen**, sprong er op met zijn

beide vorderpootjes**. Cloet en zijne vrouw, alle twee, keken om.

´Wat is dat? vroeg de laatste, hatend. En schielijk toesnellend, raapte

zij het vijfcentstuk op. ªVan wien hebt ge dit gekregen?ª

Julken wist dat het zulks zorgvuldig zwijgen moest. Rosse Tjeef

herhaalde het hem elken dag en zonder bepaald te begrijpen waarom,

voelde het er ook de noodwendigheid van. Het had zich zelven tot dus

toe nog nooit verraden, maar op dat oogenblik, door die dreigende en

hatende, op hem gevestigde blikken ontsteld, keek het onthutst en bevend

op, werd gansch bleek, vergat zijn verbod en zei, vol bange naÔefheid**:

´Van vader....ª

Vrouw Cloet, verbaasd en niet begrijpend, bekeek haren man. Cloet,

bewegingloos, met de spade op den schouder, staarde naar Julken.

´Van wien, zegt ge?ª hervroeg met ruwe stem de vrouw.

Julken, van langs om meer onthutst en te onbehendig om nog zijn eerste

gezegde te verbeteren, opende wijd zijn blauwe oogjes en zei, enkel de

woorden wijzigend:

´Van Rossen** Tjeef....ª

De moeder, als had zij eenen slag in het aangezicht gekregen, wipte

achteruit en Cloet, het gelaat veranderd, stapte toe.

´Van wien?ª vroeg hij op zijne beurt, eensklaps zijn maandenlang

stilzwijgen brekend.

´Van Rossen Tjeef,ª hernam de kleine bevend.

Cloet, versteend, staarde meer en meer den kleine aan, bekeek zijn haar,

zijne oogen, scheen ÈÈn voor ÈÈn, met klimmende ontsteltenis, zijn

aangezichtje te ontleden. Een oogenblik drukkende stilte heerschte. De

moeder, achteruitgedeinsd, hield bleek, met wijd opengespalkte oogen, de

beide vuisten vÛÛr den mond.

En schielijk keerde Cloet zich tot haar om.

´Wiens kind is dat?ª vroeg hij.

Zij gaf geen antwoord, maar nog bleeker, met nog wijder uitgespalkte

oogen, deinsde zij voortdurend achteruit.

´Wiens..... kind..... is..... dat?ª raasde hij dof, met dicht gesloten

tanden ieder woord afkappend en met zijn rechterhand, die de spade niet

vasthield, ruw haar vuisten van vÛÛr haren mond wegtrekkend.

Zij roerde zich niet, zij sprak geen woord.

´Wiens kind is dat, nondedzju!ª huilde hij, eensklaps uitzinnig, haar

bij de keel vastgrijpend en haar tegen den muur duwend.

´Rossen Tjeef's.....ª

Hij had haar 't woord om zoo te zeggen uit de keel geduwd, het was haar

ontsnapt, werktuigelijk, instinctmatig, om niet te verstikken.

Hij liet haar los en zag haar aan, verbaasd, verstomd, moedwillig

ongeloovig bij het aanhooren dier bekentenis die hij geprovoqueerd** had

en waarvan hij den slag verwachtte. En in eens**, zonder een woord, vloog,

evenals eertijds zijn gaanstok en zijn pakje, zijne spade op den vloer

en sprong hij, gelijk een wild beest, op zijne vrouw.

Ditmaal zou het al-licht** om dood zijn. Zij was, langs den muur weg,

zijdelings achterovergevallen, dwars op eenen stoel, die krakend

achteruitvloog. Thans sloeg hij niet, hij neep en duwde. Bij de keel,

bij den boezem, in de lenden, aan den buik nam hij het vleesch met volle

grepen vast en duwde, trok en stampte als om het haar van 't lijf te

scheuren. En opnieuw wendde zij niet de minste poging tot verwering aan;

opnieuw uitte zij enkel, in 't midden der vermaledijdingen van Cloet en

het afgrijselijk geschreeuw van Julken niets dan haar schier

onmenschelijk gehuil, haar ´oeijoeijoeijoeijoeiª van stervend dier,

waarin zich nu, door de vlijmende pijn ontrukt, soms scherpere,

oorverscheurende kreten vermengden. Eensklaps sprong Cloet, aan het

toppunt der woede gestegen, recht en vatte zijne spade in de hand. Hij

ging zijn vrouw vermoorden. Reeds hield hij 't wapen in de beide handen

opgeheven, reeds raakte 't koudblinkend staal hare keel, toen een

vervaarlijk vizioen: de herinnering zijner vijf jongste jaren

folteringen in 't gevang hem vÛÛr den geest verrees en met een

bovennatuurlijke kracht zijnen arm weerhield. Vloekend gooide hij de

spade verre weg; vloekend wrong hij zijne vrouw een laatste maal de keel

toe en dan, zich omkeerend, sprong hij naar de deur, trok die hevig open

en verdween.

* * * * *

Acht dagen bleef hij weg, acht dagen gedurende dewelke niemand hem zag,

noch van hem hoorde spreken. En toen hij na dit tijdsverloop terugkwam,

ging hij weÍrom** naar zijnen hoek, zette er zich, zonder een woord,

gelijk een dier, te eten en 't zelfde leven als van vroeger herbegon. De

weken, de maanden verliepen. Eene benauwende drukking, een gevoel van

diepen haat en van oneenigheid hing over 't huisgezin. 's Nachts na het

vreeselijk tooneel welk het had bijgewoond was Julken in stuipen

gevallen en sedert dien, verzwakt en ziek, verliet het 't huis niet

meer. Het was, om zoo te zeggen, doorschijnend van magerheid geworden,

het at bijna niets meer en van tijd tot tijd kreeg het nu zijne kwaal

terug. Het waren vreeselijke aanvallen, die hem in eens** overweldigden en

midden derwelke het soms schreiend rechtsprong en verwilderd, met

bevende handjes, met draaiende oogjes, met vervaarlijk gewrongen

gezichtje vÛÛr zijne moeder of zijn broertjes stond, hen smeekend hem

toch zoozeer niet te mishandelen, hem toch zoo niet te dooden. Maar zijn

hartscheurend smeeken werd zelfs niet aanhoord en toen de krisis over

was viel het weËrom**, dieper dan ooit, in zijnen staat van wanhopige

verlatenheid.

Alsdan, in dat gefolterd hartje, groeide allengs eene uiterste drift**,

eene laatste genegenheid op, waarin zich al zijne teederheidsvermogens

verzamelden: zijne liefde voor Siesken, het zwart, glad Siesken met zijn

krolstaartje, dat nu de gewone en trouwe gezel van zijn ellendig leven

geworden was. Van 's morgens tot 's avonds zat het stil, doodstil in den

sombersten hoek van het keukentje met 't hondje in zijn armen. Het

sprak, het vezelde er tegen; het was hem als een jonger broertje, dat

onder zijn bescherming stond. Siesken had kou, het moest verwarmd

worden; Siesken had honger, het zou te eten krijgen; Siesken had vaak,

hij zou het slapen leggen. En sussend en kussend streelde en wiegde

Julken het hondje, totdat het kontrast met zijn eigen lot al te vlijmend

wordend, het in stille tranen smolt.

Die toestand in het huisgezin kon echter zoo niet blijven duren. Aan

alles, tot in de geringste dingen voelde men gestadig dat de spanning

tot het toppunt was gestegen, dat er een verandering, een einde moest

aan komen.

* * * * *

Sinds een paar dagen was vrouw Cloet gansch zonderling, gansch anders

als naar gewoonte. Zij ook at schier niet meer. Een bestendige koorts,

tevens door drank en gejaagdheid veroorzaakt, deed hare wangen gloeien

en, zonderlingst van al, sinds twee dagen had zij Julken niet meer

mishandeld, hem geen enkel hatend woord meer toegestuurd. Zelfs, dien

avond, had zij hem van rond zes ure eene goede warme teil pap doen eten

en hem daarna te slapen gelegd. De vader en de overige kinders waren nog

niet thuis.

Vrouw Cloet, alleen in hare keuken, ging naar de eetkast, haalde er vlug

eene verborgene flesch uit te voorschijn, ontkurkte die en dronk. Een

wijl bleef zij roerloos en als het ware duizelig in 't midden van de

keuken staan en langzaam dan, zeer stil en langzaam trok ze naar de

voordeur, waarvan ze den grendel toeschoof. Eenige stonden gewacht, nog

eens even geluisterd, nog eens aan den hals der flesch gedronken,

dezelfde terug weggezet en zacht, op haar kousen, stak zij de deur van

't nachtvertrekje open.

Dit was een zeer klein kamertje, nog lager gebalkt, nog somberder en

akeliger van uitzicht dan het keukentje. Er was maar ÈÈn klein

venstertje, langs buiten toegeblind; drie bedden, laag en breed, maar

kort, vervulden bijna heel het ruim en op de onderste trede van den

korten, steilen trap, die naar den zolder klom, stond een klein, half

opgedraaide nachtlampje, welks flauwe, van beneden komende klaarte al

die droevige dingen beschemerde.

Vrouw Cloet nam 't lichje** in de hand en hief het omhoog. Zich met de

linkerhand aan den trap vasthoudend, boog zij het lichaam sterk

voorover. De vale kaartje** verlichtte tevens haar ontstelde

wezenstrekken en, in het naaste bed, het uitgemergeld, ingesluimerd

aangezichtje van Julken. Zij zette 't lampje hoger op den trap en kwam

twee stappen nader. Thans stond zij in 't smal gangetje tusschen de twee

eerste bedden. Opnieuw bleef zij eene wijl luisteren, roerloos, bleek,

met blinkende kaaksbeenderen en vergroote oogen. Alles was stil, alles

was eenzaam; en schielijk, zich half omkeerend, keek zij naar den

kleine.

Hij sliep steeds voort, het bleek, ontvleesde hoofdje zijdeling gezegen,

met een gelijk en flauw, ternauwernood verneembaar zuchtje door zijn

witte lipjes. De handjes lagen boven de deken en heel het lijfje was zÛÛ

mager, dat het nauwelijks, in 't midden van het breede bed, een kleine

hoogte vormde.

Langzaam, met de handen achter den rug en 't oog halsstarrig op den

knaap gevestigd, had vrouw Cloet het deksel van het tweede bed tot zich

getrokken. Zij hief het omhoog en spreidde het zachtjes, met eindelooze

voorzorgen en als om den kleine warmer in te dekken, boven dit welk

reeds zijn tenger lichaamtje** bedekte, uit. Zij hield den adem op, haar

aangezicht was nog verbleekt, enkel de huid boven de wangbeenderen en de

oogen blonken met een ongewonen, schier vervaarlijken glans. Aan de

handjes gekomen hief zij de sargen** weÍr hoger, keek nogmaals om, kwam

een laatsten stap nader en eensklaps, pijlsnel, viel de deken boven

't hoofdje en zijboven** de deken....

´Neen**, zij had niet, met voorbedachten rade eene kindermoord beraamd;

maar die onverjaagbare gedachte, dat Julken ziek en flauw was, dat een

tikje, een niets hem zonder pijn noch worsteling zou doen verdwijnen en

dat ze dan toch rust zou hebben, had haar dagen en nachten bezeten en

werktuigelijk, zonder wroeging noch gedachten, zonder bijna te weten wat

zij deed was zij te werk gegaan, had zij eens ´geprobeerd.ª Maar op dat

oogenblik, toen zij in al hare verwachtingen bedrogen, schielijk onder

de dekens het half verstikte knaapje met de ongewone kracht welke de

strijd om 't leven geeft, voelde spartelen, sprong zij verwilderd op en

liet zij, met een kreet van afschuw, alles los.

Verbaasd, alleenlijk aan den adem wat bevangen en niet begrijpend wat er

gebeurde, had Julken het deksel weggeworpen en staarde het verwilderd

zijne moeder aan. En eerst, na ettelijke stonden, kreeg het, als het

ware eene onduidelijke gissing van 't gevaar dat hem bedreigd had. Zijn

aangezichtje overtrok, het rechtte zich, kroop schreiend uit zijn bed en

kwam, van langs om meer verschrikt op de hielen zijner moeder in de

keuken. Siesken, ontwaakt, sprong onmiddellijk op hem en kroop in zijne

armen.

Vrouw Cloet, nochtans, was machteloos op eenen stoel ineengezakt en

staarde nu hijgend, met vlammende oogen, naar den kleine. Eene klimmende

en onberedeneerde woede woelde in heur hart; blijkbaar worstelde zij

wanhopig tegen de zwakheid die haar overviel en eensklaps, door de

behoefte van iets te verdelgen overweldigd, stond ze recht, sprong als

eene tijgerin op Julken, rukte hem 't hondje uit de armen, sloeg dit

vloekend met den kop tegen den muur, liet het vallen en overtrapte,

overstampte het op den vloer onder haar voeten.

Zinneloos van smart en schrik, met eenen kreet waarvan niets de wanhoop

wedergeven kan, was Julken toegesneld en had het zijn huilend

lievelingje in de armen terug opgevat. Zijn getier, zijne gebaren, de

uitdrukking van zijn gelaatje waren zoo vervaarlijk, dat de ontaarde

moeder zelve, als bang, achteruitweek.

´Ho, ho! mijn Siesken! Och Heere toch mijn arm Siesken mijn Siesken!

mijn Siesken!ª kermde het. Tranen rolden overvloedig langs zijn wangen,

rasse, gesnikte zuchten verdrongen zich en verkropten in zijne keel, als

ware zijn mondje te klein geweest om ze alle te uiten. Het was midden

den vloer op de knieÎn gevallen met het steeds huilend, bloedend,

stervend hondje in zijn armen. En het kronkelde zich, het lei zijn

hoofdje op de tegels, het strekte de armpjes uit, het overkustte,

overstreelde, overweende in eene uitbarsting van onbeschrijfelijke

wanhoop zijn ellendig makkertje, gestadig, met schier onmenschelijke

stem herhalend:

´Ho, ho, mijn Siesken! Och Heere toch, mijn arm Siesken!ª

Cloet, de andere kinders kwamen binnen. Een nieuw gehuil van smart steeg

op toen deze laatsten 't hondje zagen en Cloet zelf, verontwaardigd,

scheen op het punt op zijne vrouw te springen. Somber en hijgend, met

brandende kaaksbeenderen en zwarte oogen was deze in den versten hoek

der keuken achteruitgedeinsd. Siesken, een weinig gesust, werd in zijn

mandje neÍrgelegd**. Een zijner pootjes was gebroken, het bloedde uit zijn

muiltje en zijn buikje was schier onmiddellijk begonnen te zwellen. Het

huilde niet meer, het kermde nog in stilte, met uitgedoofde oogjes en

lange rillingen over de huid, gelijk een mensch.

* * * * *

Het leefde nog drie dagen, gedurende dewelke Julken hem geen oogenblik

verliet; en toen vrouw Cloet den vierden morgen ontwaakte vond zij, in

het keukentje, nevens den haard, Siesken dood en Julken in bezwijming

naast elkander liggen.

Siesken werd in den mestput geworpen; Julken in zijn bed gedragen. En

zonderling toeval, als men het kleintje ontkleed had, bemerkte men dat

het met een dik gezwollen buikje lag, juist als hadde hem Siesken, bij

het sterven zijne kwaal overgezet. Eenige dagen verliepen; Julken

beterde niet. Een hevige koorts had hem aangetast en een groot deel van

den tijd raaskalde en doolde het. De dokter, de kostelooze armendokter

werd geroepen. Rust en voedsel, bevol** hij; veel voedsel: bouillon,

wijn, eieren. Hij sprak alsof die dingen maar te nemen waren. Ook de

pastoor kwam af. Het knaapje had een fleschje medicijn gekregen en was

een weinig verbeterd. De pastoor gaf hem een ´zantjeª en sprak hem van

den hemel.

´Zal ik daar mijn Siesken zien!**ª vroeg eensklaps Julken. En toen de

herder, met den zin van 's knaapjes vraag bekend gemaakt, hem zei dat de

hemel niet voor honden, maar voor engeltjes geschapen was, keerde het

zich, als moede, naar den muur om en deed zijn oogjes toe.

Op 's priesters bevel nochtans werd Zulmatje, Cloet's jongste meisje,

gelast met Julken gezelschap te houden en zorg voor hem te nemen. Het

was een tamelijk braaf meisje, zachter van aard dan Cloet's andere

kinderen en weldra waren het en Julken goede vrienden. Sinds 's knaapjes

ziekte, overigens en vooral sinds de pastoor, die de echtgenooten tot

verzoening wilde brengen, daar bijna dagelijks kwam, scheen er meer

vrede, meer overeenkomst in het huisgezin te heerschen.

Julken, in het breede bed, lag met de oogjes open. Het meisje, aan zijn

sponde, breide.

´Zulmatje, houd eens op van breien.ª

Het meisje staakte.

´Wat heeft mijnheer de pastoor nu gezeid, Zulmatje?

´Hij heeft gezeid dat hij wel hoopt dat gij genezen zult en als gij

sterft dat gij zult een engel in den hemel zijn.ª

´Heeft hij van Siesken niet gesproken?

´Neen.ª

En eene stilte heerschte. Het kind, strak naar de balken starend, scheen

op iets te peinzen. En na een oogenblik:

´Zulmatje, doe eens 't deksel** weg.ª

Het meisje gehoorzaamde en staroogend dan, bekeek Julken zijn

uitgemergeld lichaam. Aan de armpjes, aan de beentjes, was geen ziertje

vleesch meer. Men kon de ribben tellen, de gewrichtsverbindingen geleken

aan knokkels en builen en alleen de buik bleef rond en dik, van dag tot

dag meer opgezwollen. Alsdan, tot zijne halsstarrige gedachte

terugkeerend, sprak Julken:

´Zulmatje, mijn buik is gezwollen gelijk die van Siesken, maar Siesken

is gestorven omdat het bloedde. Als ik ook begin te bloeden zal ik

sterven en toen** zal ik Siesken in den hemel wederzien.ª

Andermalen namen zijne gedachten eene verschillende wending.

´Zulmatje, 'k zou vader willen zien.ª

´Ja, Julken, maar vader is niet thuis.ª Zij bedoelde Cloet, sinds een

paar weken in de aardewerken. Doch 't kleintje schudde 't hoofd:

´Uw vader is de mijne niet, Zulmatje. Mijn vader woont in deze straat en

is wel thuis, maar hij mag hier niet komen.ª

En dan zwegen zij alle twee, in hunne schuldeloosheid overdenkend hoe

het kwam dat zij eene gelijke moeder en verschillende vaders hadden.

* * * * *

De nacht was vroeg gevallen. Het had den ganschen dag gesneeuwd en van

vÛÛr vijf ure waren in het dorp de straatlantaarnen aangestoken.

Vrouw Cloet was gansch alleen in hare keuken. De kinderen hadden vroeg

gÎavondmaald** en waren slapen; zelfs Julken, die den ganschen dag gewoeld

had, was niet den avond stil gevallen en sluimerde nu ook. Zij was daar

zooeven** nog gaan zien.

Vrouw Cloet, in hare keuken, maakte 't avondmaal van haren man klaar.

Heden juist waren de aardewerken aan het sas van Lauwegem voltooid en

kwam hij thuis. Haar maal zou lekker zijn: versch gekookte aardappelen

met zwijnevleesch, zijn lievelingsgerecht. Het was de pastoor die het

haar aldus had aangeraden. Hij had met Cloet gesproken en deze, alhoewel

weinig tot verzoening gestemd, had niet bepaald alle gedachte van

toenadering van de hand gewezen. Hij was nu ongeveer drie maanden weg;

die avond der terugkomst was een goed gekozen oogenblik.

Zij kwam tot bij den haard en hief, gebogen, de schijf van den zooiende

ketel op. Met een kort, ijzeren vork stekte zij er twee, driemaal in om

te zien of de aardappelen nog niet van pas gekookt** waren. En weÍr zich

oprichtend wendde zij luisterend het hoofd om, naar de ingangdeur. Een

dof gejoel, met een getrappel van voeten in de sneeuw vermengd, greep

d·ar voor den drempel plaats; en eensklaps, terwijl ze naar de deur ging

om deze te openen, weÍrklonk een fijn, slepend gezang van kinderstemmen:

't Is van avond Driekoningenavond

En 't is morgen Driekoningendag.**

Verwonderd bleef zij stilstaan. 't Was inderdaad Driekoningenavond en

terstond herinnerde zij zich een dergelijken avond, zes jaar geleden,

als Cloet, pas uit het gevang gekomen, haar schier vermoord had. Thans

zou het zoo niet gaan. Dat lied klonk nu wel meer als een zang van

verzoening, voor verlossing in haar oor. Zij luisterde het, tot 't einde

toe glimlachend af en dan, hare deur opentrekkend, reikte zij aan een

der zangertjes, een schoon, twaalfjarig meisje met diepe, zwarte oogen,

eenen cent toe.

Zij kwam terug in hare keuken; maar, op het oogenblik nog eens het

deksel van den ketel op te heffen, kwam het haar voor als hoorde zij een

flauw, een zonderling geluid in 't nachtvertrekje. Had het gezongen

liedje wellicht een der kinderen ontwaakt? 't Was beter niet, want zij

hoefde met vader alleen te zijn. En stil, op hare kousen, stak zij

't deurtje open. Doch neen, alles was rustig, d··r: Jan en Pol lagen te

ronken; Marie en Zulma sliepen met haar aangezichtje naast elkaar en

eenzaam in zijn breed en lage bed, lag Julken, die den ganschen dag

gewoeld had, steeds kalm en onbeweeglijk. Vrouw Cloet draaide 't nauw

brandende lampje nog wat dieper in, week achteruit en stak het deurtje

toe. Zij was nauwelijks in de keuken terug of een nieuw gejoel greep aan

de voordeur plaats en hetzelfde fijn, slepend gezang weÍrgalmde:

't Is van avond Driekoningenavond,

En 't is morgen Driekoningendag.

En nogmaals bleef zij, als begoocheld, luisteren en gaf na 't einde van

het liedje, eenen cent.

Thans waren de aardappelen klaar. Zij nam den ketel van boven den haard

weg en ging er, in het achterhuis, het sap** afgieten. In het keukentje

terruggekeerd** hing zij hem nog eene wijl boven 't vuur en hield er het

oog op gevestigd. En, terwijl ze daar stond wendde zij nog eens en met

een soort van angst het hoofd naar 't slaapkamertje om. Had daar

op nieuw** geen zonderling geluid weÍrklonken? Waren de kinderen

bepaald** wakker? Zij nam voor goed** den ketel van het vuur, plaatste

dien op de heete asch en ging terug in 't kamertje. Zij nam het lampje in

de hand, draaide het lemmet** op en kwam vooruit, tusschen de bedden. Zij

keek naar Jan en Pol; zij sliepen. Zij keek naar Zulma en Marie; zij

sliepen ook. Dan wendde zij zich tot het kleintje om.

Het lag, steeds rustig na dien dag van groote woeling, als verzonken in

het lage, breede bed. Het hoofdje was van 't hoofdkussen gezegen; de

handjes, als om zich te weerhouden, hielden de deken vast en 't mondje,

dat half open hing, scheen iets te willen zeggen, iets te vragen.

Vrouw Cloet, gebogen kijkend, kwam nader met haar lampje.

´Slaapt ge?ª vroeg ze stil en als het ware onvrijwillig. En vlug, aan

eene zonderlinge ingeving gehoorzamend, vatte zij een der handjes vast.

Verbaasd, verschrikt, wipte zij achteruit. En eensklaps, terugkomend,

lei zij hare hand op 't voorhoofdje. Hare oogen gingen wijd open, eene

doodsche bleekheid overdekte haar gelaat en eÈn enkel, in hare keel

verkroppend woord ontsnapte haar:

´Dood.....ª

Zij had den tijd niet aan hare gevoelens lucht te geven. Iemand had op

de voordeur geklopt en toen ze die geˆpend** had, stond Cloet vÛÛr haar.

´Hij is doodª herhaalde zij werktuigelijk terwijl haar man binnen

stapte.

Cloet, onthutst, staarde haar aan. ´Wie dood;**ª vroeg hij eindelijk en als

het ware met weËrzin.

Sprakeloos, haar oogen in de zijne, wees zij met de hand naar 't kamertje.

Cloet, roerloos, volgde met den blik de aangeduide richting. En na een

oogenblik somber nadenken, gedurende hetwelk 't besef van de

gebeurtenis in zijnen geest van brute** nederdaalde, zette hij zijn spade

in den hoek van 't schutsel en keek schuins, met begeerige oogen, naar

de dampende aardappels.

Zijn vrouw, verbaasd bij zulke diepe onverschilligheid, staarde hem

wachtend aan. Maar ziende dat hij naar den haard ging om zich zelf van

eten te bedienen, haastte zij zich voren en dischte hem zijn maal op.

Er heerschte eene lange stilte. Cloet had zich aan de tafel neÍrgezet**

en was begonnen te eten. Het oog in zijn bord gevestigd, at hij

onverpoosd, met vollen mond, gelijk een uitgehongerd dier. Hij scheen de

tegenwoordigheid zijner vrouw zelfs niet op te merken, hij ademde

krachtig en luid door de neusgaten en telkenmale hij iets noodig had:

wat roggebrood, een mes, een lepel saus, keek hij herhaaldelijk en

schuins naar de verlangde voorwerpen, alvorens die te nemen. Zijn vrouw,

bewegingloos, stond aan de overzijde van de tafel recht.

´Gij, de eerste, zult hem 't woord toesturen en u niet laten ontmoedigen

indien hij uwe poging tot verzoening niet dadelijk gunstig bÎantwoordt**ª

had de pastoor haar bevolen. En angstig, tevens met de gedachte van** het

doode kind en de begeerte tot verzoening bezig, wachtte zij naar een

gunstig oogenblik om het gesprek heraan** te knoopen. Doch dit oogenblik

kwam niet en door hare gevoelens overweldigd kon zij niet langer het

stilzwijgen uitstaan.

´Hij zal moeten afgelegd worden, niet waar?ª vroeg ze schuchter, met de

hand naar 't slaapvertrekje wijzend.

Hij mompelde iets dat zij niet kon verstaan en maakte, zonder het eten

te staken, eene beweging met de schouders, alsof het hem niet aanging.

Onthutst, verschrikt, zonder hare vraag te durven herhalen, staarde zij

hem aan. En na een oogenblik, in hare vrees van hem mishaagd te hebben

aan het gesprek eene andere wending gevend:

´Mijnheer de pastoor is hier gisteren geweest, sprak zij en heeft gezeid

dat hij u kan bezigen in zijnen tuin, nu, met het einde der maand,

indien gij elders niet verhuurd zijt.ª

Opnieuw knikte hij met het hoofd en stamelde iets binnensmonds, steeds

etend en den blik, in zijne teil gevestigd houdend. En in de drukkende

stilte welke weÍrom heerschte, hoorde men voor de derde maal een dof

gemurmel aan de voordeur, zoodra gevolgd van 't slepend, steeds

herhaalde liedje:

't Is van avond Driekoningenavond

En 't is morgen Driekoningendag.

Noch hij, noch zij keken op, spraken een woord. Alleen Cloet, steeds

etend, loerde sinds eenige stonden rechts en links over de tafel, alsof

hij naar iets zocht; en schielijk zelf de stilte brekend vroeg hij, doch

zonder 't oog op haar te vestigen:

´Hebt ge geen bier?ª

Zij had er. Een volle kruik stond in de eetkast, die zij, in hare

ontzetting, vergeten had op te disschen. Zij haalde die te voorschijn en

schonk er hem een volle pint uit. Verkropt** door zijn droog voedsel,

ledigde hij die in eenen adem. Hij had gedaan met eten, hij stond op.

´Gaat ge slapen?** vroeg zij dof.

Hij knikte met het hoofd en stak de deur van 't nachtvertrekje open.

Zij draaide 't lampje in de keuken uit en volgde hem:

´Zeg, moeten wij hem toch niet afleggen?**

´'t Kan mij niet schelen!ª antwoordde hij ruw. Stom volgde zij hem

voortdurend op.

Sinds hij van zijne vrouw gescheiden leefde sliep hij op den zolder; en

zonder eenen blik voor 't doode kind dat daar onder lag, had hij het

lampje in de hand genomen en was reeds langs den steilen trap**.

Werktuigelijk, zonder nog een woord te durven spreken, maar het oog,

door heen** de sporten, onweerstaanbaar op het lijk gevestigd, volgde zij

hem steeds op.

Het bed stond daar omhoog, onder de pannen; en vooraleer hij den tijd

had haar te vragen wat zij er kwam doen en, mogelijk, haar heen te

zenden, zette zij zich vastberaden op de sponde neËr** en zei, hem strak

aanschouwend.

´Mijnheer de pastoor heeft het mij aldus bevolen.ª

Hij zei geen woord maar zag haar aan en eene zonderlinge vlam schoot uit

zijn grijze oogen. Krachtig ademend deed hij zijne kleÍren** uit en toen

hij in zijn hemd stond boog hij neÍr en nam den nachtpot van onder

't bed. Groot en struisch, tevens gebogen en vierkant van schouders en

't hemd, boven de breede rugbladeren, door twee ronde, zwartachtige

zweetvlekken bezoedeld, keerde hij haar den rug toe. Haar japon viel

neÍr, zij kroop onder de grauwe sargen; en toen hij, na eenige stonden

onbeweeglijkheid nederboog en den nachtpot terug onder het bed schoof,

blies zij het lampje uit. Alles werd pikdonker. Cloet, al tastend, kroop

in 't bed en voor de eerste maal sedert zes jaren sliep hij met zijne

vrouw.

_De Bestuurder,_

POL DE MONT.

De Biezenstekker · 第 10 / 15 题