IV. De tegenwoordige houding der maatschappij tegenover de prostitutie

Wij hebben nu de prostitutie beschouwd van sommige van haar meest

verschillende en typische kanten, en we hebben getracht, zoowel

uit een verstands- als uit een gevoelsoogpunt, de fundamenteele rol

te begrijpen, die ze als vormend element van ons huwelijkssysteem

speelt. Tenslotte moeten wij de beweegredenen nagaan, waardoor de

prostitutie in dezen tijd aan een groot en aangroeiend aantal menschen

niet alleen een onvoldoende methode van sexueele bevrediging, maar

een radicaal slechte methode toeschijnt.

De beweging van antagonisme jegens de prostitutie vertoont zich het

duidelijkst, zooals men van tevoren verwachten kon, in een gevoel

van tegenzin tegen den oudsten en meest typischen, eens den meest

geliefden en best ingerichten verschijningsvorm, het bordeel. Het

aangroeien van dezen tegenzin is niet beperkt tot een of twee landen,

maar is internationaal, en men kan hem dus beschouwen als een typisch

verschijnsel in onze beschaving. Hij is bij prostituées zelf even

duidelijk uitgesproken als bij haar cliënten. De afkeer aan den

eenen kant vermeerdert den afkeer aan den anderen kant. Daar alleen

de meest hulpelooze of de domste prostituées in den tegenwoordigen

tijd bereid zijn de slavernij van het bordeel aan te nemen, is de

bordeelhouder gedwongen zijn toevlucht te nemen tot buitengewone

methoden om slachtoffers meester te worden, om deel te nemen aan dien

cosmopolitischen handel in "blanke slavinnen", die alleen bestaat om

bewoonsters te verkrijgen voor de bordeelen [207]. Een natuurlijke

reactie op dezen staat van zaken is het feit, dat ze den cliënten

van de prostitutie een vooroordeel geeft tegen een instelling,

die langzamerhand uit de mode gaat en haar goeden naam begint te

verliezen. Een nog meer fundamenteele antipathie wordt hierdoor

veroorzaakt, dat het bordeel niet beantwoordt aan den hoogen graad

van persoonlijke vrijheid en verscheidenheid, die de beschaving

met zich brengt en die ze altijd eischt, zelfs als ze ze niet met

zich brengt. Aan den eenen kant heeft de prostituée geen lust zich

te onderwerpen aan een slavernij, die haar gewoonlijk zelf geen

belooning brengt; aan den anderen kant voelt haar cliënt het als

een deel van de bekoring van de prostitutie in de tegenwoordige

beschaafde maatschappij, dat hij een vrijheid zal genieten en een

keuze zal hebben, die het bordeel niet geven kan [208]. Zoo komt het

dat bordeelen, die eens al de vrouwen bevatten die er haar beroep van

maakten de sexueele behoeften van mannen te bevredigen, nu alleen een

afnemende minderheid bevatten, en de overgang van in bordeelen wonende

prostituées tot vrije prostitutie door vele maatschappelijke hervormers

goedgekeurd wordt als een winst voor de zaak der moraal gerekend [209].

Het verval van de bordeelen is, hetzij als oorzaak of als resultaat,

vergezeld gegaan van een groote toename der prostitutie buiten

bordeelen. Maar de tegenzin tegen bordeelen geldt in veel essentieele

punten ook de prostitutie in het algemeen, en, zooals we zien zullen,

oefent hij een invloed van diepgaande wijziging uit op die prostitutie.

Het veranderde gevoel jegens de prostitutie schijnt voornamelijk op

twee wijzen zijn uitdrukking te vinden. Aan den eenen kant zijn er

de menschen, die, zonder dat zij de prostitutie willen afschaffen,

zich stooten aan de minderwaardige rol, die zij er bij moeten spelen,

en die walgen van den leelijken verschijningsvorm. Zij hebben geen

moreele bezwaren tegen de prostitutie, maar ze zien geen reden, waarom

een vrouw niet vrij met haar eigen lichaam zou doen, wat zij wil. Maar

zij meenen, dat, als prostitutie noodzakelijk is, de omgang van mannen

met prostituées humaan en aangenaam voor beide partijen behoort te

zijn en niet voor beiden vernederend. We moeten in herinnering houden,

dat men in het beschaafde stadsleven, door den beroepsarbeid dikwijls

zóó zeer in beslag genomen wordt, en de prikkels van dat stadsleven

zoo voortdurend zijn, dat de overgave aan de orgie lang niet altijd

een wenschelijke ontspanning kan zijn. De grove vorm der orgie heeft

aantrekkingskracht, niet voor den stadsbewoner, maar voor den boer, en

voor den matroos of den soldaat, die in de stad komt na lange tijden

van vervelende sleur en ontbering van al wat het gevoel en de zinnen

prikkelt. Het is zelfs onjuist te meenen, dat de aantrekkingskracht

van de prostitutie onvermijdelijk berust op het uitvoeren van de

geslachtsdaad. Integendeel, de meest aantrekkelijke prostituée kan

een vrouw zijn, die, zelf weinig sexueele behoeften hebbende, door de

bekoring van haar persoonlijkheid wenscht te behagen; deze meisjes

doen dikwijls goede huwelijken. Er zijn veel mannen, die er zelfs

zeer tevreden mee zijn als ze een paar uur intiem kunnen omgaan met

een aangename vrouw, zonder eenige verdere gunst, zelfs al staat die

hun vrij. Voor een groot aantal mannen onder stadsbestaansvoorwaarden

houdt de prostituée op het verachte middel te zijn voor de wellustige

begeerte van een oogenblik; zij zoeken een aangename, menschelijke

persoonlijkheid, met wie zij eenige ontspanning kunnen vinden van

den dagelijkschen druk en de dagelijksche routine van het leven. Als

een daad van prostitutie zoo op een menschelijke basis geplaatst

is, al draagt ze dan geenszins bij tot de beste ontwikkeling van

een van beide partijen, dan is ze tenminste niet meer zoo wanhopig

vernederend. Anders zou de godsdienstige prostitutie in oude tijden

niet zoo lang in aanzien geweest zijn onder achtbare vrouwen van goede

geboorte aan de oevers van de Middellandsche Zee, zelfs in streken

als Lydië, waar de positie der vrouwen bijzonder hoog was [210].

Het is waar, dat de geldelijke kant van de prostitutie altijd blijft

bestaan. Maar men kan de beteekenis ervan overdrijven. We moeten er

op wijzen, dat, hoewel het gewoon is van de prostituée te spreken

als van een vrouw, die "zich verkoopt", dit een tamelijk ruwe en

onjuiste zegswijze is om, in zijn typischen vorm, de verhouding uit

te drukken van een prostituée tot haar cliënt. Een prostituée is geen

koopwaar met een marktprijs, als een brood of een schapenbout. Zij

staat veeleer op het niveau van personen, die tot de beroepsklassen

behooren, en die honorarium aannemen voor verleende diensten; het

bedrag van het honorarium wisselt af, aan den eenen kant met de

plaats, die de dienst-betoonende onder haar beroepsgenooten inneemt,

aan den anderen kant met de materieele omstandigheden van den cliënt,

en onder bijzondere omstandigheden vervalt het honorarium geheel. De

prostitutie maakt intieme verhoudingen, die uit natuurlijke liefde

moesten voortkomen, tot een voorwerp van betaling, en zoo doende

verlaagt ze die. Maar, strikt gesproken, is er in zulk een geval geen

kwestie van "verkoopen". Te zeggen, dat een prostituée "zich verkoopt"

is zelfs ternauwernood een vergeeflijke rhetorische overdrijving;

het is even onjuist als onrechtvaardig [211].

Deze, in een beschaafde maatschappij zich voordoende neiging om de

prostitutie te humaniseeren is het omgekeerde proces, mogen we wel

opmerken, van wat in een vroeger stadium van de beschaving plaats

vond, toen de oude opvatting van de godsdienstige waardigheid van

de prostitutie in discrediet begon te geraken. Toen de mannen

ophielden vrouwen te vereeren, die prostituées waren in den

dienst van een godin, stelden zij in haar plaats prostituées,

die enkel verachte slavinnen waren, en zij vleiden zich dat zij

zoodoende de zaak van "vooruitgang" en "moraal" bevorderden. Aan

de oevers van de Middellandsche zee had dit proces meer dan twee

duizend jaar geleden plaats; het is nauw verbonden met den naam

van Solon. Tegenwoordig kunnen we hetzelfde proces zich in Indië

zien afspelen. In sommige deelen van Indië (zooals in Jejuri, bij

Poonah) worden eerst-geboren meisjes gewijd aan Khandoba of andere

goden; zij worden gehuwd aan den god en heeten murali. Zij doen

dienst in den tempel, vegen die, wasschen de heilige vaten; zij

dansen, zingen en prostitueeren zich. Zij mogen niet trouwen en zij

wonen thuis bij haar ouders, broeders of zusters; zij zijn gewijd

aan den heiligen dienst en zij worden niet geminacht. Tegenwoordig

echter, trachten Indische "hervormers" in den naam van "beschaving

en wetenschap" de murali te overtuigen, dat zij "zich overgegeven

hebben aan een vernederende loopbaan". Ongetwijfeld zullen

mettertijd de vermeende moralisten de murali uit haar tempels

en uit haar tehuizen verjagen, haar berooven van haar gevoel

van eigenwaarde, en haar maken tot ellendige paria's, alles in

naam der "wetenschap en der beschaving" (zie b.v. een artikel van

Mrs. Kashibai Deodhar, The New Reformer, October, 1907). Zoo komt

het, dat de oude hervormers voor de later komende hervormers de

taak schiepen de prostitutie opnieuw te humaniseeren.

Er is geen twijfel aan, dat deze meer humane opvatting van

de prostitutie tegenwoordig erkenning begint te vinden in het

werkelijke beschaafde leven van Europa. Zoo merkt Dr. Robert

Michels op, ("Erotische Streifzüge", Mutterschutz, 1906, Heft 9,

p. 368): "Terwijl in Duitschland de prostituée gewoonlijk beschouwd

wordt als een "paria", en als zoodanig behandeld, als een werktuig

voor den mannelijken wellust, dat men gebruikt en weer weggooit, en

dat men onder geen voorwaarde in het openbaar zou willen kennen,

speelt in Frankrijk de prostituée in vele opzichten de rol,

die eens beteekenis en roem gaf aan de hetaren van Athene". En

nadat hij de achting en het respect beschreven heeft, die de

Parijsche prostituée dikwijls van haar vrienden ondervindt, en

de niet-sexueele verhouding van kameraadschap, waar ze in kan

treden met andere mannen, gaat de schrijver voort: "Een meisje,

dat zich geeft voor geld, maar geenszins voor het geld van den

eersten den besten, en die, behalve haar "beroepsvrienden" om zoo

te zeggen de behoefte voelt aan niet-sexueele kameraden, met wie

zij kan omgaan op vrije vriendschappelijke wijze, en door wie zij

behandeld en gewaardeerd wordt als een vrij menschelijk wezen, is

niet geheel verloren voor de moreele waarde der menschheid". Alle

prostitutie is slecht, besluit Michels, maar we zouden reden

hebben onszelf geluk te wenschen als liefdebetrekkingen van deze

Parijsche soort de laagst bekende soort vertegenwoordigden van

buiten-echtelijke sexualiteit. (Wat de betrekkelijke achting

aangaat, die aan prostituées gegeven wordt, mag ik er melding

van maken, dat een Parijsche prostituée tegen een vriend van

mij de opmerking maakte, dat Engelschen haar dingen vroegen,

die geen Franschman zou durven vragen).

Het is echter niet alleen in Parijs, hoewel hier wel duidelijker

en meer in het oog springend, dat deze humaniseerende invloed

in de prostitutie zich begint te doen gevoelen. Het blijkt bij

voorbeeld uit de meerdere openlijkheid van het sexueele leven

van een man. "Terwijl hij vroeger in een bordeel sloop in een

afgelegen straat", merkt Dr. Willy Hellpach op (Nervosität und

Kultur, p. 169), "wandelt hij nu met zijn "liaison" rond, en

bezoekt comedies en café's, wel zonder begeerte om zijn bekenden

te ontmoeten, maar toch zonder eenige verlegenheid op dat punt. De

zaak begint meer gewoon te worden, meer--natuurlijk". Ze begint

zoodoende ook, zooals Hellpach weet aan te toonen meer moreel te

worden, en veel ongezonde preutschheid en verhitheid gaat verloren.

In Engeland, waar veranderingen langzaam gaan, moge deze neiging

om de prostitutie te humaniseeren minder zichtbaar zijn, maar

ze bestaat toch. In het midden van de vorige eeuw schreef Lecky

(History of European Morals, deel II, p. 285) dat "voortdurende

prostitutie in geen ander Europeesch land zoo hopeloos slecht of

zoo onherroepelijk is". Die bewering, die ook uitgesproken is door

Parent-Duchâtelet en andere buitenlandsche onderzoekers, wordt ten

volle bevestigd door het bewijsmateriaal in de geschiedenis. Maar

het is een bewering, die men tegenwoordig niet gaarne zou uiten,

behalve misschien voor speciale afgebakende wijken in onze

steden. Ook in Amerika vinden we een neiging om de prostitutie te

humaniseeren, en we kunnen die neiging ongetwijfeld weerspiegeld

vinden in het verslag over The Social Evil (1902), opgesteld door

een commissie in New York, die de prostitutie aanbeval (p. 176)

door op te merken, dat de prostitutie niet langer als een misdaad

beschouwd moest worden, in welk licht, zooals we bemerken, ze

vroeger in New York beschouwd werd. Dat moge maar een kleine

schrede zijn op den weg der humaniseering, maar zij is in de

goede richting.

Het is geenszins alleen in Europa, dat we mèt de zich ontwikkelende

beschaving, een verfijning en humaniseering van de meer vluchtige

verbintenissen met vrouwen kunnen nasporen. In Japan voerden

precies dezelfde eischen, vele eeuwen geleden, tot het verschijnen

van de geisha. In den loop van een belangwekkende en nauwkeurige

studie over de geisha merkt Mr. R. F. Farrer op (Nineteenth

Century, April, 1904): "De geisha is allerminst noodzakelijk een

courtisane. Zij is een vrouw, wier opvoeding tot doel had haar

aantrekkelijk te maken, van haar jeugd af werd zij onderwezen in

alle ingewikkeldheden van de Japansche literatuur; geoefend in

vernuft en in gevatheid; gewend aan het levendig babbelen over

alle onderwerpen tusschen hemel en aarde. Van haar vroegste jeugd

af is zij opgevoed tot een innemende bevalligheid van gedrag,

onbegrijpelijk voor den meest beschaafden Europeaan, en toch is

zij altijd een bloesem van de lagere klassen, met korte, dikke

vingers, en platte leelijke nagels. Haar opvoeding, zoowel physiek

als moreel, is veel zwaarder dan die van de ballerina, en zij komt

eerst na jaren van strijd en bittere kwelling tot succes... De

maatschappelijke positie van de geisha kan vergeleken worden met

die van de Europeesche actrice. Het Geisha-huis biedt prijzen

aan, die even begeerlijk zijn als welke ook van het Westersch

tooneel. Een bekende geisha met twintig edelen om zich heen,

die om haar glimlach wedijveren en die voortdurend in spanning

gehouden worden door de flikkerende pijlen van haar vernuft,

heeft een positie, die niet minder hoog en roemrijk is dan die

van Sarah Bernhardt in haar eersten bloei. Zij wordt evenzeer

gezocht, evenzeer gevleid, even hartstochtelijk aangebeden, dat

rustige, kleine, eenvoudige meisje in het mat blauw. Maar zij

wordt zoo gewaardeerd voornamelijk om haar tong, waarvan de macht

eerst tot volle rijpheid komt als haar physieke bekoorlijkheden

verminderen. Zij eischt groote sommen voor haar impressario's en

verschijnt en danst dan nog alleen als zij het zelf wil. Weinig

Westerlingen zien ooit een werkelijk beroemde geisha. Zij is een

tè groote persoonlijkheid om voor een Europeaan te verschijnen,

behalve misschien op zeer hoog, of keizerlijk verzoek. Ten slotte

kan zij, en dat doet zij dikwijls, een zeer goede partij doen. Uit

dit alles vloeit niet de geringste noodzakelijkheid van ongepaste

verhoudingen voort."

In sommige opzichten was de positie van de vroegere Grieksche

hetare meer gelijk aan die van de Japansche geisha, dan aan die

van de prostituée in de strenge beteekenis van het woord. Voor

den Griek was de hetare inderdaad in het geheel geen porne

of prostituée. De naam beteekende vriendin of kameraad, en

de vrouw aan wie men den naam gaf, had een achtenswaardige

positie, die men aan een gewone prostituée nooit had kunnen

inruimen. Athenaeus (Bk. XIII, hoofdst. XXVIII-XXX) brengt geheele

passages bijeen, die bewijzen, dat de hetare beschouwd kon worden

als een onafhankelijke burgeres, rein, eenvoudig en deugdzaam,

geheel verschillend van de gewone massa prostituées, hoewel deze

misschien haar naam konden overnemen. De hetaren "waren bijna

de eenige Grieksche vrouwen", zegt Donaldson (Woman, p. 59),

"die het beste en edelste vertoonden, wat er in de vrouwelijke

natuur is". Dit feit maakt het meer begrijpelijk hoe een vrouw van

zulke uitnemende, geestelijke beteekenis als Aspasia een hetare

geweest kan zijn. Er schijnt weinig twijfel te bestaan aan haar

geestelijke verdienste. "Aeschines, in zijn dialoog "Aspasia"",

schrijft Gomperz, de historicus van de Grieksche philosofie (Greek

Thinkers, deel III, p.p. 124 en 343), "legt deze opmerkelijke vrouw

een scherpe critiek in den mond op de levenswijze, die de traditie

voor haar sekse eischte. Het zou buitengewoon vreemd zijn", voegt

Gomperz er bij, waar hij beweert, dat daaruit een gevolgtrekking

gemaakt kan worden aangaande de historische Aspasia, "als drie

schrijvers--Plato, Xenophon en Aeschines--alle drie de vriendin van

Pericles abusievelijk hadden bekleed met wat wij redelijkerwijze

konden verwachten, dat zij bezitten zou,--een hoogbeschaafden

geest en intellectueelen invloed". Het is zelfs mogelijk, dat de

beweging voor de rechten der vrouw, die, zooals wij vaag uit de

geschriften van Aristophanes raden, in Athene in de vierde eeuw

voor Christus plaats vond, geleid werd door hetaren. Volgens Ivo

Bruns (Frauenemancipation in Athen, 1900, p. 19) "hebben de meest

bepaalde berichten, die wij over Aspasia bezitten, een sterke

gelijkenis met het beeld, dat Euripides en Aristophanes ons geven

van de leidsters van de vrouwenbeweging". Het was deze beweging,

die toen de ideeën van Plato over de gemeenschap van vrouwen

veel minder dwaas deden schijnen dan zij òns voorkomen. Sommigen

zouden misschien kunnen meenen, dat deze beweging op een hooger

plan die liefde tot vernielen vertegenwoordigde, of, laten we

liever zeggen, die geest van opstand en eerzucht, die Simmel

beschouwt als het kenmerk van de geestelijke en artistieke

werkzaamheid van hen, die in de maatschappelijke hierarchie uit

een klasse verbannen zijn of in geen klasse thuis behooren. Ook

Ninon de Lenclos was, zooals we gezien hebben, niet eigenlijk

een courtisane, maar zij was een pionier in het handhaven van

de rechten der vrouw. Aphra Behn, die iets later in Engeland

een even dubbelzinnige maatschappelijke positie innam, was ook

een pionierster in de edelmoedige humaniseerende aspiraties,

die sedert door de geheele wereld zijn aangenomen.

Deze verfijningen van de prostitutie, kan men wel zeggen, zijn het

gevolg van de latere en meer ontwikkelde stadiën in de beschaving:

"De opgewekte, handige en artistiek ontwikkelde hetare staat

dikwijls als een ideale figuur tegenover de intellectueel niet

ontwikkelde vrouw, die aan haar huis gebonden is. De courtisanes

van de Italiaansche Renaissance, Japansche geishas, Chineesche

bloemenmeisjes en Indische bayadères vertoonen alle eenige niet

onedele trekken, een glimp van een vrij kunstenaarsbestaan. Zij

hebben--wel is waar met opoffering van haar hoogste waarde een

onafhankelijkheid bereikt ten opzichte van den drukkenden dwang

van den man en van huishoudelijke plichten, en een deel van de

vrouwelijke natuur, die zoo dikwijls verlamd wordt, komt in haar

schitterend tot ontwikkeling. Prostitutie in haar besten vorm kan

op deze wijze een gelegenheid bieden, waarbij deze vrouwelijke

eigenaardigheden invloed kunnen uitoefenen op de ontwikkeling

van de beschaving. Wij mogen tevens gelooven, dat de artistieke

werkzaamheid van vrouwen in zekere mate een tegenwicht kan vormen

tegen de slechte gevolgen van sexueele losbandigheid, daar ze

verhindert, dat het gevoelsleven ruwer of zelfs vernietigd wordt;

in zijn Magda heeft Sudermann een vrouwentype beschreven, dat

van het standpunt van strikte moraal verwerpelijk kan schijnen,

maar dat in de kunst een steun vindt, waarvan zelfs kwaadwilligen

schoorvoetend de kracht moeten erkennen". In zijn Sex and Character

heeft Weiniger op meer buitensporige wijze de opvatting ontwikkeld

van de prostituée als een fundamenteel en essentieel deel van

het leven, een blijvend vrouwelijk type.

Er zijn anderen, naar het schijnt in toenemend aantal, die het

probleem der prostitutie naderen, niet van een artistiek standpunt,

maar van een moreel standpunt. Deze moreele houding is echter niet die

conventioneele moraal van Cato en den heiligen Augustinus en Lecky,

die in de voorafgaande bladzijden uiteengezet is, volgens welke de

prostituée op de straat moet aanvaard worden als de bewaakster van

de getrouwde vrouw in het huis. Deze moralisten ontkennen inderdaad,

dat deze beschouwing moreel geacht moet worden. Zij meenen, dat het

moreel niet mogelijk is, dat de eer van sommige vrouwen gekocht zal

kunnen worden door de oneer van andere vrouwen, omdat tot zulk een

prijs de deugd al haar moreele waarde verliest. Als zij lezen, zooals

Goncourt zeide, "dat de weelderigste artikelen van den uitzet van

vrouwen, de trouwhemden van meisjes met een bruidsschat van zes honderd

duizend francs, gemaakt worden in de gevangenis van Clairvaux" [212],

dan zien ze hierin het symbool van de nauwe afhankelijkheid van onze

weelderige deugd en onze vuile ondeugd. En terwijl ze de historische

en sociologische bewijzen aannemen, die er blijk van geven dat de

prostitutie een onvermijdelijk deel is van ons huwelijkssysteem, vragen

zij, of het niet mogelijk is dat huwelijkssysteem zoo te wijzigen,

dat het niet noodig zal zijn de vrouwelijke menschheid te verdeelen in

"onfatsoenlijke" vrouwen, die zich opofferingen getroosten, die harer

onwaardig zijn, en "fatsoenlijke" vrouwen, die opofferingen doen,

die het niet minder onwaardig kan zijn aan te nemen.

Prostituées, heeft een bekend man van de wetenschap gezegd

(Duclaux, L'Hygiène Sociale, p. 243), "zijn dingen geworden,

die het publiek gebruikt als het ze noodig heeft, en die het

op den mesthoop gooit, als het ze vuil gemaakt heeft. In zijn

phariseeërschap heeft het zelfs de onbeschaamdheid haar beroep

als schandelijk te behandelen, alsof het niet even schandelijk

was op deze markt te koopen als te verkoopen". Bloch (Sexualleben

unserer Zeit, Ch. XV) zegt met klem, dat de prostitutie veredeld

moet worden, en dat dit tevens de eenige manier is om haar

te verminderen. Isidore Dyer, uit New Orleans zegt, dat "we

de prostitutie niet kunnen tegengaan, tenzij we in het gemoed

van mannen en vrouwen een geest van verdraagzaamheid kweeken in

plaats van onverdraagzaamheid jegens gevallen vrouwen". Dit punt

kan geïllustreerd worden door een opmerking van de schrijfster

van het Tagebuch einer Verlorenen die een prostituée was. "Als

ons beroep niet langer schandelijk was", schreef zij, "dan zou

het leger van "ongelukkigen" verminderen met vier vijfden--ik

durf wel zeggen met negen tienden. Ik zelf bij voorbeeld! Hoe

graag zou ik een betrekking aannemen als gezelschapsjuffrouw of

gouvernante!" "Een van de twee dingen", schreef de uitmuntende

socioloog Tarde ("La Morale Sexuelle", Archives d'Anthropologie

Criminelle, Januari 1907), "òf de prostitutie zal verdwijnen,

doordat ze voortgaat onfatsoenlijk te zijn en ze zal vervangen

worden door een andere instelling, die beter de fouten van het

monogame huwelijk zal verhelpen, òf ze zal blijven bestaan en

geacht worden, dat is te zeggen, zich doen respecteeren, hetzij ze

gunstig beoordeeld wordt of niet". Tarde meende, dat dit misschien

gebeuren kon door een betere organisatie van de prostituées, een

zorgvuldiger keuze uit haar, die toegelaten wenschen te worden

tot haar gelederen en het aankweeken van beroepsdeugden, die haar

moreel niveau zouden verhoogen. "Als courtisanes in een behoefte

voorzien", heeft Balzac gezegd in zijn Physiologie du Mariage,

"dan moeten zij een soort gilde worden".

Deze moreele houding wordt door de onvermijdelijke democratische

neiging der beschaving gedragen en versterkt, welke neiging, hoewel ze

geenszins het klasse-denkbeeld te niet doet, dat denkbeeld ondermijnt

als een uitvloeisel van fundamenteele menschelijke onderscheidingen,

en het overtollig maakt. De prostitutie maakt de vrouw niet langer

tot slavin, zij behoorde haar ook zelfs niet tot een paria te maken:

"Mijn lichaam is mijn eigendom", zegt de jonge Duitsche prostituée

van tegenwoordig, "en wat ik er mee doe, gaat niemand aan". Toen de

prostituée letterlijk een slavin was, waren de moreele verplichtingen

jegens haar geenszins noodzakelijk dezelfde als de moreele plicht

jegens de vrije vrouw. Maar als, zelfs in dezelfde familie, de

prostituée door een groote en niet te overbruggen golf gescheiden kan

zijn van haar getrouwde zuster, dan beginnen we in te zien, wat in

de meening van velen dringend noodzakelijk is, dat onze moraal ten

opzichte van haar ondersteboven gekeerd moet worden. Duizende jaren

is de prostitutie verdedigd, op grond, dat de prostituée noodzakelijk

is om "de reinheid van vrouwen" te verzekeren. In onze democratische

eeuw begint men te erkennen, dat prostituées ook vrouwen zijn.

De zich ontwikkelende zin van een fundamenteele, menschelijke

gelijkheid, die ten grondslag ligt aan de oppervlakkige

klasseverdeelingen heeft neiging de gewone houding jegens de

prostituée, de houding van haar cliënten zelfs meer dan die van de

maatschappij in het algemeen, pijnlijk wreed te doen schijnen. De

harde en ruw lichtzinnige toon, waarop zooveel jonge mannen over

prostituées spreken, heeft men gezegd, is "eenvoudig wreedheid van

een bijzonder brutale soort", die in geen andere levensverhouding te

vinden is [213]. En als deze houding al wreed is alleen in woorden,

ze is nog wreeder in daden, welke pogingen er ook gedaan worden om

de wreedheid ervan te bemantelen.

Men kan wel zeggen, dat de opmerkingen van den kanunnik Lyttelton

voornamelijk betrekking hebben op jonge mannen van den hoogeren

middenstand. Over wat misschien de gewone houding is van menschen

uit den lageren middenstand, mag ik aanhalen uit een merkwaardige

mededeeling, die mij uit Australië bereikt heeft: "Wat zijn de

ideeën van een jongen man, die in een Christelijke Engelsche

familie uit den middenstand opgevoed is, over prostituées? Neem,

bij voorbeeld, mijn vader. Hij sprak eerst over prostituées met

mij, als ik mij wèl herinner, toen hij sprak over zijn leven

vóór zijn huwelijk. En hij sprak over haar, zooals hij spreken

zou over een paard, dat hij gehuurd had, waarvoor hij betaald

had, en dat hij uit zijn gedachten gebannen had, toen het hem

van dienst was geweest. Hoewel mijn moeder lief en goed was,

sprak zij van gevallen vrouwen met walging en toorn als van een

of ander onrein dier. Daar het de ijdelheid en den trots streelt

met algemeene goedkeuring op iets te kunnen neerzien, begreep

ik spoedig de situatie en nam een houding aan, die, in hoofdzaak

die is van de Christelijke Engelsche mannen van den middenstand

jegens prostituées. Maar met de ontwikkeling van de puberteit

moet deze houding aangepast worden aan den wensch, dit schuim,

deze moreele melaatsche, te gebruiken. De gewone jonge man,

die wel van wat immoraliteit houdt en die wel wat immoreel is,

als hij in de stad is en meent, dat het niet waarschijnlijk is,

dat het zijn moeder of zusters ter oore zal komen, komt zijn

aanmatiging en zijn tegenzin niet te boven of vermindert die ook

maar in het minst. Hij neemt die met zich mee in het bordeel,

min of meer vermomd, en zij kleuren zijn gedachten en daden al

den tijd dat hij met prostituées slaapt, of haar kust, of zijn

handen over haar heen strijkt, zooals hij doen zou met een merrie,

om zooveel mogelijk voor zijn geld te krijgen. Om de waarheid

te zeggen was dat, over het geheel, ook mijn houding. Maar als

iemand mij gevraagd had naar de geringste reden voor deze houding,

voor dit gevoel van meerderheid, trots, hauteur, en vooroordeel,

dan zou ik, evenals iedere andere "fatsoenlijke" jonge man met

den mond vol tanden gestaan hebben".

Op het moderne, moreele standpunt, dat wij nu innemen, is niet alleen

de wreedheid, die besloten ligt in de schande van de prostituée, dwaas,

maar even dwaas, en dikwijls niet minder wreed, schijnt de eer te zijn,

die bewezen wordt aan de fatsoenlijke vrouwen aan den anderen kant

van de maatschappelijke klove. Het is wel bekend, dat mannen soms

naar prostituées gaan om bevrediging te vinden voor de opwinding,

die gewekt is door de liefkoozingen van hun verloofden [214]. Daar de

emotioneele en physieke resultaten van onbevredigde opwinding dikwijls

ernstiger zijn bij vrouwen dan bij mannen, zijn de verloofde vrouwen

in deze gevallen even gerechtvaardigd verlichting te zoeken bij andere

mannen, en zoo zou de noodlottige cirkel der dwaasheid volkomen zijn.

Uit het gezichtspunt van den modernen moralist is er een andere

overweging, die in het geheel niet geteld werd bij de conventioneele

en traditioneele moraal, die wij geërfd hebben, en die in de praktijk

inderdaad ook niet bestond in de oude dagen, toen die moraal nog een

levende werkelijkheid was. Vrouwen zijn niet meer verdeeld in de twee

groepen: vrouwen, die geëerbiedigd moeten worden, en prostituées,

die de onteerde bewaaksters zijn van die eer; er is een groote

derde klasse van vrouwen, die noch getrouwde vrouw noch prostituée

zijn. Voor deze groep van ongetrouwde deugdzamen had de traditioneele

moraal in het geheel geen plaats; zij negeerde ze eenvoudig. Maar

de nieuwe moralist, die leert erkennen zoowel de eischen van het

individu als de eischen van de maatschappij, begint te vragen of

aan den eenen kant deze vrouwen geen recht hebben op bevrediging

van haar affectioneele en emotioneele impulsen als zij dat wenschen,

en aan den anderen kant of, daar een hooge beschaving een verminderd

aantal geboorten met zich brengt, de gemeenschap geen recht heeft

iedere gezonde en flinke vrouw aan te moedigen bij te dragen tot de

instandhouding van het geboortecijfer, als zij dat wenscht.

Al de overwegingen, die in de voorafgaande bladzijden in het kort

zijn aangeduid--de fundamenteele zin voor menschelijke gelijkheid, die

gekweekt wordt door onze beschaving, de weerzin tegen de wreedheid, die

de verfijning van het stadsleven vergezelt, het leelijke contrast van

uitersten, die stuitend zijn voor onze zich ontwikkelende democratische

neigingen, de aangroeiende zin voor de rechten van het individu op

zijn eigen persoon, het recht waarop niet minder sterk de nadruk gelegd

wordt van de gemeenschap op het beste wat het individu kan leveren--al

deze overwegingen brengen er den modernen moralist iederen dag meer

toe om jegens de prostitutie een houding aan te nemen, die geheel

verschillend is van de moraal, die wij ontleend hebben aan Cato en

Augustinus. Hij ziet de zaak op grootere en meer dynamische wijze. In

plaats van te verklaren, dat het wel de moeite loont de prostituée te

dulden en haar terzelfder tijd te verachten, om de heiligheid van de

vrouw in haar huis te bewaren, is hij niet alleen meer geneigd ieder

te beschouwen als de rechte bewaker van zijn eigen moreele vrijheid,

maar hij is niet zoo zeker omtrent de door den tijd gesanctionneerde

positie van de prostituée, en bovendien is hij er geenszins zeker

van, dat de vrouw in haar huis niet evenzeer redding noodig heeft

als de prostituée op de straat; hij is er toe bereid te overwegen of

hervorming in deze zaak niet waarschijnlijk plaats zal vinden in den

vorm van een meer juiste toemeting van sexueele rechten en sexueele

plichten aan vrouwen in het algemeen, met het onvermijdelijk gevolg

van verheffing van het leven van mannen ook.

De opstand van vele ernstige hervormers tegen de onrechtvaardigheid

en de vernedering, die nu samengaat met ons systeem van prostitutie

is zoo diepgaand, dat sommigen zich bereid hebben verklaard tot het

aannemen van iedere revolutie van denkbeelden, die een meer gezonde

verandering van moreele waardeeringen zou teweeg brengen. "Beter

zou inderdaad een saturnalia zijn van vrije mannen en vrouwen",

roept Edward Carpenter (Love's Coming of Age, p. 62) uit, "dan

het schouwspel, dat nu onze groote steden 's nachts bieden".

Zelfs zij, die heel tevreden zouden zijn met een zoo conservatieve

behandeling van maatschappelijke instellingen als mogelijk

is, kunnen niet nalaten te erkennen, dat de prostitutie niet

bevredigend is, tenzij wij al zeer bescheiden eischen stellen aan

de sexueele daad. "De daad der prostitutie", verklaart Godfrey (The

Science of Sex, p. 202), "is misschien physiologisch volkomen,

maar ze is dit in geen andere beteekenis. Al de moreele en

intellectueele factoren, die met het physieke verlangen samenwerken

om de volmaakte sexueele aantrekking te vormen zijn aanwezig. Al

de hoogere elementen van liefde--bewondering, eerbied, eer en

zelfopofferende toewijding--zijn even vreemd aan de prostitutie

als aan de egoïstische daad der masturbatie. De voornaamste

bezwaren tegen de moraal van de daad zijn meer gelegen in wat er

mee samengaat dan in de daad zelf. Iedere sprank van liefde, die

een vrije connectie zou kunnen bezitten, wordt meteen bedorven

door het invoeren van een geldelijk element. In de vernedering

die er uit voortkomt, heeft de vrouw het grootste aandeel,

omdat ze haar maakt tot een paria en haar onderwerpt aan al de

verhardende en demoraliseerende invloeden van maatschappelijke

uitsluiting. Maar haar vernedering dient er alleen toe haar invloed

op haar partners nog meer vernederend te maken. De prostitutie",

zegt hij tot besluit, "heeft een sterke neiging om de van nature

zelfzuchtige houding van mannen jegens vrouwen te versterken

en ze aan te moedigen in de begoocheling, die voortkomt uit

ongeordende hartstochten, dat de geslachtsdaad zelf het doel en

einde van het sexueele leven is. De prostitutie kan er derhalve

geen aanspraak op maken ook maar een tijdelijke oplossing te

geven voor het sekseprobleem. Zij vervult alleen de zending,

die ze gemaakt heeft tot een "noodzakelijk kwaad"--de zending

van palliatief tegen de physieke gestrengheid van coelibaat en

monogamie. Dat doet ze ten koste van een groote mate van physieke

en moreele ontaarding, waarvan veel ongetwijfeld berust op de

maatschappij, die de vernedering van de prostituée volkomen maakt

door voortdurende uitsluiting. Prostitutie was niet zulk een groot

kwaad, toen ze niet als zoodanig beschouwd werd, toch was ze zelfs

op haar best een werkelijk kwaad, een treurige en lage parodie op

ernstige en natuurlijke hartstochtsverhoudingen. Zij is een kwaad,

dat we bij ons moeten houden, zoolang het coelibaat gewoonte en

monogamie wet is". Het is de vrouw zoowel als de prostituée, die

vernederd wordt door een systeem, dat koopbare liefde mogelijk

maakt. "De tijd is voorbij", merkt dezelfde schrijver elders op

(p. 195), "dat een enkele ceremonie werkelijk heiligen kan wat

laag is, en lust en begeerte kan veranderen in oprechte sexueele

liefde. Als het in sexueele connecties treden met een man alleen

voor een materieel doel een schande is voor de maatschappij,

dan is het ook een schande onder den huwelijksband, afgezien van

den huichelachtigen zegen van de kerk of de wet. Als de publieke

prostituée een wezen is, dat als paria verdient behandeld te

worden, dan is het hopeloos onredelijk ieder soort van moreele

schande te onthouden aan de vrouw, die een dergelijk leven leidt

onder andere uiterlijke omstandigheden. Of de getrouwde vrouw,

die zich prostitueert, moet onder den moreelen ban komen, òf er

moet een einde komen aan de algeheele uitsluiting, waaronder de

prostituée lijdt".

De denker, die duidelijker en meer fundamenteel dan anderen,

en het eerst van allen zich de dynamische verhoudingen van de

prostitutie voor oogen heeft gesteld, was James Hinton. Meer dan

dertig jaar geleden gaf Hinton, in fragmentarische geschriften, die

nog onuitgegeven zijn gebleven, omdat hij ze nooit in ordelijken

vorm omgewerkt heeft, krachtig en hartstochtelijk uitdrukking

aan zijn gronddenkbeeld. Het kan misschien de moeite loonen een

paar korte passages aan te halen uit Hinton's handschriften:

"Ik voel, dat de wetten van het arbeidsvermogen ook behoorden te

gelden te midden der golven van den menschelijken hartstocht,

dat de verhoudingen der mechanica waar zijn en ook zullen

heerschen in het menschelijk leven... Er ontstaat een spanning,

een onderdrukking van de ziel, door ons moderne leven, en ze

is op het punt plotseling tot een ontploffing te leiden, waarna

de krachten zich opnieuw zullen ordenen. Het is een kwestie van

dynamica, in moreele termen voorgesteld... Het houden van een deel

van de vrouwelijke bevolking zonder uitzicht op een huwelijk,

beteekent prostituées hebben, dat zijn vrouwen, die niets zijn

dan werktuigen van de zinnelijkheid van den man, en dit beteekent

voor velen van haar het dooden van alle zuivere liefde of de

vatbaarheid daartoe. Dit is het feit, dat we onder de oogen moeten

zien... Vandaag zag ik een jonge vrouw, wier leven verteerd werd

door gebrek aan liefde, een geval van uiterste ellende: en zie nu

den prijs, waarmee we haar slechte gezondheid betalen; voor haar

slechte gezondheid betalen wij met den ondergang van een ander

meisje. Dat geven wij er voor; haar ellende naar ziel en lichaam

wordt gekocht door de prostitutie; wij hebben prostituées, die

daarvoor zijn ... Wij leveren sommige vrouwen roekeloos aan het

verderf over om een broeikasparadijs te maken voor anderen... De

eene put zich uit in vergeefsche pogingen genoegens te verdragen

waarvoor ze niet sterk genoeg is, terwijl andere vrouwen te gronde

gaan door gebrek aan deze zelfde genoegens. Als het huwelijk dit

is, is het dan niet belichaamde wellust? De gelukkige Christelijke

tehuizen zijn de ware donkere plaatsen der aarde... Prostitutie

voor den man, ontbering voor de vrouw--zij zijn twee zijden van

hetzelfde ding, en het zijn allebei ontkenningen van de liefde,

evenals weelde en ascetisme. De bergen van ontbering moeten

gebruikt worden om de diepten van de overdaad aan te vullen".

Eenige van de denkbeelden van Hinton werden uiteengezet door een

schrijfster, die goed met hem bekend was, in een vlugschrift,

getiteld The Future of Marriage: An Eirenicon for a Question

of To-day, door een achtenswaardige vrouw (1885). "Als de

overtuiging eenmaal ingang heeft gevonden bij de "goede" vrouwen",

merkt de schrijfster op, "dat haar plaats van eer en voorrechten

verkregen is ten koste van de vernedering van anderen, dan zullen

ze niet rusten voor zij die plaats verlaten hebben of een ander

voetstuk gevonden hebben. Als ons onbuigzaam huwelijkssysteem tot

voornaamste voorwaarde heeft het bestaan van de prostitutie, dan

kan men slechts twee gevolgtrekkingen maken: òf er moet aangetoond

worden, dat zij overeen te brengen is met het welzijn, zoowel

moreel als physiek, van de vrouwen, die ze in praktijk brengen,

òf ons huwelijkssysteem moet veroordeeld worden. Als het iemand

duidelijk voor oogen gesteld werd, dan zou hij niet in ernst kunnen

beweren, dat dat "deugd" is, wat alleen in praktijk gebracht kan

worden ten koste van iemand anders ondeugd... Terwijl de wetten der

natuurkunde zoo algemeen erkend beginnen te worden, dat niemand

er van droomt een deeltje stof of kracht te willen vernietigen,

passen we toch dezelfde opvatting niet instinctief toe op moreele

krachten, maar wij denken en handelen alsof wij een kwaad konden

uit den weg ruimen, terwijl we dàt onveranderd laten, wat er kracht

aan geeft. Dit is de eenige beschouwing van het maatschappelijk

probleem, dat ons hoop geeft. Dat de prostitutie zou ophouden te

bestaan, terwijl alles bleef zooals het is, zou schadelijk zijn,

als het mogelijk was. Maar het is niet mogelijk. Het zwakke punt

van alle bestaande pogingen om de prostitutie te onderdrukken is,

dat zij er tegen gericht zijn alsof zij een ding op zichzelf was,

terwijl zij alleen een van de symptomen is, die voortkomen uit

een algemeene kwaal".

Ellen Key, die in de laatste jaren de voornaamste apostel

geweest is van een evangelie van sexueele moraal, die berust op

de behoeften van vrouwen als de moeders van het ras, heeft, in

ongeveer gelijken geest, zoowel de prostitutie als het starre

huwelijk veroordeeld, verklarend (in haar Essays on Love and

Marriage), dat "de ontwikkeling van het erotisch persoonlijk

bewustzijn evenzeer gehinderd wordt door de maatschappelijk

geregelde "moraal" als door de maatschappelijk geregelde

"immoraliteit"," en dat "de twee laagste en maatschappelijk

gesanctionneerde uitersten van sexueel dualisme, het starre

huwelijk en de prostitutie, langzamerhand onmogelijk zullen

worden, omdat zij met het ingang vinden van het denkbeeld van

erotische eenheid niet langer zullen overeen te brengen zijn met

de behoeften der menschen".

Wij kunnen den tegenwoordigen toestand, wat betreft de prostitutie,

het best karakteriseeren door te zeggen, dat er aan den eenen kant

een neiging is om ze te verheffen, in verband met de aangroeiende

menschelijkheid en verfijning van de beschaving, een neiging, die

onvermijdelijk leiden moet tot het meer en meer brandmerken zoowel van

de vrouwen die prostituées worden, als van de mannen, die ze opzoeken;

aan den anderen kant, maar misschien door dezelfde dynamische kracht,

is er een neiging de prostitutie langzamerhand terzijde te stellen

door een gelukkige concurrentie van hooger en reiner methoden van

sexueele verhoudingen, die vrij zijn van geldelijke overwegingen. Deze

verfijning en veredeling, deze concurrentie der prostitutie door

betere vormen van sexueele liefde, zijn inderdaad een essentieel deel

van den vooruitgang, naarmate de beschaving meer waarlijk gezond,

krachtig en waarheidlievend wordt.

Waarschijnlijk zal deze moreele verandering vergezeld gaan

van de erkenning, dat de feiten van het menschelijk leven van

meer belang zijn dan de vormen. Want alle overgangen van lagere

tot hoogere maatschappelijke vormen, van den natuurstaat tot de

beschaving, zijn--voor zoover zij veranderingen zijn, die het leven

raken--vergezeld gegaan van een langzaam en moeilijk tasten naar

de waarheid, dat alleen in natuurlijke verhoudingen gezondheid en

heiliging kan gevonden worden, want, zooals Nietzsche zeide, de

"terugkeer" tot de natuur moest eerder de "opstijging" genoemd

worden. Zoo alleen kunnen wij verkrijgen, dat uit onze harten

eindelijk die vastgeroeste traditie verdreven wordt, dat er eenige

onreinheid of schande is in daden van liefde, waarvoor de door het

verstand voorgeschrevene en niet alleen de conventioneele voorwaarden

vervuld zijn. Want het is een ijdel pogen te trachten onze wetten te

verbeteren, of zelfs onze verordeningen, voordat we eerst onze harten

verbeterd hebben.

Het zou misplaatst zijn hier verder in te gaan op de moreele kwestie,

zooals zij zich heden ten dage begint te vormen in de sexueele

sfeer. In een psychologische bespreking behoeven we alleen maar

de werkelijke houding uiteen te zetten van den moralist en van de

beschaving. De uitwerking van de praktische gevolgen van die houding

moeten we aan moralisten en sociologen en de gemeenschap in het

algemeen overlaten.

Ons onderzoek heeft tevens, zooals we mogen hopen, aangetoond,

dat wie de kwestie van de prostitutie in de praktijk behandelen

wil in de allereerste plaats de waarschuwing niet vergeten mag,

die, wat vele andere maatschappelijke problemen aangaat, belichaamd

is door Herbert Spencer in zijn vermaard voorbeeld van de gebogen

ijzeren plaat. Als we trachten de gebogen plaat plat te krijgen,

dan heeft het geen zin, zooals Spencer aangetoond heeft, direct op

het opgebulte gedeelte los te hameren; als we dat doen, dan blijkt

al gauw, dat we de zaken erger gemaakt hebben; ons hameren moet,

om resultaat te hebben, zijn in de omgeving van, en niet direct òp

de hinderlijke verheffing, die we willen verwijderen; zoo alleen

kan de ijzeren plaat plat gehamerd worden [215]. Maar dit axioma is

door de moralisten niet begrepen. De gewone, praktische hervormer

heeft--van den tijd van Karel den Groote af--altijd weer zijn vuist

direct laten neerkomen op het kwaad der prostitutie en hij heeft

de zaken steeds erger gemaakt. Alleen door met beleid buiten het

kwaad en er om heen te werken kunnen we hopen het met succes te

verminderen. Door er naar te streven de verhoudingen van mannen tot

vrouwen, en van vrouwen tot vrouwen te ontwikkelen en te verheffen,

door onze opvattingen over sexueele verhoudingen te wijzigen, en

door een gezonder en meer ware opvatting over vrouwelijkheid en

over de verantwoordelijkheden van vrouwen, zoowel als van mannen,

in te voeren, door, maatschappelijk zoowel als economisch, een hooger

niveau te bereiken van menschelijk leven--alleen door zulke methoden

kunnen wij met reden eenige vermindering en verzachting van het kwaad

der prostitutie verwachten. Zoolang wij niet in staat zijn tot zulke

methoden, moeten we tevreden zijn met de prostitutie, die we verdienen,

en dan moeten we leeren ze te behandelen met het medelijden, en den

eerbied, waarop een zoo in het leven grijpende misvorming in onze

beschaving aanspraak maken mag.

De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij · 第 52 / 71 题