De invloed van de traditie.--De theologische voorstelling van
wellust.--Neiging van deze invloeden om de sexueele moraal te
degradeeren.--Het resultaat ervan voor de vorming van de sexueele
abstinentie.--De protesten tegen sexueele abstinentie.--Onthouding
en genialiteit.--Sexueele abstinentie bij vrouwen.--De voorstanders
van sexueele abstinentie.--De middenrichting.--Onbevredigende
resultaten van de geheele discussie.--Critiek op het begrip
abstinentie.--Sexueele abstinentie vergeleken met het onthouden
van voedsel.--Geen complete analogie.--De moraal van sexueele
abstinentie is geheel negatief.--Is het de plicht van den dokter
buitenechtelijk geslachtsverkeer aan te raden?--Meeningen van
hen, die dezen plicht bevestigen of ontkennen.--De beslissing
moet vallen tègen het geven van zulk een raad.--De dokter
gebonden door de maatschappelijke en moreele denkbeelden van
zijn eeuw.--De dokter als hervormer.--Sexueele abstinentie
en sexueele hygiëne.--Alcohol.--De invloed van geestelijke en
lichamelijke inspanning.--De ontoereikendheid van de sexueele
hygiëne op dit gebied.--De onwerkelijke aard van het begrip
sexueele abstinentie.--De noodzakelijkheid om het door een meer
positief ideaal te vervangen.
Als wij de zaak beschouwen uit een zuiver abstract of zelfs zuiver
biologisch gezichtspunt dan zou het kunnen schijnen, dat wij, door te
beslissen, dat ascetisme en kuischheid van hooge waarde zijn voor het
persoonlijke leven, alles gezegd hebben, wat er te zeggen valt. Dat
is echter op verre na het geval niet. Wij bemerken hier, evenals bij
ieder punt in de praktische toepassing van sexueele psychologie, dat
het niet voldoende is langs biologische lijnen den weg te bepalen, die
in abstracten zin de rechte is. Wij moeten onze biologische eischen in
harmonie brengen met maatschappelijke eischen. Wij worden beheerscht
niet alleen door natuurlijke instincten, maar door geërfde tradities,
die in het verre verleden stevig gebaseerd waren op begrijpelijke
gronden, en die zelfs nu nog, door het enkele feit van hun bestaan,
een macht uitoefenen, die we niet kunnen en niet mogen voorbijzien.
Toen we de waarde van den sexueelen impuls bespraken, hebben
wij bevonden, dat wij alle reden hadden, liefde zeer hoog te
schatten. Bij het bespreken van kuischheid en ascese vonden we, dat
ook deze zeer hoog geschat moeten worden. En wij hebben gezien, dat
hier geen contradictie in opgesloten ligt; integendeel, dat liefde en
kuischheid in al hun fijnste ontwikkelingen zijn samengegroeid, en dat
er dus een volkomen harmonie is in een schijnbare tegenspraak. Maar
als wij de zaak in bijzonderheden beschouwen, in haar speciale
persoonlijke toepassingen, dan zien wij, dat een nieuwe factor zich
doet gelden. Wij bemerken, dat onze geërfde maatschappelijke en
godsdienstige tradities een druk uitoefenen, geheel aan éen zijde,
die het onmogelijk maakt de verhoudingen van liefde en kuischheid op
de basis van biologie en rede alleen te stellen. Aan den eenen kant
hebben deze tradities het woord "lust"--beschouwd als uitdrukking
gevend aan al de uitingen van den sexueelen impuls, die buiten het
huwelijk liggen of die niet het huwelijk als hun direct en zichtbaar
doel hebben--belast met geringschattende en sinistere beteekenissen. En
aan den anderen kant hebben deze tradities het probleem geschapen van
"sexueele abstinentie", dat niets te maken heeft met ascetisme of met
kuischheid, zooals deze in het vorige hoofdstuk gedefiniëerd zijn,
maar dat alleen den zuiver negatieven druk op den sexueelen impuls
bedoelt, die, onafhankelijk van de wenschen van het individu, door
zijn godsdienstige en maatschappelijke omgeving wordt uitgeoefend.
De theologische opvatting van "lust" of "libido" als zonde, volgde
logisch op de oud-Christelijke opvatting van het "vleesch", en werd
onvermijdelijk, zoodra die opvatting algemeen was geworden. Niet
alleen hadden de oud-Christelijke idealen een kleineerenden invloed
op de waardeering van het sexueel verlangen per se, maar zij hadden
neiging de waardigheid van de sexueele verhouding in discrediet
te brengen. Als een man een vrouw buiten huwelijk sexueel naderde,
en haar daardoor binnen den verachten kring van "wellust" bracht,
dan bracht hij haar nadeel toe, omdat hij afbreuk deed aan haar
godsdienstige en moreele waarde [91]. De eenige wijze, waarop hij
de aangerichte schade kon goed maken, was haar geld te betalen of
een gedwongen en daardoor waarschijnlijk ongelukkig huwelijk met
haar aan te gaan. Dat wil zeggen, dat sexueele verhoudingen door
de kerkelijke tradities op een pecuniaire basis geplaatst waren, op
hetzelfde niveau als prostitutie. Door haar welgemeende pogingen om
de theologische moraal, die zich op een ascetische basis ontwikkeld
had, te steunen, ondermijnde de kerk dus feitelijk zelf dien vorm
van sexueele verhouding, dien zij heiligde.
Gregorius de Groote vaardigde het bevel uit, dat hij, die een
meisje verleidde, met haar trouwen moest, of, in geval van
weigering, lichamelijk streng gestraft moest worden en in een
klooster opgesloten om boete te doen. Volgens andere kerkelijke
regels werd van hem, die een meisje verleid had, zelfs indien hij
in het geheel niet verantwoordelijk gesteld werd door den civielen
rechtbank, gevergd, dat hij haar zou trouwen, of een echtgenoot
voor haar vinden en haar een bruidsschat verschaffen. Zulke regels
hadden hun goede zijde en waren vooral billijk, als het verleiden
door bedrog was geschied. Maar zij droegen er in ruime mate toe
bij om alle kwesties van sexueele moraal ondergeschikt te maken
aan een geldkwestie. De vergoeding aan de vrouw werd ook daardoor
zeer noodig, omdat de kerkelijke opvatting van wellust haar waarde
deed verminderen door aanraking met dien wellust, en de vergoeding
als een deel van de boete kon gelden. Aquino was van meening,
dat wellust, in hoe geringe mate ook, een doodzonde was, en de
meeste van de meer invloedrijke theologen namen een bijna zoo
streng, zoo al niet even streng standpunt in. Sommigen meenden
echter, dat een zekere mate van genot op dit gebied mogelijk is
zonder doodzonde, of verzekerden bij voorbeeld, dat het voelen
van de aanraking van een zachte en warme hand geen doodzonde is,
zoolang daardoor geen sexueel gevoelen wordt opgewekt. Anderen
meenden echter, dat zulke onderscheidingen niet mogelijk zijn
en dat alle genoegens van deze soort zondig zijn. Tomás Sanchez
trachtte regels te maken voor de gecompliceerde problemen van
genot, die op deze wijze ontstonden, maar hij was gedwongen
toe te geven, dat geen regels werkelijk mogelijk zijn, en dat
zulke zaken overgelaten moeten worden aan het oordeel van een
voorzichtig man. Op dit punt houdt het sophisme op te bestaan
en het moderne gezichtspunt komt voor den dag (zie b.v. Lea,
History of Auricular Confession, deel II, blz. 57, 115, 246, etc.).
Zelfs nu nog leeft de invloed van de oude tradities der Kerk onbewust
onder ons voort. Dat is onvermijdelijk bij godsdienstonderwijzers,
maar ook bij mannen van wetenschap, zelfs in Protestantsche landen,
is die invloed merkbaar. Het resultaat is, dat geheel tegenstrijdige
dogma's naast elkaar voorkomen, zelfs bij denzelfden schrijver. Aan
den eenen kant worden de uitingen van den sexueelen impuls nadrukkelijk
veroordeeld als zoowel onnoodig als slecht; aan den anderen kant wordt
het huwelijk, dat fundamenteel (wat het verder ook wezen moge) een
uiting is van den sexueelen impuls, evenzeer met nadruk goedgekeurd als
de eenige moreele vorm van leven [92]. Er kan geen redelijke twijfel
bestaan, dat het de overlevende en doordringende invloed is van de
oude traditioneele theologische opvatting van libido, waaraan wij voor
een groot deel het enorme verschil van meeningen onder medici moeten
toeschrijven over de kwestie van sexueele abstinentie, en de overigens
onnoodige scherpte, waarmee deze meeningen somtijds worden geuit.
Aan de eene zijde vinden wij de nadrukkelijke bewering, dat sexueele
omgang noodig is en dat de gezondheid niet kan in stand blijven tenzij
de sexueele werkzaamheden geregeld uitgeoefend worden.
"Alle deelen van het lichaam, die ontwikkeld zijn voor een bepaald
doel, worden alleen gezond, en in het genot van een flinken groei
en van een lange jeugd gehouden door het vervullen van dat gebruik,
en door hun gepaste oefening in de werkzaamheid waaraan zij gewend
zijn". In die bewering, die voorkomt in de groote verhandeling van
Hippocrates "On the Joints", hebben wij de klassieke uitdrukking van
de leer, die in altijd veranderende vormen onderwezen is door allen,
die tegen sexueele abstinentie geprotesteerd hebben. Als wij komen
tot de zestiende eeuwsche opkomst van het Protestantisme, vinden wij,
dat Luther's opstand tegen het Catholicisme voor een deel een protest
tegen de leer der sexueele abstinentie was. "Hij, aan wien de gave
van zelfbeheersching niet gegeven is", zeide hij in zijn Tafelrede,
"zal niet kuisch worden door vasten en nachtwaken. Wat mij betreft,
ik werd niet bovenmatig gekweld (hoewel hij elders spreekt van de
groote vuren van wellust, waardoor hij verontrust werd), maar toch,
hoe meer ik mij kastijdde, des te vuriger werd ik". En driehonderd
jaar later nam Bebel, de would-be Luther van de negentiende eeuw van
een ander soort Protestantisme, dezelfde houding jegens de sexueele
abstinentie aan, terwijl Hinton, de medicus en philosoof, levend in
een land van streng sexueel conventionalisme en sexueele preutschheid,
door een warme sympathie met het lijden, dat hij om zich heen zag,
bewogen, in hartstochtelijk sarcasme losbrak, telkens als hij met de
leer der sexueele abstinentie in aanraking kwam. "Er zijn onnoemelijk
veel kwalen--verschrikkelijke kwellingen, zelfs krankzinnigheid,
de verwoesting van levens--waarvoor de omhelzing van man en vrouw
het geneesmiddel zou zijn. Niemand denkt er aan het in twijfel te
trekken. Afschuwelijke kwalen en een geneesmiddel in een genoegen
en genot! En de mensch heeft verkozen zoo zijn leven te verknoeien,
dat hij zeggen moet: "Daar, dat zou een geneesmiddel zijn, maar ik
kan het hier niet gebruiken. Ik moet deugdzaam zijn!""
Als wij ons beperken tot moderne tijden en tot tamelijk preciese
medische opgaven, dan vinden we in Schurig's Spermatologia
(1720, blz. 274 et seq.), niet alleen een bespreking van de
voordeelen van een matigen sexueelen omgang voor een aantal
gezondheidsstoornissen, zooals door beroemde autoriteiten
getuigd wordt, maar ook een lijst van gevolgen--anorexia,
krankzinnigheid, impotentie, epilepsie, zelfs dood er
onder begrepen--die men meende, dat voortkwamen uit sexueele
abstinentie. Dit uiterste standpunt van de mogelijke nadeelen
van sexueele abstinentie schijnt een deel te zijn geweest van
de tradities van de Renaissance in de geneeskunde, aangewakkerd
door een zekere oppositie tusschen godsdienst en kennis. Het werd
nog krachtig staande gehouden door Lallemand, in het begin van
de negentiende eeuw. Daarna werden de medische opgaven over de
slechte gevolgen van sexueele abstinentie meer gematigd, hoewel
ze dikwijls nog uitgesproken werden. Zoo meent Gyurkovechky,
dat deze gevolgen even ernstig kunnen zijn als die van sexueele
uitspatting. Krafft-Ebing toonde aan, dat sexueele abstinentie een
toestand van algemeene nerveuse opwinding kon te voorschijn roepen
(Jahrbuch für Psychiatrie, Bd. VIII, Heft 1 en 2). Schrenck-Notzing
beschouwt sexueele abstinentie als een oorzaak van uiterste
sexueele overgevoeligheid en van verschillende perversies (in een
hoofdstuk over sexueele abstinentie in zijn Kriminalpsychologische
und Psychopathologische Studien, 1902, pp. 174--178). Hij vermeldt,
ter verduidelijking, het geval van een man van zes en dertig
jaar, die als jongen matig gemasturbeerd had, maar die twintig
jaar geleden de gewoonte op moreele gronden geheel liet varen,
en die nooit sexueelen omgang gehad heeft; hij was er trotsch op,
dat hij het huwelijk zou ingaan als een kuisch man, maar heeft
nu jaren lang geleden aan sexueele overgevoeligheid, terwijl zijn
gedachten voortdurend op sexueele onderwerpen geconcentreerd waren,
ondanks een sterken wil en het besluit om niet te masturbeeren
of zich aan ongeoorloofden omgang over te geven. In een ander
geval lijdt een krachtig en gezond man, die niet geïnverteerd
is en sterke sexueele wenschen heeft, en die kuisch bleef tot
zijn huwelijk, aan psychische impotentie, en zijn vrouw blijft
maagd ondanks al haar liefde en haar liefkoozingen. Ord meende,
dat sexueele abstinentie vele kleinere bezwaren in het leven kon
roepen. "De meesten van ons", schreef hij (British Medical Journal,
Aug. 2, 1884) "zijn ongetwijfeld geraadpleegd door mannen, die,
kuisch in daden, door sexueele opwinding geplaagd worden. Zij
vertellen u verhalen van lang aanhoudende, plaatselijke sexueele
opwinding, gevolgd door intense vermoeidheid in de spieren, of
door hevige pijn in den rug en de beenen. Bij sommigen heb ik
klachten gehoord over opzwellen en stijfheid van de beenen, en
over pijnen in de lendenen en gewrichten, vooral in de knieën";
hij vertelt het geval van een man, die na lange kuischheid leed
aan ontsteking van de knieën en die door het huwelijk genezen
werd. Pearce Gould, mogen we er aan toevoegen, merkt op, dat
"bovenmatige onbevredigde sexueele begeerte" een van de oorzaken is
van acute orchitis. Remondino "Some Observations on Continence as
a Factor in Health and Disease", (Pacific Medical Journal, Jan.,
1900) vermeldt het geval van een man van bijna zeventig jaar,
die gedurende een langdurige ziekte van zijn vrouw, leed aan veel
voorkomend en hevig priapisme, dat slapeloosheid veroorzaakte. Hij
was er zeker van, dat zijn bezwaren niet voortkwamen uit zijn
zelfbeheersching, maar alle behandeling bleef zonder succes en
er waren geen spontane emissies. Ten slotte raadde Remondino
hem aan om, zooals hij het uitdrukte "Salomo na te volgen". Hij
deed het en al de symptomen verdwenen in eens. Dit geval is van
bijzonder belang, omdat de symptomen niet vergezeld waren van
eenig bewust sexueel verlangen. Het wordt niet langer algemeen
geloofd, dat sexueele abstinentie soms tot krankzinnigheid kan
leiden, en men zal opmerken dat de nu en dan voorkomende gevallen,
waarin voortgezet en intens sexueel verlangen bij jonge vrouwen
gevolgd wordt door krankzinnigheid, alleen voorkomen op een
basis van erfelijke degeneratie. Vele autoriteiten meenen echter,
dat kleinere geestelijke stoornissen, van een min of meer vaag
karakter, zoowel neurasthenie als hysterie, dikwijls voortkomen
uit sexueele abstinentie. Zoo vindt Freud, die zorgvuldig de
angst-neurose, de obsessie van angst bestudeerd heeft, dat zij een
gevolg is van sexueele abstinentie, en dat zij inderdaad beschouwd
mag worden als een uiting van zulke abstinentie (Freud, Sammlung
Kleiner Schriften zur Neurosenlehre, 1906, blz. 76 et seq.).
Het geheele onderwerp van de sexueele abstinentie is in den breede
besproken door Nyström, uit Stockholm, in Das Geschlechtsleben
und seine Gesetze, hoofdst. III. Hij komt tot het besluit,
dat het wenschelijk is, dat zelfbeheersching beoefend wordt,
zoolang het mogelijk is, om de physieke gezondheid te versterken
en het verstand en het karakter te ontwikkelen. De leer van
voortdurende sexueele abstinentie beschouwt hij echter als geheel
valsch, behalve in het geval van een klein aantal godsdienstig en
philosofisch aangelegde personen. "Volkomen abstinentie gedurende
een lange periode van jaren kan niet verdragen worden zonder
ernstige gevolgen te hebben, zoowel voor het lichaam als voor den
geest.... Zeker, een jonge man moet zijn sexueele impulsen zoolang
mogelijk terugdringen en alles vermijden wat kunstmatig als een
sexueele prikkel kan werken. Als hij dat echter gedaan heeft,
en hij lijdt nog aan onbevredigde normale sexueele begeerten,
en als hij geen mogelijkheid ziet binnen afzienbaren tijd te
trouwen, dan mag niemand zeggen dat hij zonde doet, als hij met
wederzijdsch goedvinden in sexueele betrekkingen treedt met een
vriendin, of tijdelijke sexueele betrekkingen aanknoopt, mits hij
namelijk de fatsoenlijke voorzorg neemt geen kinderen te krijgen,
tenzij zijn deelgenoot nadrukkelijk wenscht moeder te worden, en
hij bereid is al de verantwoordelijkheden van het vaderschap op
zich te nemen". In een artikel van later datum ("Die Einwirkung
der Sexuellen Abstinenz auf die Gesundheit", Sexual-Probleme,
Juli, 1908) zet Nyström op krachtige wijze zijn gezichtspunten
uiteen. Hij noemt onder de gevolgen van sexueele abstinentie
orchitis, veel voorkomende onwillekeurige zaaduitstortingen,
impotentie, depressie, en een groote menigte nerveuze stoornissen
van een vager karakter, daar onder begrepen verminderd vermogen
om te werken, beperkte levensvreugde, slapeloosheid, nerveusheid,
en het vervuld zijn van sexueele verlangens en voorstellingen. Meer
speciaal noemt hij verhoogde sexueele prikkelbaarheid met erecties,
of zaaduitstortingen bij de minste aanleiding, zooals bij het
kijken naar een aantrekkelijke vrouw of in het maatschappelijk
verkeer met haar of in tegenwoordigheid van kunstwerken, die
naakte figuren voorstellen. Nyström heeft de gelegenheid gehad te
onderzoeken en te vermelden negentig gevallen van personen, die
deze en soortgelijke symptomen vertoond hebben, naar hij meent,
als het resultaat van sexueele abstinentie. Hij heeft sommige van
deze gevallen gepubliceerd (Zeitschrift für Sexualwissenschaft,
Oct., 1908), maar we kunnen er aan toevoegen, dat Rohleder ("Die
Abstinentia Sexualis", ib., Nov., 1908) deze gevallen gecritiseerd
heeft en twijfelt of eenige daarvan afdoende zijn. Rohleder meent,
dat de slechte gevolgen van sexueele abstinentie nooit duurzaam
zijn, en ook, dat geen anatomische pathologische toestanden (zooals
orchitis) er door veroorzaakt kunnen worden. Maar hij meent toch,
dat zelfs onvolledige en tijdelijke sexueele abstinentie tamelijk
ernstige gevolgen kan hebben, en vooral neurasthenische stoornissen
van verschillenden aard, zooals nerveuze prikkelbaarheid, angst,
depressie, ongeschiktheid om te werken; ook emissies bij dag,
vroegtijdige ejaculaties, en zelfs een staat, die grenst
aan satyriasis; en bij vrouwen hysterie, hystero-epilepsie,
en nymphomaniacale uitingen; al deze symptomen kunnen echter,
naar mijn meening, genezen, als de abstinentie ophoudt.
Vele voorstanders van sexueele abstinentie hebben gewicht gehecht
aan het feit, dat mannen van groote genialiteit schijnbaar
volkomen zelfbeheerscht zijn geweest, hun geheele leven door. Dit
is zeker waar (zie boven, p. 173). Maar dit feit kan nauwelijks
aangehaald worden als een argument ten gunste van de voordeelen van
sexueele abstinentie onder de gewone bevolking. J. F. Scott kiest
Jezus uit, Newton, Beethoven en Kant als "mannen van kracht en
scherpzinnigheid, die kuisch geleefd hebben als jonggezellen". We
kunnen echter niet zeggen, dat Dr. Scott gelukkig geweest is
in de vier figuren, die hij heeft uitgekozen uit de geheele
geschiedenis van het menschelijk genie als voorbeelden van
levenslange sexueele abstinentie. Wij weten van Jezus weinig met
absolute zekerheid, en zelfs als wij de diagnose verwerpen, die
Professor Binet-Sanglé (in zijn Folie de Jesus) opgebouwd heeft uit
een nauwkeurige studie van de Evangeliën, zijn er vele redenen,
waarom wij ons moeten onthouden van het leggen van den nadruk op
het voorbeeld van zijn sexueele abstinentie; Newton was, afgezien
van zijn machtig genie op een speciaal gebied, een onvolkomen en
onbevredigend mensch, die ten slotte in een toestand kwam, die
zeer veel had van krankzinnigheid; Beethoven was een door en door
ziekelijk en ziek man, die een intens ongelukkig leven leidde;
Kant was van het begin tot het einde een zwakke zieke. Het zou
waarschijnlijk moeilijk wezen een gezond, normaal man te vinden,
die vrijwillig het leven zou aannemen, dat geleid werd door een
van deze vier, zelfs tot den prijs van hun roem. J. A. Godfrey
(Science of Sex, pp. 139-147) bespreekt in den breede de kwestie,
of sexueele abstinentie gunstig is voor gewone intellectueele
kracht en hij beslist dat zij dat niet is, en dat we voor den
normaal ontwikkelden man geen gevolgtrekking kunnen maken uit
de nu en dan voorkomende sexueele abstinentie van mannen van
genie, die dikwijls abnormaal aangelegd en physiek beneden het
middelmatige zijn. Sexueele abstinentie is in het geheel niet
altijd een gunstig teeken, mogen we er aan toevoegen, zelfs
bij mannen, die intellectueel boven het middelmatige zijn. "Ik
heb niet den indruk gekregen", merkt Freud op (Sexual-Probleme,
Maart, 1908), "dat sexueele abstinentie nuttig is voor energieke
en onafhankelijke mannen van de daad of voor oorspronkelijke
denkers, voor moedige bevrijders en hervormers. Het sexueele
gedrag van een mensch is dikwijls het symbool van zijn geheele
wijze van reageeren in de wereld. Van den man, die energiek het
voorwerp van zijn sexueele begeerte neemt, mogen wij verwachten
dat hij een dergelijke onvermoeibare energie zal vertoonen bij
het streven naar andere doeleinden".
Velen, hoewel niet allen, die ontkennen, dat voortgezette sexueele
abstinentie onschadelijk is, nemen vrouwen in deze bewering op. Er
zijn inderdaad eenige autoriteiten die meenen, dat, hetzij eenig
bewust sexueel verlangen aanwezig is of niet, sexueele abstinentie
minder gemakkelijk verdragen wordt door vrouwen dan door mannen.
Cabanis zeide, in 1802, in zijn beroemd en vooruitstrevend werk,
Rapports du Physique et du Moral, dat vrouwen niet alleen sexueel
exces gemakkelijker verdragen dan mannen, maar dat zij onder
sexueele ontberingen meer lijden, en een zorgvuldig en ervaren
onderzoeker van den tegenwoordigen tijd, Löwenfeld, (Sexualleben
und Nervenleiden, 1899, p. 53), hoewel hij niet meent, dat normale
vrouwen sexueele abstinentie minder gemakkelijk verdragen dan
mannen, voegt er bij, dat dit niet het geval is met vrouwen van
een neuropatischen aanleg, die uit deze oorzaak veel meer lijden,
en die òf masturbeeren als sexueele omgang onmogelijk is, of in
hystero-neurasthenische toestanden vervallen. Busch zegt (Das
Geschlechtsleben des Weibes, 1839, deel I, blz. 69, 71), dat
niet alleen de werking van de sexueele functies in het organisme
bij vrouwen sterker is dan bij mannen, maar dat de slechte
gevolgen van sexueele abstinentie duidelijker merkbaar zijn bij
vrouwen. Sir Benjamin Brodie heeft lang geleden gezegd, dat de
nadeelen van zelfbeheersching voor vrouwen misschien grooter
zijn dan die van onmatigheid, en in den tegenwoordigen tijd
zegt Hammer (Die Gesundheitlichen Gefahren der Geschlechtlichen
Enthaltsamkeit, 1904) dat, om gezondheidsredenen sexueele
abstinentie aan vrouwen niet meer moet aangeraden worden dan aan
mannen. Nyström is van dezelfde meening, hoewel hij verklaart,
dat vrouwen sexueele abstinentie beter verdragen dan mannen;
hij heeft deze speciale kwestie in den breede besproken in een
hoofdstuk van zijn Geschlechtsleben und seine Gesetze. Hij is het
eens met den ervaren Erb, dat een groot aantal volkomen kuische
vrouwen van hoog karakter, die in het bezit zijn van uitmuntende
eigenschappen van geest en hart, min of meer ongesteld zijn door
sexueele abstinentie; dit is vooral dikwijls het geval met vrouwen,
die getrouwd zijn met impotente mannen, hoewel het meestal niet
vóór den leeftijd van dertig jaar is, dat, zooals Nyström opmerkt,
vrouwen zich van haar sexueele behoeften duidelijk bewust worden.
Een groot aantal vrouwen, die gezond, kuisch en ingetogen zijn,
gevoelen bij tijden zulk een machtig sexueel verlangen, dat zij
nauwelijks de verzoeking kunnen weerstaan de straat op te gaan en
den eersten den besten man, dien zij tegen komen, te vragen. Niet
weinige van zulke vrouwen, dikwijls van goeden huize, bieden
zich inderdaad aan aan mannen, die ze misschien maar weinig
kennen. Routh vermeldt zulke gevallen (British Gynaecological
Journal, Feb. 1887), en de meeste mannen hebben te eeniger
tijd dergelijke vrouwen ontmoet. Als een vrouw van hoog moreel
karakter en sterke hartstochten voor een zeer langen tijd aan
den voortdurenden druk van zulk sexueel verlangen onderworpen
wordt, vooral als dit samengaat met liefde voor een bepaald
persoon, dan kan er een reeks van slechte, physieke en moreele
gevolgen optreden. Vele beroemde medici hebben zulke gevallen
vermeld, die plotseling in volkomen herstel eindigden, zoodra de
hartstocht bevredigd werd. Lauvergne beschreef lang geleden een
dergelijk geval. Een tamelijk typisch geval van deze soort werd
in bijzonderheden medegedeeld door Brachet, (De l'Hypochondrie,
p. 69) en door Griesinger samengevat in zijn klassieke werk
over "Mental Pathology". Het betrof een gezonde gehuwde dame
van zes en twintig jaar, die drie kinderen had. Een kennis, die
haar bezocht, won haar liefde, maar zij bood ernstig weerstand
aan den verleidenden invloed en verborg den hevigen hartstocht,
dien hij in haar gewekt had. Verschillende ernstige, physieke en
geestelijke symptomen begonnen zich langzamerhand te vertoonen, en
er traden verschijnselen op, die op tering wezen. Een verblijf van
zes maanden in het zuiden van Frankrijk bracht geen verbetering
in den lichamelijken of geestelijken toestand. Toen ze thuis
kwam, werd ze nog erger. Daar ontmoette zij het voorwerp van haar
hartstocht weer, zij bezweek, verliet haar echtgenoot en kinderen,
en vluchtte met hem. Zes maanden later was zij onherkenbaar:
schoonheid, frischheid en gevuldheid hadden de plaats ingenomen
van dorheid en magerheid; terwijl de symptomen van tering en alle
andere bezwaren geheel verdwenen waren. Een eenigszins hierop
gelijkend geval wordt vermeld door Camill Lederer, uit Weenen
(Monatsschrift für Harnkrankheiten und Sexuelle Hygiene, 1906,
aflevering 3). Een weduwe begon eenige maanden na den dood van
haar echtgenoot te kuchen, met symptomen van longcatarrh, maar
geen bepaalde teekenen van longlijden. Behandeling en verandering
van klimaat bleken geheel onvoldoende een verbetering te weeg
te brengen. Twee jaren later trouwde ze weer, daar er geen
teekenen van ongesteldheid in de longen verschenen waren, hoewel
de symptomen voortduurden. Binnen zeer enkele weken waren alle
symptomen verdwenen en was zij volkomen frisch en gezond.
Talrijke beroemde gynaecologen hebben als hun overtuiging vermeld,
dat sexueele opwinding een geneesmiddel is voor verschillende
ongesteldheden in de sexueele organen van vrouwen, en dat
abstinentie een oorzaak is van zulke ongesteldheden. Matthews
Duncan zeide, dat sexueele opwinding het eenige geneesmiddel is
voor amenorrhoea; "het eenig menstruatie-bevorderend geneesmiddel,
dat ik ken", schreef hij (Medical Times, Feb. 2, 1884), "wordt
niet gevonden in de Pharmacopae: het is erotische opwinding. Er
is geen twijfel aan de waarde van erotische opwinding". Anstie
verwijst in zijn werk over Neuralgia, naar het weldadige gevolg
van sexueelen omgang op dysmenorrhoë, en hij maakt de opmerking,
dat de noodzakelijkheid van de volle natuurlijke uitoefening
van de sexueele functie blijkt uit de groote verbetering in
zulke gevallen na het huwelijk, en vooral na de geboorte van een
kind. (Wij moeten opmerken, dat niet alle autoriteiten dysmenorrhea
verbeterd vinden door het huwelijk; sommige meenen, dat de kwaal
er dikwijls door verergerd wordt; zie, b.v., Wythe Cook, American
Journal Obstetrics, Dec., 1893). De beroemde gynaecoloog Tilt
noemde al vroeger, met nadruk (On Uterine and Ovarian Inflammation,
1862, blz. 309), de slechte gevolgen van sexueele abstinentie,
doordat ze prikkeling en misschien eenigszins acute ontsteking
van de ovariën te voorschijn roepen, en hij merkt op, dat ze
vooral veel voorkomen bij jonge weduwen en bij prostituées, die
in verbeteringsgestichten geplaatst worden. Intens verlangen,
merkte hij op, veroorzaakt organische bewegingen, gelijkende
op de bewegingen, die noodig zijn voor de bevrediging van de
begeerte. Deze brandende verlangens, die alleen maar gedoofd
kunnen worden door hun wettige bevrediging, worden nog verder
verhoogd door den erotischen invloed van gedachten, boeken,
schilderijen, muziek, die dikwijls sexueel nog meer prikkelend
zijn dan vleeschelijke omgang met mannen, maar de opwinding,
die zoo te voorschijn geroepen wordt, wordt niet verlicht door
dien natuurlijken terugval, die op iedere levensaanzwelling
zou moeten volgen. Nadat hij gewezen heeft op de biologische
feiten, die de uitwerking aantoonen van psychische invloeden op de
ontwikkelingskracht van de vrouwelijke geslachtsorganen bij dieren,
gaat Tilt voort: "Ik mag hieruit gerust besluiten, dat dergelijke
prikkels op den geest van vrouwen een opwekkende uitwerking
kunnen hebben op de ovulatie organen. Ik weet herhaaldelijk van
menstruatie, die in den verlovingstijd onregelmatig, overvloedig
of abnormaal was bij vrouwen, bij wie niets dergelijks te voren was
voorgekomen; dit maakte dan de behandeling van chronische ovaritis
en van ontsteking van den uterus noodzakelijk". Bonnifield, van
Cincinnati (Medical Standard, Dec., 1896) meent, dat onbevredigde
sexueele begeerte een belangrijke oorzaak is van catarrhale
endometritis. Het is wel bekend, dat gezwellen van den uterus in
een zekere betrekking staan tot de organische sexueele activiteit,
en dat sexueele abstinentie, voornamelijk de lang voortgezette
ontbering van zwangerschap, een zeer belangrijke oorzaak is van
de kwaal. Dit wordt bevestigd door een analyse van A. E. Giles
(Lancet, Maart 2, 1907) van honderd vijftig gevallen. Zes en
vijftig van deze gevallen, meer dan een derde, waren ongetrouwde
vrouwen, hoewel ze bijna alle over de dertig jaar oud waren. Van
de vier en negentig getrouwde vrouwen, waren vier en dertig nooit
zwanger geweest; van haar, die zwanger geweest waren, waren zes
en dertig niet zwanger geweest in de laatste tien jaar. Zoo waren
acht en veertig percent òf nooit zwanger geweest, òf ze waren
ten minste de laatste tien jaar niet zwanger geweest. Het blijkt
dus duidelijk, dat verhindering van de sexueele functie, hetzij
die abstinentie van sexueelen omgang met zich brengt of niet, een
belangrijke oorzaak is van febroide uterusgezwellen. Balls-Headley,
uit Victoria, (Evolution of the Diseases of Women, 1894, en
"Etiology of Diseases of Female Genital Organs", Allbutt en
Playfair, System of Gynaecology), meent, dat onbevredigd sexueel
verlangen een factor is bij zeer vele ongesteldheden van de
sexueele organen bij vrouwen. "Mijn meeningen", schrijft hij in een
particulieren brief, "berusten op een zeer speciaal gynaecologische
praktijk gedurende twintig jaar, in welken tijd ik zeven duizend
diagnosen bizonder zorgvuldig heb opgemaakt. De normale vrouw
is sexueel goed gevormd en haar sexueele gevoelens eischen
bevrediging door het voortbrengen van het volgende geslacht,
maar onder de beperkende en vooral nu abnormale omstandigheden
van de beschaving ondergaan sommige vrouwen erfelijke atrophie,
en zijn de uterus en de sexueele gevoelens zwak; bij anderen van
gemiddelde goede locale ontwikkeling staat het gevoel onder druk;
bij weer anderen zijn de gevoelens zoowel als de organen sterk
en als normaal gebruik onthouden wordt, komen er verkeerde
gevolgen. Als wij deze vele verscheidenheden van aangeboren
ontwikkeling wat de verschillende toestanden van maagdelijkheid,
steriel of vruchtbaar huwelijk betreft, in gedachte houden, dan
dringt zich de wijze van ontstaan en de ontwikkeling der ziekte
aan den geest van den medicus op, en er is voor hem niet meer
aanleiding tot verwondering, dan er is voor den wiskunstenaar,
die de kegelsneden bestudeert, als hij de grondslagen ervan heeft
leeren kennen. Het vraagstuk is opgeworpen: Zijn een aantal niet
met elkander verband houdende vrouwenziekten uit de lucht komen
vallen, of zijn deze kwalen noodzakelijkerwijze een gevolg van
de omstandigheden eener onnatuurlijke levenswijze?" We kunnen
er aan toe voegen, dat Kisch (Sexual Life of Woman), die toch
tegen iedere overdreven waardeering van de gevolgen van sexueele
abstinentie protesteert, meent, dat ze bij vrouwen niet alleen
vele plaatselijke ongesteldheden, maar ook nerveuse stoornis,
hysterie, en zelfs krankzinnigheid ten gevolge kan hebben,
terwijl bij neurasthenische vrouwen "geregelde sexueele omgang
een actief weldadige uitwerking heeft, die dikwijls opvallend is".
Het is van belang op te merken, dat de slechte gevolgen van
sexueele abstinentie bij vrouwen, naar de meening van hen,
die op het belang er van den nadruk leggen, in het geheel niet
alleen te wijten zijn aan onbevredigde sexueele begeerte. Zij
kunnen aanwezig zijn, zelfs als de vrouw zelf niet het minste
bewustzijn heeft van sexueele behoeften. Dit werd veertig jaar
geleden duidelijk aangetoond door den scherpzinnigen Anstie
(op. cit.). Bij vrouwen vooral, merkt hij op, "schijnt een zekere
rustelooze overgroote werkzaamheid van geest, en misschien van het
lichaam ook, de uiting te zijn van den onbewusten wrok der natuur
over de verwaarloozing der sexueele functies". Zulke vrouwen,
voegt hij er bij, hebben zich vrij gehouden van masturbatie
"ten koste van een voortdurende en bijna woeste werkzaamheid
van geest en spieren". Anstie had opgemerkt, dat sommige van de
ergste gevallen van nervositeit en neurasthenie, die hij "spinale
prikkeling" noemde, dikwijls samen gaande met een gevoelige maag en
bloedarmoede, beter worden met het huwelijk. "Het kan niet ontkend
worden", gaat hij voort, "dat een zeer groot aantal van deze
gevallen bij ongetrouwde vrouwen (die verreweg het grootste getal
vormen van lijderessen aan ruggemergsprikkeling) voortkomen uit
deze bewuste of onbewuste prikkeling, die onderhouden wordt door
een onbevredigde sexueele behoefte. Het is zeker, dat zeer veel
jonge menschen (vooral vrouwen) geplaagd worden door de prikkeling
van de sexueele organen zonder ook maar de minste bewustheid te
hebben van sexueele begeerte, en dat zij het treurig schouwspel
opleveren van een mislukt leven zonder ooit de ware reden te
kennen van het ongeluk, dat hen ongeschikt maakt voor al de
actieve plichten van het leven. Het is een opmerkelijk feit, dat
er zelfs voorbeelden zijn kunnen van twee zusters, die dezelfde
soort van nerveuzen aanleg geërfd hebben, beiden geplaagd door de
verschijnselen van ruggemergsprikkeling en beiden waarschijnlijk
lijdende door teruggedrongen sexueele functies, maar waarvan de
eene rein van geest kan zijn en volkomen onbewust van de werkelijke
oorzaak van haar moeilijkheden, terwijl de andere een slachtoffer
is van bewuste en vruchtelooze sexueele prikkeling". In deze
zaak kan Anstie beschouwd worden als een voorlooper van Freud,
die met groote fijnheid en ontledingskracht de leer ontwikkeld
heeft van den overgang van teruggedrongen sexueel instinct bij
vrouwen in ziekelijke toestanden. Hij meent, dat de nervositeit
van tegenwoordig voor een groot gedeelte te wijten is aan de
nadeelige werking op het sexueele leven van dat terugdringen
van natuurlijke instincten, waarop onze beschaving opgebouwd is
(Misschien kan men de duidelijkste korte opsomming van de ideeën
van Freud over deze kwestie vinden in een zeer suggestief artikel,
"Die Kulturelle Sexualmoral und die Moderne Nervosität", in
Sexual-Probleme, Maart 1908, herdrukt in de tweede serie van
de Sammlung kleiner Schriften zur Neurosenlehre, 1909). Wij
bezitten de geschiktheid, zegt hij, onze sexueele activiteiten
te sublimeeren of te veranderen in andere activiteiten van
een psychisch daarmee verwant, maar niet-sexueel karakter. Dit
proces kan echter niet uitgevoerd worden in een onbegrensde mate,
evenmin als de verandering van warmte in mechanisch werk in onze
machines. Een zekere mate van directe sexueele bevrediging is
voor de meeste gestellen noodzakelijk en de verzaking van deze
individueel verschillende mate wordt gestraft met verschijnselen,
die wij wel als ziekelijk moeten beschouwen. Het proces van
het sublimeeren leidt, onder den invloed van de beschaving, tot
sexueele perversies en psycho-neuroses beide. Deze twee toestanden
staan nauw met elkaar in verband, wat blijkt uit de wijze, waarop
Freud het proces van hun ontwikkeling beschouwt; zij staan tot
elkaar als positief en negatief, en dan zijn sexueele perversies
de positieve pool en psycho-neurosen de negatieve. Het gebeurt
dikwijls, merkt hij op, dat een broeder sexueel pervers kan
zijn, terwijl zijn zuster met een zwakker sexueel temperament,
een zenuwlijderes is, wier symptomen een wijziging zijn van
de perversies van den broeder; terwijl in veel families de
mannen immoreel zijn en de vrouwen rein en verfijnd, maar zwaar
nerveus. Die vrouwen, die geen tekort aan sexueele impuls hebben,
lijden toch onder denzelfden druk van de beschaafde moraal,
die ze in neurotische toestanden drijft. Het is een zeer ernstige
onbillijkheid, merkt Freud op, dat de standaard der beschaving voor
het sexueel leven dezelfde is voor alle menschen, omdat, hoewel
sommigen hem, door hun gestel, gemakkelijk kunnen aannemen, hij
voor anderen de zwaarste psychische opofferingen in zich sluit. Het
ongetrouwde meisje, dat zwak van zenuwen geworden is, kunnen we
niet aanraden verlichting te zoeken in het huwelijk, want zij moet
sterk zijn om het huwelijk te "verdragen", terwijl wij een man
aanraden in geen geval te trouwen met een meisje, dat niet sterk
is. De getrouwde vrouw, die de teleurstellingen van het huwelijk
ondervonden heeft, vindt gewoonlijk geen weg ter verlichting,
dan door haar deugd op te geven. "Hoe strenger zij opgevoed is,
en hoe volkomener zij onderworpen is geweest aan de eischen van
de beschaving, des te meer vreest zij deze wijze van ontkomen,
en in dezen strijd tusschen haar wenschen en haar plichtgevoel
zoekt ook zij haar toevlucht--in de neurose. Niets beschermt haar
deugd zoo zeker als de ziekte". Als we den invloed van de enge
"beschaafde" opvatting van de sexueele moraal op vrouwen van een
nog ruimer standpunt beschouwen, heeft Freud opgemerkt, blijkt,
dat die niet beperkt is tot het voortbrengen van neurotische
toestanden; hij raakt de geheele intellectueele geschiktheid van
vrouwen. Haar opvoeding ontzegt haar iedere belangstelling voor
sexueele kwesties, hoewel zulke kwesties van het hoogste belang
voor haar zijn, want zij prent haar het oude vooroordeel in,
dat iedere nieuwsgierigheid in zulke zaken onvrouwelijk en een
bewijs van slechte neigingen is. Zoo worden zij afgeschrikt van het
denken, en het weten verliest zijn waarde. Het denkverbod strekt
zich automatisch en onvermijdelijk uit ver buiten de sexueele
sfeer. "Ik geloof niet", eindigt Freud, "dat er een tegenstelling
is tusschen intellectueel werk en sexueele werkzaamheid, zooals
door Möbius verondersteld werd. Ik ben van meening, dat het
ontwijfelbare feit van de intellectueele inferioriteit van zoo
vele vrouwen voortkomt uit de belemmering in het denken, die haar
opgelegd wordt met het doel haar sexualiteit te beteugelen".
Het is eerst in de laatste jaren, dat dit probleem erkend is
en in het oog gevat, hoewel eenzelvige denkers, zooals Hinton,
zich scherp bewust zijn geweest van het bestaan ervan; want
"treurende deugd", zooals Mrs. Ella Wheeler Wilcox het uitdrukt,
"schaamt zich meer voor haar smart dan ongelukkige zonde,
omdat de wereld tranen heeft voor deze en voor gene alleen
spot". "Het is een bijna cynische trek van onze eeuw", schreef
Hellpách eenige jaren geleden, "dat ze voortdurend het probleem
behandelt van prostitutie, van politie-contrôle, van den leeftijd,
waarop toestemming tot sexueelen omgang gegeven kan worden,
van de "blanke slavernij", en dat zij den moreelen strijd van
de vrouwelijke ziel voorbijgaat, zonder eenige poging om haar
brandende vragen te beantwoorden".
Aan den anderen kant zien we, dat medische schrijvers niet alleen
met veel moreel vuur beweren, dat sexueele omgang buiten het huwelijk
altijd en volkomen onnoodig is, maar bovendien voor de onschadelijkheid
en zelfs voor de voordeelen van sexueele abstinentie pleiten.
Ribbing, de Zweedsche professor, raadt, in zijn Hygiène Sexuelle
sexueele abstinentie buiten het huwelijk aan, en beweert, dat
ze onschadelijk is. Gilles de la Tourette, Féré, en Augagneur in
Frankrijk zijn het daarmee eens. In Duitschland zegt Fürbringer
(Senator and Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage,
deel I, p. 228), dat zelfbeheersching mogelijk is en noodig, hoewel
hij toegeeft, dat ze toch in buitengewone gevallen ernstige schade
kan doen. Eulenburg (Sexuale Neuropathie, p. 14), betwijfelt of wel
iemand, die overigens een verstandig leven leidde, ooit ziek werd,
of meer beslist neurasthenisch door sexueele abstinentie. Hegar
ontkent in zijn antwoord op de argumenten van Bebel in zijn
welbekend boek over vrouwen, dat sexueele abstinentie ooit
satiriasis of nymphomania kan veroorzaken. Näcke, die herhaaldelijk
het vraagstuk der sexueele abstinentie behandeld heeft (bv., Archiv
für Kriminal-Anthropologie, 1903, deel I en Sexual-Probleme,
Juni 1908), houdt staande, dat sexueele abstinentie, op zijn
ergst zeldzame en lichte ongunstige gevolgen kan hebben, en dat
ze niet meer kans heeft om krankzinnigheid te veroorzaken, zelfs
bij individuen die er aanleg voor hebben, dan de tegenovergestelde
uitersten van sexueele excessen en masturbatie. Hij voegt er bij,
dat voor zoover zijn eigen waarnemingen betreft, de patienten in
krankzinnigengestichten maar zelden lijden onder hun gedwongen
sexueele abstinentie.
Het is echter in Engeland, dat de deugden van sexueele abstinentie
het luidst en met den meesten nadruk verkondigd zijn, soms
inderdaad met een groot gebrek aan verstandige matiging. Acton zet,
in zijn Reproductive Organs het traditioneele Engelsche standpunt
uiteen, evenals Beale in zijn Morality and the Moral Question. Een
meer bekend vertegenwoordiger van hetzelfde gezichtspunt was Paget,
die in zijn verhandeling over "Sexueele Hypochondriasis", sexueelen
omgang verbond met "diefstal of leugen". Ook Sir William Gowers
(Syphilis and the Nervous System, 1892, p. 126) verkondigt de
voordeelen van "ongeschonden kuischheid", meer speciaal als een
methode om syphilis te vermijden. Hij is echter niet zeer hoopvol,
zelfs wat zijn eigen geneesmiddel aangaat, want hij voegt er bij:
"Wij kunnen maar weinig grond vinden voor de hoop, dat de kwaal
zoodoende belangrijk zal verminderen". Hij zou echter aan het
individu toch kuischheid willen prediken en doet het met al den
ijver van een middeleeuwsch monnik. "Met al de kracht, die kennis,
welke ik bezit en met de autoriteit, die ik heb, geven kan,
verklaar ik, dat geen mensch nog ooit in het minst er slechter
aan toe was, omdat hij zelfbeheersching in praktijk bracht,
of er beter aan toe, omdat hij dat niet deed. Van de laatsten
zijn allen moreel slechter geworden; een duidelijke meerderheid
is er ook physiek op achteruit gegaan; en voor geen klein deel
is het resultaat, en dat zal het altijd zijn, volkomen physieke
schipbreuk op een van de vele scherpe, puntige rotsen, die op den
levensweg voorkomen en die niemand kan vermijden". In Amerika geldt
hetzelfde standpunt in ruimen kring en Dr. J. F. Scott betoogt in
zijn Sexual-Instinct (tweede druk, 1908, hoofdst. III) met veel
kracht en met een grooten woordenvloed ten gunste van sexueele
abstinentie. Hij wil zelfs niet toegeven dat de zaak van twee
kanten beschouwd kan worden, hoewel als hij hierin gelijk had, de
lengte en de kracht van zijn betoog onnoodig zouden zijn geweest.
Onder medische autoriteiten, die de kwestie van sexueele
abstinentie in den breede hebben behandeld is het inderdaad
gewoonlijk niet mogelijk zulke onvermengd gunstige meeningen
te vinden, als die ik juist aangehaald heb. Er kan echter
geen twijfel aan zijn, dat een groot deel der medici, op den
voorgrond tredende en uitstekende autoriteiten niet uitgesloten,
als zij nu en dan tegenover de kwestie komen te staan of sexueele
abstinentie onschadelijk is, meteen den weg zullen inslaan,
die klaarblijkelijk den minsten tegenstand geeft en antwoorden:
Ja. Slechts in een paar gevallen zullen zij eenige beperking
maken bij dit bevestigend antwoord. Deze neiging wordt zeer
goed geïllustreerd door een onderzoek gedaan door Dr. Ludwig
Jacobsohn, van St. Petersburg ("Die Sexuelle Enthaltsamkeit im
Lichte der Medizin", St. Petersburger Medizinische Wochenschrift,
Maart den 17den 1907). Hij schreef aan meer dan twee honderd
bekende Russische en Duitsche professoren in de physiologie,
neurologie, psychiatrie, om hun te vragen of zij sexueele
abstinentie als onschadelijk beschouwden. De meerderheid
gaf geen antwoord; elf Russische en acht en twintig Duitsche
professoren antwoordden, maar vier van hen zeiden alleen maar,
dat "zij geen persoonlijke ondervinding" hadden etc.; er bleven
er dus vijf en dertig over. Van deze was P. E. Pflüger, uit Bonn,
sceptisch gestemd jegens het voordeel van eenige propaganda voor
de abstinentie: "als al de autoriteiten van de wereld verklaarden,
dat abstinentie onschadelijk was, dan zou dat geen invloed op de
jeugd hebben. Er zijn hier krachten in het spel, die door alle
hinderpalen heenbreken". De onschadelijkheid van abstinentie werd
toegegeven door Kräpelin, Cramer, Gärtner, Tuczek, Schottelius,
Gaffky, Finkler, Selenew, Lassar, Seifert, Gruber; de laatste
voegde er echter aan toe, dat hij zeer weinig abstinente jonge
mannen kende, en dat hijzelf abstinentie alleen goed vond vóór
de volle ontwikkeling, en omgang zelfs vóór dien tijd niet
gevaarlijk achtte, als hij matig was. Brieger kende gevallen van
abstinentie zonder schadelijke gevolgen, maar hij zelf meende,
dat geen algemeene opinie kon gegeven worden. Jürgensen zeide,
dat abstinentie op zichzelf niet schadelijk is, maar dat in sommige
gevallen omgang een meer weldadigen invloed heeft. Hoffmann zeide,
dat abstinentie onschadelijk is, en hij voegde er bij dat, hoewel
ze zeker tot onanie leidt, deze beter is dan gonorrhea, om van
syphilis te zwijgen, en gemakkelijk binnen de perken gehouden
kan worden. Strümpell antwoordde, dat sexueele abstinentie
onschadelijk is, en indirect nuttig, omdat ze beschermt tegen
het gevaar van venerische ziekten, maar dat sexueele omgang, daar
deze het normale is, altijd meer wenschelijk blijft. Hensen zeide,
dat abstinentie niet onvoorwaardelijk aanbevolen kan worden. Rumpff
antwoordde, dat abstinentie voor de meeste menschen niet schadelijk
was vóór den leeftijd van dertig, maar dat er na dien leeftijd
een neiging was tot geestelijke obsessies, en dat het huwelijk
op vijf en twintigjarigen leeftijd gesloten moest worden. Ook
Leyden meende dat abstinentie onschadelijk is tot omstreeks
dertig jaar, waarna ze leidt tot psychische onregelmatigheden,
vooral toestanden van angst en een zekere onnatuurlijkheid. Hein
antwoordde, dat abstinentie onschadelijk is voor de meesten,
maar dat ze bij sommigen leidt tot hysterische uitingen en
indirect tot slechte gevolgen door masturbatie, terwijl voor
den normalen mensch abstinentie niet direct weldadig kan zijn,
omdat omgang natuurlijk is. Grützner meende, dat abstinentie bijna
nooit schadelijk is. Neisser geloofde, dat een langer volgehouden
abstinentie dan nu de gewoonte is, weldadig zou zijn, maar gaf
toe, dat door onze beschaving de sexueele prikkels ontstaan;
hij voegde er bij, dat hij natuurlijk voor gezonde menschen
geen bezwaar zag in omgang. Hoche antwoordde, dat abstinentie
volkomen onschadelijk is bij normale personen, maar niet altijd bij
abnormale personen. Weber meende, dat ze een nuttigen invloed had
door het vermeerderen van de kracht van den wil. Tarnowsky zeide,
dat abstinentie goed is op jeugdigen mannelijken leeftijd, maar
dat ze waarschijnlijk ongunstig zal werken na de vijf en twintig
jaar. Orlow antwoordde, dat ze vooral in de jeugd onschadelijk
is en dat een man even kuisch moest zijn als zijn vrouw. Popow
zeide, dat abstinentie op iederen leeftijd goed is en de energie
bewaart. Blumenau zeide, dat op den volwassen leeftijd abstinentie
noch normaal noch weldadig is, en gewoonlijk tot masturbatie leidt,
hoewel niet altijd tot nerveuze ongesteldheden; maar dat zelfs
masturbatie beter is dan syphilis. Tschririew zag tot dertig
jaar geen nadeel in abstinentie, en meende, dat sexueele zwakte
waarschijnlijk eer volgen zou op exces dan op abstinentie. Tschish
beschouwde abstinentie als weldadig eer dan als schadelijk tot
vijf en twintig of acht en twintig, maar meende, dat het na
dien leeftijd moeilijk was te beslissen; dan schijnen nerveuze
veranderingen te worden veroorzaakt. Darkschewitz beschouwde
abstinentie als onschadelijk tot vijf en twintig jaar. Fränkel
zeide, dat ze onschadelijk is voor de meesten, maar dat voor een
groot aantal menschen omgang noodzakelijk is. Erb's opinie wordt
door Jacobsohn beschouwd als alleen te staan; hij plaatste den
leeftijd, waarop abstinentie onschadelijk is op twintig jaar; na
dien leeftijd beschouwde hij ze als nadeelig voor de gezondheid, en
hij meent, dat ze een ernstige belemmering is voor het werk en voor
het karakter, terwijl ze bij neurotische personen tot nog ernstiger
gevolgen leidt. Jacobsohn komt tot de conclusie, dat de algemeene
opinie van hen, die de vraag beantwoorden, aldus kan uitgedrukt
worden: "De jeugd behoort abstinent te zijn. Abstinentie kan hen
op geenerlei wijze benadeelen; integendeel, ze is weldadig. Als
onze jonge menschen abstinent willen blijven en buitenechtelijk
verkeer vermijden, dan zullen zij een hoog liefde-ideaal behouden
en zich bewaren voor venerische ziekten".
De onschadelijkheid van sexueele abstinentie werd in Amerika
evenzeer verkondigd in een besluit, dat de American Medical
Association in 1906 nam. De conclusie, die aldus formeel
aangenomen werd, was in deze woorden vervat: "Zelfbeheersching
is niet onbestaanbaar met gezondheid". We moeten ons algemeen
voor oogen stellen, dat abstracte voorstellen van deze soort
geen waarde hebben, omdat zij niets beteekenen. Ieder persoon,
die in het bezit van zijn verstand is, moet, als hij gesteld
wordt voor den eisch stoutweg de verklaring "Zelfbeheersching is
niet onbestaanbaar met gezondheid" goed te keuren of te verwerpen,
die goedkeuren. Hij zou vast kunnen gelooven, dat zelfbeheersching
onbestaanbaar is met de gezondheid van een ieder, en toch, als hij
eerlijk was in het gebruik van de taal, zou het onmogelijk voor hem
zijn om de vage en abstracte propositie, dat "Zelfbeheersching niet
onbestaanbaar is met gezondheid" te verwerpen. Zulke verklaringen
zijn daarom niet alleen waardeloos, maar werkelijk misleidend.
Het is duidelijk, dat volstrekt onbeperkte opinies ten gunste van
sexueele abstinentie niet berusten op medische, maar op wat de
schrijvers beschouwen als te zijn moreele overwegingen. Bovendien
is het, daar dezelfde schrijvers zich gewoonlijk even nadrukkelijk
uitspreken over de voordeelen van sexueelen omgang in het
huwelijk, duidelijk, dat zij zich schuldig gemaakt hebben aan een
tegenstrijdigheid. Dezelfde daad kan niet, zooals Näcke terecht
zegt, goed of slecht worden, al naar dat ze gedaan wordt in het
huwelijk of daar buiten. Er is geen tooverkracht in een paar
woorden, uitgesproken door een priester of een ambtenaar van den
burgerlijken stand.
Remondino (loc. cit.) merkt op, dat de autoriteiten, die
zich schuldig hebben gemaakt aan verklaringen ten gunste van
de onvoorwaardelijke voordeelen van sexueele abstinentie,
dikwijls in drie dwalingen vervallen: (1) zij generaliseeren
te veel; in plaats van ieder geval afzonderlijk te beschouwen,
naar zijn aard; (2) zij stellen zich niet duidelijk voor oogen,
dat de menschelijke natuur door zeer heterogene en samengestelde
motieven beïnvloed wordt en dat men niet kan aannemen, dat ze
alleen afhankelijk is van motieven van abstracte moraal; (3)
zij negeeren het groote leger van onanisten en sexueel perversen,
die niet klagen over sexueel lijden, maar die door het volhouden
van een strenge sexueele abstinentie, voor zoover het normale
verhoudingen betreft, langzamerhand in stroomen geraken, waaruit
geen terugkeer mogelijk is.
Tusschen hen, die onvoorwaardelijk de onschadelijkheid van sexueele
abstinentie toegeven of verwerpen, vinden wij een gematigde partij
van autoriteiten, wier opinies meer voorwaardelijk zijn. Velen van
hen, die deze meer voorzichtige positie innemen, zijn mannen, wier
opinie groot gewicht in de schaal legt, en het is waarschijnlijk,
dat eerder bij hen, dan bij de meer uiterste voorstanders aan beide
zijden, de verstandigste zienswijze voorkomt. Een zoo samengestelde
kwestie als deze kan niet goed alleen in het abstracte onderzocht
worden en kan evenmin door kortweg een ontkenning of bevestiging
opgelost worden. Het is een zaak, waarin ieder geval zijn eigen
speciale en persoonlijke overweging vereischt.
"Waar zulk een duidelijke tegenstelling tusschen de meeningen
is, daar ligt de waarheid niet uitsluitend aan één kant", merkt
Löwenfeld op (Sexualleben und Nervenleiden, tweede uitgave,
p. 40). Sexueele abstinentie is zeker dikwijls nadeelig voor
neuropatische personen. (Dit wordt tegenwoordig door een groot
aantal autoriteiten aangenomen, en werd misschien het eerst
beslist geconstateerd door Krafft-Ebing, "Ueber Neurosen durch
Abstinenz", Jahrbuch für Psychiatrie 1889, p. 1). Löwenfeld
vindt geen speciale neiging tot neurasthenie onder de Katholieke
geestelijkheid, en als ze voorkomt, is er geen reden een sexueele
oorzaak aan te nemen. "Bij gezonde en niet erfelijk neuropatische
menschen is volkomen abstinentie mogelijk zonder nadeel voor
het zenuwstelsel". Schadelijke gevolgen, gaat hij voort, komen,
als zij zich voordoen, zelden voor tusschen de vier en twintig
en zes en dertig jaar, en zelfs dan zijn ze gewoonlijk niet
ernstig genoeg om aanleiding te geven tot een bezoek aan den
dokter, daar ze voornamelijk bestaan in het veelvuldig voorkomen
van zaaduitstortingen, pijn in de ballen of in het rectum,
overgevoeligheid in tegenwoordigheid van vrouwen of het zich
verdiepen in sexueele denkbeelden. Als zich echter omstandigheden
voordoen, die speciaal de sexueele emoties prikkelen, dan kan
neurasthenie veroorzaakt worden. Löwenfeld is het eens met Freud en
Gattel, dat de angstneurose meermalen voorkomt bij de abstinenten,
en dat zorgvuldig onderzoek aantoont, dat de abstinentie een
factor is, die ze te voorschijn roept in beide seksen. Het is
een gewoon verschijnsel bij jonge vrouwen, die getrouwd zijn
met veel oudere mannen, en komt dikwijls voor in de eerste jaren
van het huwelijk. Onder speciale omstandigheden kan abstinentie
dus schadelijk zijn, maar over het geheel zijn de moeilijkheden,
die voortkomen uit deze abstinentie niet ernstig; zij veroorzaken
alleen bij uitzondering werkelijke stoornissen in de nerveuze en
psychische sferen. Ook Moll neemt een dergelijk gematigd standpunt
in. Hij beschouwt sexueele abstinentie vóor het huwelijk als het
ideaal, maar hij wijst er op, dat wij alle doctrinaire uitersten
bij het prediken van sexueele abstinentie moeten vermijden,
omdat zulke prediking slechts leiden zal tot huichelarij. Omgang
met prostituées en de neiging om van vrouw te veranderen als
van een kleedingstuk, voeren tot verlies van gevoeligheid
voor het geestelijke en persoonlijke element in de vrouw,
terwijl de gevaren van sexueele abstinentie niet meer overdreven
moeten worden dan de gevaren van sexueelen omgang (Moll, Libido
Sexualis 1898, deel i p. 848; id., Konträre Sexualempfindung,
1899, p. 588). Ook Bloch (in een hoofdstuk over de kwestie van
sexueele abstinentie in zijn Sexualleben unserer Zeit, 1908)
neemt een dergelijk standpunt in. Hij raadt aan onthouding in de
jeugd en tijdelijke onthouding op den volwassen leeftijd, omdat
zulke abstinentie waarde heeft niet alleen voor het behouden
en wijzigen van de energie, maar ook om den nadruk te leggen
op het feit, dat het leven andere dingen heeft om na te streven
dan alleen sexueele. Redlich (Medizinische Klinik, 1908, No. 7)
neemt in een nauwkeurige studie over de medische gezichtspunten
van de kwestie, een gemiddeld standpunt in, wat de betrekkelijke
voor- en nadeelen van sexueele abstinentie betreft. "Wij zouden
willen zeggen, dat sexueele abstinentie niet een toestand is,
die onder alle omstandigheden en tot iederen prijs moet vermeden
worden, hoewel het waar is, dat voor de meerderheid van de gezonde
volwassen personen geregeld sexueel verkeer goed is en soms zelfs
moet aangeraden worden".
We kunnen er bijvoegen, dat van het standpunt van Christelijke
godsdienstige moraal deze zelfde houding tusschen de uitersten van
beide partijen, die de voordeelen van sexueele abstinentie erkent,
maar er niet op staat, dat zij tot iederen prijs moeten verkregen
worden, ook vertegenwoordigers heeft gevonden. Zoo behandelt in
Engeland een Anglikaansch geestelijke, de Reverend H. Northcote
(Christianity and Sex Problems, blz. 58, 60) gematigd en op
sympathieke wijze de moeilijkheden van sexueele abstinentie; hij
is er in het geheel niet van overtuigd, dat zulke abstinentie
altijd een onvermengd voordeel is; terwijl in Duitschland een
Katholiek priester, Karl Jentsch (Sexualethik, Sexual Justiz,
Sexualpolizei, 1900) zich er toe zet, de sterke en onvermengde
beweringen van Ribbing ten gunste van de sexueele abstinentie
te weerleggen. Jentsch drukt zijn opinie aldus uit: "De houding
van vaders, van de publieke opinie, van den Staat en van de Kerk
tegenover den jongen man in deze zaak moest zijn: Tracht u te
onthouden tot het huwelijk. Velen slagen hierin. Als gij slaagt,
is het goed. Maar als ge niet kunt slagen, is het onnoodig uzelf
verwijten te doen en u te beschouwen als een schurk of als een
verloren zondaar. Als gij u maar niet overgeeft aan enkel genot
of losbandigheid, maar tevreden zijt met wat noodig is om uw
gemoedsrust, zelfbeheersching, en opgewekte geschiktheid tot
werken te herstellen, en mits gij vooral de voorzorgen in acht
neemt, die dokters of ervaren vrienden u op het hart drukken".
Als wij zoo de drie stroomen van meeningen van deskundigen over
deze kwestie van sexueele abstinentie analyseeren en nauwkeurig
onderzoeken--de opinies van hen, die er gunstig jegens gestemd
zijn, van hen, die er tegen zijn, en van hen die den middenweg
kiezen--dan kunnen we nauwelijks nalaten tot de conclusie te komen,
dat de geheele discussie al zeer onbevredigend is. De toestand van
"sexueele abstinentie" is een volkomen vage en onbepaalde toestand. Het
onbepaalde karakter, het zinlooze zelfs van de uitdrukking "sexueele
abstinentie" blijkt uit de veelvuldigheid waarmee zij, die er over
redeneeren, aannemen dat ze kan, misschien zal, of zelfs moet omvatten
masturbatie. Dat feit op zichzelf berooft ze voor een groot deel van
haar waarde als moraal en ook als abstinentie. Op dit punt komen we
inderdaad tot de meest fundamenteele critiek, die op het begrip van
"sexueele abstinentie" toepasselijk is. Rohleder, een ervaren medicus
en een erkend autoriteit in kwesties van sexueele pathologie, heeft
de gangbare denkbeelden over "sexueele abstinentie" aan een scherpe
critiek onderworpen in een tamelijk uitgebreid en belangrijk artikel
[93]. Hij ontkent, dat er strikte abstinentie bestaat. "Sexueele
abstinentie", zegt hij, in de strikte beteekenis van het woord, moet
abstinentie in zich sluiten niet alleen van sexueelen omgang, maar ook
van auto-erotische uitingen, van masturbatie, van homosexueele daden,
van alle sexueel perverse handelingen. Ze moet verder omvatten een
voortdurende abstinentie van toegeven aan erotische voorstellingen
en wellustige droomerijen. Als het echter mogelijk is zoo het
geheele psychische veld te maken tot een tabula rasa, voor zoover
de sexueele werkzaamheid betreft--en als ze dat niet voortdurend en
onafgebroken is, dan is er geen strikte sexueele abstinentie--dan,
zegt Rohleder, moeten wij overwegen of we niet te doen hebben met
een geval van sexueele ongevoeligheid, anaphrodisia sexualis. Dat is
een kwestie die maar zelden zoo al ooit in het oog gevat wordt door
hen, die sexueele abstinentie bespreken. Het is echter een uiterst
gepaste kwestie, zooals Rohleder met nadruk zegt, want, als er
sexueele ongevoeligheid bestaat, dan vervalt de kwestie van sexueele
abstinentie, daar wij ons alleen kunnen "onthouden" van handelingen,
die in onze macht zijn. Volkomen sexueele ongevoeligheid is echter
een zoo zeldzame toestand, dat ze in de praktijk buiten beschouwing
kan blijven, en daar de sexueele impuls, als zij bestaat, door een
physiologische noodzakelijkheid soms op een of andere wijze werkzaam
moet worden--zelfs als het, volgens het standpunt van Freud alleen maar
is door verandering in een of anderen neurotischen toestand--komen
wij tot de conclusie, dat "sexueele abstinentie" strikt onmogelijk
is. Rohleder heeft een paar gevallen gehad, waarbij het scheen
dat hij met geen mogelijkheid kon ontkomen aan de conclusie, dat
sexueele abstinentie bestond, maar bij deze alle vond hij later
dat hij zich vergist had, meestal ten gevolge van de gewoonte van
masturbatie bij den patient, waarvan hij meent, dat ze zeer veel
voorkomt en zeer dikwijls vergezeld gaat van een hardnekkige poging
om den medicus over het bestaan ervan te misleiden. De eenige soort
van "sexueele abstinentie", die bestaat, is een gedeeltelijke en
tijdelijke abstinentie. In plaats van, zooals sommigen, te zeggen:
"Voortdurende abstinentie is onnatuurlijk en kan niet bestaan zonder
lichamelijk en geestelijk nadeel", moesten we volgens Rohleder zeggen:
"Voortdurende abstinentie is onnatuurlijk en heeft nooit bestaan".
Als we deze chaotische massa van opinies beschouwen, moeten wij wel
gevoelen dat de geheele discussie om een zuiver negatief denkbeeld
draait, en dat fundamenteele feit is verantwoordelijk voor wat op
het eerste gezicht verbluffend tegenstrijdige verklaringen schenen te
zijn. Als wij dat, wat algemeen beschouwd wordt als het godsdienstige
en moreele standpunt van de zaak, zouden moeten uitschakelen, een
standpunt, laten we dat niet vergeten, dat geen betrekking heeft op
de essentieele natuurlijke feiten van de kwestie--dan moeten we wel
opmerken, dat deze groot schijnende verschillen in overtuiging binnen
zeer nauwe en beuzelachtige grenzen zouden worden teruggebracht.
Wij kunnen de impuls van reproductie niet gelijk stellen met de
voedingsimpuls. Er zijn zeer belangrijke verschillen tusschen de
twee, meer speciaal het fundamenteele verschil, dat, terwijl de
bevrediging van de eene impuls absoluut noodzakelijk is voor het
leven van het individu en van het ras beide, de bevrediging van
de andere alleen absoluut noodzakelijk is voor het leven van het
ras. Maar als we deze kwestie terug voeren tot een van "sexueele
abstinentie", dan plaatsen we ze klaarblijkelijk op dezelfde basis
als die van abstinentie van voedsel, dat is te zeggen juist aan
den tegenovergestelden pool dan waarop we ze plaatsen, als we
ze (evenals in het voorafgaande hoofdstuk) beschouwen van het
standpunt van ascetisme en kuischheid. Zoo komt het, dat er op
deze negatieve basis werkelijk een belangwekkende analogie bestaat
tusschen onthouding van voedsel, hoewel die noodzakelijkerwijze
alleen maar onvolkomen en voor korten tijd kan worden gehandhaafd,
en sexueele abstinentie, die langer en meer volkomen volgehouden
wordt. Een patient van Janet schijnt deze overeenkomst duidelijk
aan te toonen. Nadia, die Janet vijf jaar lang kon bestudeeren,
was een jonge vrouw van zeven en twintig, gezond en intelligent,
en niet lijdende aan hysterie of anorexia, want zij had een normalen
eetlust. Maar ze had een manie; zij wenschte mager te zijn en om dit
doel te bereiken verminderde zij haar maaltijden tot op een minimum,
alleen wat soep en een paar eieren. Zij leed zeer onder de abstinentie,
die zij zich zelf zoo oplegde, en was altijd hongerig, hoewel soms
haar honger verborgen werd door de onvermijdelijke maagbezwaren, door
een zoo lang volharden in dit régime veroorzaakt. Soms was ze wel zoo
hongerig geweest, dat ze begeerig alles verslonden had wat ze machtig
kon worden, en herhaaldelijk kon zij de verleiding niet weerstaan in
het geheim een paar biscuits te eten. Zulke daden veroorzaakten haar
een verschrikkelijk berouw, maar toch deed zij ze weer. Zij besefte de
groote krachtsinspanning, die van haar door deze levenswijze geëischt
werd, en beschouwde zichzelf werkelijk als een heldin, omdat ze zoo
lang weerstand bood. "Soms", vertelde zij aan Janet, "bracht ik uren
door met denken aan voedsel, zoo hongerig was ik. Ik slikte mijn
speeksel in, ik beet op mijn zakdoek, ik rolde mij over den grond,
zoo verlangde ik naar eten. Ik zocht boeken op met beschrijvingen van
maaltijden en feesten, ik trachtte mijn honger te bedaren, door mij
te verbeelden dat ook ik al die goede dingen genoot. Ik was werkelijk
uitgehongerd, en behalve een paar zwakheden met biscuits, weet ik dat
ik veel moed getoond heb". [94] Het denkbeeld, dat Nadia bewoog mager
te willen wezen, komt overeen met het denkbeeld van den abstinenten
mensch, dat hij "moreel" wil leven, en verschilt er alleen van doordat
het het voordeel heeft van eenigszins meer positief en persoonlijk
te zijn, want het denkbeeld van den persoon, die sexueel toegeven
wil vermijden, omdat het "niet goed" is, is dikwijls niet alleen
negatief, maar onpersoonlijk en opgelegd door zijn maatschappelijke en
godsdienstige omgeving. Nadia's nu en dan voorkomende uitbarstingen van
roekelooze begeerigheid komen overeen met de plotselinge impulsen om
zijn toevlucht te nemen tot de prostitutie, en haar geheime zwakheden
met de biscuits, gevolgd door scherp berouw, tot terugvallen in de
gewoonte van masturbatie. Haar buien van strijd en van rollen op den
grond zijn precies gelijk aan de uitbarstingen van nutteloos begeeren,
die nu en dan voorkomen bij jonge abstinente mannen en vrouwen, als ze
gezond en sterk zijn. Het in gedachten vervuld zijn met maaltijden en
met literaire beschrijvingen van maaltijden is duidelijk analoog met
het bezig zijn van den abstinenten mensch met wellustige gedachten en
erotische boeken. Ten slotte komt de overtuiging van Nadia, dat zij
een heldin is, geheel overeen met de houding van zelfgenoegzaamheid,
die de sexueel abstinenten zoo dikwijls kenmerkt.
Als wij de diepe en suggestieve studie van Freud over het probleem
van sexueele abstinentie met betrekking tot de "beschaafde" sexueele
moraal raadplegen, dan vinden we, dat, hoewel hij geen melding maakt
van de analogie met het onthouden van voedsel, zijn woorden voor
het grootste gedeelte gelijkelijk toepasselijk zouden zijn op beide
gevallen. "De taak, een zoo machtig instinct als de sexueele impuls
ten onder te brengen, anders dan door bevrediging", schrijft hij, "is
er een, die de geheele kracht van een mensch verbruikt. Onderwerping
door sublimeeren, door de sexueele krachten op hoogere paden van
beschaving te leiden, kan misschien aan een minderheid gelukken, en
zelfs aan deze alleen maar voor een tijd, het minst gemakkelijk in
de jaren van vurige jeugdenergie. De meerderheid wordt neurotisch
of komt op andere wijze in moeilijkheden. De ondervinding leert,
dat het meerendeel van de "beschaafde" menschen door hun gestel niet
opgewassen zijn tegen de taak der abstinentie. Wij zeggen wel, dat de
strijd met dezen machtigen aandrang, en de nadruk die deze strijd legt
op de ethische en æsthetische krachten in de ziel, het zieleleven,
het karakter "staalt", en voor eenige gunstig aangelegde naturen is
dit waar; we moeten ook erkennen, dat het verschil in individueel
karakter, dat zoo uitgesproken is in onzen tijd, alleen mogelijk
wordt door sexueele beperkingen. Maar in verreweg de meeste gevallen
verbruikt de strijd met de zinnelijkheid al de beschikbare kracht
van het karakter, en dit juist op den tijd, dat de jonge man al zijn
kracht noodig heeft om zich een plaats in de wereld te veroveren" [95].
Als wij het probleem op deze negatieve basis van abstinentie geplaatst
hebben, dan is het moeilijk in te zien hoe we de juistheid van Freud's
conclusies kunnen betwisten. Zij gelden evenzeer voor onthouding
van voedsel als voor onthouding van sexueele liefde. Als wij het
probleem op een meer positieve basis plaatsen, en als we in staat zijn
de meer actieve en vruchtbare motieven van ascetisme en kuischheid
op te roepen, dan is deze ongelukkige strijd tegen een natuurlijken
aandrang veroordeeld. Als kuischheid een ideaal is van het harmonieuze
spel van al de organische impulsen van ziel en lichaam, als ascetisme
eigenlijk is het athletisch streven naar een waardig doel, dat, voor
een tijd, een onverschilligheid veroorzaakt voor het bevredigen van
de sexueele impulsen, dan staan wij op gezonden en natuurlijken grond
en wordt er geen energie verspild in een vruchteloos streven naar een
negatief doel, hetzij dit kunstmatig van buiten af opgelegd is, zooals
gewoonlijk, of dat het vrijwillig gekozen is door het individu zelf.
Want er is in werkelijkheid geen volkomen analogie tusschen sexueel
verlangen en honger, tusschen abstinentie van sexueele verhoudingen
en abstinentie van voedsel. Als we ze beide op de basis plaatsen van
abstinentie, dan plaatsen we ze op een basis, die past voor de impuls
voor sexueele liefde. Wij kunnen geen genoegen verschaffen en geen
dienst bewijzen aan ons voedsel, als wij het eten. Maar de helft van
sexueele liefde, misschien de meest belangrijke en veredelende helft,
ligt in wat wij geven en niet in wat wij nemen. Als we deze kwestie
terugbrengen tot het lage niveau van abstinentie, dan leggen we het
zwaartepunt ervan niet alleen in een negatieve ontkenning, maar we
maken er een kwestie van, die alleen ons zelf raakt. In plaats van te
vragen: Hoe kan ik vreugde en kracht geven aan iemand anders? vragen
we alleen: Hoe kan ik louter mijn deugd bewaren?
Daarom is het, dat, van welk gezichtspunt we de kwestie ook
beschouwen,--hetzij met betrekking tot de in het oog springende
tegenspraak, welke er is tusschen de autoriteiten, die deze kwestie
besproken hebben, of van het door elkaar halen hier van moreele
en physiologische overwegingen, of van het enkel negatieve en
onnatuurlijke karakter van de "deugd", die zoo ingesteld wordt, of
in het mislukken, dat er in opgesloten ligt, van alle pogingen om de
veredelende, altruïstische en wederkeerige zijde van sexueele liefde te
vatten,--van welk standpunt wij het probleem van "sexueele abstinentie"
ook naderen, we moeten overeenkomen dit alleen te doen onder protest.
Als wij dan besluiten het onderwerp nader te onderzoeken, en tot
de overtuiging gekomen zijn--aan welke wij, met het oog op al het
bewijsmateriaal nauwelijks ontkomen kunnen--dat, terwijl sexueele
abstinentie, in zoover ze als mogelijk erkend kan worden, niet
onbestaanbaar is met gezondheid, er toch vele volwassenen zijn,
voor wie ze schadelijk is, en een nog veel grooter aantal voor
wie ze, als ze lang aanhoudt, ongewenscht is, stuiten we op een
ernstig probleem. Het is een probleem, waar ieder mensch tegenover
komt te staan, en vooral de medicus die geroepen kan worden in deze
zaak ambtelijk raad te geven aan zijn medemenschen. Als sexueele
verhoudingen soms wenschelijk zijn voor ongehuwde of gehuwde personen,
die om de een of andere reden van de huwelijksvereeniging uitgesloten
zijn, is een dokter dan gerechtigd zulke sexueele verhoudingen aan
zijn patient aan te raden? Dit is een vraag, die dikwijls besproken
en in tegenovergestelden zin beantwoord is.
Verschillende beroemde medici, vooral in Duitschland, hebben
het voor den plicht van den dokter verklaard sexueelen
omgang aan zijn patient aan te bevelen, telkens als hij dit
noodig acht. Gyurkovechky, bij voorbeeld, heeft deze kwestie
uitvoerig behandeld, en ze bevestigend beantwoord. Nyström
(Sexual-Probleme, July, 1908, p. 413) zegt, dat het de plicht
van den medicus is, in sommige gevallen van sexueele zwakte,
als alle andere behandelingsmethoden gefaald hebben, sexueelen
omgang als het beste geneesmiddel aan te bevelen. Dr. Max
Marcuse acht het den onvoorwaardelijken plicht van den dokter,
sexueelen omgang in sommige gevallen aan te raden, zoowel
aan mannen als aan vrouwen, en heeft bij vele gelegenheden in
dezen geest gesproken (b.v. Darf der Arzt zum Ausserehelichen
Geschlechtsverkehr raten? 1904). Marcuse is gedecideerd van
meening, dat een dokter, die, terwijl hij zich laat influenceeren
door moreele, sociologische of andere overwegingen, nalaat
sexueelen omgang aan te raden, als hij dien voor de gezondheid
van den patient wenschelijk acht, zijn beroep onwaardig is,
en òf de geneeskunde moest opgeven, òf zijn patienten naar
andere dokters moest zenden. Deze houding schijnt, hoewel ze
gewoonlijk niet zoo nadrukkelijk geuit wordt, in ruimen kring
aangenomen te worden. Lederer gaat zelfs nog verder, als hij
zegt (Monatschrift für Harnkrankheiten und Sexuelle Hygiene,
1906, deel 3), dat het de plicht van den medicus is een vrouw,
die lijdende is door de impotentie van haar man, aan te raden
omgang te hebben met een anderen man, en hij voegt er bij dat
"of zij dat doet met de toestemming van haar man, een zaak is,
die den dokter niet aangaat, daar hij niet een bewaker is van
de moraal, maar een bewaker van de gezondheid". De medici die
in het publiek deze houding aannemen, vormen echter een kleine
minderheid. In Engeland heeft, voor zoover ik weet, geen bekend
medicus openlijk verklaard, dat het de plicht van den dokter
is sexueelen omgang buiten het huwelijk aan te raden, hoewel,
het is nauwelijks noodig het er bij te voegen, het in Engeland,
evenals in andere landen voorkomt, dat dokters, zelfs vrouwelijke
dokters, van tijd tot tijd in een persoonlijk onderhoud er hun
ongehuwde en zelfs hun gehuwde patienten op wijzen, dat sexueele
omgang waarschijnlijk weldadig zou zijn.
De plicht van den dokter om sexueelen omgang aan te raden is met
evenveel nadruk ontkend, als ze aangeprezen wordt. Zoo wilde
Eulenburg (Sexuale Neuropathie, p. 43), onder geen voorwaarde
buitenechtelijke verhoudingen aan zijn patient aanraden; "zulke
raad ligt geheel buiten de bevoegdheid van den dokter". Ze wordt
natuurlijk ontkend door hen, die sexueele abstinentie beschouwen
als altijd onschadelijk, zoo niet weldadig. Maar ze wordt ook
ontkend door velen, die meenen dat, onder bepaalde omstandigheden,
sexueele omgang goed zou doen.
Vooral Moll heeft, en dat bij vele gelegenheden, den plicht
van den dokter besproken met betrekking tot de kwestie van het
aanraden van sexueelen omgang buiten het huwelijk (b.v., in zijn
uitgebreid werk Aerztliche Ethik, 1902; ook Zeitschrift für
Aerztliche Fortbildung, 1905, Nos. 12-15; Mutterschutz, 1905,
Heft 3; Geschlecht und Gesellschaft, deel II blz. 8). Eerst
was Moll geneigd het recht van den medicus om sexueelen omgang
onder bepaalde omstandigheden aan te bevelen, te handhaven;
"zoo lang als het huwelijk overmatig uitgesteld wordt en sexueele
omgang buiten het huwelijk bestaat", schreef hij, (Die Conträre
Sexualempfindung, tweede uitgave, p. 287), "zoo lang, meen ik,
dat we zulk een omgang therapeutisch mogen aanwenden, mits er geen
rechten van een derde persoon (man of vrouw) worden gekrenkt". In
al zijn latere geschriften echter, stelt Moll zich duidelijk
en bepaald aan de tegenovergestelde zijde. Hij meent, dat de
medicus geen recht heeft de mogelijke gevolgen van zijn raad
over het hoofd te zien; die gevolgen kunnen wezen, het besmet
worden met venerische ziekten, of, in het geval van een vrouw,
zwangerschap en hij gelooft, dat deze ernstige gevolgen veel meer
kans hebben voor te komen dan wel altijd toegegeven wordt door
hen, die het goed recht van zulken raad verdedigen. En Moll wil
ook niet toegeven, dat de medicus recht heeft de moreele zijden
van de zaak over het hoofd te zien. Een dokter kan weten, dat
een arm man vele dingen, die goed zijn voor zijn gezondheid zou
kunnen krijgen door te stelen, maar hij kan hem niet aanraden te
stelen. Moll neemt het geval van een Katholiek priester, die lijdt
aan neurasthenie, voortkomende uit sexueele abstinentie. Zelfs al
is de dokter er zeker van, dat de priester in staat zal zijn al de
gevolgen van ziekte zoowel als van publiciteit te vermijden, dan
is hij nog niet gerechtigd hem sexueelen omgang aan te raden. Hij
moet in gedachte houden, dat hij, door een priester er toe te
brengen zijn geloften van kuischheid te verbreken, aanleiding
kan geven tot een geestelijken strijd en een bitter berouw, dat
tot de slechtste resultaten kan leiden, zelfs voor de physieke
gezondheid van den patient. Dergelijke moeilijkheden merkt Moll
op, kunnen volgen op zulk een raad, als hij gegeven wordt aan een
gehuwd man of een gehuwde vrouw, om niet te spreken van mogelijke
echtscheidingsprocessen en daarmede samengaande ellenden.
Rohleder (Vorlesungen über Geschlechtstrieb und Gesamtes
Geschlechtsleben der Menschen) neemt in deze zaak een eenigszins
gematigde houding aan. Als een algemeene regel is hij er bepaald
tegen sexueelen omgang buiten het huwelijk aan te raden aan
hen, die lijden aan gedeeltelijke of tijdelijke abstinentie
(de eenige vorm van abstinentie die hij erkent), gedeeltelijk
omdat de nadeelen van abstinentie niet ernstig of duurzaam zijn,
en gedeeltelijk omdat de patient toch zeker zijn eigen oordeel
in deze zaak zal volgen. Maar in sommige gevallen beveelt hij
zulken omgang aan, en vooral aan bisexueele personen, op grond,
dat hij zijn patient zoodoende bewaart voor de strafschuldige
gevaren van homosexueele praktijken.
Het schijnt mij toe, dat er niet de minste twijfel behoorde te wezen
aan wat de correcte houding van den medicus naar aanleiding van deze
kwestie van sexueelen omgang moet zijn. De dokter is nooit geroepen
zijn patient sexueelen omgang buiten het huwelijk aan te raden,
noch eenige wijze van verlichting, die gewoonlijk als onwettig
beschouwd wordt. Er wordt gezegd, dat de medicus niets te maken
heeft met overwegingen van de conventioneele moraal. Als hij meent,
dat champagne goed zou zijn voor een armen patient, dan moest hij hem
aanraden champagne te nemen; het ligt niet op zijn weg te overwegen of
de patient de champagne zal vragen, leenen of stelen. Maar, ten slotte,
zelfs als dat toegegeven is, dan moet nog gezegd worden, dat de dokter
weet, dat de champagne, hoe ze dan ook verkregen is, waarschijnlijk
niet vergiftig is. Als hij echter sexueelen omgang voorschrijft met
dezelfde verheven onverschilligheid voor praktische overwegingen,
dan weet hij dat niet. Als hij zulk een voorschrift geeft, dan weet
de dokter inderdaad in het minst niet, wat hij voorschrijft. Misschien
berokkent hij zijn patient een venerische ziekte; misschien geeft hij
hem de angsten en verantwoordelijkheden van een onwettig kind; hij,
die het voorschrift geeft, is geheel in het duister. Hij is in dezelfde
positie alsof hij een kwakzalversgeneesmiddel had voorgeschreven,
waarvan hij de samenstelling niet kende, met nog het nadeel, dat het
geneesmiddel veel meer machtig explosief kan blijken, dan het geval
is met het gewoonlijk onschuldige gepatenteerde geneesmiddel. Het
uiterste, wat een dokter eigenlijk kan doen, is het geval onpartijdig
aan zijn patient voorleggen en hem op de gevaren wijzen. De oplossing
moet de patient dan zelf uitwerken, zoo goed als hij kan, want zij
sluit in zich maatschappelijke en andere overwegingen, die, terwijl ze
geenszins buiten de sfeer der geneeskunde liggen, zeker volkomen buiten
de macht liggen van den individueelen praktiseerenden geneesheer.
Ook Moll is van meening, dat deze onpartijdige voorstelling van de
zaak vóor en tegen sexueelen omgang de plicht van den dokter in
deze questie is. Het is inderdaad een plicht, waaraan de medicus
in vele gevallen nauwelijks ontkomen kan. Moll wijst er op,
dat het in geen geval gepaard kan gaan, zooals sommigen meenen,
met het aanbevelen van sexueelen omgang. Het is integendeel,
naar hij opmerkt, veel meer analoog met den plicht van den
medicus bij operaties. Hij legt den patient den aard van de
operatie voor, de voordeelen en de gevaren ervan, maar hij laat
het aan het oordeel van den patient over of deze de operatie wil
ondergaan of niet. Ook Lewitt (Geschlechtliche Enthaltsamkeit und
Gesundheitsstörungen, 1905) komt, na de verschillende meeningen
over deze kwestie besproken te hebben, tot de conclusie, dat de
dokter, als hij meent, dat omgang buiten het huwelijk weldadig
zou zijn, de bezwaren moet uiteen zetten en het aan den patient
overlaten zelf te beslissen.
Er is nog een reden, waarom een dokter, uit consideratie voor de
heerschende moreele meeningen, ten minste onder de middelklasse, zich
behoort te onthouden van het aanraden van buitenechtelijk verkeer: hij
plaatst zich in een scheeve positie tegenover zijn maatschappelijke
omgeving. Hij raadt een geneesmiddel aan, waarvan hij den aard niet
openlijk erkennen kan, en zoo breekt hij het algemeene vertrouwen in
hem af. De eenige medicus, die moreel gerechtigd is zijn patiënten
aan te raden in buitenechtelijke verhoudingen te treden, is hij, die
openlijk erkent, dat hij bereid is zulk een raad te geven. De dokter,
die openlijk werkt voor maatschappelijke hervorming heeft misschien
het moreele recht verworven raad te geven in overeenstemming met de
strekking van zijn werkzaamheden in het publiek, maar zelfs dan nog kan
het zeer twijfelachtig zijn of zijn raad gerechtvaardigd is, en het zou
beter zijn als hij zijn pogingen voor maatschappelijke hervorming tot
zijn publieke werkzaamheden beperkte. De stem van den dokter wordt,
zooals Professor Max Flesch van Frankfort opmerkt, meer en meer
gehoord in de ontwikkeling en den nieuwen groei van maatschappelijke
instellingen; hij is een natuurlijk leider in zulke bewegingen, en
voorstellen tot verbetering komen feitelijk van hem. "Maar", zooals
Flesch voortgaat, "in het openbaar de uitnemendheid van bestaande
instellingen aan te nemen en in de intimiteit van de consultatie-kamer
raad te geven, die de onvolmaaktheid van die instellingen bewijst, is
onlogisch en verwarrend. Het is de taak van den medicus raad te geven,
die in overeenstemming is met de belangen van de gemeenschap als een
geheel, en die belangen eischen, dat er sexueele verhoudingen zullen
aangeknoopt worden tusschen gezonde mannen en vrouwen, die in staat
en bereid zijn de gevolgen van hun vereeniging op zich te nemen. Dat
moet de leiddraad zijn voor het gedrag van den medicus. Alleen zoo
kan hij worden, wat men tegenwoordig zoo dikwijls zegt, dat hij is,
de leidsman van de natie" [96]. Dit gezichtspunt is zooals we zien,
niet geheel in overeenstemming met dat hetwelk aanneemt, dat de plicht
van den medicus alleen en volkomen uitgaat naar zijn patient, zonder te
letten op den invloed van zijn raad op diens maatschappelijk gedrag. De
belangen van den patient gaan voor, maar ze zijn niet gerechtigd te
komen in antagonisme tot de belangen van de maatschappij. De raad, die
gegeven wordt door den wijzen medicus moet altijd in harmonie zijn met
den maatschappelijken en moreelen toon van zijn tijd. Zoo komt het,
dat de neiging onder de jongere generatie der medici tegenwoordig,
om een actief deel te nemen in het verheffen van dien toon en in het
bevorderen van maatschappelijke hervorming--een neiging, die niet
alleen bestaat in Duitschland, waar deze belangen zoo acuut geweest
zijn, maar ook in een zoo conservatief land als Engeland--vol belofte
is voor de toekomst.
De dokter is er gewoonlijk mee tevreden, zijn plicht jegens zijn
patient wat de sexueele abstinentie betreft als voldoende vervuld te
beschouwen, als hij tracht sexueele overgevoeligheid te verminderen
door medische of hygiënische behandeling. Het behoeft echter nauwelijks
gezegd te worden, dat de resultaten van zulk een behandeling gewoonlijk
onvoldoende zijn, en soms heeft de behandeling zelfs een resultaat, dat
het tegendeel is van wat werd bedoeld. De moeilijkheid is gewoonlijk,
dat, om effect te hebben, de behandeling moet worden voortgezet tot
een uiterste, dat niet alleen de geslachtswerkzaamheden uitput of
ze terughoudt, maar ook de werkzaamheden van het geheele organisme,
en als ze dat niet doet, kan ze eer een prikkel dan een kalmeerend
middel blijken te zijn. Het is moeilijk en gewoonlijk onmogelijk de
sexueele werkzaamheden van een mensch te scheiden van alle andere
werkzaamheden van zijn organisme en invloed uit te oefenen op deze
werkzaamheden alleen. Sexueele activiteit is zoo nauw verbonden met
de andere organische werkzaamheden, erotische weelderigheid is zoo
zeer een bloem, gevoed door het geheele organisme, dat de slag, die
ze verplettert, den geheelen mensch kan knakken. De bromiden worden
algemeen erkend als machtige kalmeerende middelen, maar hun invloed in
dit opzicht wordt eerst recht gevoeld als zij al de teerste krachten
van het organisme hebben afgestompt. Physieke oefening wordt algemeen
aanbevolen aan sexueel overgevoelige patiënten. Toch vinden de meeste
menschen, mannen en vrouwen, dat lichaamsoefening een positieve prikkel
is voor de sexueele werkzaamheid. Dit is vooral het geval met wandelen,
en bizonder energieke jonge vrouwen, die last hebben van de hinderlijke
werkzaamheid van haar gezonde sexueele emoties, brengen soms een groot
deel van haar tijd door met vergeefsche pogingen in lange wandelingen
haar activiteit te kalmeeren. Lichaamsoefening blijkt in dit opzicht
alleen effect te hebben, als ze doorgevoerd wordt tot een hoogte,
die algemeene uitputting veroorzaakt. Dan is inderdaad de sexueele
werkzaamheid bedaard, maar tevens de geestelijke en lichamelijke
werkzaamheden. Het is ongetwijfeld waar, dat oefeningen en spelen van
alle soorten voor jonge menschen van beide geslachten een sexueel
hygiënischen, zoowel als een algemeen hygiënischen invloed hebben,
die ongetwijfeld weldadig is. Zij zijn in ieder geval beter dan
langdurige zittende bezigheden. Maar het is dwaas te denken, dat
spelen en oefeningen de sexueele impulsen zullen onderdrukken, want
in zoover zij de gezondheid bevorderen, bevorderen zij al de impulsen,
die het resultaat zijn van de gezondheid. Het eenigste, dat men ervan
verwachten kan, is, dat zij de sexueele uitingen beperken door de
energie, die zij voortbrengen, te verspreiden.
Er zijn vele heilzame regels en voorzorgen, die niet zonder reden
aangeraden worden als gunstig om de sexueele werkzaamheid te beperken
of te verminderen. Het vermijden van warmte en het aanwenden van
kou is een van de belangrijkste van deze. Een warm klimaat, een
benauwde atmosfeer, zwaar bed-dek, warme baden, deze alle kunnen het
sexueele stelsel zeer prikkelen, want dat stelsel is een oppervlakkig
zintuigelijk orgaan, en al wat de huid in het algemeen prikkelt,
prikkelt het sexueele systeem. Koude, die de huid samentrekt, doodt
ook de sexueele gevoelens, een feit, dat de asceten van den ouden
tijd kenden en zich ten nutte maakten. De kleederen en de houding
van het lichaam zijn niet zonder invloed. Knellen of drukken in
de buurt van de sexueele streek, zelfs een nauw corset, zoowel als
inwendige druk, bijv. door een volle blaas, zijn bronnen van sexueele
prikkeling. Slapen op den rug, waardoor het bloed zich ophoopt in de
ruggemergscentra, werkt ook op dezelfde wijze, zooals al lang bekend
is geweest aan hen, die nauwkeurig letten op sexueele hygiëne; zoo
wordt gezegd, dat het bij de orde der Franciskanen verboden is op
den rug te liggen. Voedsel en drank zijn voorts machtige sexueele
prikkels. Dit geldt zelfs van het eenvoudigste en gezondste voedsel,
maar meer speciaal van vleeschspijzen, en vooral van alcohol in zijn
sterkste vormen, zooals geestrijke dranken, likeuren, mousseerende en
zware wijnen, en zelfs van vele Engelsche bieren. Dit is ten allen
tijde erkend door hen, die ascetisme beoefenden, en het is een van
de meest afdoende redenen, waarom men de jeugd geen alcohol moet
geven. Zooals de heilige Jeronimus opmerkte, toen hij aan Eustochion
schreef, dat zij wijn moest vermijden als vergift, "wijn en jeugd
zijn de twee vuren der wellust. Waarom olie op het vuur te gieten"
[97]? Ook ledigheid, vooral als ze samengaat met een weelderig leven,
bevordert de sexueele werkzaamheid, zooals Burton in den breede
uiteenzet in zijn Anatomy of Melancholy, terwijl voortdurende bezigheid
daarentegen de ronddoolende krachten concentreert.
Geestesoefening heeft men somtijds evenals lichaamsoefening,
aangeraden als een methode om sexueele opwinding te kalmeeren, maar
ze schijnt onzeker te zijn in haar werking. Als ze zeer belangwekkend
is en opwindend, dan kan ze de sexueele emotie eerder opwekken dan
kalmeeren. Als ze weinig belangstelling opwekt, kan ze geenerlei
invloed uitoefenen. Dit geldt zelfs van mathematische bezigheden,
die door verschillende autoriteiten als hulpmiddelen bij sexueele
hygiëne [98] zijn aangeraden, o.a. ook door Broussais. "Ik heb
mechanisch geestelijk werk geprobeerd", schrijft een dame, "zooals
het oplossen van rekenkundige of algebraische problemen, maar het
doet mij geen goed; het schijnt zelfs alleen maar de opwinding te
verergeren". "Ik studeerde en wendde mijn aandacht voornamelijk tot
de wiskunde", schrijft een geestelijke, "met de bedoeling om mijn
sexueele neigingen te beteugelen. In zekere mate had ik succes. Maar
bij het naderen van een oude vriend, door een stem of een aanraking,
kwamen deze neigingen met vernieuwde kracht terug. Ik vond wiskunde
over het geheel echter het beste ding om mijn belangstelling van
vrouwen af te wenden, beter dan godsdienstige oefeningen, die ik
aanwendde toen ik jonger was (twee en twintig tot dertig)". Op hun
best hebben zulke middelen echter alleen maar tijdelijke uitwerking.
Het is gemakkelijker, het opwekken van sexueele impulsen te
vermijden dan ze door hygiënische maatregelen tot zwijgen te
brengen als ze eens opgewekt zijn. Daarom moeten in de kindsheid
en jeugd al deze maatregelen met verstand in acht genomen worden,
om iedere voorbarige sexueele opwinding te voorkomen. In een groep
van stevige normale kinderen gaan invloeden, die we zouden kunnen
verwachten dat ze sexueel zouden werken, ongemerkt voorbij. Aan
het andere uiterste is een andere groep kinderen zoo neurotisch en
vroegtijdig gevoelig, dat geen voorzorgen hen zullen beschermen tegen
zulke invloeden. Maar tusschen deze groepen zijn er andere kinderen,
waarschijnlijk verreweg het grootste aantal, die weerstand bieden
aan lichte sexueele aansporingen, maar die misschien voor sterker
of langduriger invloeden bezwijken, en aan deze kunnen de zorgen van
sexueele hygiëne met voordeel besteed worden [99].
Na de puberteit, als de spontane en innerlijke stem der sekse
zich ieder oogenblik plotseling kan doen hooren, worden soms alle
voorzorgen over boord geworpen, en zelfs de jongeling of het jonge
meisje, dat er het meest op uit was de idealen van kuischheid te
bewaren, kan dikwijls weinig meer doen dan wachten tot de storm
voorbij is. Het komt soms voor dat een lange periode van sexueelen
storm en drang spoedig na de puberteit zich voordoet en dan wegsterft,
hoewel er weinig of geen sexueele bevrediging geweest is, om gevolgd
te worden door een periode van betrekkelijke kalmte. We moeten ons
herinneren dat bij vele, misschien wel bij de meeste individuen,
mannen en vrouwen, de sexueele begeerte, anders als bij honger of
dorst, na een langdurigen strijd teruggebracht kan worden tot een
min of meer kalmen staat, die, verre van nadeelig te zijn, zelfs
nuttig kan zijn voor de lichamelijke en geestelijke kracht in het
algemeen. Dit kan gebeuren hetzij sexueele bevrediging verkregen
is of niet. Als er nooit eenige bevrediging van dien aard geweest
is, dan is de strijd minder hevig en spoediger voorbij, tenzij
het individu van zeer erotisch temperament is. Als er bevrediging
geweest is, als de geest vervuld is niet alleen met wenschen, maar
met vreugdevolle ondervinding, waaraan het lichaam ook gewend is
geraakt, dan is de strijd langer en neemt meer pijnlijk de gedachten
in beslag. De verlichting echter, als ze komt, is soms meer volkomen
en heeft meer kans verbonden te zijn met een toestand van psychische
gezondheid. Want de grondondervindingen van het leven brengen onder
normale omstandigheden niet alleen intellectueele gezondheid, maar
gemoedsvrede. Een overwinning op de sexueele begeerten, die niet
te eeniger tijd een bevrediging van deze begeerten genoten heeft,
veroorzaakt zelden resultaten, die zich aanbevelen als rijk en mooi.
In deze worstelingen zijn er echter geen blijvende overwinningen. In
het geval van een groot aantal personen kan, hoewel er emotioneele
veranderingen kunnen zijn, die afhangen van een menigte omstandigheden,
nauwelijks gezegd worden, dat er een overwinning is. Of zij geven
altijd toe aan de impulsen, die op hen aanstormen, of zij verzetten
zich altijd tegen die impulsen, in het eerste geval met berouw, in het
tweede met ontevredenheid. In beide gevallen wordt veel van hun leven,
op den tijd dat het leven op zijn krachtigst is, verspild. Bij vrouwen,
als zij toevallig sterke hartstochten hebben en roekelooze impulsen
tot overgave, kunnen de resultaten zeer ontzenuwend zijn, zoo niet
verwoestend voor het algemeene psychische leven. Het is inderdaad aan
deze oorzaak, dat sommigen de veel voorkomende middelmatigheid van
het werk van vrouwen op artistiek en intellectueel gebied meenen te
moeten toeschrijven. Vrouwen van intellectueele kracht zijn dikwijls,
zoo al niet gewoonlijk, vrouwen van sterke hartstochten, en als
zij weerstand bieden aan de neiging om op te gaan in de plichten
van het moederschap, dan worden haar levens dikwijls verspild in
gevoels-conflicten en haar zieleleven verarmd [100].
De mate, waarop sexueele abstinentie en de worstelingen,
die ze in zich sluit, het individu het geheele leven door kan
tegenhouden en in beslag nemen wordt goed duidelijk gemaakt in
het volgende geval. Een dame, krachtig, stevig, en over het
algemeen gezond, van groote intelligentie en hoog karakter,
heeft den middelbaren leeftijd bereikt zonder te trouwen of
ooit sexueele verhoudingen te hebben. Zij was een eenig kind,
en toen ze tusschen den leeftijd van drie en vier jaar oud was,
lichtte een vriendinnetje, die een jaar of zes ouder was, haar
in over de gewoonte van met haar sexueele deelen te spelen. Zij
was op dezen leeftijd echter geheel zonder sexueele gevoelens,
en ze geraakte op natuurlijke wijze van de gewoonte af, zonder
eenige kwade gevolgen, toen zij de buurt en de nabijheid van dit
meisje verliet, ongeveer een jaar later. Haar gezondheid was goed
en zelfs schitterend, en zij ontwikkelde zich krachtig tijdens de
puberteit. Op den leeftijd van zestien echter was een geestelijke
schok de oorzaak, dat het quantum der menstruatie eenige jaren
lang verminderde en tegelijk met deze vermindering trad vanzelf
spontaan sexueele opwinding voor het eerst op. Zij beschouwde
zulke gevoelens als abnormaal en ongezond, en spande al haar
krachten van zelfbeheersching in om ze te weerstaan. Maar kracht
van wil had geen macht om de gevoelens te verminderen. Er was
voortdurende en gebiedende opwinding, met het gevoel van trilling,
spanning, druk, uitzetting en kieteling, misschien vergezeld
van eenige congestie in de ovariën, want zij voelde, dat er aan
de linkerzijde een netwerk van sexueele zenuwen was, en eenige
jaren later werd retroversie van den uterus ontdekt. Zij leidde
een werkzaam leven met vele plichten, maar ze kon geen bezigheid
verrichten zonder dezen ondergrond van sexueele overgevoeligheid,
die voortdurende zelfbeheersching eischte. Dit ging min of
meer acuut zoo door vele jaren lang, toen de menstruatie
plotseling geheel ophield, lang vóór den gewonen leeftijd van
het climacterium. Op denzelfden tijd hield de sexueele opwinding
op en werd zij kalm, vredig en gelukkig. Verminderde menstruatie
ging samen met sexueele opwinding, maar overvloedige menstruatie
en de algeheele afwezigheid ervan gingen beide vergezeld van
verlichting van de opwinding. Dit duurde twee jaar. Toen werd zij,
voor een lichte anaemie, onderworpen aan een lange en in haar
geval onoordeelkundige behandeling met onderhuidsche inspuitingen
van strychnine. Van dien tijd af, vijf jaar geleden, tot nu toe,
is er voortdurende sexueele opwinding geweest en moet zij altijd op
haar hoede zijn, dat ze niet door een sexueelen aanval overweldigd
wordt. Haar ellende wordt verergerd doordat haar tradities het haar
onmogelijk maken (behalve onder zeer buitengewone omstandigheden)
op de oorzaak van haar lijden te zinspelen. "Een vrouw is al van
tevoren in het nadeel", schrijft zij. "Zij mag nooit tot iemand
over zulk een onderwerp spreken. Zij moet haar tragedie alleen
doorleven, glimlachend zooveel zij kan onder den druk van haar
verschrikkelijken last". Haar lijden nog vermeerderend, heeft
zij zich twee jaren geleden gedrongen gevoeld haar toevlucht te
nemen tot masturbatie, en dat heeft ze sedert omstreeks eens in de
maand gedaan; dit brengt niet alleen geen werkelijke verlichting,
het laat prikkelbaarheid na, slapeloosheid en donkere kringen
onder de oogen, en is ook een reden tot berouw voor haar, want zij
beschouwt masturbatie als volkomen abnormaal en onnatuurlijk. Zij
heeft getracht zich verlichting te verschaffen, niet alleen door
de gewone methoden van physieke hygiëne, maar door suggestie,
Christian Science, enz., maar alles tevergeefs. "Ik mag zeggen",
schrijft zij, "dat het de meest hartstochtelijke wensch van mijn
hart is van dezen keten los te komen, opdat ik de verschrikkelijke
jarenlange weerstandsspanning kan laten verslappen, en op mijne
wijze gelukkig zijn. Als ik deze ellende eens in de maand had,
eens in de week, zelfs tweemaal in de week, dan zou het kinderspel
zijn ze te boven te komen. Ik zou mijn toevlucht niet willen
nemen tot onnatuurlijke middelen, in hoe geringe mate ook. Maar
ook zelfbeheersching kan men niet steeds ongestraft in praktijk
brengen, en ik heb soms een gevoel, of het niet langer uit te
houden is".
Terwijl het dus een enorm groot voordeel is in de physieke en
psychische ontwikkeling, als de uitbarsting van hinderlijke sexueele
emoties vertraagd wordt tot de puberteit of den jongelingsleeftijd,
en terwijl het een zeer groot voordeel is, nadat die uitbarsting
heeft plaats gehad, in staat te zijn de heerschappij over deze emotie
te verkrijgen, zou het toch een waardelooze, ja een gevaarlijke
overwinning zijn, die geen bevrediging met zich bracht, om de
sexueele natuur geheel te vernietigen. "Als ik maar drie weken geluk
gehad had", zeide een vrouw, "dan zou ik niet met het lot twisten,
maar het geheele leven zoo volkomen ledig te doorleven, dat is
verschrikkelijk". Als zulke ledige zelfbeperking uit beleefdheid een
deugd genoemd kan worden, dan is het maar een negatieve deugd. De
personen, die haar bereiken, als het resultaat van aangeboren zwakke
sexueele ontwikkeling, hebben (zooals Gyurkovechky, Fürbringer en
Löwenfeld allen gelijkelijk opgemerkt hebben) een deugd gemaakt van hun
zwakheid. Vele anderen, wier instincten minder zwak waren, hebben, als
zij de sexueele begeerten in hun eerste jeugd met minachting verjoegen,
bevonden, dat in het latere leven die vijand met tienvoudige kracht
en misschien in onnatuurlijke vormen terugkeert [101].
De opvatting van "sexueele abstinentie" is, zooals we zien, een
volkomen valsche en kunstmatige opvatting. Ze is niet alleen slecht
aangepast aan de hygiënische zijde van de zaak, maar ze roept ook geen
echt moreele motieven op, want ze is uitsluitend egoïstisch. Ze wordt
eerst echt moreel en waarlijk inspireerend, als we ze veranderen in de
altruïstische deugd van zelfopoffering. Als we dat gedaan hebben, zien
we, dat het element van abstinentie er in ophoudt tot het wezen ervan
te behooren. "Van Zelfopoffering", schrijft de auteur van een boek,
handelende over het sexueele leven, "wordt erkend dat het de basis is
van deugd; de edelste voorbeelden van zelfopoffering worden ingegeven
door sexueele liefde. Sympathie is het geheim van altruïsme; nergens
is sympathie meer werkelijk en volkomen dan in de liefde. Moed, zoowel
moreel als physiek, waarheidsliefde en eergevoel, ondernemingsgeest en
de bewondering voor moreele waardigheid, worden ingegeven door liefde,
meer dan door iets anders in de menschelijke natuur. Het celibaat
ontzegt zich die inspiratie, of beperkt den invloed ervan, naar de
mate van zijn ontzegging van sexueele intimiteit. Zoo beteekent het
opzettelijk aannemen van een voortdurend ongehuwd leven het beperken
van de emotioneele en moreele ondervindingen in een mate, die, van het
ruime wetenschappelijke standpunt uit, niet gerechtvaardigd wordt door
een van de voordeelen, die volgens vrome gedachten er uit voort komen"
[102].
In een gezonde, natuurlijke orde zijn al de impulsen geconcentreerd
in de vervulling van behoeften, niet in het zich ontzeggen
ervan. Bovendien is het in deze speciale kwestie van sekse
onvermijdelijk, dat de behoeften van anderen, en niet alleen de
behoeften van het individu zelf, iemands gedrag zullen bepalen. Het
zijn meer bepaald de behoeften van de vrouw, die den bepalenden factor
vormen; want deze behoeften zijn veel meer verscheiden, samengesteld
en bedriegelijk, en in het letten op de bevrediging ervan vindt de man
een bron van eindelooze erotische satisfactie. Men zou kunnen denken,
dat het invoeren van een altruïstisch motief hier enkel de eisch is
van theoretische moraal, die er op staat, dat er een stevige rem zal
zijn op het dierlijk instinct. Maar, zooals we den geheelen loop
van dit boek door telkens weer zullen zien, is het zoo niet. Het
dierlijk instinct zelf stelt dezen eisch. Het is een biologische
wet, die door de geheele zoölogische wereld heerscht en op welke het
algemeen voorkomen van het hof maken berust. Bij den mensch alleen
is ze gewijzigd, omdat bij den mensch de sexueele behoeften niet zoo
volkomen geconcentreerd zijn op reproductie, maar min of meer het
geheele leven doordringen.
Terwijl van het standpunt van de maatschappij, evenals van dat der
natuur, het doel en oogmerk van de sexueele impuls de voortplanting
is, en niets dan de voortplanting, is dat in het geheel niet waar voor
het individu, waarvan het hoofddoel moet zijn zich harmonisch uit te
leven met die gepaste consideratie voor anderen, die de levenskunst
eischt. Zelfs als sexueele verhoudingen niet het minste verband hadden
met de voortplanting--zooals sommige stammen in Midden-Australië
meenen--dan zouden ze toch nog te rechtvaardigen zijn, en werkelijk
een onmisbaar hulpmiddel vormen voor de beste ontwikkeling van het
individu, want alleen in een zoo intieme verhouding als die der
seksen hebben de mooiste gaven en neigingen volle vrijheid. Zelfs
de heiligen kunnen de sexueele zijde van het leven niet ontgaan. De
beste en meest volkomen heiligen, van Jeronimus tot Tolstoy--zelfs
de verdienstelijke Franciscus van Assisi--hadden in hun verleden
al de ondervindingen opgezameld, die samenwerken tot de volkomen
verwerkelijking van het leven, en als dat niet zoo ware, zouden ze
te minder heiligen geweest zijn.
Het element van positieve deugd begint dus eerst daar, waar het
beheerschen van de sexueele impuls het standpunt van strenge en
steriele abstinentie te boven is gekomen en geworden is niet alleen
een opzettelijk weigeren van wat er slecht is in het sexueele,
maar een opzettelijk aannemen van wat er goed in is. Eerst op dat
oogenblik wordt zulk een beheerschen een werkelijk deel van de groote
levenskunst. Want de levenskunst, evenals alle andere kunsten, is
niet vereenigbaar met strengheid, maar ze ligt in het weven van een
voortdurende harmonie tusschen weigeren en aannemen, tusschen geven
en nemen [103].
De toekomst behoort klaarblijkelijk aan hen, die langzaam aan bezig
zijn gezondere tradities te maken voor den bouw van het leven. Het
"probleem van sexueele abstinentie" zal meer en meer aan waarde
verliezen. Dan blijven de groote werkelijkheid der liefde, de groote
werkelijkheid der kuischheid. Zij zijn eeuwig. Tusschen die twee is er
niets dan harmonie. De ontwikkeling van de eene sluit de ontwikkeling
van de andere in zich.
We hebben dit probleem van "sexueele abstinentie" ernstig moeten
behandelen, omdat we de tradities van tweeduizend jaar achter ons
hebben, die gegrond zijn op bepaalde idealen van sexueele wet en
sexueele vrijheid, te zamen met de langdurige poging om gewoonten
te vormen, die min of meer op die idealen berusten. Wij kunnen
niet onmiddellijk aan deze tradities ontkomen, zelfs als wij zelf
de geldigheid ervan in twijfel trekken. Wij moeten niet alleen hun
bestaan erkennen, maar we moeten ook het feit aannemen, dat zij nog
eenigen tijd in een groote mate de gedachten en zelfs tot op zekere
hoogte de daden van bestaande gemeenschappen moeten beheerschen.
Dat is zeker jammer. Het brengt mee het invoeren van een kunstmatigheid
in een werkelijk natuurlijke orde. Liefde is werkelijk en positief;
kuischheid is werkelijk en positief. Maar sexueele abstinentie is
onwerkelijk en negatief, streng genomen misschien onmogelijk. De
gevoelens van hen, die op het belang ervan den nadruk leggen, berusten
hierop, dat een physiologisch proces goed of kwaad kan zijn al naar
dat het uitgevoerd wordt onder bepaalde uiterlijke voorwaarden, die
het geoorloofd maken of ongeoorloofd. Een daad van sexueelen omgang
onder den naam van "huwelijk" is weldadig; precies dezelfde daad,
onder den naam van "gebrek aan zelfbeheersching" is verderfelijk. Geen
physiologisch proces, en nog minder eenig geestelijk proces, kan
zulk een beperking verdragen. Men zou even goed kunnen zeggen dat een
maal goed of slecht wordt, verteerbaar of onverteerbaar, afhankelijk
van het feit of al dan niet een gebed uitgesproken is voor dat het
gebruikt wordt.
Het is daarom te betreuren, omdat zulk een opvatting in zijn wezen
onwerkelijk is en er op deze wijze een element van onwerkelijkheid
ingevoerd wordt in een zaak van het grootste belang voor het individu
en de maatschappij beide. Kunstmatige geschillen zijn opgeworpen,
waar geen reden voor geschil behoeft te bestaan. Er is een strijd
gevoerd, gekenmerkt door al de verwoedheid, die twisten kenmerkt over
metaphysische en pseudo-metaphysische verschillen, die geen concrete
basis hebben in de werkelijke wereld. Zooals in zulke gevallen gebeurt,
was er ten slotte geen werkelijk verschil tusschen de twistenden,
omdat het punt, waarover zij het oneens waren, onwerkelijk was. In
waarheid had iedere zijde gelijk en had iedere zijde ongelijk.
We zien, dat het noodig is dat de balans in evenwicht gehouden
wordt. Een absolute vrijheid is slecht; een absolute abstinentie--zelfs
al worden sommigen door hun natuur of door de omstandigheden er
krachtig toe gedrongen ze aan te nemen--is ook slecht. Zij zijn beide
even ver verwijderd van het goedige evenwicht der natuur. En we zien,
dat de kracht, die op natuurlijke wijze deze balans in evenwicht
houdt, het biologische feit is, dat de daad der sexueele vereeniging
de bevrediging is van de erotische behoeften, niet van éen persoon,
maar van twee.