Kuischheid is een wezenlijk bestanddeel van de waardigheid
der liefde.--Het verzet van de achttiende eeuw tegen het
kuischheidsideaal.--Onnatuurlijke vormen van kuischheid.--De
psychologische basis van ascetisme.--Ascetisme en
kuischheid als deugden onder natuurvolken.--De beteekenis van
Tahiti.--Kuischheid onder barbaarsche volken.--Kuischheid onder
de eerste Christenen.--Worstelingen van de heiligen tegen het
vleesch.--De legende van de Christelijke kuischheid.--Het verval
ervan in middeleeuwsche tijden.--Aucassin et Nicolette en de nieuwe
legende van kuische liefde.--De onkuischheid van de Noordelijke
barbaren.--De poenitentialia.--Invloed van de renaissance en de
hervorming.--Het verzet tegen maagdelijkheid als een deugd.--De
moderne opvatting van kuischheid als een deugd.--De invloeden,
die de deugd der kuischheid bevorderen.--Kuischheid als een
tucht.--De waarde van kuischheid voor den kunstenaar.--Potentie
en impotentie in de algemeene schatting.--De juiste definities
van ascetisme en kuischheid.
Het hooge belang van kuischheid, en zelfs van ascetisme, is
nooit te eeniger tijd, of in een van levenskracht tintelende
menschenmaatschappij, geheel zonder erkenning gebleven. Soms is
de kuischheid in de schatting der menschen verheerlijkt en soms is
ze naar beneden gehaald; ze heeft herhaaldelijk den aard van haar
uitingen gewijzigd; maar ze is er altijd geweest. Wat meer zegt: zonder
haar kan niemand een mooien, zelfs een deel van een mooien kijk op de
Natuur hebben. "De glorie van de wereld wordt alleen gezien door een
kuischen geest", zeide Thoreau met zijn fijne overdrijving. "Voor een
ieder, voor wien dit feit geen ontzagwekkend, maar toch mooi mysterie
is, bestaan er geen bloemen in de Natuur". Zonder kuischheid is het
onmogelijk de waardigheid van sexueele liefde staande te houden. De
maatschappij, waarin de waardeering daarvan tot een minimum daalt, is
in de laatste stadia van ontaarding. Kuischheid heeft voor sexueele
liefde een belang, dat ze nooit verliezen kan, en het allerminst
tegenwoordig.
Het is volkomen waar, dat gedurende de achttiende en negentiende eeuw
vele moreel en intellectueel zeer hoogstaande mannen het ideaal van
kuischheid uitdrukkelijk veroordeeld hebben. De groote Buffon weigerde
kuischheid als een ideaal te erkennen en verwees toornig naar "die
soort van krankzinnigheid, die de maagdelijkheid van een meisje tot
iets wezenlijks gemaakt heeft", terwijl William Morris eens, op de
hem eigen openhartige wijze, in een bijeenkomst van de Fellowship of
the New Life verklaarde, dat het "ascetisme de meest weerzinwekkende
ondeugd is, die de menschelijke natuur bezocht heeft". Blake, hoewel
hij in den meest conventioneelen zin een strikt moreel man was,
voelt niets dan minachting voor kuischheid en voedt soms een soort
van godsdienstigen eerbied voor het denkbeeld van onkuischheid. Ook
Shelley, die in sexueele zaken misschien niet verstandig geweest
is, maar die toch nauwelijks onkuisch genoemd kan worden, schijnt
dikwijls godsdienst en moraal te verbinden niet met kuischheid,
maar met onkuischheid, en ongeveer hetzelfde kan van James Hinton
[70] gezegd worden. Maar al deze mannen--mèt andere mannen van een
hoog karakter, die soortgelijke meeningen hebben uitgesproken--waren
in opstand tegen valsche, decadente en conventioneele vormen van
kuischheid. Zij kantten zich niet tegen een ideaal; zij trachtten een
ideaal te stellen op de plaats waar zij bemerkten, dat een schadelijk
voorwendsel prijkte als een moreele werkelijkheid.
Wij kunnen geen ideaal van kuischheid aannemen, als we niet
onbarmhartig alle onnatuurlijke en ledige vormen van kuischheid
verwerpen. Als kuischheid alleen maar is een vermoeiende poging om in
de sexueele sfeer te wedijveren met de prestaties van mannen, die voor
hun beroep vasten, een poging, die al de krachten van het organisme
verbruikt, en op geen grooter succes uitloopt dan de abstinentie
die ze in zich heeft, dan is ze zeker een onwaardig ideaal. Als ze
is een zwak zich onderwerpen aan een uiterlijke wet der conventie,
omdat men geen moed heeft er mee te breken, dan is ze in het geheel
geen ideaal. Als ze een moreel voorschrift is, dat door de eene sekse
opgedrongen wordt aan de andere, dan is ze een onrechtvaardigheid en
prikkelt tot verzet. Als ze is een zich onthouden van de gebruikelijke
vormen van sexualiteit, die dan vervangen worden door meer abnormale
of meer geheime vormen, dan is ze eenvoudig een onwerkelijkheid,
gebaseerd op een verkeerde voorstelling. En als ze alleen is een
uiterlijk aannemen van conventies zonder eenige verdere aanname, zelfs
in de daad, dan is ze een verachtelijke klucht. Dit zijn de vormen
van kuischheid, die, in de laatste twee eeuwen, vele fijngevoelige
mannen met kracht hebben verworpen.
Het feit, dat kuischheid of ascetisme een werkelijke deugd is,
die aanleiding geeft tot mooie gebruiken, wordt duidelijk, als we
ons voor oogen stellen, dat ze gebloeid heeft in alle tijden, in
verband met alle soorten van godsdiensten en de meest verschillende
moreele wetboeken. Wij vinden ze geldend onder natuurvolken, en de
speciale deugden dier natuurvolken--harding, weerstandsvermogen en
doodsverachting--zijn innig verbonden met het kweeken van kuischheid
en ascetisme [71]. Het is waar, dat natuurvolken zelden een ideaal van
kuischheid hebben in de lagere moderne beteekenis als een toestand
van doorloopende abstinentie van sexueele verhoudingen, die dan
op zichzelf verdienstelijk zou zijn, afgezien van ieder nut. Zij
eeren kuischheid om de magische of werkelijke waarde ervan, als een
methode van zelfbeheersching, die medewerkt tot het bereiken van
belangrijke doeleinden. Het vermogen om pijn en dwang te verdragen
is bijna altijd een hoofdbestanddeel bij het inwijden van jonge
menschen tijdens de puberteit. De gewoonte, zich te onthouden
van sexueelen omgang vóor oorlogs- of jachtexpedities en andere
ernstige ondernemingen, die groote inspanning van spieren en hersenen
vereischen is, welke de motieven ook zijn waar ze aan toegeschreven
wordt, een wijze methode om kracht te sparen. De zeer ver verspreide
gewoonte omgang te vermijden tijdens de zwangerschap en het zoogen,
is weer een uitmuntende voorzorgsmaatregel in de sexueele hygiëne,
die het onder de meer beschaafde volken zeer moeilijk is te blijven
in acht nemen. Natuurvolken weten ook zeer wel hoe waardevol sexueele
matigheid, te zamen met vasten en eenzaamheid is, om de geschiktheid
te verkrijgen voor buitengewone geestelijke krachten.
Zoo geeft C. Hill Tout (Journal Anthropological Institute,
Jan.-Juni 1905, pp. 143-145) een belangwekkend verslag van
de zelftucht, waaraan diegenen onder de Salische Indianen van
Britsch Columbia zich onderwerpen, die shamanistische krachten
trachten te verkrijgen. De psychische uitwerking van zulk oefenen
op deze menschen is, naar Hill Tout zegt, boven allen twijfel
verheven. "Ze stelt hen in staat daden van buitengewone kracht,
behendigheid en uithoudingsvermogen te ondernemen en te volbrengen;
en ze geeft hun nu en dan, behalve een algemeene verheffing van
de zinnen, ontwijfelbaar clairvoyante en andere bovennatuurlijke
geestelijke en lichamelijke krachten". Ook aan de andere zijde van
de wereld zijn, zooals aangetoond wordt door de Reports of the
Anthropological Expedition to Torres Straits (vol. V, p. 321),
dergelijke gewoonten gebruikelijk om bovennatuurlijke krachten
te verkrijgen.
Er zijn fundamenteele psychologische redenen voor het veel
voorkomen van het ascetisme en voor de opmerkelijke wijze,
waarop het zelfvernietiging in zich sluit, zelfs acuut physiek
lijden. Zulke pijn is een werkelijke psychische prikkel, vooral
bij licht neurotische personen. Het bewijs hiervoor gaf een jonge
vrouw, een patient van Janet, die leed aan geestelijke depressie
en die gewoon was verlichting te vinden door even haar handen en
voeten te branden. Zij begreep zelf duidelijk den aard van haar
daden. "Ik voel", zeide zij, "dat ik een krachtsinspanning doe, als
ik mijn handen op de kachel houd, of als ik kokend water op mijn
voeten giet; het is een daad van geweld en ze maakt mij wakker:
ik voel, dat ze werkelijk door mijzelf gedaan wordt en niet door
een ander... Een geestelijke inspanning op zichzelf is mij te
moeilijk; ik moet er physieke krachtsinspanningen voor in de plaats
stellen. Ik heb op geen andere wijze succes gehad; dat is alles;
als ik mijzelf er toe breng mij te branden, maak ik mijn geest voor
verscheidene dagen vrijer, lichter en actiever. Waarom spreekt gij
van mijn behoefte aan zelfkastijding? Mijn ouders gelooven hieraan,
maar het is belachelijk. Het zou een zelfkastijding zijn als het
lijden aanbracht, maar ik geniet van dit lijden, het geeft mij mijn
geestvermogens terug; het verhindert, dat mijn gedachten stilstaan;
wat zou men niet doen om zulk een geluk te bereiken?" (P. Janet,
"The Pathogenesis of Some Impulsions", Journal of Abnormal
Psychology, April 1906). Als wij dit psychologisch proces
begrijpen, dan kunnen we beseffen hoe het komt, dat zelfs bij de
hoogere godsdiensten, hoeveel ze overigens ook mogen verschillen,
de praktische waarde van ascetisme en zelfkastijding bijna algemeen
erkend is als noodzakelijk ter bereiking van den meest verheven
godsdienstigen staat en met volkomen opgewektheid. "Ascetisme
en extase zijn onafscheidelijk", zooals Probst-Biraben aan het
begin van een belangwekkend geschrift over het Mohammedaansche
mysticisme opmerkt ("L'Extase dans le Mysticisme Musulman", Revue
Philosophique, Nov. 1906). Slechts door ascetisme bereikt men de
geestelijke volmaking.
Zoo komt het, dat natuurvolken in ruime mate hun dikwijls
bewonderenswaardige handhaving van ascetisme niet gronden op
den praktischen basis, die het zou rechtvaardigen, maar op den
godsdienstigen grondslag, die in discrediet komt met het aangroeien
van het verstand [72]. Maar zelfs als de nauwgezette voorschriften
van natuurvolken, zoowel in sexueele als in niet-sexueele zaken
zonder eenigen merkbaren gezonden basis zijn, dan kan toch niet
gezegd worden dat ze volkomen nutteloos zijn, als zij er toe leiden
zelfbeheersching en het gevoel van eerbied aan te moedigen [73]. De
zoogenaamde intelligente en praktische volken, die oorspronkelijke
gebruiken opgeven, omdat die hun doelloos toeschijnen of zelfs
belachelijk, moesten een nog fijner practischen zin hebben en een
nog grooter verstand om te begrijpen dat, al zijn de redenen voor
de gebruiken verkeerd geweest, toch de gebruiken zelf noodzakelijke
methoden kunnen geweest zijn om persoonlijke en maatschappelijke
capaciteiten te verkrijgen. Het gebeurt voortdurend in den loop van
de beschaving, dat wij oude gebruiken moeten doen herleven, en dat
wij ze moeten voorzien van nieuwe redenen.
Als wij de moreele hoedanigheid van kuischheid onder de
natuurvolken beschouwen, dan moeten we zorgvuldig die kuischheid
afscheiden, die onder half barbaarsche volken uitsluitend
aan vrouwen opgelegd is. Deze heeft in het geheel geen moreele
hoedanigheid, want ze wordt niet uitgeoefend als een nuttige tucht,
maar ze wordt alleen opgedrongen om de economische en erotische
waarde van de vrouwen te verhoogen. Vele autoriteiten meenen, dat
het beschouwen van vrouwen als eigendom, de ware oorzaak is voor
het wijd verspreide aandringen op maagdelijkheid in bruiden. Zoo
zegt A. B. Ellis, waar hij spreekt over de Westkust van Afrika
(Yoruba-Speaking Peoples, pp. 183 et seq.), dat meisjes van goeden
stand verloofd worden terwijl ze nog slechts kinderen zijn, en dat
ze zorgvuldig tegen mannen beschermd worden; terwijl meisjes van
de lagere klassen zelden verloofd zijn, en mogen leven, zooals ze
dat zelf willen. "In deze gewoonte van kinderverlovingen vinden
we waarschijnlijk den sleutel tot dien merkwaardigen eerbied voor
kuischheid vóór het huwelijk, die niet alleen gevonden wordt onder
de stammen van de Goudkust en de Slavenkust, maar ook onder vele
andere onbeschaafde volken in verschillende deelen der wereld". In
een geheel anderen streek, in Noord-Siberië, "zien de Yakuts",
zooals Sieroshevski zegt (Journal Anthropological Institute,
Jan.--Juni 1901, p. 96), "niets immoreels in onwettige liefde, als
er maar niemand materieele schade door ondervindt. Het is waar,
dat ouders een dochter beknorren, als haar gedrag hen dreigt te
berooven van hun deel aan den bruidsschat; maar als zij eenmaal de
hoop verloren hebben haar uit te huwelijken, of als de bruidschat
betaald is, dan vertoonen zij een volkomen onverschilligheid voor
haar gedrag. Meisjes, die geen huwelijk meer verwachten, worden in
het geheel niet teruggehouden; als zij het decorum in acht nemen,
dan is dat alleen uit eerbied voor de gewoonte". Westermarck toont
ook (in History of Human Marriage, pp. 123 et seq.) het verband aan
tusschen de hooge achting voor de maagdelijkheid en de opvatting
de vrouw als bezit te beschouwen, en als hij in zijn later werk,
The Origin and Development of the Moral Ideas (vol. II, Ch. XLII),
op de kwestie terugkomt, na er op gewezen te hebben, dat "het
koophuwelijk zoo den standaard der vrouwelijke kuischheid heeft
verhoogd", verwijst hij (p. 437) naar het veelbeteekenend feit,
dat het verleiden van een ongetrouwd meisje "voornamelijk, zoo niet
uitsluitend, beschouwd wordt als een beleediging, aangedaan aan de
ouders of de familie van het meisje", en er is geen aanwijzing,
dat natuurvolken ooit gemeend hebben, dat er eenig kwaad gedaan
werd aan de vrouw zelf. Westermarck zegt terzelfder tijd, dat de
voorkeur aan maagdelijkheid gegeven, ook een biologischen basis
heeft in het instinctieve gevoel van jaloezie jegens vrouwen, die
omgang hebben gehad met andere mannen, en vooral in de erotische
bekoring, die er voor mannen gelegen is in den gemoedstoestand
van verlegenheid, die met maagdelijkheid samengaat.
Het is nauwelijks nodig hier bij te voegen, dat het aandringen op
maagdelijkheid van bruiden in het geheel niet, zooals A. B. Ellis
schijnt te meenen, beperkt is tot onbeschaafde volken, en het
is ook niet noodig, dat het koopen van vrouwen er altijd mede
samengaat. De voorkeur bestaat nog steeds, niet alleen krachtens
zijn natuurlijken biologischen basis, maar als een verfijning en
uitbreiding van het denkbeeld dat de vrouw eigendom is, onder
die volken, die evenals wijzelven een vorm van huwelijk hebben
geërfd, die tot zekere hoogte gebaseerd is op den koop van de
vrouw. Onder zulke omstandigheden heeft de kuischheid van een vrouw
een belangrijke maatschappelijke functie te vervullen, daar ze,
zooals Mrs. Mona Caird gezegd heeft (The Morality of Marriage,
1897, p. 88), de wachthond is van het bezit van den man. Het feit,
dat geen element van ideale moraal in het geding komt, blijkt wel
uit het gewoonlijk afwezig zijn van eenigen eisch van kuischheid
vóór het huwelijk bij den man.
Wij moeten niet meenen, dat, indien er, zooals meestal het geval
is, geen volkomen en voortdurend verbod van buitenechtelijken
omgang is, enkel onbeperkte vrijheid overheerschend is. Dat is
blijkbaar nooit ergens onder onvervalschte natuurvolken het geval
geweest. Regel is blijkbaar, dat er, evenals onder de stammen
in Straat Torres (Reports Cambridge Anthropological Expedition
vol. v, p. 275), geen volkomen onthouding is vóór het huwelijk,
maar ook geen onbeperkte vrijheid.
Het voorbeeld van Tahiti is leerrijk wat het algemeen voorkomen van
kuischheid betreft onder volken, die wij gewoonlijk beschouwen als
op lagen trap van beschaving staande. Tahiti is, volgens allen,
die het bezocht hebben, van de eerste onderzoekers af tot dien
beroemden Amerikaanschen dokter wijlen Dr. Nicholas Senn toe,
een eiland, dat eigenschappen bezit van natuurlijke schoonheid
en uitmuntendheid van klimaat, die we onmogelijk te hoog kunnen
stellen. "Ik scheen overgeplant te zijn in den hof van Eden",
zeide Bougainville in 1768. Maar, vooral onder den invloed van
de eerste Engelsche zendelingen, die denkbeelden hadden over
theoretische moraal, geheel verschillend van die van de bewoners
van die eilanden, zijn de bewoners van Tahiti het geijkte voorbeeld
geworden van een bevolking, overgegeven aan losbandigheid en
al de verschrikkelijke gevolgen ervan. Zoo zegt William Ellis
in zijn beroemde Polynesian Researches (second edition, 1832,
vol. i Ch. IX), dat de bewoners van Tahiti "de ergste bevlekkingen
in praktijk brachten, waaraan een mensch schuldig kon zijn",
hoewel hij ze niet nader aanduidt. Als wij echter zorgvuldig
de verhalen van de eerste bezoekers van Tahiti nagaan, voordat
de bevolking besmet werd door de aanraking met de Europeanen,
dan wordt het duidelijk, dat deze beschouwing ernstig behoefte
heeft aan wijziging. "De groote overvloed van goed en voedzaam
voedsel", schreef een der eerste onderzoekers, J. R. Forster
(Observations Made on a Voyage Round the World, 1778, pp. 231,
409, 422), "gepaard met het mooie klimaat, de schoonheid en de
toeschietelijkheid van de vrouwen van het land, noodigen zeer
tot de vreugden en genoegens van de liefde. Zij beginnen al zeer
vroeg zich over te geven aan de meest losbandige tooneelen. Hun
liederen, hun dansen en dramatische uitvoeringen, ademen een
geest van weelderigheid". Toch wordt hij ieder keer gedrongen
feiten mede te deelen, die blijk geven van de deugden van deze
menschen. Hoewel tamelijk verwijfd van bouw, zijn ze athletisch,
zegt hij. Bovendien vechten zij in hun oorlogen met grooten moed
en ongeëvenaarde dapperheid. Verder zijn ze gastvrij. Hij merkt
op, dat zij hun getrouwde vrouwen met grooten eerbied behandelen,
en dat de vrouwen over het algemeen bijna de gelijken zijn van
de mannen, zoowel in verstand als in maatschappelijke positie;
hij geeft een mooie beschrijving van de vrouwen. "In het kort,
hun karakter is zoo beminnelijk", besluit Forster, "als dat van
eenige natie, die ooit onverbeterd uit de handen der Natuur kwam",
en hij merkt op, dat, zooals door de volken van de Zuidzee in
het algemeen gevoeld werd, we altijd, als we naar dit gelukkige
eiland kwamen, duidelijk den rijkdom en het geluk van zijn inwoners
konden bemerken. Het is ook opmerkelijk, dat ondanks het groote
belang, dat de bewoners van Tahiti hechtten aan de erotische
zijde van het leven, zij niet te kort schoten in eerbied voor de
kuischheid. Toen Cook, die Tahiti verscheidene malen bezocht, te
midden van "dit welwillende en menschlievende" volk was, merkte
hij hun achting voor kuischheid op, en bevond hij, dat, niet
alleen verloofde meisjes streng bewaakt werden voor het huwelijk,
maar dat men ook meende, dat mannen, die zich eenigen tijd voor
het huwelijk van sexueelen omgang onthouden hadden, bij hun dood
onmiddellijk naar het verblijf der gezegenden overgingen. "Hun
gedrag schijnt, bij alle gelegenheden, een groote openhartigheid
en edelmoedigheid van aard aan te duiden. Ik heb ze nooit, onder
welke moeilijkheid ook, zien werken onder een schijn van angst,
nadat het kritieke oogenblik voorbij was. En ook schijnt nooit
de zorg hun voorhoofd te rimpelen. Integendeel kan zelfs de
nadering van den dood hun gewone levendigheid niet veranderen"
(Third voyage of Discovery, 1776-1780). Turnbull bezocht Tahiti
op een lateren tijd, (A Voyage Round the World in 1800, etc.,
pp. 374-5), maar terwijl hij allerlei ondeugden onder hen vindt,
moet hij toch hun deugden erkennen: "Hun wijze van vreemdelingen
toe te spreken, is, van den koning tot den minsten onderdaan,
in de hoogste mate beleefd en minzaam... Zij leven voorzeker
onder elkaar in meer harmonie dan het de gewoonte is onder
Europeanen. Den geheelen tijd, dat ik onder hen verkeerde, heb
ik nooit zoo iets als een gevecht gezien... Ik herinner mij niet,
dat ik ooit een bewoner van Tahiti gezien heb, die uit zijn humeur
was. Zij bespotten elkaar vrijer dan de Europeanen, maar deze
spotternijen worden nooit slecht opgenomen... Wat voedsel aangaat,
is het, geloof ik, een onveranderlijke wet in Tahiti, dat al wat
de een bezit, voor allen gemeenschappelijk is". Zoo zien we, dat
zelfs bij een volk, waarnaar gewoonlijk verwezen wordt als naar
het voorbeeld bij uitnemendheid van een natie, die overgegeven is
aan onbeteugelde losbandigheid, de eischen der kuischheid werden
erkend, en vele andere deugden krachtig bloeiden. De bewoners
van Tahiti waren dapper, gastvrij, vol zelfbedwang, beleefd, zij
sloegen acht op de behoeften van anderen, waren ridderlijk voor
vrouwen, waardeerden zelfs de voordeelen van sexueele beperking,
in een mate, zooals ze zelden of misschien wel nooit gekend is
onder die Christelijke naties, die op hen hebben neergezien,
alsof ze overgegeven waren aan verschrikkelijke ondeugden.
Als wij ons van de natuurvolken afwenden naar de volken in de
barbaarsche en de beschaafde stadiën, vinden wij een algemeene
neiging tot kuischheid, in zoover ze een gewoon bezit is onder de
lagere klassen, die minder in acht genomen behoeft te worden, of
alleen maar behouden wordt als een traditioneele conventie, die in
onbruik begint te geraken. De oude beweegredenen voor de kuischheid
in primitieve godsdiensten en tabu hebben hun kracht verloren en geen
nieuwe beweegredenen zijn ervoor in de plaats gekomen. "Hoewel de
vooruitgang der beschaving", schreef Gibbon lang geleden, "ongetwijfeld
er toe bijgedragen heeft de woestere hartstochten van de menschelijke
natuur te verzachten, schijnt ze minder gunstig geweest te zijn voor
de deugd der kuischheid", en Westermarck komt tot het besluit, dat
"ongeregelde betrekkingen tusschen de seksen over het geheel een
neiging hebben vertoond zich met den voortgang van de beschaving
te ontwikkelen".
Het voornaamste verschil in de maatschappelijke functie van kuischheid
als deugd, schijnt bij den overgang van primitieve toestanden tot de
hoogere stadiën van beschaving, te zijn, dat ze ophoudt te bestaan
als een algemeene hygiënische maatregel of als een algemeene regel
van ceremonieel, en voor het grootste deel beperkt wordt tot speciale
philosofische en godsdienstige sekten, die ze tot een uitersten graad,
min of meer als een beroep aankweeken. Dit is de stand van zaken in
het Romeinsche Keizerrijk tijdens de eerste eeuwen van het Christelijk
tijdperk [74]. Het Christendom zelf was in het begin een van die
sekten, welke bekoord waren door het ideaal van de kuischheid; maar
door zijn grootere levenskracht verving het al de andere en drong
ten slotte zijn idealen, niet zijn primitieve gebruiken, op aan de
Europeesche maatschappij in het algemeen.
De kuischheid vertoonde zich in het primitieve Christendom op twee
verschillende, toch niet aan elkaar tegenovergestelde wijzen. Aan den
eenen kant nam het een strengen en praktischen vorm aan bij krachtige
mannen en vrouwen, die, na opgevoed te zijn in een maatschappij,
die een hoogen graad van sexueele vrijheid toestaat, plotseling
overtuigd werden van het zondige van zulk een toegeven. De strijd
met de maatschappij, waarin ze geboren waren, en met hun eigen
oude aandriften en gewoonten, werd zoo hevig, dat zij zich dikwijls
gedrongen zagen zich geheel van de wereld terug te trekken. Zoo kwam
het, dat de dorre woestijnen van Egypte bevolkt werden met hermieten,
die zich voornamelijk bezig hielden met het vraagstuk, hun eigen
vleesch te onderwerpen. Men kan wel zeggen, dat hun aandacht voor
sexueele zaken, ook merkbaar in de oudste Christelijke literatuur,
veel grooter was, dan het geval was in de heidensche maatschappij,
die zij verlaten hadden. Het heidendom was toegevend in sexueele
aangelegenheden, en kon ze dus uit zijn gedachten bannen, zoodat we in
de klassieke literatuur zeer weinig melding vinden gemaakt van sexueele
bijzonderheden, behalve bij schrijvers zooals Martialis, Juvenalis en
Petronius, die ze speciaal voor satirische doeleinden invoeren. Maar de
Christenen konden niet ontsnappen aan de benauwenis der sexualiteit;
ze was altijd met hen. Wij krijgen nu en dan belangwekkende kijkjes
op hun worstelingen, in de Brieven van den heiligen Jeronimus, die
zelf een athleet geweest is in dezen ascetischen strijd.
"O, hoe dikwijls", schreef de heilige Jeronimus aan Antiochia,
de maagd aan wie hij een van de langste en meest belangwekkende
van zijn brieven richtte, "heb ik in de woestijn, in die wijde
eenzaamheid, die, verbrand door de gloeiende stralen der zon,
slechts een afschuwelijke woonplaats aanbiedt aan monniken, mijzelf
voorgesteld te midden van de genoegens van Rome! Ik was alleen,
want mijn ziel was vol bitterheid. Mijn ledematen waren bedekt
met een ellendigen zak en mijn huid was zoo zwart als die van een
Ethiopiër. Iederen dag weende en steunde ik, en als ik buiten
mijn wil door slaap overvallen werd, lag mijn magere lichaam
op den naakten grond. Ik zeg niets van mijn voedsel en drank,
want in de wildernis hebben zelfs zieken geen anderen drank dan
koud water, en gekookt voedsel wordt beschouwd als een weelde. Nu
dan, ik, die mijzelf uit vrees voor de hel tot deze gevangenis
veroordeeld had, een metgezel van schorpioenen en wilde dieren,
scheen dikwijls in mijn verbeelding onder troepen jonge meisjes
te vertoeven. Mijn gezicht was bleek van het vasten en mijn geest
in mijn koude lichaam gloeide van begeerte; het vuur der wellust
vlamde nog op in een lichaam, dat reeds dood scheen. Dan, van alle
hulp verstoken als ik was, wierp ik mij voor de voeten van Jezus,
waschte ze met mijn tranen en droogde ze met mijn haren en bracht
mijn vleesch door lang vasten ten onder. Ik herinner mij, dat ik
meer dan eens den nacht doorbracht schreeuwende en mij op de borst
slaande, tot God mij vrede zond". "Onze eeuw", schreef de heilige
Chrysostomus in zijn Discourse to Those Who keep Virgins in Their
Houses, "heeft vele mannen gezien, die hun lichamen met kettingen
gebonden hebben, die zich gekleed hebben in zakken, die zich
teruggetrokken hebben tot de toppen der bergen, waar zij geleefd
hebben in voortdurend bidden en vasten, en die het voorbeeld gaven
van de strengste tucht en alle vrouwen verboden den drempel van hun
nederige woning te overtreden; en toch, ondanks al de gestrengheid,
die zij op zichzelf toepasten, konden zij nog maar met moeite de
woede van hun hartstochten onderdrukken". Hilarion, zegt Jeronimus,
zag visioenen van naakte vrouwen als hij neerlag op zijn eenzaam
leger, en heerlijke maaltijden, als hij neerzat aan zijn sober
maal. Zulke ondervindingen maakten de eerste heiligen zeer
nauwgezet. "Zij zeiden", zoo vertelt men ons in de belangwekkende
geschiedenis van de Egyptische kluizenaars in het Paradise of the
Holy Fathers van Palladius, hetwelk behoort tot de vierde eeuw
(A. W. Budge, The Paradise, vol. II, p. 129), "dat Abbâ Isaac
uitging en op den weg een voetspoor van een vrouw vond, en hij
dacht er over na in zijn geest en vernietigde hem, zeggende, "als
een broeder hem ziet, zou hij kunnen vallen"." Evenzoo mochten,
volgens de regels van den heiligen Caesarius van Arles voor nonnen,
geen kleedingstukken van mannen in het klooster gebracht worden
om ze te wasschen of te verstellen. Zelfs in den ouderdom bleef
er nog een zekere ongerustheid bestaan over de kuischheid. Een
van de broeders, naar ons verteld wordt in The Paradise (p. 132)
zeide tot Abbâ Zeno, "Zie, gij zijt oud geworden, hoe is het
met de ontucht?" De waardige heilige antwoordde, "Ze klopt aan,
maar ze gaat voorbij".
Naarmate de eeuwen voorbijgingen bleef dezelfde groote ongerustheid
nog bestaan, en de oude strijd kwam voortdurend weer voor den dag
(zie b.v. Migne's Dictionnaire d'Ascétisme, art. "Démon, Tentation
du"). Het is waar, dat sommige heiligen zoo bovenaardsch aangelegd
waren, dat zij nooit den prikkel van het sexueel verlangen
gevoelden. Deze schijnen echter uitzondering geweest te zijn. De
heilige Benedictus en de heilige Franciscus ondervonden zeer zeker
de moeilijkheid van het ten onder brengen van het vleesch. De
heilige Magdalena de Pozzi rolde zich, om sexueele verlangens te
verjagen, tot bloedens toe op doornige struiken. Sommige heiligen
hadden een speciale ton met water in hun cellen waar ze in konden
gaan staan (Lea, Sacerdotal Celibacy, vol. I, p. 124). Aan den
anderen kant vertelt ons de heilige Angela de Fulginio in haar
Visiones (cap. XIX) dat zij, zoolang, totdat haar biechtvader het
haar verbood, brandende kolen in haar geheime deelen bracht, in de
hoop door werkelijk vuur het branden van de ontuchtige begeerte
uit te dooven. St. Aldhelm, de heilige bisschop van Sherborne in
de achtste eeuw, nam ook een homoeopathische wijze van behandelen
aan, en dan van een meer letterlijke soort, want William van
Malmsbury zegt, dat hij, als hij door het vleesch in verleiding
kwam, vrouwen bij zich liet komen zitten en liggen, totdat hij
weer kalm werd; de methode bleek zeer doelmatig, omdat, naar men
meende, de Duivel voelde, dat hij voor den gek was gehouden.
Na eenigen tijd werd de Katholieke praktijk en theorie van
het ascetisme meer formeel en uitgebreid, en de weldadige
gevolgen ervan strekten zich, naar men meende, verder uit dan
het individu zelf. "Ascetisme van het Christelijk standpunt",
schrijft Brenier de Montmorand in een belangwekkende studie
("Ascétisme et Mysticisme", Revue Philosophique, Maart, 1904)
"is niets anders dan al de therapeutische middelen, samenwerkend
tot moreele heiliging. De Christelijke asceet is een athleet,
die zijn verdorven natuur tracht te veranderen en een weg tot God
te banen door de hinderpalen heen, die door zijn hartstochten en
door de wereld veroorzaakt worden. Hij werkt niet alleen in zijn
eigen belang, maar--door den terugslag van verdienste, welke die
der solidariteit in de dwaling weer goed maakt--voor het nut en
het heil van de geheele maatschappij".
Dit is het gezichtspunt van de ascese, waarop het oudste Christendom
het meest den nadruk gelegd heeft. Maar er is een ander gezichtspunt,
dat misschien minder gewoon is, maar dat in het geheel niet minder
van belang is geweest. Primitieve Christelijke kuischheid was
aan den eenen kant een strenge tucht. Aan den anderen kant was ze
romantisch en dit was wel de meest speciaal Christelijke kant, want
athletisch ascetisme is verbonden geweest met de meest verschillende
godsdienstige en philosofische geloofsbelijdenissen. Als ze niet de
bekoring bezeten had van een nieuwe sensatie, van een verrukkelijke
vrijheid, van een onbekend avontuur, dan zou ze nooit de Europeesche
wereld veroverd hebben. Er zijn er in die wereld maar enkelen, die
den aanleg voor moreele athleten in zich hebben; er zijn er velen,
die op de aantrekkelijkheid van het romantische reageeren.
De Christenen verwierpen de grovere vormen van sexueel toegeven,
maar terwijl ze dat deden, gaven zij zich met des te meer ijver over
aan de meer verfijnde vormen van sexueele intimiteit. Zij kweekten
een verhouding aan van broeders en zusters, zij kusten elkaar; op een
bepaalden tijd schaamden zij zich niet, bij de geestelijke braspartij
van den doop bij voorbeeld, volkomen naakt te zijn [75].
Een zeer leerrijk beeld van de vormen, die de kuischheid onder de
eerste Christenen aannam, is ons gegeven in de verhandeling van
den heiligen Chrysostomus Against Those who Keep Virgins in their
Houses. Onze vaders, begint Chrysostomus, kenden alleen maar twee
vormen van sexueele intimiteit, huwelijk en ontucht. Nu is er een
nieuwe vorm voor den dag gekomen: mannen nemen jonge meisjes in hun
huis en houden die daar doorloopend, terwijl ze haar maagdelijkheid
eerbiedigen. "Wat", vraagt Chrysostomus, "is de reden? Het schijnt
mij toe, dat het leven te zamen met een vrouw, aangenaam is,
zelfs buiten huwelijksvereeniging en vleeschelijken omgang. Dat
is mijn gevoelen; en misschien is het niet mijn gevoelen alleen;
het is misschien ook het gevoelen van deze mannen. Zij zouden hun
eer niet zoo te grabbel gooien en geen aanleiding geven tot zulke
schandalen, als dit genoegen niet hevig en tyranniek was.... Dat deze
verhouding werkelijk genoegen geeft, dat ze een liefde veroorzaakt,
die vuriger is dan huwelijksvereeniging, zal u misschien in het eerst
verwonderen. Maar als ik u de bewijzen geef, zult ge overtuigd zijn
van de waarheid mijner bewering". In het huwelijk, gaat hij voort,
leidt de afwezigheid van beperking der begeerte dikwijls tot spoedige
walging, en zelfs afgezien daarvan verwoesten de sexueele omgang,
zwangerschap, geboorte, het zoogen, het opvoeden van kinderen, en
al de moeiten en pijnen en angsten, die met deze dingen samengaan,
de jeugd en stompen het genoegen af. De maagd is vrij van deze
lasten. Zij behoudt haar kracht en jeugd, en zelfs op den leeftijd
van veertig kan zij wedijveren met het jonge huwbare meisje. "Een
dubbele gloed brandt dus in het hart van hem, die haar liefheeft
en met haar leeft, en nooit dooft de bevrediging van het verlangen
de heldere vlam, die voortdurend in kracht toeneemt". Chrysostomus
beschrijft in bijzonderheden al de kleine zorgen en attenties, waaraan
de moderne meisjes van zijn tijd behoefte hadden, en die deze mannen
met vreugde aan hun maagdelijke geliefden besteedden, zoowel in het
publiek als tehuis. Hij kan echter niet nalaten te denken, dat de
man, die een vrouw, wier maagdelijkheid hij eerbiedigt, met kussen
en liefkoozingen overlaadt, zichzelf Tantaluskwellingen aandoet. Maar
deze nieuwe verfijning van teedere kuischheid, die als een heerlijke
ontdekking kwam tot de eerste Christenen, die resoluut de losbandigheid
van de heidensche wereld hadden verworpen, had diepe wortels geschoten,
zooals wij kunnen opmerken uit de veelvuldigheid, waarmee de ernstige
Kerkvaders, bang voor schandaal, zich geroepen gevoelden ze te laken,
hoewel hun veroordeeling soms niet zonder geheime sympathie is [76].
Er was éen vorm, waarin de nieuwe Christelijke kuischheid overvloedig
en ongehinderd bloeide: zij maakte zich meester van de literatuur. De
bekoorlijkste en zeker de meest populaire literatuur van de oudste
kerk vormden de onnoemelijk vele legenden van erotische kuischheid--tot
zekere hoogte misschien wel gebaseerd op feiten--die samengevat zijn in
de Acta Sanctorum. Wij kunnen, zelfs in de meest eenvoudige en weinig
wonderbaarlijke oudste Christelijke verslagen van het martelaarschap
van vrouwen zien, dat de schrijvers zich volkomen bewust waren van
de teere bekoring van de heldin, die, evenals Perpetua, in Carthago,
door wilde dieren in de arena heen en weer geworpen, opstaat om zich
in haar gescheurde kleeren te hullen en haar verwarde haren in orde
te brengen [77]. Van deze legenden tot de verhalen van romantisch
avontuur was een gemakkelijke stap. Onder deze heerlijke verhalen mag
ik voornamelijk verwijzen naar de legende van Thekla, die, misschien
wel ten onrechte, al in de eerste eeuw gesteld wordt, "De Bruid en
Bruidegom van Indië" in de handelingen van Judas Thomas, "De Maagd van
Antiochië", verteld door den heiligen Ambrosius, de geschiedenis van
"Achillus en Nereus", "Mygdonia en Karish", en "Twee Minnenden van
Auvergne", zooals ze verteld zijn door Gregorius van Tours. De oudste
Christelijke literatuur is vol van verhalen van minnenden, die hun
kuischheid bewaard hadden, en die toch de heerlijkste geheimen van
de liefde hadden ontdekt.
Thekla's dag is de drie en twintigste September. Er is een zeer
goede Syrische lezing (door Lipsius en anderen beschouwd als ouder
dan de Grieksche vertaling) van de Handelingen van Paul en Thekla
(zie b.v. van Wright, de Apocryphal Acts). Deze Acts behooren
tot het tweede gedeelte van de tweede eeuw. De geschiedenis is,
dat Thekla, daar ze weerstand bood aan den hartstocht van den
hoogepriester van Syrië, naakt op een gordel (subligaculum) na,
geplaatst werd op den rug van een leeuwin, die haar de voeten
likte en tegen de andere dieren vocht, en die bij haar verdediging
stierf. De andere dieren deden haar echter geen kwaad en zij werd
eindelijk los gelaten. Een koningin overlaadde haar met geld, zij
veranderde haar kleeding om er als een man uit te zien, ging op
reis om Paulus te ontmoeten, en bereikte een hoogen ouderdom. Sir
W. M. Ramsay heeft een belangwekkende studie over deze Handelingen
geschreven (The Church in the Roman Empire, hoofdstuk XVI). Hij
meent, dat de Handelingen hun grondslag vinden in een document
uit de eerste eeuw, en hij ziet kans om verscheidene elementen
van waarheid uit het verhaal los te warren. Hij zegt, dat het
het eenige bewijs is, hetwelk wij bezitten van de denkbeelden en
van de daden van vrouwen gedurende de eerste eeuw in Klein-Azië,
waar haar positie zoo hoog was en haar invloed zoo groot. Thekla
vertegenwoordigt de handhaving van de rechten der vrouw en zij
diende het sacrament van den doop toe, hoewel deze trekken in
de bestaande vertalingen van de Handelingen onduidelijk geworden
zijn of uitgewischt.
Sommige van de meest typische van deze Christelijke legenden
worden beschreven als Gnostisch in oorsprong, met iets van de
zaden van het Manichaeisch dualisme, die vervat waren in den
schoot van het gnosticisme, terwijl de geest van deze legenden ook
zeer Montanistisch is, met de gemengde kuischheid en gloed, den
uitgesproken feministischen toon, die past bij den oorsprong ervan
in Klein-Azië, en die het kenmerk was van het Montanisme. Het kan
echter niet ontkend worden, dat zij in grooten getale overgingen
in den stroom van Christelijke traditie, en een essentieel
en belangwekkend deel van die traditie vormen. (Renan wijst,
in zijn Marc-Aurèle, hoofdst. IX en XV, op de enorme schuld van
het Christendom aan Gnostische en Montanistische bijdragen). Een
karakteristiek voorbeeld is de geschiedenis van "De Verloofde uit
Indië" in de Handelingen van Judas Thomas (Wright's Apocryphal
Acts). Judas Thomas werd door zijn meester Jezus verkocht aan een
Indischen koopman, die een timmerman noodig had om met hem naar
Indië te gaan. Toen ze zich in de stad Sandaruk ontscheepten,
hoorden ze de tonen van muziek en zang, en werd hun verteld, dat
het het huwelijksfeest was van de dochter des konings, waarbij
allen moesten tegenwoordig zijn, rijken en armen, slaven en vrijen,
vreemdelingen en burgers. Judas Thomas ging, met zijn nieuwen
meester naar het feestmaal en lag aan, met een myrthe guirlande
op zijn hoofd geplaatst. Toen een Joodsche fluitspeler kwam en
tegenover hem ging staan en speelde, zong hij de liederen van
Christus, en zij zagen, dat hij schooner was dan allen, die daar
waren en de koning liet hem roepen om het jonge paar te zegenen in
de huwelijkskamer. En toen zij allen weg waren gegaan en de deur
van de huwelijkskamer gesloten was, naderde de bruigom de bruid, en
het scheen hem toe, alsof Judas Thomas nog met haar praatte. Maar
het was onze Heer, die tot hem zeide: "Ik ben niet Judas, maar
zijnen broeder". En onze Heer zat neer op het bed naast de jonge
menschen en begon tot ze te zeggen: "Herinner u, mijn kinderen,
wat mijn broeder tot u gesproken heeft, en weet aan wien hij u
opgedragen heeft, en weet, dat als gij uzelven bewaart voor dien
onreinen omgang, gij reine tempels zult worden en beveiligd tegen
vele en verborgen smarten en tegen den zwaren zorg van kinderen,
waarvan het einde altijd bittere smart is. Om hunnentwille zult
gij onderdrukkers worden en roovers, en gij zult bitter lijden
door hun verkeerdheden. Want kinderen zijn de oorzaak van vele
ellenden; hetzij de koning beslag op hen legt, of dat een duivel
ze te pakken neemt, of dat zij bezocht worden door verlamming. En
als zij gezond zijn, komen zij tot het kwade, door echtbreken of
diefstal, of ontucht of begeerte, of ijdelheid. Maar als gij u door
mij wilt laten raden, en uzelven rein voor God zult bewaren, dan
zult gij levende kinderen hebben, tot wie geen van deze ellenden en
bezwaren komen; en gij zult zonder zorg zijn en zonder ergernis en
zonder smart, en gij zult hopen op den tijd, waarop gij het ware
huwelijksfeest zult aanschouwen". Het jonge paar was overtuigd;
zij zagen van den wellust af en onze Heer verdween. En 's morgens
toen de dag aanbrak, liet de koning de tafel vroeg aanrichten,
en bracht die binnen bij den bruidegom en de bruid. En hij vond
ze tegenover elkaar zitten, en het gelaat der bruid was onbedekt
en de bruidegom was zeer vroolijk. De moeder van de bruid zeide
tot haar: "Waarom zit je zoo en schaam je je niet, maar doet net
alsof je al lang getrouwd waart, vele dagen?" En ook haar vader
zeide tot haar: "Is het de groote liefde voor je echtgenoot,
die je ervan terughoudt je te sluieren?" En de bruid antwoordde
en zeide: "Waarlijk vader, mijn liefde is zeer groot, en ik bid
den Heer, dat ik deze liefde, die ik vannacht ondervonden heb,
zal blijven behouden. Ik ben niet gesluierd, omdat de sluier der
verdorvenheid van mij afgenomen is, en ik schaam mij niet, omdat
de daad, die schaamte geeft, ver van mij verwijderd is, en ik ben
opgewekt en vroolijk, en ik veracht deze daad der verdorvenheid en
de vreugden van dit huwelijksfeest, omdat ik uitgenoodigd ben tot
het ware huwelijksfeest, Ik heb met mijn echtgenoot geen omgang
gehad, waarvan het einde bitter berouw is, omdat ik verloofd
ben met den waren Echtgenoot". De echtgenoot antwoordde ook in
dezelfden geest, zeer natuurlijk tot schrik van den Koning, die
een bode zond naar den toovenaar, aan wien hij gevraagd had zijn
ongelukkige dochter te zegenen. Maar Judas Thomas had de stad
reeds verlaten en in de herberg, waar hij gelogeerd had, vond de
bottelier van den Koning alleen den fluitspeler, die daar zat en
weende, omdat hij hem niet meegenomen had. Hij was echter blij,
toen hij hoorde wat er gebeurd was, haastte zich naar het jonge
paar en woonde daarna altijd met hen samen. De Koning werd ten
slotte ook verzoend en alles eindigde in kuischheid en geluk.
In deze zelfde Handelingen van Judas Thomas, die niet van later
datum zijn dan van de vierde eeuw, vinden we (vierde daad),
de geschiedenis van Mygdonia en Karish. Mygdonia, de vrouw van
Karish, wordt door Thomas overtuigd en vlucht, naakt, alleen
bedekt door een gordijn van de kamerdeur, dat zij omgeslagen heeft,
van haar echtgenoot naar haar oude min. Met de min gaat zij naar
Thomas, die heilige olie over haar hoofd giet, terwijl hij de min
verzoekt haar er geheel mee te zalven; dan wordt er een laken om
haar lendenen geslagen en hij doopt haar; waarna zij aangekleed
wordt en hij haar het sacrament geeft. De jonge verrukking over
de kuischheid wordt soms lyrisch, en Judas Thomas roept uit:
"Reinheid is de athleet, die niet overwonnen wordt. Reinheid
is de waarheid, die niet terugdeinst. Reinheid is waardig voor
God, een vertrouwde dienares voor Hem te zijn. Reinheid is de
boodschapper van eendracht, die de vredestijdingen brengt".
Een andere kuischheidslegende wordt gegeven in de episode
van Drusiana in The history of the Apostles, die volgens de
traditie toegeschreven wordt aan Abdias, den Bisschop van Babylon
(Bk. v. hoofdst. IV, et seq.). Drusiana is de vrouw van Andronicus;
ze is zoo vroom, dat ze geen omgang met hem wil hebben. De
jongeling Callimachus wordt doodelijk op haar verliefd, en zijn
verliefde pogingen hebben vele opwindende avonturen ten gevolge,
maar ten slotte overwint de kuischheid van Drusiana.
Een karakteristiek voorbeeld van de literatuur die wij hier
bedoelen, is de geschiedenis van den heiligen Ambrosius over
"de Maagd in het Bordeel" (verteld in zijn De Virginibus, Migne's
editie van de werken van Ambrosius, deelen iii-iv, p. 211). Een
zekere maagd, vertelt de heilige Ambrosius ons, die onlangs in
Antiochië woonde, werd veroordeeld om òf aan de goden te worden
geofferd òf om naar het bordeel te gaan. Zij koos het laatste
alternatief. Maar de eerste man, die bij haar binnen kwam, was een
Christen soldaat, die haar "zuster" noemde en die haar verzocht
niet te vreezen. Hij stelde voor, dat zij van kleederen zouden
verwisselen. Dit werd gedaan en zij ontsnapte, terwijl de soldaat
weggevoerd werd, om ter dood gebracht te worden. Op de plaats
van de terechtstelling kwam zij echter te voorschijn en riep,
dat het niet den dood was, dien ze vreesde, maar de schande. Hij
stond er echter op, dat hij in haar plaats ter dood veroordeeld
werd. Ten slotte werd de kroon van het martelaarschap, waarvoor
ze gestreden hadden, aan beiden toegekend.
In de oudere documenten van deze romantische literatuur der
kuischheid nemen we voortdurend waar, dat er op kuischheid
aangedrongen wordt, volstrekt niet voornamelijk om de belooning
ervoor na den dood, en ook zelfs niet, omdat de maagd, die er
zich aan wijdt, in Christus een altijd jongen minnaar ziet,
wiens guldenharige schoonheid soms met nadruk vermeld wordt. De
voornaamste bekoring ervan ligt in de eigen vrijheid, en in de
zekerheid, dat men ontkomt aan al de moeiten, ongemakken en banden
van het huwelijk. Deze oudste Christelijke beweging van romantische
kuischheid was klaarblijkelijk in groote mate een opstand van
vrouwen tegen de mannen en tegen het huwelijk. Dit wordt wel
duidelijk uit de leerzame geschiedenis, die men veronderstelt dat
haar oorsprong heeft in de derde eeuw, van de eunuchen Achilles
en Nereus, zooals ze verteld wordt in de Acta Sanctorum, van den
12en Mei. Achilles en Nereus waren Christelijke eunuchen van de
slaapkamer van Domitia, een maagd van edele geboorte, die verwant
was aan Keizer Domitianus en verloofd met Aurelianus, den zoon van
den consul. Eens, toen hun meesteres bezig was zich te versieren
met haar juweelen en haar purperen gewaden, met goud geborduurd,
begonnen zij om beurten haar te spreken over al de genoegens en
voordeelen van de maagdelijkheid, vergeleken met een huwelijk met
niet meer dan één man. Zij had ten gevolge daarvan veel te lijden
van Aurelianus, en toen hij bewerkte, dat zij naar een eiland
verbannen werd, ging zij daarheen met Achilles en Nereus, die ter
dood gebracht werden. Als een onderdeel van het verhaal wordt de
dood van Felicula, een andere kuischheidsheldin, beschreven. Toen
zij op de pijnbank gelegd werd, weigerde zij voortdurend Jezus
te verloochenen, dien zij haar minnaar noemde. "Ego non nego
amatorem meum".
Een speciale afdeeling van deze literatuur heeft betrekking
op de geschiedenissen van de bekeeringen of het berouw van
courtisanes. De heilige Martinianus bijvoorbeeld (Feb. 13) werd
in verleiding gebracht door de courtisane Zoe, maar bekeerde
haar. De geschiedenis van de heilige Margaretha van Cortona
(Feb. 22), een berouwvolle courtisane, is van lateren datum,
want zij behoort tot de dertiende eeuw. Het mooiste document in
deze literatuur is waarschijnlijk de laatste, de Italiaansche
stichtelijke legende uit de veertiende eeuw, genaamd The Life
of Saint Mary Magdalen, die gewoonlijk in verband gebracht wordt
met den naam van Frater Dominico Cavalca. (Ze is in het Engelsch
vertaald). Het is de zoo fijn en mooi vertelde legende van de
kuische en hartstochtelijke liefde van de beminnelijke zondares
Maria Magdalena voor haar geliefden Meester.
Naarmate de tijd verliep, werd het aandringen op de vreugden
van de kuischheid in dit leven minder in het oog vallend, en
werd zij meer en meer beschouwd als de toestand, die alleen zijn
volledige belooning vindt in het toekomstig leven. Toch worden
zelfs in de bekoorlijke geschiedenis van Gregorius van Tours van
"De Twee minnenden van Auvergne", waarin deze houding duidelijk
is, de genoegens van kuische liefde in dit leven evenzeer op den
voorgrond gesteld als in een van de eerste legenden (Historia
Francorum, lib. I, hoofdst. XLII). Twee senatoren van Auvergne
hadden ieder een eenig kind en die verloofden zij met elkaar. Toen
de huwelijksdag kwam en het jonge paar te bed gelegd was, keerde de
bruid zich naar den muur en weende bitterlijk. De bruidegom smeekte
haar hem te zeggen wat er was; toen keerde zij zich tot hem en
zeide, dat zij haar verdriet niet kon uitwisschen, al zou zij al de
dagen van haar leven weenen, want dat zij besloten had haar kleine
lichaam onbevlekt aan Christus te geven, onaangeroerd door mannen;
nu had zij in plaats van onsterfelijke rozen alleen maar verlepte
rozen op haar voorhoofd gehad, die het eer mismaakten dan dat zij
het versierden, en in plaats van den bruidsschat van het Paradijs,
dien Christus haar beloofd had, was zij de echtgenoote geworden
van een sterfelijk man. Zij beklaagde haar droevig lot lang en met
veel liefelijke welsprekendheid. Ten laatste voelde de bruidegom,
door haar lieve woorden overtuigd, dat het eeuwige leven voor
hem geschenen had als een groot licht, en verklaarde hij, dat
als zij zich wenschte te onthouden van vleeschelijke begeerten,
hij dat ook wilde. Zij was zeer dankbaar, en met gevouwen handen
vielen zij in slaap. Verscheidene jaren leefden zij zoo te
zamen, in kuischheid hetzelfde bed deelende. Ten slotte stierf
zij en werd begraven; haar minnaar gaf haar onbevlekt over in de
handen van Christus. Spoedig daarna stierf ook hij en werd in een
afzonderlijke graftombe begraven. Toen geschiedde er een wonder,
dat de grootschheid van deze kuische liefde duidelijk in het licht
stelde, want de twee lichamen werden gevonden, op geheimzinnige
wijze bijeen geplaatst. Tot op dezen dag, zoo besluit Gregorius
(schrijvende in de zesde eeuw), noemen de menschen van de plaats
hen "De Twee Minnenden".
Hoewel Renan (Marc-Aurèle, hoofdst. XV) met korte woorden de
aandacht op het bestaan van deze uitgebreide oude Christelijke
literatuur vestigt, die de romantiek der kuischheid voortzet,
schijnt ze tot nog toe weinig of niet bestudeerd te zijn. Ze heeft
echter groot belang, niet alleen om zichzelf, maar ter wille van de
psychologische beteekenis, daar ze den aard van de beweegkrachten
duidelijk maakt, die de kuischheid gemakkelijk en aantrekkelijk
maakten voor de menschen van de vroegste Christelijke wereld,
zelfs als ze volkomen sexueele abstinentie met zich bracht. De
oude Kerk vervloekte de erotiek van de Heidensche wereld en bande
ze uit op de meest krachtdadige wijze door een eigen nieuwe en
fijnere erotiek er voor in de plaats te stellen.
Gedurende de middeleeuwen begon de oorspronkelijke frischheid
van de Christelijke kuischheid haar bekoring te verliezen. Geen
kuischheidslegenden werden geschreven en in het werkelijke
leven zochten de menschen geen avonturen meer op het gebied der
kuischheid. Voor zoover de oude idealen al in leven bleven, was dit
op het wereldsch gebied der ridderlijkheid. De laatste bekende figuur,
die streefde naar de heldenfeiten van de eerste Christenen was Robert
van Arbrissel in Normandië.
Robert van Arbrissel, die, in de elfde eeuw, de beroemde en bekende
orde van Fontevrault voor vrouwen stichtte, kwam uit Bretagne. Deze
Keltische oorsprong is ongetwijfeld van beteekenis, want hij
kan misschien zijn nooit falenden ijver en zijn enthusiaste
vereering voor vrouwen verklaren. Zelfs zij, onder zijn vrienden,
die afkeurden wat zij zijn schandelijk gedrag noemden, leggen
getuigenis af van zijn nooit falend vroolijk temperament,
zijn wakkerheid in het handelen, zijn bereidwilligheid voor
welke daad van humaniteit ook en zijn volkomen vrij zijn van
gestrengheid. Hij trok groote massa's menschen van allerlei
soort aan, vooral vrouwen, ook prostituées, en zijn invloed
over vrouwen was groot. Eens ging hij in een bordeel om zijn
voeten te warmen en bekeerde terloops alle vrouwen die daar
waren. "Wie zijt gij?" vroeg een van haar, "ik ben hier al vijf
en twintig jaar en niemand is mij hier ooit komen spreken over
God". Robert's betrekking tot de nonnen van Fontevrault was
zeer intiem, en hij sliep dikwijls met haar. Dit wordt door
vrienden van hem, bisschoppen en abten, nauwkeurig beschreven,
waarvan een opmerkt, dat Robert "een nieuwen, maar vruchteloozen
vorm van martelaarschap ontdekt had". Een koninklijke abdis van
Fontevrault, in de zeventiende eeuw, beweerde, dat de vereerde
stichter van de orde met geen mogelijkheid schuldig kon geweest
zijn aan zulk schandelijk gedrag, en dat de brieven daarom valsch
moesten zijn en liet de origineelen vernietigen voor zoover dat
mogelijk was. De Bollandisten namen, in een niet wetenschappelijk
en onvolledig verslag van de zaak (Acta Sanctorum, Feb. 25),
dit gezichtspunt over. J. von Walter echter toont in een onlangs
verschenen en grondige studie over Robert van Arbrissel (Die Ersten
Wanderprediger Frankreichs, deel I) aan, dat er hoegenaamd geen
reden is om aan het echte, authentieke en betrouwbare karakter
van de bestreden brieven te twijfelen.
De vroeg-Christelijke kuischheidslegenden hadden echter hun
opvolgers. Aucassin et Nicolette, dat waarschijnlijk in Noordelijk
Frankrijk geschreven is tegen het einde van de twaalfde eeuw, is
vooral de afstammeling van de geschiedenissen in de Acta Sanctorum en
elders. Het belichaamde hun geest, droeg hem verder en vereenigde
hun teer gevoel voor kuischheid en reinheid met het ideaal van
monogamische liefde. Aucassin et Nicolette was de doodsklok van de
primitief Christelijke kuischheidslegende. Het was de ontdekking,
dat de kuische verfijningen van teerheid en toewijding mogelijk waren
binnen de strikt normale sfeer van sexueele liefde.
Er waren minstens twee oorzaken, die de neiging hadden de primitief
Christelijke voorliefde voor de kuischheid uit te wisschen,
zelfs afgezonderd van den invloed van de Kerk-autoriteiten bij
het terugdringen van de romantische uitingen ervan. In de eerste
plaats verwijderde het ondergaan van de oude heidensche wereld,
met zijn gewoonte en tot op zekere hoogte zijn ideaal van sexueele
toegevendheid, den achtergrond, die gratie en teerheid gegeven had
aan de teedere vrijheid der jonge Christenen. In de tweede plaats
waren de gestrengheden, die de eerste Christenen met vreugde
in praktijk hadden gebracht ter wille van de gezondheid hunner
ziel, beroofd van hun bekoring en vrijwilligheid, toen zij tot een
formeel deel gemaakt waren van strafwetboeken voor zonde, eerst in
de Poenitentialia en later in de handen van biechtvaders. Dit was,
we mogen het er aan toevoegen, te meer noodzakelijk geworden, omdat
het ideaal van Christelijke kuischheid niet langer in ruimen kring
het bezit was van verfijnde menschen, die immuun gemaakt waren tegen
heidensche losbandigheid, doordat zij te midden daarvan opgevoed waren
en er zelf in ondergedompeld waren geweest. Het was klaarblijkelijk
van het begin af aan een ernstige zaak voor de hartstochtelijke
Noord-Afrikanen het ideaal van kuischheid te handhaven en toen het
Christendom zich over Noordelijk Europa verspreidde, scheen het
bijna een hopelooze taak de idealen ervan te acclamatiseeren onder
de wilde Germanen. Later werd het noodig, het celibaat aan de vaste
geestelijkheid op te leggen door de sterke kracht van kerkelijke
authoriteit, terwijl vrijwillig celibaat alleen levendig gehouden
werd door een opeenvolgende reeks van godsdienstige enthusiasten, die
telkens weer nieuwe orden stichtten. Een ascetisme, dat zoo opgedrongen
was, kon niet altijd vergezeld gaan van de vurige exaltatie, die noodig
is om het in stand te houden, en in zijn kunstmatige pogingen tot
zelfbehoud, viel het dikwijls van de onzekere hoogten in de diepten van
onbeteugelde losbandigheid [78]. Toen de middeleeuwen voorbij waren,
begonnen helderziende denkers het fatale van alle gewaagde pogingen
om de normale grenzen van de menschelijkheid te buiten te gaan,
te erkennen. "Qui veut faire l'ange", zeide Pascal, terwijl hij met
scherpte deze beschouwing van de zaak opsomde, "fait la bête". Dat
was dikwijls duidelijk gebleken in de geschiedenis van de Kerk.
In de zevende eeuw begonnen de Poenitentialia in gebruik te komen;
ze werden gedurende de negende en tiende eeuw zeer overheerschend
en hadden groote authoriteit. Zij waren wetslichamen, gedeeltelijk
geestelijk en gedeeltelijk wereldsch, en werden gegoten in den
vorm van catalogussen van vergrijpen met de juiste maat van straf,
voorgeschreven voor ieder vergrijp. Zij vertegenwoordigden de
introductie van maatschappelijke orde onder ongetemde barbaren
en waren meer wetboeken van strafwet dan deel van een systeem van
sacramenteele confessie en boetedoening. In Frankrijk en Spanje,
waar reeds orde en regel bestond op een Christelijke basis,
waren zij weinig noodig. Zij hadden hun oorsprong in Ierland en
Engeland en bloeiden voornamelijk in Duitschland; Karel de Groote
ondersteunde ze (zie, b.v. Lea, History of Auricular Confession,
deel II, p. 96, ook hoofdst. XVII; Hugh Williams, uitgave van
Gildas, deel II, Appendix 3; de voornaamste Poenitentialia
worden vermeld in de Bussordnungen van Wasserschleben). In 1216
maakte het Lateraansch concilie, onder Innocentius III, biechten
verplichtend. Het voorrecht van den priester om de mate van de
straf te regelen naar omstandigheden met grooter buigzaamheid
dan de strenge Poenitentialia toelieten, werd eerst absoluut
gehandhaafd door Peter van Poitiers. Toen wierp Alain van Rijssel
de Poenitentialia als verouderd ter zijde en verklaarde, dat de
priester zelf navraag moest doen naar de omstandigheden van iedere
zonde en precies de schuld ervan moest afwegen. (Lea, op. cit.,
deel II, p. 171).
Lang voor dezen tijd echter hadden de idealen der kuischheid,
voor zoover zij een belangrijke mate van zelfbeheersching in
zich sloten, ofschoon zij stevig vast gegroeid waren in de
conventioneele tradities en idealen van de Christelijke Kerk,
opgehouden eenige bekoring of kracht te hebben voor de bevolking,
die in het Christendom leefde. Onder de Noordelijke barbaren,
met hun verschillende tradities van een krachtiger en natuurlijker
soort achter zich, werden de geslachts-eischen dikwijls vrijmoedig
ten toon gespreid. De monnik Ordericus Vitalis vestigt in de
elfde eeuw de aandacht op wat hij noemt de "wulpschheid" van
de vrouwen van de Noorsche veroveraars van Engeland, die, toen
ze alleen thuis gelaten waren, boodschappen stuurden, dat ze,
als haar echtgenooten niet spoedig terug kwamen, andere mannen
zouden nemen. Het celibaat van de geestelijkheid werd alleen
met de grootste moeite ingesteld en toen het ingesteld was,
werden de geestelijken onkuisch. Aartsbisschop Odo van Rouaan,
in de dertiende eeuw, vermeldde in het dagboek van de bezoeken in
zijn diocese, dat er éen onkuische geestelijke was op iedere vijf
gemeenten, en zelfs toont de monnik Salimbene in zijn merkwaardige
autobiographie met betrekking tot het Italië van denzelfden
tijd aan, hoe weinig kuischheid in het godsdienstige leven in
acht genomen werd. Kuischheid kon nu alleen gehandhaafd worden
door geweld, gewoonlijk door de moreele kracht van kerkelijke
autoriteit, die zelf door onkuischheid ondermijnd werd, maar
soms zelfs door physiek geweld. Het was in de dertiende eeuw,
volgens de opinie van sommigen, dat de kuischheidsgordel
(cingula castatis) zich het eerst begint te vertoonen, maar
de voornaamste autoriteit Caufeynon (La Ceinture de Chasteté,
1904) meent, dat ze dateert uit de Renaissance (Schultz, Das
höfische Leben zur Zeit der Minnesänger, deel V. p. 272; Krauss,
Anthropophyteia, deel III, p. 247). In de zestiende eeuw werden
de kloosters bijna tot bordeelen, zooals we hooren op het niet
bestreden gezag van Burchard, een secretaris van den Paus, in
zijn Diarium, uitgegeven door Thuasne, die nog meer autoriteiten
voor deze bewering samenbrengt in een noot onder aan de bladzij
(deel II, p. 79); dat zij dat bleven in de achttiende eeuw, zien
wij duidelijk in de bladzijden van de Mémoires van Casanova en
in veel andere documenten van dien tijd.
De Renaissance en de opkomst van het humanisme had ongetwijfeld invloed
op het gevoel jegens het ascetisme en de kuischheid. Aan den eenen kant
werd er een nieuwe en oude wettiging gevonden voor het niet in acht
nemen van deugden, die de menschen begonnen te beschouwen als enkel
monnikachtig, en aan den anderen kant begonnen de fijnere geesten, die
den invloed van de nieuwe beweging ondervonden, zich duidelijk bewust
te worden, dat kuischheid beter gekweekt kan worden en in acht genomen
door hen, die vrij waren te doen zooals zij wilden, dan door hen,
die onder den dwang stonden van priesterlijke autoriteit. Dat is het
gevoel, dat in Montaigne overheerscht, en dat is het idee van Rabelais,
toen hij het tot den eenigen regel van zijn abdij van Thelème maakte:
"Fay ce que vouldras".
Iets later werd deze leer in verschillende toonaarden herhaald door
vele schrijvers, alle meer of min verlicht door de beschaving, die
door de Renaissance in de mode was gebracht. "Zoolang Danae vrij
was", merkt Ferrand op in zijn verhandeling uit de zestiende eeuw,
De la Maladie d'Amour, "was zij kuisch". En Sir Kenelm Digby,
de laatste vertegenwoordiger van den geest der Renaissance,
wijst in zijn Private Memoirs op het feit, dat de vrijheid, die
Lycurgus "de wijste menschelijke wetgever, die er ooit geweest
is", aan de vrouwen gaf om haar lichaam te geven aan mannen,
tot wie zij zich door edele genegenheid en door de hoop op een
goed nageslacht voelden aangetrokken, de ware oorzaak was, dat
"werkelijke kuischheid in Sparta meer bloeide dan in eenig ander
deel van de wereld".
In Protestantsche landen werd het ascetisch ideaal nog verder in
discrediet gebracht door de Hervorming, die voor een groot gedeelte
een opstand was tegen gedwongen celibaat. Zoodoende werd de godsdienst
niet langer aan de zijde van de kuischheid geplaatst. In de achttiende
eeuw, zoo niet eerder, werd de autoriteit van de Natuur ook gewoonlijk
ingeroepen tegen de kuischheid. Zoo is het gekomen, dat in de laatste
twee eeuwen ernstige denkers maar gedeeltelijk gunstig gestemd waren
jegens de kuischheid. Het begon gevoeld te worden, dat een ongelukkige
en schadelijke vergissing begaan was door te trachten een verheven
ideaal te handhaven, hetgeen huichelarij aanmoedigde. "Het menschelijk
ras zou veel winnen", zooals Senancour in het begin der negentiende
eeuw in zijn merkwaardig boek over liefde schreef, "als de deugd niet
zoo moeilijk gemaakt werd. De verdienste zou niet zoo groot zijn,
maar wat is het nut van een verhevenheid, die zelden kan volgehouden
worden?" [79].
Er kan geen twijfel aan zijn, dat de overmatige minachting, waartoe de
kuischheids-idee in de achttiende eeuw en later begon te vervallen,
voornamelijk voortkwam uit het bestaan van die enkel uitwendige en
conventioneel physieke kuischheid, die willekeurig opgedrongen werd,
voor zoover ze opgedrongen kon worden, en die in zekere mate nog
opgedrongen wordt, in naam of in werkelijkheid,--aan alle respectabele
vrouwen buiten het huwelijk. De opvatting van de physieke deugd der
maagdelijkheid had de opvatting van de geestelijke deugd van kuischheid
verlaagd. Een enkele gewoonte, voelde men, voorgeschreven aan een
geheele sekse, of zij het wilde of niet, kon nooit de schoonheid en
de bekoring bezitten van een deugd. Terzelfder tijd begon men zich
voor oogen te stellen, dat de staat van gedwongen maagdelijkheid niet
alleen niet een staat is, die bijzonder gunstig is voor het kweeken
van werkelijke deugden, maar dat die verbonden is met eigenschappen,
die niet langer beschouwd worden als te zijn van hooge waarde [80].
"Hoe willekeurig, kunstmatig en strijdig met de Natuur is het
leven, dat nu in deze zaak der kuischheid aan vrouwen opgedrongen
wordt!" schreef James Hinton veertig jaar geleden. "Denk aan dezen
regel: "Een vrouw, die in overweging neemt, is verloren". Wij
scheppen het gevaar, door de geheele vrouwelijkheid afhankelijk
te maken van een punt als dit, en door haar te omringen met
onnatuurlijke en bovennatuurlijke gevaren. Er wordt thans een
lichtzinnige onredelijkheid belichaamd in het leven der vrouw;
de tegenwoordige "deugd" is een ziekelijke ongezonde plant. De
Natuur en God hebben nooit het leven van een vrouw zoo op de
punt van een naald gewogen. Het geheele moderne denkbeeld der
kuischheid heeft sensueele overdrijving in zich, die zeker voor
een deel is overgebleven uit andere tijden, terwijl wat er goed
in was voor het grootste gedeelte verdwenen is".
"De geheele bekoring der maagdelijkheid", schreef een andere
Philosoof, Guyau, "is onwetendheid. Maagdelijkheid kan, evenals
sommige vruchten, alleen bewaard worden door een proces van
verdroging".
Mérimée wees op denzelfden verdrogenden invloed van de
maagdelijkheid. In een brief, gedateerd van 1859 schreef hij:
"Ik vind, dat tegenwoordig de menschen veel te veel waarde hechten
aan kuischheid. Niet, dat ik ontken, dat kuischheid een deugd is,
maar er zijn graden in deugden evenals in ondeugden. Het schijnt
belachelijk, dat een vrouw uit de maatschappij verbannen zal
worden, omdat zij een minnaar gehad heeft, terwijl een vrouw,
die gierig is, onoprecht en zuur, overal vrij uit kan gaan. De
moraal van deze eeuw is zeker niet die, die geleerd wordt in het
Evangelie. Naar mijn meening is het beter te veel lief te hebben,
dan te weinig. Tegenwoordig worden droge harten in de hoogte
gestoken" (Revue des Deux Mondes, April, 1896).
Dr. H. Paul heeft een daarmee verwant punt behandeld. Zij schrijft:
"Er zijn meisjes, die zich, zelfs al als kinderen, geprostitueerd
hebben door onanie en wulpsche gedachten. De reinheid harer zielen
is al lang verloren en niets blijft voor haar verborgen, maar--zij
hebben haar hymen bewaard! Dat is ter wille van den toekomstigen
echtgenoot. Laat niemand haar onschuld durven betwijfelen, met
dat onwederlegbaar bewijsmateriaal! En als dan een ander meisje,
dat haar kindsheid in volkomen reinheid doorgebracht heeft, nu,
met ontwaakte zinnen en warme, onstuimige vrouwelijkheid, zich
in liefde of ook maar alleen in hartstocht aan een man geeft,
dan staan ze allen op en roepen, dat zij "onteerd" is! En niet het
minst het geprostitueerde meisje met het hymen. Zij is het juist,
die het hardst schreeuwt en die de grootste steenen gooit. Toch
behoeft de "onteerde" vrouw, die gezond en krachtig is, niet bang
te zijn, te vertellen wat zij gedaan heeft aan den man, die haar
ten huwelijk begeert, als zij spreekt van het eene menschelijke
wezen tot het andere. Zij behoeft niet te blozen; zij heeft haar
menschenrechten uitgeoefend en geen verstandig man zal haar om
die reden minder achten". (Dr. H. Paul, "Die Ueberschätzung der
Jungfernschaft", Geschlecht und Gesellschaft Bd. II, p. 14, 1907).
In gelijken geest schrijft F. Erhard (Geschlecht und Gesellschaft
Bd. I, p. 408): "Maagdelijkheid in een zekere beteekenis heeft
haar waarde, maar in de gewone beteekenis wordt ze grootelijks
te hoog geschat. Afgezonderd van het feit, dat een meisje,
dat ze bezit, toch door en door verdorven kan zijn, leidt deze
overschatting van de maagdelijkheid er toe, dat het meisje, die ze
niet heeft, veracht wordt, en verder heeft ze tot resultaat gehad
de ontwikkeling van een speciale industrie om meisjes klaar te
maken, door middel van een preutsche kloosterachtige opvoeding,
die haar echtgenooten de speciale delicatesse zullen brengen
van een bruid, die nergens van weet. Natuurlijk kan dit alleen
bereikt worden ten koste van iedere verstandige opvoeding. Wat
de onontwikkelde kleine gans kan worden, dat kan niemand voorzien".
Freud (Sexual-Probleme, Maart, 1908) wijst ook op het
slechte resultaat van de opvoeding voor het huwelijk, die
aan de meisjes gegeven wordt op den basis van dit ideaal van
maagdelijkheid. "Opvoeding onderneemt de taak de zinnelijkheid van
een meisje terug te dringen tot den tijd van de verloving. Zij
verbiedt niet alleen sexueele verhoudingen en stelt een hooge
premie op onschuld, maar ze onttrekt de rijpende vrouwelijke
individualiteit aan de verleiding, door een staat van onwetendheid
te handhaven omtrent de praktische zijde van de rol, die zij in
het leven zal moeten spelen, en door geen opwekking tot liefde
toe te laten, die niet tot het huwelijk kan leiden. Het resultaat
is, dat, als haar plotseling door de autoriteit van de ouders
wordt toegestaan te verlieven, het meisje zich psychisch niet kan
aanpassen, en dat zij het huwelijk ingaat, onzeker van haar eigen
gevoelens. Als een gevolg van deze kunstmatige vertraging van de
liefdesfunctie, brengt zij niets dan teleurstelling aan haar man,
en is koel in haar physieke verhouding tot hem".
Senancour (De l'Amour, deel i, p. 285) meent zelfs, dat, als het
mogelijk is de kwestie van de nakomelingschap er buiten te laten,
niet alleen de wet van kuischheid gelijk zal worden voor de beide
geslachten, maar dat er een neiging zal zijn om de verhouding van
de seksen, in zekere mate, te veranderen. "Zelfbeheersching wordt
dan een raad eerder dan een voorschrift, en dan zal in vrouwen de
wellustige neiging met de meeste toegevendheid beschouwd worden. De
man is gemaakt om te werken; hij ontmoet het pleizier alleen maar
in het voorbijgaan; hij moet er mee tevreden zijn, dat de vrouwen
zich er meer mee zullen bezig houden dan hij. Het zijn de mannen,
die er door uitgeput raken, en mannen moeten altijd voor een deel
hun wenschen beperken".
Als wij ons echter bevrijden van den band van een gedwongen physieke
kuischheid, dan wordt het mogelijk kuischheid als een deugd in eere
te herstellen. In den tegenwoordigen tijd kan het niet langer gezegd
worden, dat er van den kant van denkers en moralisten eenige actieve
vijandigheid jegens het denkbeeld van kuischheid bestaat; er is
integendeel een neiging om de waarde van kuischheid te erkennen. Maar
deze erkenning is vergezeld gegaan van een terugkeer tot de oudere
en gezondere opvatting van de kuischheid. Het bewaren van een
strenge sexueele abstinentie, niets dan de maagdelijkheid, kan alleen
beschouwd worden als een pseudo-kuischheid. De eenige positieve deugd,
die Aristoteles op dit gebied kon erkend hebben was een matiging, die
beperking van de lagere impulsen in zich sloot, een wijs uitoefenen en
niet een niet-uitoefenen [81]. De beste denkers van de Christelijke
Kerk hebben dezelfde opvatting gehad; de heilige Basilius hechtte in
zijn belangrijke reglementen voor monniken geen waarde aan zelftucht
als een doel op zichzelf, maar beschouwde ze als een werktuig, om
den geest in staat te stellen, macht over het vleesch te krijgen. De
heilige Augustinus verklaarde, dat zelfbeheersching alleen uitstekend
is, als ze in praktijk gebracht wordt in het geloof aan het hoogste
goed [82], en hij beschouwde kuischheid als "een ordelijke beweging
van de ziel, die lagere dingen ondergeschikt maakt aan hoogere dingen,
en die voornamelijk moet blijken in huwelijksverhoudingen"; Thomas
van Aquino die de kuischheid op veelal dezelfde wijze aanduidde,
definieerde onreinheid als het smaken van sexueel genot dat niet van
de rechte soort is, noch wat het voorwerp, noch wat de omstandigheden
aangaat [83]. Maar een tijdlang werden de stemmen van de groote
moralisten niet gehoord. De deugd der kuischheid was ondergegaan in
den populairen Christelijken hartstocht voor de vernietiging van het
vleesch, en dat gezichtspunt werd in de zestiende eeuw ten slotte
geheiligd door het Concilie van Trente, dat formeel een banvloek
uitsprak over iedereen, die zou willen verklaren, dat de staat van
maagdelijkheid en celibaat niet beter was dan de huwelijksstaat. Nu
behoort de pseudo-kuischheid, die waarde had alleen op grond dat
iedere soort van zelfbeheersching beter was dan iedere soort van
sexueele verhouding, tot het verleden, behalve voor hen, die aan oude
ascetische geloofsbelijdenissen hangen. De mystieke waarde van de
maagdelijkheid is verdwenen; zij schijnt in den geest van den modernen
mensch alleen maar het denkbeeld op te wekken van een pikantheid,
die begeerd wordt door den verstokten lichtmis; het zijn de mannen,
die zelf al lang den leeftijd der onschuld voorbij zijn, die zooveel
waarde hechten aan de onschuld van hun bruiden. De opvatting van
levenslange zelfbeheersching als een ideaal is ook verdwenen; op zijn
best wordt ze beschouwd als een zaak van persoonlijke voorkeur. En de
conventioneele veinzerij van algemeene kuischheid, om voor respectabel
te gelden, begint men te beschouwen als een bezwaar, eer dan als een
hulp voor het kweeken van eenige werkelijke kuischheid [84].
De kuischheid, die door den moralist van tegenwoordig als een deugd
beschouwd wordt, heeft haar waarde geensdeels in haar abstinentie. Zij
is niet, in de woorden van de heilige Theresa, de deugd van de
schildpad, die haar leden onder haar schild terugtrekt. Zij is een
deugd, omdat zij een oefenen in zelfbeheersching is, omdat ze het
karakter en den wil helpt stalen, en omdat ze direct gunstig is
voor het kweeken van het mooiste, meest verheven en meest krachtige
sexueele leven. Zoo beschouwd, mag men kuischheid stellen tegenover
de eischen van het verlaagde middeleeuwsche Catholicisme, maar zij is
in harmonie met de eischen van ons beschaafde leven van tegenwoordig
en in het geheel niet in disharmonie met de eischen der Natuur.
Er is altijd een analogie tusschen het instinct van reproductie en het
instinct van voeding. Bij de voeding is het de invloed van de kennis,
van physiologie, die ten slotte een overdreven ascetisme op zijde
heeft geschoven, en eten "rein" gemaakt heeft. Hetzelfde proces is,
zooals James Hinton duidelijk aangewezen heeft, mogelijk gemaakt in
de sexueele verhoudingen; "kennis heeft den sleutel in handen tot
reinheid" [85].
Vele invloeden hebben echter samengewerkt om een aandringen
tot kuischheid te bevorderen. Er is in de eerste plaats een
onvermijdelijke reactie geweest tegen de sexueele gemakkelijkheid,
die men als natuurlijk was beginnen te beschouwen. Men bemerkte,
dat zulk een gemakkelijkheid geen moreele waarde had, want zij had
neiging de moreele kracht te verslappen en ze was niet gunstig voor
de mooiste sexueele satisfactie. Ze kon niet eens aanspraak maken
op natuurlijkheid in de ruime beteekenis van het woord, want in de
natuur in het algemeen is de sexueele bevrediging meestal zeldzaam
en moeilijk. Het hof maken kost moeite en is van langen duur; de
tijd der liefde is strikt afgeperkt, de zwangerschap onderbreekt
sexueele verhoudingen. Zelfs onder natuurvolken, zoolang zij niet
door de beschaving besmet zijn, wordt mannelijkheid gewoonlijk
gehandhaafd door een mooi ascetisme; het verdragen van ontbering,
zelfbeheersching en beperking, gematigd door zeldzame orgiën, geven
een tucht, die zoowel het sexueele deel als ieder ander deel van
het leven der natuurvolken beheerscht. Om dezelfde mannelijkheid
in het beschaafde leven te behouden, moeten wij, dat mogen we wel
inzien, opzettelijk een deugd kweeken, die onder levenstoestanden
bij natuurvolken natuurlijk is [86].
De sympathie van Nietzsche, zoowel direct als indirect, is geweest aan
de zijde van de deugd der kuischheid in haar moderne beteekenis. Het
voorschrift: "Wees hard", zooals Nietzsche het gebruikte, was niet
zoozeer een opdracht tot ongevoelige onverschilligheid jegens anderen,
als wel een beroep op een meer energieke houding jegens onszelf,
het kweeken van een zelfbeheersching, die in staat is de krachten
der ziel te verzamelen en in te houden, om ze te besteden aan met
opzet gekozen doeleinden. "Een betrekkelijke kuischheid", schreef
hij, "een fundamenteel en wijs overleg in erotische zaken, zelfs
in gedachte, is een deel van een mooie gematigdheid in het leven,
ook in rijk begaafde en volkomen naturen" [87]. In deze zaak is
Nietzsche een typische vertegenwoordiger van de moderne beweging tot
herstel van de kuischheid op haar juiste plaats als een werkelijke
en nuttige deugd, en niet als louter conventie. Zulk een beweging
kon niet nalaten zich te doen voelen, want men begrijpt spoedig,
dat alles wat gemakkelijkheid en weelderige zachtheid in sexueele
zaken begunstigt, het karakter verlaagt en de heerlijkste erotische
satisfactie vermindert. Want erotische satisfactie van de hoogste
soort is alleen mogelijk als wij aan den sexueelen impuls een hooge
mate verzekerd hebben van wat Colin Scott noemt "irradiatie", dat wil
zeggen een in ruime mate zich verspreiden door het geheele psychische
organisme. En dat kan alleen bereikt worden door belemmeringen op
te werpen op den weg naar de snelle en directe bevrediging van de
sexueele begeerte, door haar te dwingen haar kracht te vermeerderen,
lange omwegen te nemen, het geheele organisme zoo sterk te laden, dat
de eindelijke climax van bevredigde liefde niet triviale afdoening van
een klein verlangen is, maar de enorme vervulling van een hartstocht,
waarin zoowel de geheele ziel als het geheele lichaam zijn aandeel
heeft. "Alleen de kuische kan werkelijk obsceen zijn", zeide
Huysmans. En op een hooger plan: alleen de kuische kan liefhebben.
"Physieke reinheid", merkte Hans Menjago op ("Die Ueberschätzung
der Physischen Reinheit", Geschlecht und Gesellschaft, deel II,
hoofdst. VIII) "werd oorspronkelijk gewaardeerd als een teeken van
grootere sterkte van wil en kracht van karakter; ze beteekende
een zich verheffen boven primitieve toestanden. Deze reinheid
was moeilijk te bewaren; ze was zeldzaam en ongewoon. Uit deze
zeldzaamheid ontstond het bijgeloof van een bovennatuurlijke macht,
die in de maagd zou wonen. Maar deze heeft geen beteekenis, zoodra
reinheid algemeen wordt en een speciaal zichtbare mate van kracht
van karakter niet langer noodig is om ze te handhaven... Physieke
reinheid kan alleen waarde bezitten als zij het resultaat is van
individueele sterkte van karakter, en niet als zij het resultaat
is van gedwongen moreele regels".
Konrad Höller, die speciale aandacht gewijd heeft aan de sexueele
kwestie op scholen, merkt met betrekking tot physieke oefening op:
"Het grootste voordeel van physieke oefening is echter niet de
ontwikkeling van actieve en passieve kracht van het lichaam en
zijn behendigheid, maar het instellen en het versterken van de
heerschappij van den wil over het lichaam en zijn behoeften,
die zoozeer te lijden heeft van traagheid. Hij, die geleerd
heeft voor een bepaald doel honger en dorst en vermoeidheid te
verdragen en te overwinnen, zal beter in staat zijn sexueele
impulsen en de verleiding om er aan toe te geven te weerstaan,
wanneer beter inzicht en æsthetisch gevoel hem duidelijk gemaakt
hebben, dat toegeven nadeelig en schandelijk zou zijn" (K. Höller,
"Die Aufgabe der Volksschule", Sexualpädagogik, p. 70). Professor
Schäfenacker (id., p. 102), die ook den nadruk legt op het belang
van zelfbeheersching en zelfbeperking, meent dat een jong mensch
zijn toekomstige zending als burger en vader van een familie in
gedachte moet houden.
Een fijn en diepzinnig denker van den tegenwoordigen tijd,
Jules de Gaultier, heeft, waar hij over moraal schrijft, zonder
te verwijzen naar deze specifieke kwestie, besproken tot welke
nieuwe, innerlijke, verbodsmotieven wij ons kunnen wenden als
wij het oude uiterlijke verbod van autoriteit en geloof, dat nu
in verval is geraakt, willen vervangen. Hij antwoordt, dat de
gemoedstoestand, waar oude geloofsbelijdenissen op gebaseerd
waren, nog bestaat. "Kan niet", vraagt hij, "het verlangen
naar een ding, dat wij liefhebben en waar wij naar verlangen,
gevoegelijk de plaats innemen van het geloof, dat een ding bestaat
door den goddelijken wil of door de natuur der dingen? Zal niet
de beteugeling van de waanzin van het instinct zich openbaren als
een nuttige houding, aangenomen door het instinct zelf voor zijn
eigen behoud, als een symptoom van de kracht en gezondheid van
het instinct? Is niet de heerschappij over zichzelf, de macht zijn
daden te regelen, een teeken van superioriteit en een reden voor
zelfrespect? Zal niet deze trotsche vreugde dezelfde autoriteit
hebben bij het bewaren van de instincten, als eens bezeten werd
door godsdienstige vrees en de beweerde dwang der rede?" (Jules de
Gaultier, La Dépendance de la Morale et l'Indépendance des Moeurs,
p. 153).
H. G. Wells (in A Modern Utopia), die wees op het belang van de
kuischheid, hoewel hij het celibaat verwierp, roept, evenals Jules
de Gaultier het motief van den trots op. "De beschaving heeft
zich veel sneller ontwikkeld dan de mensch veranderd is. Onder
de onnatuurlijke volmaking van veiligheid, vrijheid en overvloed,
die onze beschaving heeft bereikt, is de gewone ongeoefende mensch
tot excessen geneigd in bijna alle richtingen; hij heeft neiging
te veel te eten en te overvloedig, te veel te drinken, lui te
worden sneller dan zijn werk kan verminderen, zijn belangstelling
aan vertoon te verspillen, en te veel en te omslachtig lief te
hebben. Hij verliest zijn training en concentreert zijn aandacht
op egoïstische en erotische peinzerijen. Onze groote voorgangers
zochten motieven op uit allerlei soorten van bronnen, maar ik denk,
dat de beste bron om de menschen zelfbeheersching te leeren, de
trots is. Trots is misschien niet het mooiste wat er in de ziel
is, maar het is toch nog de beste koning. Zij bedoelden ermede
den mensch rein en gezond te houden. In deze zaak, evenals in alle
zaken van natuurlijke begeerte, meenden zij, dat geen begeerte moet
worden verzadigd, geen begeerte kunstmatige prikkels moet hebben
en evenzeer, dat geen begeerte van gebrek moet omkomen. Een mensch
moet van tafel komen, voldaan, maar niet overladen. En in de zaak
der liefde was een oprecht en rein verlangen naar een rein en
oprecht medeschepsel het ideaal van onze voorouders. Zij bevalen
een huwelijk tusschen gelijken aan als de plicht jegens het ras,
en zij maakten aanwijzingen van de meest preciese soort, om die
echtelijke onscheidbaarheid, dien echtelijken staat te verhinderen,
die somtijds een paar er toe brengt, te zamen minder te zijn dan
ieder afzonderlijk was".
Met betrekking tot de kuischheid als een element van erotische
satisfactie, schrijft Edward Carpenter (Love's Coming of Age,
p. 11): "Er is een soort van illusie omtrent physieke begeerte,
die gelijk is aan die waaraan een kind lijdt als het, wanneer
het een mooie bloem ziet, die onmiddellijk aftrekt en in een paar
oogenblikken den vorm en de geur vernielt, die het aantrokken. Hij
alleen krijgt de volle glorie, die zich een weinig terughoudt,
en hij alleen bezit waarlijk, die als het noodig is in staat is
niet te bezitten. Hij is inderdaad een levensmeester, die, terwijl
hij de grovere begeerten aanneemt, als zij tot zijn lichaam komen
en ze niet weigert, ze weet te veranderen naar zijn wil in de
zeldzaamste en geurigste bloemen van menschelijke emotie".
Behalve haar functies in het opbouwen van het karakter, in het
verhoogen en veredelen van het erotisch leven, en in het dienstbaar
zijn aan de gepaste vervulling van familie- en maatschappelijke
plichten, heeft de kuischheid een meer speciale waarde voor hen,
die de kunsten beoefenen. We zijn misschien niet altijd geneigd de
schrijvers te gelooven, die verklaard hebben, dat hun vers alleen
losbandig is, maar hun leven kuisch. Het is zeker waar, dat een
verhouding van deze soort neiging heeft om voor te komen. De grondslag
van het sexueele leven is de grondslag van de kunst; als zij in
het eene kanaal verbruikt wordt, is ze verloren voor het andere. De
meesters in al de meer intens emotioneele kunsten hebben dikwijls
een hoogen graad van kuischheid in praktijk gebracht. Dit is vooral
het geval, wat muziek betreft; men denke aan Mozart [88], Beethoven,
aan Schubert, en aan vele mannen van minder beteekenis. In het geval
van dichters en romanschrijvers schijnt kuischheid gewoonlijk minder
overheerschend te zijn, maar ze is dikwijls duidelijk merkbaar, en
wordt niet zelden verborgen onder de weergalmende echo's, die zelfs de
geringste liefde-episode uitoefent op het dichterlijk organisme. Het
leven van Goethe schijnt, op het eerste gezicht, een lange reeks van
onophoudelijke liefde-episoden. Maar als wij bedenken, dat het het zeer
lange leven was van een man, wiens kracht bleef tot het einde, dat zijn
liefden een langen en diepen invloed uitoefenden op zijn emotioneele
werk en op zijn leven, en dat hij met de meeste van de vrouwen die hij
vereeuwigd heeft, nooit werkelijke sexueele verhoudingen heeft gehad,
en als we ons bovendien voor oogen stellen, dat hij door alles heen,
een bijna onbegrijpelijk groote hoeveelheid werk deed, dan zullen
wij waarschijnlijk tot het besluit komen, dat het toegeven aan
sexualiteit een veel kleiner deel had in het leven van Goethe dan
in dat van menig gewoon man, op wien het geen merkbaar emotioneel
of intellectueel spoor achterlaat. Sterne verklaarde, dat hij altijd
een dulcinea in zijn hoofd moest hebben dansen, maar toch schijnt de
mate van zijn intieme verhoudingen met vrouwen maar klein geweest te
zijn. Balzac bracht zijn leven door met zwoegen aan zijn schrijftafel
en met het volhouden van een liefde-correspondentie vele jaren lang
met een vrouw, die hij bijna nooit zag en met wie hij ten slotte een
paar maanden huwelijksleven doorbracht. Dezelfde ondervinding hebben
vele artistieke scheppers van kunstwerken gehad. Want, in de woorden
van Landor, "afwezigheid is de onzichtbare en onlichamelijke moeder
der ideale schoonheid".
Wij doen goed ons te herinneren, dat, terwijl de auto-erotische
manifestaties door de hersens van oneindige verscheidenheid en belang
zijn, de hersens en de sexueele organen toch de groote mededingers
zijn voor het verbruiken van de lichamelijke energie, en dat er een
antagonisme is tusschen uiterste hersenkracht en uiterste sexueele
kracht, al kunnen zij soms beide op verschillende tijden in hetzelfde
individu voorkomen [89]. In deze beteekenis is er geen paradox in de
woorden van Ramon Correa, dat potentie impotentie is en impotentie
potentie, want een groote mate van energie, hetzij in athletiek of in
intellect of in sexueele activiteit, is ongunstig voor het ontvouwen
van energie in andere richtingen. Iedere hooge mate van potentie
heeft haar daarmee in verband staande impotenties.
We mogen er aan toevoegen, dat we een merkwaardig onlogisch bewijs
van het bovenmatige belang, dat aan sexueele functies gehecht
wordt door een maatschappij, die systematisch de sekse tracht
te kleineeren, vinden in de schande die gehecht wordt aan het
gebrek aan "mannelijke" potentie. Hoewel het beschavingsleven een
enorme plaats aanbiedt voor de werkzaamheden van sexueel impotente
personen, laat men den impotenten man voelen, dat, terwijl hij
het zich niet behoeft aan te trekken, als hij lijdt aan nerveuse
stoornissen van de spijsvertering, het bijna een misdaad is als
hij, even onschuldig, lijdt aan nerveuse stoornissen van den
sexueelen impuls. Een treffend voorbeeld hiervan vertoonde zich,
eenige jaren geleden, toen er geopperd werd, dat de betrekkingen
van Carlyle tot zijn vrouw het best verklaard konden worden door
te veronderstellen, dat hij lijdende was geweest aan sexueele
impotentie. In eens stormden er bewonderaars naar voren, om Carlyle
te "verdedigen" tegen deze "schandelijke" aantijging; zij waren
meer geschokt, dan wanneer beweerd ware, dat hij syphilitisch
was. Toch is impotentie, op zijn meest, een zwakheid, hetzij ze
voortkomt uit eenig aangeboren gebrek, of aan een stoornis van
het zenuwevenwicht in het teere sexueele mechanisme, zooals het
neiging heeft voor te komen bij mannen van abnormaal gevoelig
temperament. Het is niet schandelijker daar aan te lijden, dan aan
dyspepsia, waarmee het ook samen kan voorkomen. Vele mannen van
genie en hoog moreel karakter zijn sexueel misvormd geweest. Dit
was het geval met Cowper (hoewel dit veelbeteekenend feit door
zijn levensbeschrijvers is verheeld); Ruskin heeft zijn huwelijk
ontbonden om een dergelijke reden; en van J. Stuart Mill zegt men,
dat hij sexueel weinig meer ontwikkeld was dan een kind.
Tot op dit punt heb ik de kuischheid en de hoedanigheid van ascetisme
in hun meest algemeene beteekenis beschouwd zonder eenige poging
tot preciese onderscheiding [90]. Maar zullen wij deze aannemen als
moderne deugden, die tegenwoordig nog gelden, dan is het noodig,
dat wij wat precieser zijn als we ze definieeren. Het schijnt het
gemakkelijkst, en ook strikt overeenkomende met de etymologie, als
wij aannemen om met ascetisme of ascesis te bedoelen de athletische
eigenschap van zelfbeheersching die, niet bepaald noodzakelijk voor
onbeperkt lange perioden, de bevrediging van den sexueelen impuls in
bedwang houdt. Onder kuischheid, die in de eerste plaats de eigenschap
der reinheid is en in de tweede plaats die van heiligheid, veeleer
dan van abstinentie, kunnen wij het best een gepaste verhouding
tusschen erotische eischen en de andere eischen van het leven
verstaan. "Kuischheid is", zooals Ellen Key juist opmerkt, "harmonie
tusschen lichaam en ziel met betrekking tot liefde". Zoo begrepen, is
ascetisme de deugd van beperken, die leidt tot erotische bevrediging,
en kuischheid de deugd, die haar harmonie brengenden invloed uitoefent
over het erotische leven zelf.
We zullen zien, dat ascetisme niet noodzakelijkerwijze voortdurende
zelfbeheersching in zich sluit. Juist verstaan, is ascetisme een tucht,
een oefening, die betrekking heeft op een doel, dat niet in zichzelf
ligt. Als ze gedwongen voortbestaat, hetzij naar de voorschriften van
een godsdienstig dogma, of enkel als een fetish, dan berust ze niet
langer op een natuurlijke basis; dan is ze ook niet meer moreel, want
de onthouding van een mensch, die zijn geheele leven in een gevangenis
heeft doorgebracht, is van geen waarde voor het leven. Om natuurlijk
te zijn en moreel, moet ascetisme een doel hebben buiten zichzelf,
moet ze de doeleinden van het levenswerk dienen, die niet gediend
kunnen worden door een persoon, die in een voortdurenden strijd
gewikkeld is met zijn eigen natuurlijke instincten. Een mensch kan,
wel is waar, als een kwestie van smaak of van voorkeur, zijn geheele
leven vrij en gemakkelijk in sexueele abstinentie doorbrengen, maar in
dit geval is hij geen asceet, en zijn ascetisme is noch een voorwerp
van toejuiching, noch van critiek.
Op dezelfde wijze heeft kuischheid, wel verre van sexueele abstinentie
in zich te sluiten, alleen waarde, als ze onder invloed gebracht
wordt van de erotische sfeer. Een reinheid uit onwetendheid is,
als de leeftijd van kinderlijke onschuld eenmaal voorbij is, enkel
een domheid; ze is dichter bij de misdaad dan bij de deugd. Reinheid
is ook niet gelijkluidend met inspanning en strijd; in dat opzicht
verschilt ze van ascetisme. "Wij overwinnen de gebondenheid der
sekse", zegt Rosa Mayreder, "door ze aan te nemen en niet door ze
te ontkennen, en mannen kunnen dit alleen maar doen met behulp van
vrouwen". De zoogenaamde kuischheid van koude berekening is even
onschoon als onwerkelijk, en zonder eenigerlei waarde. Een ware
en waardige kuischheid kan alleen onderhouden worden door een vurig
ideaal van een nieuwe romantiek, of, zooals tegenwoordig, als een meer
menschelijk erotisch ideaal. "Alleen erotisch idealisme", zegt Ellen
Key, "kan enthoesiasme voor de kuischheid wekken". Kuischheid kan
dus in een gezond ontwikkeld persoon alleen mooi toegepast worden in
het werkelijk erotische leven; voor een deel is zij het instinct van
waardigheid en matigheid; voor een deel is zij de kunst de sexueele
dingen aan te raken met handen, die zich hun geschiktheid herinneren
voor al de mooie doeleinden van het leven. Boven de ingangspoort
tot het binnenste heiligdom der liefde staat dus hetzelfde opschrift
als boven de poort voor het Epidaurische Heiligdom van Aesculapius:
"Alleen de reine mag hier binnentreden".
Men zal opmerken, dat de definitie van kuischheid aan
nauwkeurigheid te wenschen overlaat. Dat is onvermijdelijk. We
hebben aan reinheid geen stevig houvast, want, evenals sneeuw
voor de zon, smelt ze in onze handen weg. "Reinheid zelf verbiedt
een te nauwkeurig systeem van regels voor het in acht nemen van
reinheid", zegt Sidgwick zoo juist (Methods of Ethics, Bk, III,
hoofdst. XI). Elders (op. cit.; Bk, III, hoofdst. XI) tracht
hij de kwestie te beantwoorden: Welke sexueele verhoudingen
zijn essentieel onrein? en komt hij tot de conclusie, dat geen
antwoord mogelijk is. "Er schijnt geen bepaald principe te zijn,
dat eenige aanspraak heeft op vanzelfsprekendheid, waarnaar de
kwestie kan beantwoord worden, zóó dat ze algemeene goedkeuring
vindt". Zelfs wat "Vrije Liefde" genoemd wordt, voegt hij er
aan toe, "in zoover als ze ernstig aangeraden is als een middel
tot een meer volkomen harmonie van gevoelen tusschen mannen en
vrouwen, kan niet als onrein veroordeeld worden, want het schijnt
paradoxaal, reinheid van onreinheid te onderscheiden alleen door
een mindere snelheid van overgang".
Moll komt van het standpunt van medische psychologie tot dezelfde
conclusie als Sidgwick van dat van ethica. In een verslag over de
"Waarde van Kuischheid voor de Menschen", dat gepubliceerd is
als een appendix bij de derde uitgave (1899) van zijn Konträre
Sexualempfindung, bespreekt de beroemde Berlijnsche medicus de zaak
met zeer veel gezond verstand, en wijst hij er op, dat "kuisch en
onkuisch betrekkelijke ideeën zijn". Wij moeten niet, zegt hij,
zooals dikwijls gedaan wordt, "kuisch" identificeeren met "sexueele
onthouding". Hij voegt er bij, dat wij niet gerechtigd zijn ieder
buitenechtelijk sexueel verkeer onkuisch te noemen, want, als we
dat doen, zullen we gedwongen zijn bijna alle mannen en sommige
zeer respectabele vrouwen als onkuisch te beschouwen. Hij staat er
terecht op, dat wij in deze zaak denzelfden regel zullen toepassen
op vrouwen als op mannen, en hij wijst aan, dat sexueele omgang
niet noodzakelijk onkuisch is, zelfs al rangschikt men er onder wat
technisch echtbreuk kan zijn. Hij noemt het geval van een meisje,
dat op haar achttiende jaar, toen ze geestelijk nog onrijp was,
trouwt met een man, met wien zij het niet mogelijk vindt samen
te leven; een scheiding heeft ten gevolge daarvan plaats, hoewel
een wettige echtscheiding onmogelijk te verkrijgen is. Als zij
nu hartstochtelijk verliefd wordt op een man, dan kan haar liefde
geheel kuisch zijn, hoewel zij omvat wat technisch echtbreuk is.
Als we zoo ascetisme en kuischheid en hun weldadige functies in
het leven begrijpen, zien wij, dat zij een plaats innemen midden
tusschen de kunstmatig overdreven positie die zij eens hadden,
en die waartoe zij verlaagd waren door de onvermijdelijke reactie
en algemeene onverschilligheid of werkelijke vijandigheid, die er
op volgde. Ascetisme en kuischheid zijn geen strenge categorische
eischen; zij zijn nuttige middelen tot wenschenswaardige doeleinden,
zij zijn wijze en schoone kunsten. Zij hebben recht op onze achting,
maar niet op onze overschatting. Want, waar we ze overschatten, wordt
te dikwijls vergeten, dat wij het sexueele instinct overschatten. Het
sekse-instinct is inderdaad zeer belangrijk. Toch heeft het niet
dat alles omvattende en uitnemende belang, dat sommigen, zelfs
van hen die er tegen strijden, gewoon zijn er aan te hechten. Dat
kunstmatig vergrooten van de belangrijkheid van den sexueelen impuls
wordt versterkt door den kunstmatigen nadruk, die op ascetisme gelegd
wordt. Wij kunnen de werkelijke plaats van den sexueelen impuls leeren
kennen, als we leeren inzien, hoe we de beperkingen van dien impuls
met verstand en op natuurlijke wijze kunnen beschouwen.