HET WAARDEEREN VAN DE GESLACHTSLIEFDE

Het begrip geslachtsliefde.--De houding van het middeleeuwsch

ascetisme.--St. Bernard en St. Udo van Cluny.--Het wijzen

van de asceten op het bij elkaar liggen van de sexueele en de

excretie-organen.--De liefde als een sacrament der natuur.--De

voorstelling van de onreinheid van wat betrekking heeft op het

geslacht in de primitieve godsdiensten in het algemeen.--Theorieën

over den oorsprong van deze voorstelling.--Het anti-ascetische

element in den bijbel en het oudste Christendom.--Clemens van

Alexandrië.--De houding van den heiligen Augustinus.--De erkenning

van de heiligheid van het lichaam door Tertullianus, Rufinus en

Athanasius.--De hervorming.--Het sexueele instinct beschouwd als

dierlijk.--Het menschelijk sexueele instinct gelijkt niet op dat

van het dier.--Wellust en liefde.--De definitie van liefde.--Liefde

en namen voor liefde zijn onbekend in sommige deelen van de

wereld.--De romantische liefde heeft zich eerst laat ontwikkeld

bij het blanke ras.--Het mysterie van het sexueel verlangen. De

kwestie of liefde een begoocheling is.--De geestelijke zoowel

als de physieke bouw van de wereld berust voor een deel op

sexueele liefde.--Het getuigenis van mannen van intellect voor

de alléén-heerschappij van de liefde.

Het zal blijken, dat de gehouden bespreking over de naaktheid een

diepere beteekenis heeft dan men uit het voorafgaande zou afleiden. De

hygiënische waarde, zoowel physiek als geestelijk, van gemeenzaamheid

met de naaktheid gedurende de eerste jaren van het leven, hoe groot ze

ook wezen mag, is niet de eenige waarde, die zulk een gemeenzaamheid

bezit. Behalve haar æsthetische waarde ligt er ook een moreele

waarde in, een bron van dynamische kracht. En nog een stap verder

gaande, mogen we wel zeggen dat ze een geestelijke waarde heeft met

betrekking tot onze geheele opvatting van de sexueele aandrift. Onze

houding tegenover het naakte lichaam is de toetssteen van onze houding

tegenover het geslachts-instinct. Als ons eigen lichaam en dat van onze

medemenschen ons in ons binnenste schandelijk of walgelijk toeschijnt,

dan zal niets ooit in werkelijkheid onze opvattingen over sexueele

liefde veredelen of louteren. Liefde verlangt naar het vleesch,

en als het vleesch schandelijk is, dan moet hij, die liefheeft,

schandelijk zijn. "Se la cosa amata è vile", zooals Leonardo da Vinci

vol diepe wijsheid opmerkte, "l'amante se fa vile". Hoe onlogisch ze

ook geweest mag zijn, er was inderdaad eenige rechtvaardiging voor

de oude Christelijke identificatie van het vleesch met het sexueele

instinct. Zij staan of vallen te zamen; wij kunnen niet het eene

verlagen en het andere verheerlijken. Zooals onze gevoelens zijn

tegenover de naaktheid, zoo zullen onze gevoelens zijn tegenover

de liefde.

"De mensch is niets dan vuil sperma, een zak vol mest, het voedsel

voor wormen.... Gij hebt nooit een vuiler mesthoop gezien". Dat was

het resultaat van de Meditationes Piissimae [46] van St. Bernardus in

het klooster. Soms wilden die middeleeuwsche monniken inderdaad wel

toegeven, dat de huid een zekere oppervlakkige schoonheid bezat, maar

zij gaven dat alleen toe om met meer nadruk te wijzen op de leelijkheid

van het lichaam, als het ontdaan was van dezen schijn van schoonheid,

en spanden al hun perverse intellectueele scherpzinnigheid en hun

woeste ironie in, om met begeerigen spot te wijzen op ieder onderdeel

van wat hun de armzalige menschelijke figuur toescheen. De heilige Odo

van Cluny, de beminnelijke heilige, een pionier in zijn appreciatie

van de wilde schoonheid der Alpen, die hij dikwijls was doorgetrokken,

was er bijzonder ver in, de schoonheid van het menschelijk lichaam

naar beneden te halen. Hij zegt met nadruk, dat schoonheid alleen in

de huid ligt; als wij onder de huid konden zien, dan zouden vrouwen

niets dan walging opwekken. Haar bekoorlijkheden zijn slechts bloed,

slijm en gal. Als wij weigeren vuil en slijm aan te raken, zelfs

maar met de toppen van onze vingers, hoe kunnen we dan begeeren

een zak met vuil te omarmen? [47] De middeleeuwsche monniken van de

meer beschouwende soort vonden hier dikwijls een heerlijk veld van

meditatie, en de Christelijke wereld in het algemeen was er tevreden

mee hun opinies in meer of minder verdunde lezing aan te nemen,

of protesteerde er tenminste nooit bepaald tegen.

Zelfs mannen van de wetenschap namen deze opvattingen aan en beginnen

zich eerst nu los te maken van dat oude bijgeloof. R. de Graef vond

het noodig in de Voorrede van zijn beroemde verhandeling over de

voortbrengingsorganen van vrouwen, De Mulierum Organis Generatione

Inservientibus, opgedragen aan Cosmo III de Medici in 1672, zich over

het onderwerp van zijn werk te verontschuldigen. Zelfs een eeuw later

veroordeelde Linnaeus in zijn groote werk, The System of Nature, als

"afschuwelijk" de nauwkeurige studie der vrouwelijke genitaliën, hoewel

hij het wetenschappelijk belang van zulke nasporingen toegaf. En als

mannen van de wetenschap het moeilijk gevonden hebben tot een objectief

standpunt te komen over vrouwen, dan kunnen we ons niet verwonderen,

dat middeleeuwsche en nog oudere opvattingen dikwijls fijn doorweven

zijn geweest met de ideeën van philosofische en half philosofische

schrijvers [48].

We mogen als een speciale variëteit van het ascetisch bezien van

de sekse beschouwen,--want de asceten grondden vrijelijk, zooals we

zien, maar niet geheel terecht, hun ascetisme voor een groot deel op

æsthetische overwegingen--dat herhaalde wijzen op het bij elkaar liggen

van de sexueele en de excretorische centra, hetgeen in de oude Kerk

zijn uitdrukking vond in de geringschattende bewering van Augustinus:

"Inter faeces et urinam nascimur", en dat blijft voortbestaan bij

velen, die het in het geheel niet altijd in verband brengen met

godsdienstig ascetisme [49]. "Als resultaat van welk een belachelijke

zuinigheid, en van welk een Mephistopheles ironie", vraagt Tarde

[50], "heeft de Natuur gemeend, dat een functie zoo verheven, zoo de

poëtische en philosofische hymnen, die ze bezongen hebben, waardig,

niet beter verdiende dan haar uitsluitend orgaan te hebben te zamen

met dat van de minste lichamelijke functies?"

Wij mogen er echter op wijzen, dat deze beschouwing van de zaak,

hoewel onbewust, zelf het gevolg is van de ascetische depreciatie van

het lichaam. Van een wetenschappelijk standpunt zijn de processen

van stofwisseling van het lichaam van a tot z, alle met elkander

ineen geweven en van gelijke waardigheid, hetzij ze chemisch of

psychologisch beschouwd worden. Wij kunnen niet eenig speciaal chemisch

of biologisch proces afzonderen en verklaren: Dit is leelijk. Zelfs

wat wij uitwerpsel noemen, helpt nog de stof opbouwen van onze

levens. Eten is sommigen een walgelijke bezigheid toegeschenen. Maar

toch is het mogelijk geweest te zeggen, met Thoreau, dat "de goden

inderdaad bedoeld hebben, dat de menschen zich als de goden zouden

voeden, evenals zij zelve, met hun eigen nectar en ambrosia ... Ik heb

gevoeld, dat eten een sacrament werd, een middel tot gemeenschap, een

extatische oefening, en een zitten aan de avondmaalstafel der wereld".

De sacramenten van de natuur zijn op deze wijze overal samengeweven

in het weefsel van de lichamen van mannen en vrouwen. Lippen, goed om

te kussen, zijn voor alles goed om mee te eten en te drinken. Zoo

opeengehoopt en over elkaar heen geschoven zijn de centra van

kracht langzamerhand geworden, in den langen loop der ontwikkeling,

dat alle slijmvliezen van de natuurlijke lichaamsopeningen, door de

gevoeligheid, die zij verkregen hebben bij hun speciale werkzaamheid,

werktuigen zijn geworden, die de ziel in vervoering kunnen brengen

bij de aanraking in liefde; het is nutteloos verschil te maken

tusschen hoog en laag, rein of onrein; ze zijn alle gelijkelijk

reeds geheiligd door de uiterste wijding der natuur. De neus ontvangt

den levensadem; de vagina ontvangt het levenswater. Ten slotte moet

de waarde en liefelijkheid van het leven afgemeten worden naar de

waarde en liefelijkheid, die de werktuigen van het leven voor ons

hebben. De zwellende borsten zijn zulke goddelijk mooie teekenen van

vrouwelijkheid ter wille van het kind, dat er mogelijk aan hangen en

zuigen zal; de groote lijnen van de heupen zijn zoo wellustig ter wille

van het kind, dat zij mogelijk eens zullen bevatten; er kan hier geen

onderscheid gemaakt worden, wij kunnen de wortels niet van den boom

scheiden. Het is waar, dat de hoogste functie van de mannelijkheid--het

overreiken van de levenslamp aan toekomstige rassen, ten uitvoer wordt

gebracht door hetzelfde werktuig, dat tot dagelijkschen afvoer van

de blaas dient. Er is honend gezegd, dat wij geboren worden tusschen

urine en uitwerpselen; er kon ook, vol eerbied, gezegd worden, dat de

doorgang door dit geboortekanaal een sacrament is der natuur, heiliger

en van meer beteekenis dan menschen het ooit zouden kunnen bedenken.

Soms zijn deze verhoudingen opgemerkt en is hun beteekenis erkend door

een soort van mystische intuïtie. Wij nemen nu en dan sporen van zulk

een inzicht waar, eerst onder de dichters en later onder de medici

van de Renaissance. In 1864 zet Rolfincius, in zijn Ordo et Methodus

Generationi Partium etc. aan het begin van zijn tweede deel, gewijd

aan de geslachtsdeelen der vrouw, uiteen, wat oude schrijvers gezegd

hebben over de Eleusische en andere mysteriën en over de toewijding en

reinheid, vereischt van hen, die de heilige riten naderden. "Zoo is het

ook met ons," gaat hij voort, "bij de riten van het wetenschappelijk

onderzoek. Ook wij werken met heilige dingen. De geslachtorganen

moeten onder heilige dingen gerekend worden. Zij, die deze altaren

naderen, moeten komen met vromen geest. Laat de profanen buiten staan,

laat de deuren gesloten worden". In die dagen waren, zelfs voor de

wetenschap, alleen geloof en intuïtie mogelijk. Het is eerst in de

laatste jaren, dat de microscoop van den histoloog en het proefbuisje

van den physiologischen chemicus hem van een verstandelijke basis

voorzien hebben. Het is niet langer mogelijk, de natuur in tweeën te

knippen en te verzekeren, dat ze hier rein is en daar onrein [51].

Er schijnt dus geen voldoende grond te zijn om het eens te

zijn met hen, die het bij elkaar liggen van de voortbrengende

en de excretorische centra beschouwen als "een dom knoeiwerk der

natuur". Een associatie, die zoo oud en primitief is als de natuur,

kan alleen stuitend toeschijnen aan hen, wier gevoelens ziekelijk

onnatuurlijk geworden zijn. We mogen verder opmerken, dat de anus,

die aesthetisch het minst aantrekkelijke is van de excretorische

centra, betrekkelijk ver verwijderd is van de sexueele centra,

en dat, zooals R. Hellmann vele jaren geleden opmerkte, toen hij

deze kwestie besprak (Ueber Geschlechtsfreiheit, p. 82): "In de

eerste plaats pas afgescheiden urine niets bijzonder onaangenaams

in zich heeft, en in de tweede plaats, als ze dat al had, we dan

wel mochten bedenken, dat een rozenroode mond in het geheel niet

zijn bekoring verliest, alleen omdat hij niet aanlokkend is om

te kussen op het oogenblik, dat zijn bezitter bezig is te braken".

Een geestelijke oppert zelfs in een zijner geschriften, dat

wij verder mogen gaan en een positief voordeel vinden in deze

nabijheid. "Ik ben blij, dat gij het niet eens zijt met den man,

die vond, dat de natuur geknoeid had, toen ze de genitaliën

gebruikte voor de doeleinden van het urineeren; afgezien van

teleologische en theologische redenen zou ik die redeneeringslijn

niet kunnen volgen. Ik vind, dat er geen reden is voor walging

wat de organen voor het urineeren betreft, hoewel ik gevoel, dat

de anus nooit aantrekkelijk kan zijn voor den normalen geest; maar

de anus is geheel afgescheiden van de genitaliën. Mijn opinie is,

dat het nabij elkaar liggen een goed doel heeft, doordat het de

organen min of meer geheim maakt, behalve in tijden van sexueele

opwinding of in die van liefde. Het resultaat is, dat die deelen in

gewone tijden een zekere mate van weerzin wekken, maar een sterke

aantrekking oefenen in tijden van sexueele werkzaamheid. Vandaar

dat het gewone beschermen van de geslachtsdeelen, uit vrees afkeer

te wekken, zeer hun aantrekkelijkheid verhoogt op andere tijden,

wanneer de sexueele werkzaamheid onbeperkt is. Verder is het gevoel

van afkeer zelf alleen het resultaat van gewoonte en gevoelen,

hoe nuttig het ook is, en volgens de Schrift is alles rein en

goed. Het ascetisch gevoel van tegenzin berust, als we terug

gaan tot zijn oosprong, op anderen dan christelijken invloed. Het

christendom kwam voort uit het Judaisme, dat geen gevoel had voor

de onreinheid van het huwelijk, want "onrein" beteekent in het

Oude Testament eenvoudig "heilig". De ascetische zijde van den

godsdienst van het christendom is geen deel van den godsdienst

van Christus, zooals hij kwam uit de handen van den stichter, en

het moderne gevoel in deze zaak is een weifelend overblijfsel van

de ketterij van de Manichaeërs". Ik mag er echter wel bijvoegen,

dat er, zooals Northcote zegt (Christianity and Sex Problems,

p. 14), naast de vrije erkenning van sexualiteit in het Oude

Testament, een kring van denkbeelden is, die blijk geeft van

een gevoel van onreinheid en schaamte wat de sekse betreft. Het

christendom heeft deze gemengde gevoelens geërfd. Het is inderdaad

onder de oude en primitieve volken een ver verspreid en bijna

algemeen gevoelen geweest, dat er iets onreins en zondigs is in de

dingen van het geslacht, zoodat zij, die een godsdienstig leven

zouden willen leiden, sexueele verhoudingen moeten vermijden;

zelfs in Indië heeft het coelibaat eerbied ingeboezemd (zie

b.v. Westermarck, Marriage, pp. et seq.) Wat den oorspronkelijken

grond van dit denkbeeld aangaat--dien we hier niet nauwkeuriger

behoeven te bespreken--zijn vele theorieën op den voorgrond

gebracht; de heilige Augustinus zet, in zijn De Civitate Dei

het vernuftige idee uiteen, dat de penis, omdat hij onderhevig

is aan spontane bewegingen en erecties, die niet door den wil

beheerscht worden, een orgaan is om zich over te schamen, dat

de geheele geslachtssfeer in zijn schande meetrekt. Westermarck

beweert, dat er onder bijna alle volken gevoelens voorkomen

tegen sexueele verhoudingen met leden van dezelfde familie of

hetzelfde huishouden, en daar het geslacht zoo verbannen werd uit

de sfeer van het huiselijk leven, ontstond er een opvatting over

de onreinheid ervan; Northcote wijst op het feit, dat het van

het begin af aan noodig is geweest verborgenheid te zoeken voor

sexueelen omgang, omdat het paar op dat oogenblik een prooi zou

zijn voor vijandelijke aanvallen, en dat door een gemakkelijken

overgang de sekse beschouwd begon te worden als iets, dat verborgen

behoort te worden en daarom als iets zondigs. (Diderot had reeds

in zijn Supplément au Voyage de Bougainville gewezen op dit

motief voor afzondering als "het eenige natuurlijke element voor

kuischheid"). Crawley heeft een groot deel van zijn suggestief

werk, The Mystic Rose, gewijd aan het aantoonen van het feit,

dat voor den wilde de sekse een gevaarlijk en verzwakkend element

in het leven is en daarom zondig.

Het zou echter een dwaling zijn te denken, dat zulke mannen als

St. Bernard en de heilige Odo van Cluny, hoe bewonderenswaardig zij

ook de ascetische en zelfs de algemeen Christelijke gezichtspunten

van hun eigen tijd vertegenwoordigden, beschouwd moeten worden als

geheel typische voorbeelden van het echt Christelijke en primitief

Christelijke gezichtspunt. Voor zoover ik heb kunnen ontdekken, vinden

wij deze geconcentreerde intellectueele en emotioneele woestheid

van aanval op het lichaam niet tijdens de eerste duizend jaar van

het Christendom; die ontwikkelde zich eerst op het oogenblik toen,

met paus Gregorius VII, het middeleeuwsche Christendom de climax

bereikte van zijn overwinning over de zielen van de Europeesche

menschen, in de instelling van het coelibaat van de wereldlijke

geestelijkheid en den groei van de groote, in kloosters verzamelde

gemeenschappen van monniken in streng geregelde en afgezonderde orden

[52]. Daarvoor deden de leeraars van het ascetisme meer hun best om

aan te sporen tot kuischheid en zedigheid dan dat ze een aanval deden

op het geheele lichaam; zij concentreerden hun aandacht liever op

geestelijke deugden dan op physieke onvolkomenheden. En als wij tot

de Evangeliën teruggaan, dan vinden we weinig van den middeleeuwschen

ascetischen geest in de gezegden en daden, die van Jezus vermeld

worden, waarvan we zelfs eerder mogen zeggen dat ze over het geheel,

niettegenstaande het ascetisme dat er aan ten grondslag ligt, een

zekere teerheid openbaren en een toegevendheid jegens het lichaam,

terwijl zelfs Paulus, hoewel hij niet zacht is voor het lichaam, tot

eerbied er voor aanspoort als voor een tempel van den Heiligen Geest.

Wij kunnen niet verwachten, dat wij de Kerkvaders sympathiek gezind

zullen vinden tegenover het vertoonen van het naakte menschelijk

lichaam, want hun positie was gegrond op een opstand tegen het

heidendom en het heidendom had het lichaam gekoesterd. De naaktheid was

meer speciaal verbonden geweest met het publieke bad, het gymnasium

en het tooneel; en daar het van harte deze heidensche instellingen

afkeurde, werkte het Christendom de naaktheid tegen. Het feit, dat

gemeenzaamheid met de naaktheid eer gunstig dan ongunstig was voor de

kuischheid, waaraan ze zooveel waarde hechtte, kon de Kerk--hoewel ze

op zekeren tijd de naaktheid opnam in het ritueel van den doop--voor

het grootste deel niet inzien, als deze kuischheid al werkelijk een

feit was, hetwelk de speciale condities van het decadente klassieke

leven neiging hadden gehad te verbergen. Maar in hun bepaalde voorkeur

voor het aangekleede lichaam boven het naakte aarzelden de eerste

Christenen dikwijls om den verderen stap te doen door te verzekeren,

dat het lichaam een brandpunt is van onreinheid en dat de physieke

sexueele organen een uitvindsel zijn van den duivel. Integendeel

spraken sommige van de beroemdste Kerkvaders, vooral zij die tot

de Grieksche kerk behoorden en die den levenwekkenden adem gevoeld

hadden van het Grieksche denken, zich nu en dan uit over de onderwerpen

natuur, sekse, en het lichaam in een geest, die de instemming verworven

zou hebben van Goethe en Whitman.

Clemens van Alexandrië was, met al de excentriciteit van zijn

overfijn intellect, de meest Grieksche van al de Kerkvaders en het

is niet te verwonderen, dat de laatste glimp van klassiek licht,

die van zijn geest uitstraalde, eenig licht wierp over deze kwestie

van sekse. Hij protesteerde bv. tegen die preutschheid die, toen

de zon van de klassieke wereld onderging, begonnen was het leven

te overschaduwen. "Wij moeten ons niet schamen te noemen wat God

zich niet geschaamd heeft te maken" [53]. Het was een merkwaardige

verklaring omdat, terwijl ze het oude klassieke gevoel aannam van

geen schaamte jegens de natuur, ze dat gevoel plaatste op een nieuwe

en godsdienstige basis in overeenstemming met het Christendom. Over

het geheel, hoewel niet altijd consequent, verdedigt Clemens van

Alexandrië het lichaam en de sexueele functies tegen hen, die ze met

verachting behandelden. En daar de zaak van het geslacht de zaak is

der vrouwen, houdt hij de waardigheid der vrouwen altijd krachtig

staande en verkondigt hij ook de heiligheid van het huwelijk, een

staat, dien hij somtijds plaatst boven dien der maagdelijkheid? [54]

Ongelukkig, het moet gezegd worden, meende de heilige Augustinus--een

andere Noord-Afrikaner, maar uit Romeinsch Carthago en niet uit

Grieksch Alexandrië--dat hij een overtuigend antwoord had op het

argument dat Clemens opperde, en zoo groot was de kracht van zijn

hartstochtelijk en machtig genie, dat hij ten slotte zijn antwoord

overheerschend kon maken. Voor Augustinus was de zonde erfelijk, en

de zonde had haar specialen zetel in de sexueele organen; de daad der

zonde had de oorspronkelijke goddelijke daad der schepping gewijzigd,

en wij kunnen de sekse en de sexueele organen niet behandelen

alsof er geen erfzonde was geweest. Onze genitaliën, verklaart hij,

zijn schandelijk geworden omdat zij, door de zonde, nu in beweging

gebracht worden door de wellust. Toch neemt Augustinus op verre

na niet de middeleeuwsche ascetische houding aan van minachtenden

haat jegens het lichaam. Niets kan verder van Odo van Cluny af zijn

dan het enthusiasme van Augustinus over het lichaam, zelfs over de

volkomen harmonie van de deelen onder de huid. "Ik geloof, dat wij

tot het besluit kunnen komen", zegt hij zelfs, "dat bij het scheppen

van het menschelijk lichaam de schoonheid meer in het oog gehouden is

dan het nut. Waarlijk, nut is een voorbijgaand iets, en de tijd zal

komen dat we elkanders schoonheid kunnen genieten zonder wellust"

[55]. Zelfs in de sfeer van sekse zou hij geneigd zijn reinheid en

schoonheid aan te nemen, afgescheiden van den erfelijken invloed van

Adam's zonde. In het Paradijs, zegt hij, als het Paradijs was blijven

bestaan, zou de daad van het voortbrengen even eenvoudig zijn geweest

en vrij van schande als de daad van de hand bij het uitstrooien van

het zaad op de aarde. "Sexueele vereeniging zou onder de heerschappij

van den wil geweest zijn zonder eenig sexueel verlangen. Het zaad

zou in de vagina gebracht worden op even eenvoudige wijze als de

menstrueele vloeistof er nu uitgeworpen wordt. Er zouden geen woorden

geweest zijn die obsceen genoemd konden worden, maar al wat van deze

deelen kon gezegd worden, zou even rein geweest zijn als wat gezegd

wordt van de andere deelen van het lichaam" [56]. Dat is echter voor

Augustinus wat had kunnen wezen in het Paradijs, waar, naar hij meende,

sexueel verlangen niet bestond. Zooals de dingen zijn, meende hij,

is het juist dat wij ons schamen, doen wij goed te blozen. En het was

natuurlijk dat, zooals Clemens van Alexandrië vermeldt, vele ketters

verder gingen op dezen weg en geloofden dat, terwijl God den mensch

maakte tot aan den navel, de rest door een andere macht gemaakt was;

zulke ketters hebben zelfs nu nog hun aanhangers onder ons.

Evenzeer in de Oostersche als in de Westersche kerken echter, zoowel

voor en na Augustinus, hoewel niet dikwijls er na, hebben groote

Kerkvaders en leeraars meeningen geuit, die eer die van Clemens dan

die van Augustinus herroepen. Wij kunnen niet veel waarde hechten aan

de uiting van den buitensporigen en dikwijls zichzelf tegensprekenden

Tertullianus, maar het is de moeite waard op te merken, dat, terwijl

hij verklaarde dat de vrouw de poort is tot de hel, hij toch ook gezegd

heeft, dat wij de natuur moeten naderen met eerbied en niet met een

blos. "Natura veneranda est, non erubescenda". "Geen Christelijk

schrijver", heeft men gezegd, "heeft zoo energiek gesproken tegen

de kettersche verachting van het lichaam als Tertullianus. Lichaam

en ziel zijn, volgens Tertullianus, ten nauwste verbonden. De ziel

is het levensprincipe van het lichaam, maar er is geen werkzaamheid

van de ziel, die zich niet openbaart door en invloed ondervindt van

het vleesch" [57]. Van meer belang is Rufinus Tyrannius, de vriend

en medeleerling van den heiligen Jeronimus, in de vierde eeuw, die

een commentaar schreef op de Apostolische geloofsleer, die zeer in

aanzien was bij de oude en middeleeuwsche kerk en die zelfs nu nog

gewaardeerd wordt. Rufinus zegt, in antwoord aan hen, die verklaarden

dat er obsceniteit was in het feit van de geboorte van Christus door de

sexueele organen van een vrouw, dat God de sexueele organen geschapen

heeft, en dat "het niet de natuur is, maar alleen de opinie der

menschen, die ons leert dat deze deelen obsceen zijn. Verder zijn al

de deelen van het lichaam gemaakt van dezelfde klei, welke verschillen

er ook mogen zijn in hun gebruik en hun functies" [58]. Hij bekijkt

de zaak zooals we zien, wel vroom, maar toch natuurlijk en eenvoudig,

zooals Clemens, en niet zooals Augustinus door het verwringende medium

van een theologisch systeem. Athanasius sprak in de Oostelijke Kerk

in denzelfden geest als Rufinus in de Westelijke. Een zekere monnik,

genaamd Amun, had veel verdriet ondervonden door het voorkomen van

zaaduitstortingen in den slaap, en hij schreef aan Athanasius om te

vragen of zulke uitstortingen zonde zijn. In den brief, dien hij tot

antwoord schreef, tracht Athanasius Amun gerust te stellen. "Alle

dingen", zegt hij tot hem, "zijn rein voor den reine. Want wat, vraag

ik u, lieve en vrome vriend, kan er voor zondigs of van nature onreins

zijn in een uitwerpsel? De mensch is het werk van Gods handen. Er is

zeker niets in ons dat onrein is" [59]. Als wij deze uitingen lezen,

gevoelen wij, dat de zaden van preutschheid en verhitheid reeds in

den geest van het volk aanwezig zijn, maar toch zien wij ook dat

sommige van de meest bekende denkers van de eerste Christelijke

Kerk in opvallend contrast met de meer ziekelijke en kleingeestige

middeleeuwsche asceten, duidelijk afgezonderd stonden van de populaire

beweging. Over het geheel werden zij overstemd, omdat het Christendom,

evenals het Boeddhisme, van het begin af aan een kiem in zich droeg,

die zich leende tot ascetische onthouding, en het sexueele leven is

altijd de eerste impuls, die opgeofferd moet worden aan den hartstocht

voor onthouding. Maar er waren ook andere kiemen in het Christendom,

en Luther, die op zijn eigen plebejische wijze opkwam voor de rechten

van het lichaam, ofschoon hij brak met het middeleeuwsch ascetisme,

stelde daardoor geenszins de tradities van de oudste Christelijke

Kerk ter zijde.

Ik heb gemeend, dat het de moeite waard was dezen bewijsgrond aan

te voeren, alhoewel ik zeer wel weet, dat de feiten der Natuur

geen meerderen steun verkrijgen door het gezag van de Kerkvaders of

zelfs van den Bijbel. De natuur en de menschheid hebben bestaan vóór

den Bijbel en zouden voortgaan te bestaan al zou de Bijbel vergeten

zijn. Maar de houding van het Christendom op dit punt is zoo dikwijls

zonder voorbehoud veroordeeld geworden, dat het wel goed schijnt

aan te toonen, dat in zijn beste oogenblikken, toen het een jonge en

aangroeiende macht in de wereld was, de uitingen van het Christendom

dikwijls gelijkluidend waren met die van de Natuur en van de rede. Er

zijn vele menschen, mogen we er aan toevoegen, die het een troost

vinden te weten, dat zij, als zij in deze zaak den natuurlijken en

verstandelijken weg volgen, daardoor niet geheel en al breken met de

godsdienstige tradities van hun ras.

Het is wel nauwelijks noodig op te merken, dat wij, als wij ons van

het Christendom afwenden naar de andere groote wereldgodsdiensten,

gewoonlijk zoo'n dubbelzinnige houding jegens de sekse niet

ontmoeten. De Mohammedanen waren even nadrukkelijk in het

beweren, dat de sekse heilig was, als zij waren in hun zorg voor

de lichamelijke reinheid; zij waren bereid de sexueele functies

in het leven hiernamaals mee te nemen, en zij hebben zich nooit,

zooals Luther en zoo vele andere Christenen, vermoeid met peinzen

over het gebrek aan bezigheid in den Hemel. In Indië, hoewel Indië

het tehuis is van de uiterste vormen van godsdienstig ascetisme, is

de sexueele liefde in een grootere mate, geheiligd en vergoddelijkt

geworden dan in eenig ander deel van de wereld. "Het schijnt

nooit in de hoofden van de Hindoe-wetgevers te zijn opgekomen",

zeide Sir William Jones lang geleden (Works, vol. ii, p. 311),

"dat iets natuurlijks hinderlijk obsceen zou kunnen zijn, een

eigenaardigheid, die al hun geschriften doordringt, maar die geen

bewijs is voor de verdorvenheid van hun zeden". De sexueele daad

heeft in Indië dikwijls een godsdienstige beteekenis gehad, en

de meest nauwkeurige bijzonderheden van het sexueele leven en de

verscheidenheden ervan zijn in Indische erotische verhandelingen op

ernstige wijze besproken, terwijl nergens anders de anatomische en

physiologische sexueele eigenaardigheden van vrouwen met zulk een

nauwkeurigen en devoten eerbied zijn bestudeerd. "Liefde heeft in

Indië, zoowel in theorie als in de praktijk" merkt Richard Schmidt

op (Beiträge zur Indischen Erotik, p. 2) "een belangrijkheid,

zooals wij ons zelfs niet kunnen voorstellen".

In Protestantsche landen heeft de invloed van de Hervorming, door

de sekse als iets natuurlijks in eere te herstellen, indirect er

toe geleid, in het populaire voelen jegens de sekse den smaad van

zondigheid te vervangen door den smaad van dierlijkheid. Voortaan moet

de sexueele impuls worden verborgen of opgetooid, om fatsoenlijk

menschelijk te worden. Dit blijkt duidelijk uit een passage in

het dagboek van Pepys, in de zeventiende eeuw. Op den morgen na den

huwelijksdag was het gewoonte pas getrouwde menschen met muziek wakker

te maken; de afwezigheid van deze muziek bij een bepaalde gelegenheid

(in 1667), maakte op Pepys den indruk "alsof zij zoo maar als een

paar honden bij elkaar waren gekomen". Wij geven niet langer om de

muziek, maar hetzelfde gevoelen bestaat nog in den wensch naar andere

vermommingen en versieringen voor den sexueelen impuls. Wij stellen

ons niet altijd duidelijk voor oogen, dat liefde haar eigen heiliging

met zich brengt.

Als tegenwoordig de tegenzin tegen de sexueele zijde van het leven zich

vertoont, wordt bijna altijd beweerd niet zoozeer, dat ze "zondig"

is als wel dat ze "dierlijk" is. Ze wordt beschouwd als dat deel van

den mensch, dat hem het nauwste verbindt met de lagere dieren. Het

moest nauwelijks noodig zijn er op te wijzen, dat dit een dwaling

is. Van wat voor zijde we ze ook naderen, de bewering, dat sekse

bij den mensch en bij de dieren hetzelfde is kan niet volgehouden

worden. Van het standpunt van hen, die deze identiteit aannemen,

zou het juister zijn te zeggen, dat de menschen inferieur zijn aan

de dieren, dan dat ze gelijk zijn met de dieren, want bij dieren

is onder natuurlijke omstandigheden het sexueele instinct strikt

ondergeschikt aan de voortplanting en zeer weinig onderhevig aan

afwijking, zoo dat van het standpunt van hen, die de sekse willen

kleineeren, de dieren dichter bij het ideaal zijn, en zulke menschen

moeten met Woods Hutchinson zeggen: "Alles te zamen genomen hebben onze

dier-voorouders evenveel reden zich over ons te schamen, als wij over

hen". Maar als we de zaak bezien van een ruimer biologisch standpunt

van ontwikkeling, dan moet onze conclusie geheel verschillend zijn.

Wel verre van aan de dieren gelijk te zijn, behooren de menschelijke

sexueele impulsen onder de minst op de dieren gelijkende aanwinsten

van den mensch. De menschelijke sexueele sfeer verschilt in

een buitengewoon groote mate van de dierlijke sexueele sfeer

[60]. Ademhalen is een dierlijke functie en hierin kunnen we niet

wedijveren met de vogels; beweging is een dierlijke functie en hier

kunnen wij de viervoeters niet evenaren; wij zijn niet merkbaar

vooruit gegaan wat onze circuleerende, verteringbevorderende, nier-

of leverfuncties betreft. Zelfs wat het gezicht en het gehoor betreft,

zijn er veel dieren, die scherper van gezicht zijn dan de mensch, en

vele, die in staat zijn geluiden te hooren, die voor hem onhoorbaar

zijn. Maar er zijn geen dieren, waarbij het sexueele instinct zoo

gevoelig is, zoo hoog ontwikkeld, zoo verscheiden in zijn uitingen,

zoo voortdurend waakzaam, zoo in staat om uit te stralen naar

de hoogste en de verst verwijderde deelen van het organisme. De

sexueele werkzaamheden van den man en van de vrouw behooren niet tot

dat lagere deel van onze natuur, dat ons degradeert tot het niveau

van het "dier", maar tot het hoogere deel, dat ons opheft tot al

de hoogste werkzaamheden en idealen, waartoe we in staat zijn. Het

is waar, dat er voornamelijk in den mond van enkele onwetende en

slecht opgevoede vrouwen over sekse gesproken wordt als "dierlijk"

of als "het dierlijke deel van onze natuur" [61]. Maar daar vrouwen

de moeders en de onderwijzeressen zijn van het menschelijk ras is

dit een onwetendheid en een blijk van slechte opvoeding, die niet te

spoedig met wortel en tak kunnen uitgeroeid worden.

Er zijn sommigen, die schijnen te denken, dat zij de weegschaal in

evenwicht hebben gehouden en de zaak voor goed opgelost, als zij

erkennen, dat sexueele liefde zoowel mooi kan zijn als walgelijk, en

dat beide beschouwingen even normaal en wettig zijn. "Luister om de

beurt", merkt Tarde op, "naar twee mannen, die de een koud, de ander

vurig, de een kuisch, de ander verliefd, beiden even welopgevoed en

ruim van geest, de waarde van hetzelfde ding bepalen: de een noemt

walgelijk, leelijk, weerzinwekkend en dierlijk, wat de ander heerlijk,

verrukkelijk, onuitsprekelijk, goddelijk noemt. Wat voor den een, in de

Christelijke phraseologie, een onvergeeflijke zonde is, dat is voor den

ander de staat van ware genade. Daden, die voor den een een treurige

en nu en dan voorkomende noodzakelijkheid schijnen te zijn, vlekken

die zorgvuldig uitgewischt moeten worden door lange tusschenpoozen

van zelfbeheersching, zijn voor den ander de gouden spijkers, waar

het geheele overige levensgedrag en bestaan van afhangt, de dingen,

die alleen aan het menschelijk leven zijn waarde geven" [62]. Toch

mogen we wel betwijfelen of deze beide personen "even welopgevoed en

ruim van geest" zijn. De wilde gevoelt, dat sekse gevaarlijk is en hij

heeft gelijk. Maar de mensch, die gevoelt dat de sexueele impuls slecht

is, of zelfs maar laag bij den grond en vulgair, is een absurditeit

in het heelal, een afwijking. Hij is evenals die menschen in onze

krankzinnigengestichten, die gevoelen, dat het instinct om zich te

voeden slecht is en zoo er toe overgaan om zich uit te hongeren. Zij

zijn evenzeer geestelijke verworpelingen in het heelal, welks kinderen

zij zijn. Het is een andere zaak, als een mensch verklaart, dat hij

persoonlijk in zijn geval een ascetisch ideaal heeft, dat hem er toe

brengt zich zooveel mogelijk te onthouden van een van beide of van

beide impulsen. De mensch, die gezond ascetisch is, streeft naar een

discipline, die te hulp komt aan het ideaal, dat hij zich persoonlijk

gesteld heeft. Hij kan theoretisch nog in harmonie blijven met het

heelal, waartoe hij behoort. Maar verachting uit te spreken over het

sexueele leven, den sluier der "onreinheid" er over uit te spreiden,

dat is, zooals Nietzsche verklaarde, de onvergeeflijke zonde tegen

den Heiligen Geest van het Leven.

Er zijn veel menschen, die vooroordeel en rede trachten te verzoenen

in hun waardeering van de liefde door een scherpe scheidingslijn te

trekken tusschen "lust" en "liefde", de eene verwerpend en de andere

goedkeurend. Het is zeer juist zulk een onderscheid te maken, maar

de wijze waarop het gemaakt wordt, kan gewoonlijk in het geheel geen

onderzoek verdragen. Wij moeten uitmaken, wat we meenen met "wellust"

en wat we meenen met "liefde", en dat is niet gemakkelijk, als zij

beschouwd moeten worden alsof ze elkaar uitsluiten. Soms wordt gezegd,

dat we onder "lust" moeten verstaan een roekeloos toegeven aan den

sexueelen impuls zonder op andere overwegingen te letten. Als we hem

zoo verstaan, kunnen we hem veilig verwerpen. Maar dat is een volkomen

willekeurige definitie van het woord. "Lust" is inderdaad een zeer

dubbelzinnig woord; het is een goed woord, dat zijn moreele waarde

veranderd heeft, en daarom moeten wij het zeer zorgvuldig verklaren,

eer wij het durven gebruiken. Eigenlijk gezegd, is "lust" een volkomen

kleurloos woord [63] en beteekent eenvoudig verlangen in het algemeen

en sexueel verlangen in het bijzonder; het komt overeen met "honger"

of "dorst"; het in een beleedigende beteekenis te gebruiken is

ongeveer hetzelfde als aan te nemen, dat het woord "hongerig" dezelfde

beleedigende beteekenis heeft als "begeerig". Het resultaat is geweest,

dat gevoelige geesten verontwaardigd het woord "lust" in verband met

de liefde verwerpen [64]. In het vroegste gebruik van onze taal, had

"lust" den zin van gezonde en normale sexueele kracht; nu is het woord

zoo zeer naar beneden gehaald, dat, hoewel het gemakkelijk zou zijn het

weer op zijn juiste plaats, die nog open blijft, te brengen, de poging

hiertoe welhaast een hopelooze taak lijkt. Wij hebben de bronnen van

gevoel in deze zaken zoozeer vergiftigd met middeleeuwsche ascetische

ruwheden, dat al onze woorden voor sekse spoedig neiging-hebben met

modder bespat te geraken; we kunnen ze oprapen uit de modder, waarin

ze gevallen zijn en trachten ze te reinigen, maar aan vele oogen

zullen ze toch nog vuil toeschijnen. Een gevolg van deze neiging

is, dat wij geen eenvoudig, precies, natuurlijk woord hebben voor

de liefde van de seksen, en we gedwongen worden onze toevlucht te

nemen tot den algemeenen term, die zoo veelomvattend is, dat men

in Engeland en in de meeste andere landen die den toon aangeven,

met hetzelfde woord spreekt van God "liefhebben" of van eten "houden".

Liefde, in de sexueele beteekenis, is in het kort beschouwd, een

samenstelling van lust (in den primitieven en ongekleurden zin van

sexueele aandoening) en vriendschap. Er kan geen sexueele liefde zijn

zonder lust; maar, aan den anderen kant, niet voordat stroomen van

lust in het organisme zijn uitgestraald, zoo, dat zij andere deelen

van het psychische organisme raken--ten minste de aandoeningen en de

maatschappelijke gevoelens--is het sexueele liefde. Lust, de specifieke

sexueele impuls, is wel het eerste en meest essentieele element in

deze samenstelling, want die alleen is geschikt voor het doel van de

reproductie, niet alleen bij dieren maar ook bij menschen. Maar niet

voordat lust zich uitgezet heeft en uitgestraald is, ontwikkelt hij

zich tot de heerlijke en betooverende bloem der liefde. Wij mogen ons

voor den geest halen, wat onder de planten gebeurt: aan den eenen

kant hebben wij de lagere organismen, waarbij het sexueele leven

beknopt en cryptogamisch voortgaat zonder ooit eenigen overvloed van

schitterende bloemen over de wereld uit te storten, en aan den anderen

kant de hoogere planten, waar sekse zich geopenbaard vertoont en zich

aanmerkelijk uitgezet heeft in vorm en kleur en geur.

Terwijl "lust" natuurlijk over de geheele wereld bekend is,

en er overal woorden zijn om hem aan te duiden, is "liefde"

niet algemeen bekend, en in vele talen zijn er geen woorden voor

"liefde". De mislukte pogingen om liefde te vinden, zijn dikwijls

opmerkelijk en onverwacht. We kunnen ze soms vinden, waar we ze

het minst verwachten. Het sexueele verlangen raakte zelfs bij

sommige dieren geïdealiseerd, (zooals Sergi opgemerkt heeft),

voornamelijk bij vogels, want als een vogel zich dood treurt over

zijn wijfje, kan dat niet voortkomen uit het ongecompliceerde

sexueele instinct, maar moet het de combinatie in zich sluiten

van dat instinct met de andere levenselementen in een mate, die

zeldzaam is zelfs onder de meest beschaafde menschen. Sommige

wilde stammen schijnen geen fundamenteele voorstelling te hebben

over liefde, en (zooals de Amerikaansche Nahua's) geen elementair

woord er voor, terwijl er, aan den anderen kant, in Quichua, in

de taal van de oude Peruvianen, bijna zeshonderd combinaties zijn

van het werkwoord munay, liefhebben. Bij sommige volken schijnt

de liefde beperkt te zijn tot de vrouwen. Letourneau (L'Evolution

Littéraire, p. 529) wijst er op, dat in verschillende deelen van

de wereld vrouwen de leiding genomen hebben in het scheppen van

erotische poëzie. In dit verband mogen we de opmerking maken,

dat zelfmoorden uit erotische overwegingen bij primitieve

volken voornamelijk voorkomen onder vrouwen (Zeitschrift für

Sozialwissenschaft, 1899, P. 578). Verscheidene natuurvolken

hebben liefdeliederen, b.v. de Suaheli (Velten, in zijn Prosa und

Poesie der Suaheli, wijdt een deel aan liefdeliederen, geschreven

in de taal der Suaheli). D. G. Brinton zegt, in een belangwekkend

geschrift over "The Conception of Love in Some American Languages"

(Proceedings American Philosophical Society, vol. XXIII, p. 546;

1886), dat de woorden voor liefde in deze taal blijk geven van vier

hoofdwijzen om het begrip uit te drukken: (1) ongearticuleerde

uitroepen van emotie; (2) betuigingen van hetzelfde te zijn of

op elkaar te gelijken; (3) betuigingen van samen te hooren en

verbonden te zijn; (4) betuigingen van een wensch, verlangen of een

begeerte. Brinton voegt er bij, dat "deze zelfde denkbeelden ten

grondslag liggen aan de meeste woorden voor liefde in de groote

Arische taalgroep". Het opmerkelijke feit doet zich echter voor,

dat de menschen, die de Arische taal spraken, langzaam waren in

het ontwikkelen van hun opvatting van sexueele liefde. Brinton

merkt op, dat de Amerikaansche Mayas gesteld moeten worden

boven de volken van oude Arische beschaving, in dit opzicht,

dat zij een grondwoord bezitten voor de vreugde der liefde, dat

naar zijn beteekenis zuiver psychisch was en strikt betrekking

had op den geestelijken toestand, en niet op gelijkheid noch op

verlangen. Zelfs de Grieken waren laat met het vormen van eenig

ideaal van sexueele liefde. Dit is duidelijk aangetoond door

E. F. M. Benecke in zijn Antimachus of Colophon and the Position

of Women in Greek Poetry, een boek, dat eenige gewaagde stellingen

bevat, maar dat van het tegenwoordige standpunt uit zeer leerzaam

is. De Grieksche lyrische dichters schreven om zoo te zeggen geen

liefdeliederen aan vrouwen vóor Anacreon, en de zijne werden eerst

geschreven toen hij oud was. Ware liefde was voor de Grieken bijna

altijd homosexueel. De Ionische lyrische dichters van het oude

Griekenland beschouwden de vrouw alleen als speelgoed en als de

stichtster van de familie. Theognis vergelijkt het huwelijk bij

het fokken van vee; Alcman spreekt, als hij complimenteus wil zijn

voor de Spartaansche meisjes, van haar als van zijn "vrouwelijke

vrienden". Aeschylus laat zelfs een vader zeggen, dat zijn dochters

zich zullen misdragen als zij aan zichzelf zijn overgelaten. Er

is geen sexueele liefde bij Sophocles, en bij Euripides zijn het

alleen de vrouwen die verliefd worden. Benecke komt tot het besluit

(p. 67), dat in Griekenland sexueele liefde tot een tamelijk laat

tijdstip in minachting was, en dat ze beschouwd werd als niet

waardig om in het publiek besproken of voorgesteld te worden. Het

was in Groot-Griekenland eerder dan in Griekenland zelf, dat mannen

belangstelling hadden voor vrouwen, en het was niet eerder dan in

den tijd van Alexander, en vooral bij Asclepiades, zegt Benecke,

dat de liefde van vrouwen beschouwd werd als een zaak van leven

en dood. Daarna komt de opvatting van de sexueele liefde, van

het romantisch gezichtspunt, in het Europeesche leven. Met de

Keltische geschiedenis van Tristam verschijnt ze, naar Gaston

Paris opmerkt, eindelijk in de Christelijke Europeesche wereld

der poëzie als het voornaamste punt in het menschelijk leven,

de groote drijfkracht voor het gedrag der menschen.

Romantische liefde is echter tot de massa in Europa niet

doorgedrongen. In de zestiende eeuw, of in den tijd dat de ballade

van "Glasgerion" geschreven werd, zien wij aangenomen, dat de

verhouding van een boer tot zijn meisje beperkt is tot de enkele

daad van sexueelen omgang; hij kust haar niet bij het komen of

bij het weggaan; alleen de ridder, de man van de hoogere klasse

denkt er aan, die teedere beleefdheid aan te bieden. En heden

ten dage is, bijvoorbeeld in de streek tusschen Oost-Friesland en

de Alpen, naar Bloch meedeelt (Sexualleben unserer Zeit, p. 29)

in navolging van E. H. Meyer, het woord "liefde" bij de groote

massa onbekend en erkent men alleen den ruwen tegenhanger ervan.

Aan de andere zijde van de wereld, in Japan, schijnt sexueele

liefde evenzeer in discrediet te zijn als het was in het oude

Griekenland; zoo merkt Miss Tsuda, het hoofd van een Japansche

school en zelf een Christin, op (zooals aangehaald wordt door

Mrs. Fraser in World's Work and Play, Dec. 1906): "Dat woord

"liefde" is tot nog toe een woord geweest, dat niet bekend was

onder onze meisjes, in de buitenlandsche beteekenis. Plicht,

onderwerping, vriendelijkheid--dat waren de gevoelens, die een

meisje voor den echtgenoot moest hebben, die voor haar gekozen

was--en vele gelukkige, harmonische huwelijken waren hiervan

het resultaat. Nu zeggen uwe lieve, sentimenteele buitenlandsche

vrouwen tot onze meisjes: "Het is slecht te trouwen zonder liefde;

de gehoorzaamheid aan ouders voert in zulk een geval tot geweld

aandoen aan de natuur en aan het Christendom. Als je van een man

houdt, moet je alles opofferen om hem te trouwen"."

Als liefde echter volledig ontwikkeld is, wordt ze een aandoening

van een enorme uitgebreidheid en zeer samengesteld, en lust

wordt, zelfs in de beste beteekenis van dat woord, een element,

dat staat naast vele andere elementen. Herbert Spencer heeft,

in een belangwekkende passage van zijn Principles of Psychology

(Deel IV, hoofdst. VIII), liefde ontleed in negen onderscheiden

en belangrijke elementen: (1) de physieke sexueele impuls; (2)

het gevoel voor schoonheid; (3) genegenheid; (4) bewondering en

eerbied; (5) behoefte aan goedkeuring; (6) gevoel van eigenwaarde;

(7) gevoel van eigendomsrecht; (8) grooter vrijheid van handelen

door de afwezigheid van persoonlijke hinderpalen; (9) verheffing

van de sympathieën. "Deze hartstocht", zegt hij ten slotte,

"smelt de meeste van de elementaire opwindingen, waartoe we in

staat zijn, tot een enorm groote massa samen".

Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat het definieeren van de

sexueele liefde, of zelfs het ontleden van de samenstellingen

ervan, in het geheel niet hetzelfde is als het verklaren van het

mysterie. Wij trachten ons verstand te bevredigen door middel van een

samenhangend beeld der liefde, maar de afstand tusschen dat beeld en

de werkelijkheid van de aandoening, die we ondervinden, moet altijd

onmeetbaar en niet te overbruggen zijn. "Er is geen woord dat meer

uitgesproken wordt dan dat van liefde", schreef Bonstetten vele jaren

geleden, "en toch is er geen onderwerp, dat geheimzinniger is. Van dat,

wat ons het naaste raakt, weten we het minste. Wij kunnen den loop

van de sterren en we weten niet, hoe we liefhebben". En hoe bedreven

we ook geworden zijn in het ontdekken en ontleden van de oorzaken,

de bijkomstigheden en de resultaten van de liefde, moeten we toch nog

heden dezelfde bekentenis doen. Wij kunnen trachten, zooals sommigen

gedaan hebben, liefde te verklaren als een vorm van honger en dorst,

of als een kracht, die overeenkomt met electriciteit, of als een

soort van magnetisme, of als een soort van chemische affiniteit,

of als een reflexwerking, maar deze verklaringen zijn niets meer dan

pogingen om voor onszelf de grootheid van het verschijnsel, waarmee

we te doen hebben, tot uitdrukking te brengen.

Wat altijd de menschen bij het denken over de sexueele liefde

verbluft heeft, is de schijnbare onevenredigheid van de oorzaak

ervan, het enorme verschil tusschen het noodzakelijk beperkte deel

slijmvlies, dat het einddoel van zulke liefde is en de oceaan van

wereld-omvattende gevoelens, waartoe het de toegang verleent, zoodat,

naar Remy de Gourmont gezegd heeft, "de slijmvliezen, krachtens een

onoplosbaar mysterie, in hun donkere plooien al de rijkdommen besloten

houden van het oneindige". Het is een mysterie, waardoor de denker

en de kunstenaar gelijkelijk overweldigd worden. Donnay beeldt, in

zijn spel L'Escalade, een koud en streng man van de wetenschap uit,

die liefde alleen beschouwt als een geestelijke ongesteldheid, die

genezen kan worden evenals andere ongesteldheden en die tenslotte zelf

wanhopig verliefd wordt. Hij dringt in de kamer van het meisje binnen

op een ladder, midden in den nacht, en breekt los in een langen en

hartstochtelijken woordenvloed: "Alles wat met je in aanraking komt,

wordt voor mij geheimzinnig en heilig. O! te denken, dat iets zoo wel

bekends als een vrouwenlichaam, dat beeldhouwers gemodelleerd hebben,

waar dichters over gezongen hebben, dat mannen van de wetenschap,

zooals ik, hebben ontleed, dat dit plotseling een onbekend mysterie

moet worden en een oneindige vreugde, alleen omdat het 't lichaam

is van een bepaalde vrouw--wat een waanzin! En toch, dat is, wat ik

gevoel" [65].

Dat de liefde een natuurlijke waanzin is, een tijdelijke begoocheling,

die het individu gedwongen is te lijden ter wille van het ras, is een

uitleg, die menigeen, die door dit mysterie in verwarring is geraakt,

in de gedachte is gekomen. Dat was, zooals wij weten, de uitleg,

door Schopenhauer gegeven. Als een jonge man en een meisje elkaar in

de armen vallen in liefdesextase, dan verbeelden zij zich, dat zij

hun eigen geluk zoeken. Maar dat is zoo niet, zeide Schopenhauer;

zij worden bedrogen door den genius van het ras tot zij meenen,

dat zij een persoonlijk doel nastreven, opdat zij er toe gebracht

zouden worden een veel grooter onpersoonlijk doel te bereiken: het

scheppen van het toekomstige ras. De hevigheid van hun hartstocht

is niet de maatstaf voor het persoonlijk geluk, dat zij verkrijgen

zullen, maar de maatstaf voor hun geschiktheid om nakomelingschap

voort te brengen. Als zij den hartstocht volgen en de raadgevingen

van zorgvuldige voorzichtigheid in den wind slaan, dan offeren de

jonge man en het meisje in werkelijkheid hun kansen op zelfzuchtig

geluk op en vervullen zij de grootere doeleinden der Natuur. Zooals

Schopenhauer de zaak zag, was er geen vulgaire illusie. De minnenden

dachten, dat zij een grenzenloos persoonlijk geluk bereikten; zij

bedrogen zich waarschijnlijk. Maar zij bedrogen zich, niet omdat de

werkelijkheid minder was dan hun voorstelling, maar omdat ze meer was;

inplaats van alleen maar een persoonlijk doel na te streven, zooals zij

meenden, volbrengen zij het scheppingswerk van de wereld, een taak,

die beter ongedaan was gebleven, zooals Schopenhauer het beschouwde,

maar een taak waarvan hij de grootschheid volkomen erkende [66].

We moeten er aan denken, dat in de lagere beteekenis van het woord,

liefde een ontgoocheling zijn kan en dat dikwijls ook is. Een man kan

zich vergissen, of bedrogen worden door het voorwerp, dat hem aantrekt,

in de eigenschappen die zij bezit of die ze niet bezit. Bij de eerste

liefde, als ze in de jeugd voorkomt, is zulke teleurstelling zeker

volkomen normaal, en bij zekere typen, die vatbaar voor indrukken

en ontvlambaar zijn, heeft dit veel kans voor te komen. Deze soort

van teleurstelling, hoewel ze veel meer voorkomt en veel meer in

het oog valt in liefdezaken--en ernstiger is, omdat de huwelijksband

zoo strak is--heeft neiging in iedere verhouding van het leven voor

te komen. Voor de meeste menschen echter, en dat wel niet voor de

minst verstandige of de minst wijze, blijft de herinnering aan de

liefdeverrukking, zelfs als de tijd van die verrukking voorbij is,

toch bestaan als, op zijn minst, de herinnering aan een van de meest

werkelijke en essentieele feiten van het leven [67].

Sommige schrijvers schijnen de geneigdheid tot ontgoocheling en

teleurstelling in liefdeszaken te verwarren met de meeromvattende

kwestie van een wijsgeerige illusie in de beteekenis van

Schopenhauer. Tot zekere hoogte bestaat deze verwarring misschien

in het gesprek over liefde door Renouvier en Prot in La Nouvelle

Monadologie (pp. 216 et seq.). Waar zij overwegen of liefde al of

niet een begoocheling is, antwoorden zij, dat ze dat is of niet

is naar gelang we al of niet worden beheerscht door zelfzucht en

onrechtvaardigheid. "Het is geen essentieele dwaling geweest, die

voorgezeten heeft bij de schepping van den afgod, want de afgod is

alleen maar wat in alle dingen het ideale is. Maar om het ideale

in de liefde te verwezenlijken zijn er twee menschen noodig,

en dat is de groote moeilijkheid. We zijn nooit gerechtigd,"

zoo besluiten ze, "verachting op onze liefde te werpen, of zelfs

op het voorwerp ervan; want als het waar is dat wij niet in

het bezit zijn geraakt van de hoogste schoonheid van de wereld,

dan is het even waar, dat wij zelf niet een trap van volmaking

bereikt hebben, die ons reden zou gegeven hebben om met recht

een zoo grooten prijs te eischen". En misschien mogen we er wel

aan toevoegen, dat de meeste van ons ten slotte moeten toegeven

als wij eerlijk zijn jegens onszelf, dat de liefdeprijzen, die

we in de wereld verkregen hebben, wat hun gebreken ook zijn,

veel grooter zijn dan we verdiend hebben.

Wij mogen wel erkennen, dat in zekeren zin niet alleen de liefde,

maar al de hartstochten en begeerten van de menschen illusies zijn. In

die beteekenis is het Evangelie van Boeddha gerechtvaardigd, en wij

mogen wel de inspiratie erkennen van Shakespeare (in the Tempest)

en van Calderon (in La Vida es Sueno), die voelden, dat ten slotte

de geheele wereld een droom is zonder inhoud. Maar niet dan in deze

groote en laatste visie kunnen wij van illusie spreken; wij kunnen

niet toegeven, dat liefde een begoocheling is in eenige speciale en

bijzondere beteekenis, waaronder de andere wenschen en aspiraties niet

vallen. Integendeel is zij de meest vaste van alle werkelijkheden. Al

de vormen van vooruitgang van het leven zijn opgebouwd op de sexueele

aantrekking. Als wij de werking erkennen van sexueele keuze--zooals

we wel bijna moeten doen als we ze ontdoen van de dingen, die er aan

toegevoegd zijn zonder tot het wezen ervan te behooren [68]--dan heeft

liefde de juiste vorm en kleur, de essentieele schoonheid gegeven,

aan het leven van dieren en menschen gelijkelijk.

Als wij verder bedenken dat, zooals vele onderzoekers meenen, niet

alleen de physieke bouw van het leven, maar ook de geestelijke bouw

ervan--onze maatschappelijke gevoelens, onze moraal, onze godsdienst,

onze poëzie en kunst--ten minste in zekere mate opgebouwd zijn op de

sexueele impulsen, en dat zij, als ze al bestaan hadden, zeker geheel

verschillend zouden geweest zijn, als andere dan sexueele wijzen van

voortplanten geheerscht hadden in de wereld, dan kunnen we gemakkelijk

erkennen, dat we slechts in verwarring kunnen geraken door de liefde

af te wijzen als een begoocheling. Het geheele gebouw van het leven

wankelt dan, want zooals de idealist Schiller lang geleden gezegd

heeft, het is geheel en al opgebouwd van honger en van liefde. Liefde

te beschouwen als in eenige speciale beteekenis een begoocheling, is

niets anders dan het vallen in den strik van een ondiep cynisme. Liefde

is alleen maar een waan in zooverre het geheele leven een waan is,

en als wij het feit van het leven aannemen, dan is het onphilosofisch

te weigeren het feit van de liefde aan te nemen.

Het is onnoodig hier de functies der liefde in de wereld te

verheerlijken; het is voldoende de werking ervan na te gaan in

eigen sfeer. Het kan echter de moeite loonen eenige uitdrukkingen

aan te halen van denkers van verschillende scholen, die aangetoond

hebben wat hun de ver strekkende beteekenis toescheen van de

sexueele emoties voor het moreele leven. "De hartstochten zijn het

hemelsch vuur, dat leven geeft aan de moreele wereld", schreef

Helvetius lang geleden in De l'Esprit. "De werkzaamheid van den

geest is afhankelijk van de werkzaamheid van de hartstochten,

en het is ten tijde van de hartstochten, van den leeftijd van

vijf en twintig tot vijf en dertig of veertig, dat mannen tot de

grootste inspanningen van deugd en genie in staat zijn". "Wat

de sekse raakt", schreef Zola, "raakt het middelpunt van

het maatschappelijk leven". Zelfs ons gevoel voor de goed-

of afkeuring van anderen heeft een sexueelen oorsprong, beweert

Professor Thomas (Psychological Review, Jan. 1904, pp. 61-67), en

het is de liefde, die de bron is van gevoeligheid in het algemeen

en van de altruïstische zijde van het leven. "Het optreden van

sekse", tracht Professor Woods Hutchinson aan te toonen ("Love

as a Factor in Evolution", Monist, 1898), "de ontwikkeling van

mannelijkheid en vrouwelijkheid, was niet alleen de grondslag voor

genegenheid, de bron van alle moraal, maar een enorm economisch

voordeel voor het ras en een absolute noodzakelijkheid voor den

vooruitgang. Daarin vinden we het eerst eenig bewust verlangen

naar een actieven impuls jegens een medeschepsel". "Als de mensch

beroofd werd van het voortplantingsinstinct, en van alles wat daar

geestelijk uit voortkomt", riep Maudsley uit in zijn Physiology

of Mind, "dan zou op dat oogenblik alle poëzie en misschien ook

alle zin voor moraal uit zijn leven verdwijnen". "We schijnen

onszelf verheerlijkt, sterker, rijker, meer volkomen toe; we zijn

meer volkomen", zegt Nietzsche (Der Wille zur Macht, p. 389),

"we vinden hier de kunst als een organische functie: we vinden ze

gelegd in het meest engelachtig instinct der "liefde": we vinden

ze als de grootste prikkel van het leven... Het is niet alleen,

dat ze het gevoel voor woorden verandert: hij, die liefheeft, is

meer waard, is sterker. Bij dieren brengt deze toestand nieuwe

wapens tot stand, kleuren en vormen, vooral nieuwe bewegingen,

nieuwe rhythmen, een nieuwe verlokkende muziek. Het is niet

anders met den mensch... Zelfs in de kunst is de deur voor hem

geopend. Als wij uit de lyrische werken in woorden en geluiden

datgene verwijderen, wat door dat inwendige vuur wordt ingegeven,

wat blijft er dan over in de poëzie en de muziek? L'Art pour

l'art misschien, de bluffende virtuositeit van oude kikkers,

die in hun moeras omkomen. De geheele rest is door de liefde in

het leven geroepen".

Het zou gemakkelijk zijn meerdere aanhalingen te geven, die

aantoonen hoeveel verschillende denkers tot de conclusie zijn

gekomen, dat de sexueele liefde (daarbij ingesloten de vader- en

vooral de moederliefde) de bron is van de voornaamste uitingen in

het leven. In hoeverre zij gerechtvaardigd zijn in die conclusie,

het is niet onze zaak er navraag naar te doen.

Het is ongetwijfeld waar, dat, zooals we gezien hebben toen we de

excentrieke en onvolkomene verdeeling van het begrip liefde, en zelfs

van woorden voor liefde, over de geheele wereld, bespraken, volstrekt

niet alle menschen even geschikt zijn om, in welken tijd van hun

leven ook, de aandoeningen van sexueele exaltatie te ondervinden. Het

verschil tusschen den ridder en den boer bestaat nog en beiden kunnen

soms in alle maatschappelijke lagen gevonden worden. Zelfs de uitingen

van sexueel genot, het is onnoodig er op te wijzen, berusten gewoonlijk

op een zuiver physieken basis en hebben weinig uitwerking op het

intellectueele deel der natuur [69]. Maar dit is niet het geval met de

menschen, die het krachtigst invloed hebben uitgeoefend op de gedachte

en de gevoelens van de wereld. De persoonlijke realiteit van de liefde,

het belang ervan voor het leven van het individu, dat zijn feiten,

waarvan getuigenis afgelegd is door eenige van de grootste denkers,

na levens gewijd aan intellectueelen arbeid. De ondervinding van

Renan, die tegen het einde van zijn leven in zijn merkwaardig drama

L'Abbesse de Jouarre aan zijn overtuiging uitdrukking gaf, dat, zelfs

van het standpunt van kuischheid, de liefde tenslotte het hoogste

is in de wereld, staat in het geheel niet alleen. "Liefde is altijd

beschouwd geweest als een mindere uiting van menschelijke muziek,

de eerzucht als de hoogere", schreef Tarde, de beroemde socioloog,

op het einde van zijn leven. "Maar zal het altijd zoo zijn? Zijn

er geen redenen om te denken, dat de toekomst misschien voor ons in

bewaring heeft de onuitsprekelijke verrassing van een omkeering van die

wereldorde?" Laplace nam, een half uur voor zijn dood, een deel op van

zijn eigen Mécanique Céleste, en zeide: "Dat is allemaal waardeloos,

er is niets waar dan de liefde". Comte, die zijn leven besteed had

aan het opbouwen van een positieve philosophie, die absoluut werkelijk

zou zijn, vond (zooals we wel kunnen zeggen, dat de groote Engelsche

positivist Mill ook vond) het toppunt van al zijn idealen in een vrouw,

die zooals hij zeide, was Egeria en Beatrice en Laura in éen persoon,

en hij schreef: "Er is niets werkelijk in de wereld dan de liefde. Men

krijgt genoeg van denken en zelfs van handelen; men krijgt nooit genoeg

van liefhebben en ook niet van het te zeggen. Bij de ergste kwellingen

van de liefde heb ik nooit opgehouden te voelen, dat de hoofdzaak voor

geluk is, dat het hart op waardige wijze gevuld zal zijn--zelfs met

pijn, de bitterste pijn". En Sophie Kowalewsky schreef pathetisch,

na intellectueele successen, die haar onder de meest beroemden van

haar geslacht geplaatst hebben: "Waarom kan niemand mij liefhebben? Ik

zou meer kunnen geven dan de meeste vrouwen, en toch worden de meest

onbeteekenende vrouwen bemind en ik niet". Liefde, schijnen ze allen te

zeggen, is het eenige ding, dat in hoogste instantie de moeite waard

is. De grootste en schitterendste van de intellectueele reuzen der

wereld bereiken blijkbaar, in hun oogenblikken van hoogste inzicht,

het gewone niveau van de nederige en bijna anonieme personen, die,

afgesloten van de wereld, schreven The Imitation of Christ of The

Letters of a Portuguese Nun. En hoeveel anderen!

De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij · 第 40 / 71 题