De Grieksche houding tegenover de naaktheid.--Hoe de Romeinen die
houding wijzigden.--De invloed van het Christendom.--Naaktheid
in middeleeuwsche tijden.--Ontwikkeling van den afschuw voor
naaktheid.--De daarmee samengaande verandering in de opvatting
van de naaktheid.--Preutschheid.--De romantische beweging.--Het
ontstaan van een nieuw gevoel met betrekking tot de naaktheid.--De
hygiënische beschouwing van de naaktheid.--Hoe kinderen aan
naaktheid gewend kunnen worden.--Naaktheid staat niet vijandig
tegenover zedigheid.--Het instinct van physieke trots.--De
waarde van naaktheid in de opvoeding.--De aesthetische waarde
van naaktheid.--Het menschelijk lichaam als een van de eerste
opwekkingsmiddelen in het leven.--Hoe naaktheid gecultiveerd kan
worden.--De moreele waarde van naaktheid.
De discussie over de naaktheid in de kunst brengt ons tot
de aanverwante kwestie van naaktheid in de natuur. Wat is de
psychologische invloed van vertrouwdheid met het naakt? In hoe verre
moeten kinderen vertrouwd gemaakt worden met het naakte lichaam? Over
deze kwestie hebben de menschen op verschillende tijden verschillende
meeningen gehad, en gedurende de laatste jaren is er daarover een
opmerkelijke verandering beginnen te komen in den geest van praktische
opvoeders.
In Sparta, in Chios, en elders in Griekenland was er een tijd,
dat vrouwen naakt gymnastische toeren deden en dansten, te zamen
met de mannen, of in hun tegenwoordigheid [41]. Plato keurde in zijn
"Republiek" zulke gewoonten goed en zeide, dat de bespotting van hen,
die er om lachten, niets was dan "onrijp fruit, geplukt van den boom
der kennis". Over vele kwesties zijn Plato's opinies veranderd, maar
niet over deze. In de "Wetten", die het laatste resultaat zijn van zijn
philosophische overdenking in zijn ouderdom, raadt hij nog (Bk. VIII)
een dergelijke coëducatie van de seksen aan en hun coöperatie in
alle werken van het leven, gedeeltelijk om den òverscherpen kant der
sexueele begeerte af te stompen; met hetzelfde doel raadde hij aan
het samen omgaan van jongens en meisjes zonder belemmering, in een
kleeding, die den vorm niet bedekte.
Het is opmerkelijk dat de Romeinen, een ruwer aangelegd volk dan de
Grieken en in onzen engen zin meer "moreel", geen gevoel toonden voor
den veredelenden en verfijnenden invloed van de naaktheid. Naaktheid
was voor hen alleen een wellustig toegeven, dat met minachting
behandeld moest worden, zelfs als men er van genoot. Ze werd beperkt
tot het tooneel en er werd om geroepen door het volk. Vooral in de
Floralia schijnt de menigte het als haar recht geëischt te hebben,
dat de acteurs naakt zouden spelen, waarschijnlijk, naar men denkt,
als een overblijfsel van een volksritueel. Maar de Romeinen, hoewel
ze met graagte naar de comedie gingen, voelden niets dan minachting
voor de tooneelspelers. "Flagitii principium est, nudare inter
cives corpora". Dat is, wat de oude Ennius dacht, zooals vermeld
wordt door Cicero, en dat bleef tot het laatst het echte Romeinsche
gevoelen. "Quanta perversitas!" zooals Tertullianus uitriep. "Artem
magnificant, artificem notant" [42]. Zoo legden de Romeinen, hoewel
zij den afschuw van de Christenen opwekten, toch in werkelijkheid
den grondslag van de Christelijke moraal.
Het Christendom, dat het met zoo vele van Plato's ideeën eens was,
wilde niets te doen hebben met zijn beschouwing van de naaktheid en
zag de psychische juistheid ervan niet in. De reden was eenvoudig, en
werkelijk onnoozel. De kerk was er hartstochtelijk op uit te vechten
tegen wat zij "het vleesch" noemde, en zoo verviel zij in de dwaling,
de subjectieve kwestie van sexueel verlangen te verwarren met het
objectieve beschouwen van den naakten vorm. "Het vleesch" is slecht;
dus moet "het vleesch" verborgen worden. En zij verborgen het, zonder
te begrijpen, dat ze daarmee niet het verlangen naar de menschelijke
gestalte onderdrukt hadden, maar dat ze dat integendeel aangewakkerd
hadden door er de bekoring aan toe te voegen van een verboden mysterie.
Burton zegt, in zijn Anatomy of Melancholy (Deel III Sect. II,
Mem II, Subs. IV), waar hij wijst op de raadgevingen van Plato:
"Maar Eusebius en Theodoret geeselen hem er goed voor; en dat mogen
ze ook wel doen: want, zooals de een zegt, het zien alleen van
naakte deelen veroorzaakt enorme, hevige begeerten en prikkelt
mannen en vrouwen beide tot brandenden lust". "Toch", voegt
Burton er zelf verder in hetzelfde deel van zijn werk (Mem. V,
Subs. III), zonder protest bij, "meenen sommigen, dat het zien
van een naakte vrouw op zichzelf in staat is de genegenheid
van een man te veranderen; en het verdient overweging, zegt de
Franschman Montaigne, in zijn Essays, dat de kundigste meesters
in liefdezaken als geneesmiddel voor liefdehartstochten aanraden
een volledig beschouwen van het lichaam".
Er moest geen kwestie zijn over het feit, dat juist het versierde,
gedeeltelijk verborgen lichaam en niet het volkomen naakte,
werkt als een sexueele prikkel. Ik heb eenig bewijsmateriaal
samengebracht over dit punt, in de studie over "The Evolution
of Modesty". "In Madagascar, West-Afrika, en de Kaap", zegt
F. G. F. Scott Elliot (A Naturalist in Mid-Africa, pag. 36),
"heb ik altijd denzelfden regel gevonden. Kuischheid is omgekeerd
evenredig aan de hoeveelheid kleeding". Men is nu inderdaad
algemeen van opinie, dat een van de voornaamste bedoelingen
van versiering en kleeding was: het sexueele verlangen aan te
wakkeren, en schildersmodellen weten wel, dat als zij volkomen
zonder kleeding zijn, zij het veiligst zijn voor ongewenschte
toenadering van mannen. "Een van mijn geliefkoosde modellen
vertelde mij", zegt Dr. Shufeldt (Medical Brief Oct. 1904),
de beroemde schrijver van Studies of the Human Form, "dat zij
gewoon was zich, zoo spoedig mogelijk, na het betreden van het
atelier van den schilder te ontkleeden, want, daar mannen niet
altijd verantwoordelijk zijn voor hun emoties, voelde zij, dat
ze veel minder kans had ze op te wekken of te prikkelen, als ze
geheel naakt was, dan wanneer ze maar half gekleed was". Dit feit
is volkomen bekend aan schildersmodellen. Als het overwinnen van
het geslachtsverlangen het eerste en laatste punt was waar het op
aankwam in het leven, dan zou het verstandiger zijn om kleeding
dan om naaktheid te verbieden.
Toen het Christendom de geheele Europeesche wereld beheerschte, kon
dit strenge vermijden van zelfs het gezicht van "het vleesch", hoewel
het in naam door allen aangenomen was als het wenschelijke ideaal,
alleen geheel en volkomen doorgevoerd worden in het klooster. In de
gewoonten van de wereld daarbuiten bleven, ofschoon de oorspronkelijke
Christelijke idealen hun invloed behielden, verschillende heidensche en
primitieve tradities, die aan de naaktheid gunstig waren, nog bestaan,
en mochten zich, in zekere mate, uiten, evenzeer in het dagelijksch
leven als bij bepaalde gelegenheden.
Hoe wijd verspreid de nu en dan voorkomende of algemeen
gebruikelijke gewoonte van naaktheid in de wereld over het
algemeen is, en hoe volkomen ze overeen te brengen is zelfs met
de allergevoeligste zedigheid is uiteengezet in "The Evolution
of Modesty", eveneens van mijne hand.
Zelfs tijdens het tijdperk van het Christendom is de impuls
om naaktheid aan te nemen, dikwijls met het gevoel dat het
een bijzonder geheiligde gewoonte was, blijven bestaan. De
Adamieten van de tweede eeuw, die naakt lazen en baden en die
naakt het sacrament vierden, volgens wat vermeld wordt door den
heiligen Augustinus, schijnen weinig aanstoot gegeven te hebben,
zoolang zij naaktheid alleen in praktijk brachten bij hun heilige
ceremonies. De Duitsche Broeders van den Vrijen Geest, in de
dertiende eeuw, verenigden zooveel kuischheid met algemeene
naaktheid, dat orthodoxe Katholieken meenden, dat ze door den
Duivel geholpen werden. De Fransche Picardiërs eischten, op een
veel later tijd, openbare naaktheid, in het geloof, dat God,
hun leider in de wereld gezonden had, om de wet der Natuur te
herstellen; zij werden vervolgd en ze werden tenslotte uitgeroeid
door de Hussieten.
In het dagelijksch leven werd echter tijdens de middeleeuwen
een vrij groote mate van naaktheid toegestaan. Dit was vooral
zoo in de openbare baden, die door mannen en vrouwen te zamen
bezocht werden. Zoo maakt Alwin Schultz de opmerking (in zijn
Höfische Leben zur Zeit der Minnesänger), dat de vrouwen van de
aristocratische klassen, niet de mannen, dikwijls in deze baden
naakt waren, behalve dat ze een hoed op hadden en een halssnoer om.
Er is somtijds gezegd, dat in de middeleeuwsche godsdienstige
spelen Adam en Eva absoluut naakt waren. Chambers betwijfelt dit en
meent dat zij vleeschkleurige tricots droegen, of dat ze evenals
in een later spel van deze soort "gekleed waren in wit leder"
(E. K. Chambers, The Mediæval Stage, deel I, p. 5). Het kan wel zoo
zijn, maar het openlijk vertoonen zelfs van de sexueele organen
was geoorloofd, en dat in aristocratische huizen, want John of
Salisbury (in een passage, die aangehaald wordt door Buckle,
Commonplace Book, 541) protesteert tegen deze gewoonte.
De vrouwen van de feministische zestiende eeuw in Frankrijk, zooals
R. de Maulde la Clavière opmerkt (Revue de l'Art, Jan. 1898),
hadden er geen bezwaar tegen haar aanbidders te beloonen, door hen
tot haar toilet toe te laten, of zelfs tot haar bad. Op het einde
der eeuw werden de dames nog minder preutsch, en vele welbekende
dames lieten zich schilderen, naakt tot het middel, zooals we zien
op het portret van "Gabrielle d'Estrées au Bain" in Chantilly. Vele
van deze schilderijen echter zijn zeker geen werkelijke portretten.
Zelfs in het midden van de zeventiende eeuw was naaktheid in
Engeland in het openbaar niet verboden, want Pepys vertelt ons,
dat op den 29sten Juli 1667 een kwaker naar Westminster Hall kwam,
roepende: "Hebt berouw! Hebt berouw!" geheel naakt, behalve dat
hij "zeer netjes gedekt was om de geheime deelen, om schandaal te
vermijden". (Dit was ongetwijfeld Solomon Eccles, die gewoon was
in dit costuum rond te loopen, vóor en nà de Restoratie beide. Hij
was een beroemd musicus geweest, en hoewel hij excentriek was,
was hij blijkbaar niet krankzinnig).
In een hoofdstuk "De la Nudité" en in de appendices van zijn boek
De l'Amour (deel I, p. 221) geeft Senancour voorbeelden van de nu
en dan voorkomende gewoonte in Europa om zich naakt te vertoonen,
en hij voegt er eenige belangwekkende opmerkingen van zichzelf bij;
zoo ook Dulaure (Des Divinités génératives, hoofdst. XV). Als regel
schijnt het dat, hoewel volkomen naaktheid in andere opzichten
toegestaan was, het gewoonte was de geslachtsdeelen te bedekken.
Het verzet tegen de naaktheid heeft nooit geheel gezegevierd vóor
de negentiende eeuw. Die eeuw vertegenwoordigde de triomf van
al de krachten, die de naaktheid in het openbaar overal en geheel
verboden. Als, zooals Pudor met nadruk zegt, naaktheid aristocratisch
is en de slavernij van de kleeding een plebejische eigenaardigheid,
aan de lagere klassen opgelegd door een hoogere klasse, die voor
zichzelf het voorrecht behield van physieke beschaving, dan mogen we
dit misschien in verband brengen met de uitbarsting van democratisch
plebejerschap, die naar Nietzsche aantoonde, haar hoogtepunt bereikte
in de negentiende eeuw. Het is in ieder geval zeker belangwekkend
op te merken, dat de beweging te die tijde geheel van karakter
veranderd was. Zij was algemeen geworden, maar terzelfder tijd
waren de grondslagen ervan ondermijnd. Zij had in ruime mate haar
godsdienstig en moreel karakter verloren en werd in plaats daarvan
beschouwd als een zaak van conventie. De man van de negentiende eeuw,
die het schouwspel zag van blanke ledematen, die in het zonlicht
schitterden, voelde niet meer zooals de middeleeuwsche kluizenaar dat
hij het heil van zijn onsterfelijke ziel in gevaar bracht of zelfs
maar de achteruitgang van zijn moraal in de hand werkte; hij voelde
alleen maar, dat het "onfatsoenlijk" was, of in het uiterste geval
"walgelijk". Dat is te zeggen, hij beschouwde de zaak als eenvoudig
een zaak van conventioneele etiquette, op zijn slechtst van smaak,
van æsthetiek. Door zoo zijn tegenzin tegen naaktheid naar beneden
te halen tot een zoo laag plan, had hij hem wel algemeen aannemelijk
gemaakt, maar terzelfder tijd had hij hem beroofd van zijn hooge
wijding. Zijn diepe afschuw van de naaktheid was buiten verhouding
tot de lichtzinnige beweegredenen, waarop hij haar grondde.
Wij moeten echter niet de hardnekkigheid onderschatten, waarmee
deze afschuw van de naaktheid werd vastgehouden. Niets geeft de
diep ingewortelde haat, die de negentiende eeuw voor de naaktheid
voelde, levendiger weer dan de woestheid--er is geen ander
woord voor--waarmee Christelijke zendelingen naar wilden over
de geheele wereld, zelfs in de tropen, er op aandrongen dat hun
bekeerlingen de conventioneele kleeding van Noord-Europa zouden
aannemen. Verhalen van reizigers loopen over van verwijzingen
naar den nadruk, dien zendelingen legden op deze verandering
in de gewoonte, die schadelijk was voor de gezondheid van
het volk en tevens afbreuk deed aan hun waardigheid. Het is
voldoende een getuige van gezag aan te halen, Lord Stanmore,
vroeger Goeverneur van Fiji, die een lang stuk voorlas in de
Anglikaansche Zendingsconferentie in 1894, over het onderwerp
"Undue Introduction of Western Ways". "In het midden van het
dorp", merkte hij op in een aanhaling van een typisch geval (en
betrekking hebbende niet op Fiji maar op Tonga), "is de kerk,
een houten gebouw, dat op een schuur gelijkt. Als het Zondag is,
vinden wij den inboorling-voorzanger, gekleed in een groenzwarte
pandjesjas, een das, die eens wit geweest is, en een bril, die
hij waarschijnlijk niet noodig heeft, preeken voor een gemeente,
waarvan het mannelijk gedeelte gekleed is op een wijze, die veel
gelijkt op zijn kleeding, terwijl de vrouwen zijn opgetooid met
oude hoeden en mutsen, en vormelooze japonnen als badcostumes, of
misschien met ouderwetsche crinolines. Invloedrijke stamhoofden
en vrouwen van hooge geboorte, die in de kleeding van hun stam
er uit zouden zien en er ook werkelijk uitzien, als leden eener
natuurlijke aristocratie, maken door hun Zondagsopschik den indruk
van vogelverschrikkers. Als een bezoek gebracht wordt aan de
huizen van de stad, nadat het huiswerk van de menschen gedaan is,
vindt men de familie op stoelen zitten, lusteloos en ongezellig, in
een kamer vol rommel. In de huizen van de hoogere geestelijkheid
onder de inboorlingen ziet men nog grooter naäperij van de
manieren van het Westen. Daar vindt men stoelen met afschuwelijke
antimacassars, smakelooze ronde van wol gemaakte kleedjes voor
niet aanwezige bloempotten, en een massa leelijke, goedkoope en
ordinaire porseleinen schoorsteenmantelversieringen, die, omdat
er geen haard is en daarom geen schoorsteenmantel, in het gelid
uitgestald worden op een wankel houten tafeltje. Het geheele leven
van deze dorpsmenschen is een doellooze comedie. Zij vragen zich
voortdurend af of zij ook een van de straffen oploopen, die staan
op het inbreuk maken op de lange lijst van verbodsbepalingen, en
of ze wel zóo leven als het past bij de buitenlandsche kleeren, die
zij dragen. Hun gezichten hebben voor het merendeel een uitdrukking
van norsche ontevredenheid, zij bewegen zich stil en vreugdeloos,
opstandelingen in hun hart tegen den dwang, die hen drukt, maar
dien zij toch niet durven afwerpen, gedeeltelijk uit een vage
angst voor mogelijke wereldsche gevolgen, en gedeeltelijk omdat
zij meenen dat zij geen goede Christenen meer zijn, als zij dat
doen. Zij hebben goede reden voor hun ontevredenheid. Op den tijd,
toen ik de dorpen bezocht, waar ik bijzonder het oog op heb, was
het strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om kleederen van
het land te dragen, strafbaar bij geldboete en gevangenisstraf om
lang haar te dragen of een guirlande van bloemen; strafbaar met
geldboete en gevangenisstraf om te worstelen of bal te spelen;
strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om huizen te bouwen op
de wijze der inboorlingen; strafbaar om niet een hemd en broek
te dragen, en op sommige plaatsen ook jas en schoenen; en als
bijvoeging tot wetten, die een strikte puriteinsche inachtneming
van den Zondag eischen, was het strafbaar met geldboete en
gevangenisstraf op Zondag te baden. Op sommige andere plaatsen was
het baden op Zondag strafbaar met geeselslagen en voor zoover ik
weet zijn vrouwen gegeeseld om geen andere overtreding. In zulke
omstandigheden zijn de menschen rijp voor opstand en soms komt
het tot opstand".
Een in het oog springend resultaat van het terugbrengen van het
gevoel voor naaktheid tot een dwaze, maar gebiedende conventie
is de neiging tot preutschheid. Deze is, zooals we weten, een
vorm van nagemaakte zedigheid, die, omdat ze een conventie is,
vatbaar is voor onbegrensde uitbreiding. Zij beperkt zich in het
geheel niet tot moderne tijden of tot Christelijk Europa. De oude
Hebreërs waren niet geheel vrij van preutschheid, en we vinden
in het Oude Testament, dat door een merkwaardig euphemisme de
sexueele organen dikwijls vermeld werden als "de voeten". De Turken
zijn in staat tot preutschheid. En ook de oude Grieken. "Dion,
de philosoof, vertelt ons", merkt Clemens van Alexandrië op
(Stromates, Bk. IV, hoofdst. XIV) "dat een vrouw, Lysidica, door
overmaat van kuischheid, baadde in haar kleeren, en dat Philotera,
als zij op het punt was in het bad te gaan, langzamerhand
haar tunica naar boven trok, als het water haar naakte deelen
bedekte; en dat ze haar dan, langzamerhand overeind komende,
weer aantrok". Geaffecteerde preutsche vrouwen werden gevonden
onder de eerste Christenen, en haar manieren zijn beschreven door
den heiligen Jeronimus in een van zijn brieven aan Eustochius:
"Deze vrouwen", zegt hij, "spreken tusschen haar tanden, of met
bij elkaar getrokken lippen, en met een lispelende tong, en zij
spreken haar woorden maar half uit, omdat zij alles wat natuurlijk
is beschouwen als onbeschaafd. Zulke vrouwen", verklaart Jeronimus,
en hier overwint de philoloog in hem den asceticus, "bederven
zelfs de taal". Ieder keer wanneer een kunstmatige "zedigheid"
aan natuurvolken opgedrongen wordt, is er kans dat er preutschheid
optreedt. Haddon beschrijft dit voor de inboorlingen van Straat
Torres, waar zelfs de kinderen nu nog lijden onder overdreven
preutschheid, hoewel zij vroeger geheel naakt en zonder schaamte
waren (Cambridge Anthropological Expedition to Torres Straits,
vol. V, p. 271).
De negentiende eeuw, die den triomf gezien heeft van schuchterheid
en preutschheid in deze zaak, heeft ook de eerste vruchtbare kiem
voortgebracht van nieuwe opvattingen van naaktheid. Tot zekere hoogte
waren die belichaamd in de groote romantische beweging. Rousseau
had niet speciaal den nadruk gelegd op de naaktheid als een element
van den terugkeer tot de natuur, dien hij met zooveel invloed
predikte. Een nieuwe wijze van voelen in deze zaak ontstond echter
met karakteristieke buitensporigheid in sommige van de tijdperken
der revolutie, terwijl in Duitschland in het baanbrekende Lucinde
van Friedrich Schlegel, een karakteristieke figuur in de romantische
beweging, een nog ongewone opvatting van het lichaam werd uitgebeeld
op ernstige en waardige wijze.
In Engeland verkondigde Blake, met zijn vreemd en vurig genie, een
mystieke leer, die in zich sloot de geestelijke verheerlijking van het
lichaam en verachting voor de kleederliefde van beschaafde menschen
("Wat een modernen mensch aangaat", schreef hij, "als hij van zijn
kleerenlast ontdaan is, dan is hij als een lijk"); terwijl later in
Amerika, Thoreau en Burroughs nòg meer bepaald, een niet ongelijke
boodschap over het noodzakelijke van het terugkeeren tot de natuur
verkondigden.
Wij vinden het belang van het zien van het lichaam--hoezeer
ook binnen enge grenzen, tot het vermijden van bedrog bij de
voorbereidselen tot het huwelijk--uiteengezet al in de zestiende
eeuw door Sir Thomas More in zijn Utopia, dat zoo rijk is aan
nieuwe en vruchtbare ideeën. In Utopia vertoont, volgens Sir
Thomas More, een gezeten en eerbare matrone de vrouw, of zij een
meisje is of een weduwe, naakt aan den minnaar. En evenzoo vertoont
een wijs en betrouwbaar man den minnaar naakt aan de vrouw. Over
deze gewoonte lachten wij en keurden haar af als dwaas. Maar zij,
van hun kant, verwonderen zich zeer over de dwaasheid van alle
andere volken, die, als ze een paard koopen, waar een beetje
geld op het spel staat, zoo zorgvuldig en voorzichtig zijn dat,
al is het bijna naakt, zij het niet koopen willen tenzij het
zadel en het geheele harnas afgenomen is, uit angst dat onder
deze bedekkingen een of ander galgezwel of wonde verborgen zal
zijn. En toch, bij het kiezen van een vrouw, die voor hen hun
geheel verdere leven tot een genoegen of tot een verdriet zal
zijn, zijn zij zoo roekeloos, dat, terwijl de geheele rest van
het lichaam der vrouw bedekt is met kleeren, zij haar schatten
naar nauwelijks een handbreedte (want zij kunnen niet meer zien
dan haar gezicht) en haar zoo aan zich verbinden, niet zonder
gevaar te loopen van veel ellende, als misschien later iets aan
haar lichaam hen mocht hinderen of onaangenaam aandoen. Onder
deze bedekking kan vreeselijke mismaaktheid verborgen zijn, zóo,
dat het den man geheel van zijn vrouw kan vervreemden, en zijn
liefde van haar afwenden als hun lichamen niet meer zullen mogen
scheiden. Als zulk een misvorming door eenig toeval voorkomt,
nadat het huwelijk voltrokken is, nu, dan is er geen ander middel
dan geduld. Maar het zou goed zijn als er een wet werd gemaakt,
waardoor al zulke bedriegerijen van tevoren vermeden werden.
De duidelijke opvatting van wat men noemen mag de geestelijke
waarde van de naaktheid--geenszins van More's standpunt, maar
als een deel van natuurlijke hygiëne in den ruimsten zin, en als
een hooge en bijzondere wijze van beschouwen van de zuiverende en
veredelende functie der schoonheid--is van veel later datum. Zij
is niet duidelijk uitgedrukt vóór den tijd der Romantiek. Wij
vinden haar uitmuntend uiteengezet in De l'Amour van Senancour
(eerste uitgave, 1806; vierde en vermeerderde uitgave, 1834),
dat nog een van de beste boeken blijft over de moraal der
liefde. Na de opmerking gemaakt te hebben, dat naaktheid in het
geheel niet kuischheid uitsluit, gaat hij voort nu en dan bij
bepaalde gelegenheden gedeeltelijke of geheele naaktheid aan te
raden. "Laten we ons eens voorstellen", zegt hij, eenigszins
in den geest van Plato, "een land, waar bij zekere algemeene
feesten de vrouwen absoluut vrij waren om bijna of geheel naakt
te zijn. Dat bij het zwemmen, walzen, wandelen, zij, die dat
wilden, ongekleed mochten blijven in de tegenwoordigheid van
mannen. Zonder twijfel zouden de illusies van de liefde weinig
gekend worden, en de hartstocht zou een vermindering van zijn
hevigheid ondervinden. Maar is het de hartstocht, die in het
algemeen de menschelijke dingen veredelt? Wij hebben behoefte aan
eerlijke gehechtheid en teere genoegens, en die kunnen we allemaal
krijgen, terwijl we toch nog ons gezond verstand bewaren.... Zulk
een naaktheid zou daarmee overeenkomende instellingen eischen,
streng en eenvoudig, en een grooten eerbied voor die conventies,
die voor alle tijden gelden". (Senancour, De l'Amour, vol. 1,
p. 314).
Van dien tijd af worden verwijzingen naar de waarde en
wenschelijkheid van de naaktheid meer en meer veelvuldig in alle
beschaafde landen, soms vermengd met sarcastische toespelingen
op de valsche conventies, die wij in deze zaak geërfd hebben. Zoo
schrijft Thoreau in zijn dagboek op den 12den Juni 1852, als hij
kijkt naar de jongens, die in de rivier baden: "De kleur van
hun lichamen in de verte is aangenaam om te zien. Ik hoor het
geluid van hun geplas over het water klinken. Tot nu toe bestaat
de mensch in de Natuur niet. Wat een eigenaardig feit zou het
zijn voor een engel, die deze aarde bezocht, om op te teekenen
in zijn notitieboekje, dat den menschen bij de strengste straffen
verboden was hun lichamen te vertoonen".
Iwan Bloch bespreekt, in hoofdstuk VII van zijn Sexual Life
of Our Time, deze kwestie van de naaktheid uit het moderne
gezichtspunt en komt tot de conclusie: "Een natuurlijke opvatting
van de naaktheid: dat is het wachtwoord van de toekomst. Al de
hygiënische, aesthetische en moreele pogingen van onzen tijd
wijzen in die richting".
Stratz, zooals iemand betaamt die zoo ijverig gewerkt heeft in de
zaak van menschelijke gezondheid en schoonheid, zet prachtig het
standpunt uiteen, waarop we tegenwoordig, wat deze zaak betreft,
staan. Nadat hij er op gewezen heeft (Die Frauenkleidung, derde
uitgave, 1904, p. 30) dat, in tegenstelling met de heidensche
wereld, die naakte goden vereerde, het Christendom de idee
ontwikkelde, dat naaktheid enkel sexueel was, en daarom immoreel,
gaat hij voort: "Maar boven alles uit, schitterde op de hemelsche
hoogten van het Kruis, het naakte lichaam van den Heiland. Onder
deze bescherming heeft zich langzamerhand uit de verwarring van
ideeën een nieuwe veranderde vorm van naaktheid losgemaakt na een
langen strijd. Ik zou dit willen noemen artistieke naaktheid,
want, evenals ze onsterfelijk gemaakt is door de oude Grieken
door de kunst, zoo is ze ook onder ons tot nieuw leven gewekt
door de kunst. Artistieke naaktheid is, in haar aard, veel
hooger dan hetzij de natuurlijke of de sexueele opvatting
van de naaktheid. Het eenvoudige natuurkind ziet in naaktheid
niets bijzonders, de met kleeren gekleede mensch ziet in het
ongedekte lichaam slechts een sexueele prikkeling. Maar op het
hoogste standpunt keert de mensch bewust tot de natuur terug, en
erkent hij, dat onder de vele bedekkingen van menschelijk maaksel
verborgen is het mooiste schepsel, dat God gemaakt heeft. Het kan
zijn, dat de een blijft staan in stille, eerbiedige bewondering
voor den aanblik; en dat een ander zich gedrongen voelt om het na
te bootsen en om aan zijn medemenschen te toonen, wat hij in dat
heilig oogenblik gezien heeft. Maar beide genieten het zien van
menschelijke schoonheid met volle bewustheid en verheven reinheid
van gedachte".
Het was echter niet zoozeer aan deze meer geestelijke zijden, maar
aan de zijde der hygiëne, dat de negentiende eeuw haar voornaamste
praktische bijdrage leverde tot de nieuwe wijze van voelen jegens
de naaktheid.
Lord Monboddo, de Schotsche rechter, een pionier voor vele moderne
denkbeelden, had zich reeds in de achttiende eeuw de hygiënische
waarde van "luchtbaden" duidelijk voor oogen gesteld, en hij heeft
die nu gewone naam uitgevonden. "Lord Monboddo" zegt Boswell,
1777 (Leven van Johnson, uitgegeven door Hill, deel III, p. 168)
"vertelde mij, dat hij iederen morgen om vier uur wakker werd,
en dan voor zijn gezondheid opstond en naakt in zijn kamer
rond wandelde, met het raam open, wat hij noemde "een luchtbad
nemen"". Er wordt ook gezegd, ik weet niet op wiens gezag, dat
hij iederen morgen zijn dochters een luchtbad liet nemen op het
terras. Een ander bekend man van dezelfde eeuw, Benjamin Franklin,
werkte soms naakt in zijn studeerkamer op hygiënische gronden, en
maakte eens een dienstmeisje, naar men zegt, aan het schrikken,
door zoo, onaangekleed, de deur te openen in een oogenblik van
gedachteloosheid.
Rikli schijnt de apostel te zijn geweest van luchtbaden
en zonnebaden, beschouwd als een systematische methode. Hij
stichtte licht- en luchtbaden meer dan een halve eeuw geleden in
Triëst en overal elders in Oostenrijk. Zijn motto was: "Licht,
waarheid en vrijheid zijn de beweegkrachten, die voeren naar de
hoogste ontwikkeling van physieke en moreele gezondheid". De
mensch is geen visch, verklaarde hij; licht en lucht zijn de
eerste voorwaarden voor een hoog georganiseerd leven. Zonnebaden
voor de behandeling van een menigte verschillende ontredderde
toestanden zijn nu algemeen ingesteld en de meeste systemen van
natuurgeneeswijze hechten groote waarde aan licht en lucht, terwijl
men in de geneeskunde algemeen begint te erkennen, dat die invloed
geenszins kan worden verwaarloosd. Dr. Fernand Sandoz zet in zijn
Introduction à la Thérapeutique Naturiste par les agents Physiques
et Dietétiques (1907) zulke methoden zeer begrijpelijk uiteen. In
Duitschland zijn zonnebaden in ruimen kring gewoon geworden; zoo
schrijft Lenkei (in een geschrift, dat geresumeerd wordt in de
British Medical Journal, Oct. 31, 1908) ze met veel succes voor bij
tuberculose, rheumatische aandoeningen, gezetheid, bloedeloosheid,
neurasthenie, enz. Hij houdt het er voor, dat hun eigenaardige
waarde ligt in de inwerking van het licht. Professor J. N. Hyde,
van Chicago, gelooft zelfs ("Licht-honger in de voortbrenging van
Psoriasis", British Medical Journal, Oct. 6, 1906), dat psoriasis
veroorzaakt wordt door gebrek aan zonlicht, en het best genezen
kan worden door het toepassen van licht. Deze meening, die echter
niet algemeen aangenomen is in haar onvermengden vorm, steunt
hij vindingrijk door het feit, dat psoriasis neiging heeft zich
te vertoonen op de meest blootgestelde deelen van het lichaam,
waarvan men denken kan, dat ze van nature de grootste hoeveelheid
licht krijgen en noodig hebben, en door de afwezigheid van de
ziekte in heete landen en onder de negers.
De hygiënische waarde van naaktheid blijkt uit de robuste
gezondheid van de natuurvolken, de geheele wereld door, die naakt
loopen. De kracht van de Ieren heeft men ook in verband gebracht
met het feit, dat (zooals de Itinary van Fynes Morrison aantoont)
beide seksen, zelfs onder personen van hooge maatschappelijke
klasse gewend waren naakt te loopen, behalve dat ze een mantel
droegen, vooral in de meer afgelegen gedeelten van het land,
nog in de zeventiende eeuw. Overal waar de primitieve rassen de
naaktheid plaats laten maken voor kleeding, neemt tevens de neiging
tot ziekte, sterfte en degeneratie opmerkelijk toe, hoewel we niet
moeten vergeten, dat het gebruik van kleederen gewoonlijk samengaat
met de invoering van andere slechte gewoonten. "Naaktheid is de
eenige toestand, die krachtige en gezonde natuurvolken gemeen
hebben; op ieder ander punt misschien verschillen zij", merkt
Frederik Boyle op in een geschrift ("Natuurvolken en kleederen",
Monthly Review, Sept. 1905) waarin hij veel bewijsgronden
bijeenbrengt voor het hygiënisch voordeel van den natuurlijken
menschelijken staat, waarin de mensch "geheel aangezicht is".
Het is in Duitschland geweest, dat een terugkeer tot de
naaktheid met verstand en kracht is aangeraden, voornamelijk door
Dr. H. Pudor in zijn Nackt-Cultur, en door R. Ungewitter in Die
Nacktheit (het eerst gepubliceerd in 1905), een boek, dat in ruimen
kring gecirculeerd heeft in vele edities. Deze schrijvers raden met
enthousiasme de naaktheid aan, niet alleen op hygiënische, maar op
moreele en artistieke gronden. Pudor beweert speciaal met nadruk,
dat "naaktheid, zoowel in gymnastiek als in sport, een methode is
van genezing en een methode van herleving"; hij raadt co-educatie
aan bij deze naakt-cultuur. Ofschoon hij groote eischen stelt aan
de naaktheid--daar hij meent dat al de naties, die deze eischen
in den wind geslagen hebben, snel achteruit zijn gegaan--is Pudor
minder hoopvol dan Ungewitter met betrekking tot een spoedige
overwinning over de vooroordeelen die aan de naakt-cultuur in den
weg staan. Hij vindt, dat de onmiddellijke taak opvoeding is, en
dat een praktisch begin het best kan gemaakt worden met den voet,
die vooral behoefte heeft aan hygiëne en oefening; een groot deel
van het eerste deel van zijn boek is gewijd aan den voet.
Daar de kwestie tegenwoordig beschouwd wordt door die opvoedkundigen,
die evenzeer gevoelen voor hygiënische als voor sexueele overwegingen,
worden de eischen van de naaktheid, voor zoover het jonge menschen
betreft, beschouwd als een deel van de physieke en moreele hygiëne. De
vrije aanraking van het naakte lichaam met lucht, water en licht,
komt ten goede aan de gezondheid van het lichaam; gemeenzaamheid
met het zien van het lichaam neemt kleingeestige begeerten weg,
ontwikkelt het schoonheidsgevoel en komt ten goede aan de schoonheid
van de ziel. Deze dubbele beschouwing van de zaak heeft ongetwijfeld
veel gewicht in de schaal gelegd bij die leeraars, die nu gewoonten
goedkeuren, die een paar jaar geleden, haastig veroordeeld zouden zijn
als "indecent". Er is ook nog een groot verschil in meening over de
grenzen, tot welke de gewoonte van naaktheid kan doorgevoerd worden,
en ook over den leeftijd, waarop zij beperkt moet worden. Het feit, dat
de volwassen generatie van heden opgegroeid is onder den invloed van
den ouden afschuw van de naaktheid, is een onvermijdelijke hinderpaal
voor alle mogelijke revolutionaire veranderingen in deze kwesties.
Maria Lischnewska, een van de bekwaamste voorstandsters van de
methodische inlichting aan kinderen in sexueele zaken (op. cit.),
stelt helder voor oogen, dat een gezonde houding tegenover
het lichaam de grondslag is van een goede opvoeding voor het
leven. Zij bevindt, dat het voornaamste bezwaar, dat men voor zulk
een opvoeding ontmoet, is "de afschuw van den beschaafden mensch
voor zijn eigen lichaam". Zij toont aan, dat er geen twijfel aan
kan zijn, dat zij, die bezig zijn met de moeilijke taak te werken
in de richting van het afschaffen van dien bijgeloovigen afschuw,
een moreele taak van het grootste belang op zich genomen hebben.
Walter Gerhard wijst er op, in een wel doordacht en verstandig
geschrift over de opvoedkundige kwestie ("Ein Kapitel zur
Erziehungsfrage", Geschlecht und Gesellschaft, vol. 1, Heft
2), dat het de volwassene is, die opvoeding noodig heeft
in deze zaak--evenals in zooveel andere zaken van sexueele
inlichting--aanmerkelijk meer dan het kind. Ouders voeden hun
kinderen van de eerste jaren af op in preutschheid, en vleien
zich te vergeefs, dat zij daardoor hun kuischheid en moraal hebben
vermeerderd. Hij vermeldt zijn eigen vroege leven in een tropisch
land en het gewend zijn aan naaktheid van den beginne. "Niet
voordat ik naar Duitschland kwam, toen ik bijna twintig jaar was,
kwam ik tot de ontdekking, dat het menschelijk lichaam indecent
is, en dat het niet vertoond moet worden omdat het "verkeerde
aandriften zou wekken". Niet voordat het menschelijk lichaam
geheel aan mijn gezicht onttrokken was en nadat mij voortdurend
verteld was, dat er iets onfatsoenlijks achter kleeren verborgen
was, heb ik dat kunnen begrijpen.... Tot dat oogenblik had ik
niet geweten dat een naakt lichaam, door het enkele feit van de
naaktheid, erotische gevoelens kon opwekken. Ik had erotische
gevoelens gekend, maar die waren niet ontstaan door het zien van
het naakte lichaam, maar waren langzamerhand opgebloeid uit de
vereeniging van onze zielen". En hij trekt de eindconclusie dat,
al was het alleen maar om de wille van onze kinderen, wij moeten
leeren ons zelf op te voeden.
Forel (Die sexuelle Frage, p. 140), spreekt in geheel denzelfden
geest als Gerhard en merkt op, dat preutschheid in kinderen kan
worden gekweekt of tegen gegaan. Ze kan gekweekt worden door
overmatigen angst bij het bedekken van hun lichamen en het
verbergen voor hen van de lichamen van anderen. Ze kan tegen
gegaan worden door hen zich voor oogen te doen stellen, dat er
niets in het lichaam is, dat onnatuurlijk is en waar wij ons over
behoeven te schamen, en ook door het baden van de seksen te zamen
aan te moedigen. Hij wijst (p. 512) op de voordeelen van het bekend
geraken van kinderen met de volwassen vormen, die zij eens zullen
aannemen, en hij veroordeelt het gedrag van die dwaze personen, die
denken, dat kinderen reeds de erotische gevoelens van volwassenen
over het lichaam bezitten. Dat is zoo ver er vandaan het geval
te zijn, dat kinderen dikwijls niet in staat zijn het geslacht
van andere kinderen te onderkennen, afgescheiden van hun kleeren.
Op het Mannheimer Congres van de Duitsche Vereeniging ter
Bestrijding van Venerische Zieken, speciaal gewijd aan sexueele
hygiëne, vermeldden de sprekers steeds weer de noodzakelijkheid van
het gemeenzaam zijn met het naakte lichaam. Zoo leggen Eulenburg en
Julian Marcuse den nadruk op het belang van luchtbaden, niet alleen
om de physieke gezondheid van de jonge menschen, maar in het belang
van een rationeele sexueele oefening. Höller, een onderwijzer,
die op hetzelfde congres spreekt (op cit. p. 85) gaat, nadat hij
aangedrongen heeft op het gemeenzaam zijn met het naakt in kunst
en literatuur, en na geprotesteerd te hebben tegen het pasklaar
maken van gedichten voor jonge menschen, voort: "Door bepalingen
over zwembroekjes is nog nooit een ziel van moreelen ondergang
gered. Iemand, die geleerd heeft, in vrede het naakt in de kunst
te genieten, wordt door het naakt in de natuur alleen aangedaan
als door een kunstwerk". Enderlin, een ander onderwijzer, die in
denzelfden geest spreekt (p. 58), wijst er op, dat naaktheid niet
sexueel of immoreel op het kind werken kan, omdat de sexueele
aandrift nog niet duidelijk uitgesproken is, en hoe eerder hij
ingeleid wordt in het naakt in de natuur en in de kunst, des
te minder hebben natuurlijk de sexueele gevoelens neiging zich
vroegtijdig te ontwikkelen. Het kind wordt zoodoende immuun tegen
onreine invloeden, zoodat later, wanneer voorstellingen van het
naakt tot hem gebracht worden met de bedoeling zijn lichtzinnigheid
op te wekken, zij niet bij machte zijn hem kwaad te doen. Het is
voor het gemeenzaam zijn met het naakt in de kunst van belang,
dat ze op school onderwezen wordt, want de meesten van ons moeten,
zooals Siebert opmerkt, reinheid leeren door de kunst.
Naaktheid bij het baden, merkt Bölsche op in zijn Liebesleben in
der Natur (vol. III, pp. 139 et seq.) hebben wij reeds eenigermate;
wij hebben er behoefte aan in lichaamsoefeningen, eerst voor de
beide seksen afzonderlijk; dan, als wij aan het idee gewend geraakt
zijn, voor beide geslachten te zamen. We moeten verkrijgen de
macht om de lichamen van individuen van de andere sekse te zien
met zooveel zelfbeheersching en zulk een natuurlijk instinct,
dat zij voor ons on-erotisch worden en dat we ze kunnen aanzien
zonder erotische gevoelens. Kunst, zegt hij, toont ons, dat dit
mogelijk is in de beschaving. Wetenschap, voegt hij er aan toe,
komt hetzelfde gezichtspunt te hulp.
Ungewitter (Die Nacktheit, p. 57) raadt ook aan, jongens en
meisjes te zamen bezig te houden met spelen en lichaamsoefeningen,
geheel naakt in luchtbaden. "Op deze wijze", meent hij, "zou het
gymnasium een school voor moraal worden, waar jonge menschelijke
wezens in staat zouden zijn hun reinheid zoolang mogelijk te
bewaren door het aan elkander gewoon geraken. Meteen zouden
hun lichamen gehard worden en ontwikkeld en de vatbaarheid voor
het waarnemen van schoone en natuurlijke vormen gewekt". Voor
hen, die "moreele" twijfelingen hebben over de zaak, vermeldt
hij de gewoonte in ver verwijderde landelijke districten van
jongens en meisjes, die te zamen geheel naakt baden en dit
zonder eenig sexueel bewustzijn. Rudolf Sommer raadt eveneens
aan, in een uitmuntend artikel getiteld "Mädchenerziehung oder
Menschenbildung?" (Geschlecht und Gesellschaft, Bd. i, Heft 3),
dat kinderen gewend moeten worden aan elkanders naaktheid al
in de vroege jeugd in het familieleven van huis en tuin, bij
spelen en voornamelijk bij het baden; hij merkt op, dat ouders,
die kinderen hebben van éen sekse alleen, om de wille van hun
kinderen intieme verhoudingen moeten zoeken met een familie, die
kinderen hebben van denzelfden leeftijd van het andere geslacht,
zoodat ze te zamen kunnen opgroeien.
Het is nauwelijks noodig er bij te voegen, dat het cultiveeren van
de naaktheid altijd moet samengaan met eerbied voor de natuurlijke
instincten van ingetogenheid. Als de gewoonte van naaktheid de jonge
menschen er toe bracht een verminderden eerbied te ondervinden voor
hun eigen persoonlijkheid of voor die van andere menschen, dan zouden
de voordeelen te duur gekocht zijn. Dit is voor een deel een zaak
van gezond instinct, voor een deel van verstandige oefening. Wij
weten nu, dat de afwezigheid van kleederen weinig verband houdt met
de afwezigheid van ingetogenheid, en dat het verband, dat er is,
van omgekeerde orde is, want de natuurvolken, die naakt loopen, zijn
gewoonlijk meer ingetogen dan zij, die kleederen dragen. Het gezegde,
aangehaald door Herodotus in de oude Grieksche wereld, dat "Een vrouw
haar ingetogenheid aflegt met haar hemd" was een geliefkoosde tekst van
de Christelijke Vaders. Maar Plutarchus, die ook een moralist was, had
reeds daartegen geprotesteerd aan het einde van de Grieksche wereld:
"In het geheel niet", verklaarde hij, "zij, die ingetogen is, kleedt
zich in haar ingetogenheid, als zij haar tunica aflegt". "Een vrouw
kan naakt zijn", zooals Mrs. Bishop, de reizigster, tot Dr. Baelz,
in Japan, opmerkte, "en toch zich als een dame gedragen" [43].
De kwestie is gecompliceerd bij ons, omdat ingestelde tradities
van streng verbergen een verhitheid gekweekt hebben, die een
aanstootelijke beleediging is voor naakte ingetogenheid. In vele
landen, waar de vrouwen gewoon zijn bijna of geheel naakt te zijn
in tegenwoordigheid van hun eigen landgenooten, daar bedekken zij
zich zoodra zij zich bewust worden van de begeerige, onderzoekende
blikken van Europeanen. Stratz vermeldt dit overheerschen van dezen
impuls van beleedigde kuischheid in Japan, en zegt, dat hij zelf die
niet verwekte, alleen omdat hij dokter was en bovendien lang in een
ander land (Java) gewoond had, waar de gewoonte van naaktheid ook
overheerschend is [44]. Zoolang als deze onnatuurlijke verhitheid
bestaat, wordt een vrije, onvermengde naaktheid moeilijk gemaakt.
Ingetogenheid is echter niet de eenige natuurlijke aandrift, die in
beschouwing komt met betrekking tot de gewoonte van de naaktheid. Het
schijnt waarschijnlijk, dat bij het kweeken van de gewoonte van
naaktheid wij niet alleen een moreel en hygiënisch voorschrift ten
uitvoer brengen, maar dat wij wettig vrij baan geven aan een instinct,
dat op sommige tijden van het leven, vooral in de jeugd, spontaan
en natuurlijk is en misschien zelfs gezond gebaseerd op de tradities
van het ras in de sexueele keuze. Onze strenge conventies maken het
voor ons onmogelijk de wetten der natuur te ontdekken, daar wij ze al
dadelijk verstikken. Het kan wel zijn, dat er een rythmische harmonie
en overeenkomst is tusschen impulsen van ingetogenheid en impulsen
van ijdelheid, hoewel wij ons best gedaan hebben om de natuurlijke
wet te verbergen onder onze domme en perverse bij-wetten.
Stanley Hall, die den nadruk legt op het belang van de naaktheid
merkt op, dat wij met de puberteit alle reden hebben, om aan te
nemen, dat in den natuurlijken staat er een zekere instinctieve
trots is en neiging tot vertoonen, die de nieuwe plaatselijke
ontwikkeling vergezelt, en hij haalt de opmerking aan van
Dr. Seerley, dat de impuls om de sexueele deelen te verbergen
vooral sterk is bij jonge mannen, die slecht ontwikkeld zijn,
maar dat hij niet merkbaar is bij hen, die meer dan middelmatig
ontwikkeld zijn. Stanley Hall (Adolescence, vol. II, p. 97) maakt
ook melding van de veelvuldigheid, waarmee niet alleen "deugdzame
jonge mannen, maar zelfs vrouwen, min of meer genieten van de
gelegenheden, waarbij zij de schoonheid van hun vormen kunnen
vertoonen zonder terughouding, niet alleen aan hen zelven en aan
menschen die zij lief hebben, maar ook onder goede voorwendsels,
aan anderen".
Velen hebben ongetwijfeld deze neiging opgemerkt, vooral bij
vrouwen, en vooral bij haar, die zich bewust zijn van een mooie
physieke ontwikkeling. Madame Céline Renooz meent, dat de neiging
overeenkomt met een diepgeworteld instinct bij vrouwen, dat zich
weinig of niet bij mannen openbaart, die daarom getracht hebben hun
eigen mannelijke opvattingen van kuischheid aan de vrouwen op te
dringen. "In het werkelijk leven van het jonge meisje tegenwoordig
is een oogenblik, waarop zij met een verborgen atavisme de trots
van haar geslacht voelt, de intuïtie van haar moreele meerderheid
en dat zij niet begrijpen kan, waarom zij de oorzaak ervan moet
verbergen. Op dit oogenblik weet zij, geslingerd tusschen de wetten
der Natuur en van maatschappelijke conventies, ternauwernood
of de naaktheid haar moet afschrikken of niet. Een soort van
verwarde atavistische herinnering brengt haar in herinnering
een tijd voordat kleederen bekend waren, en openbaart haar als
een ideaal uit het paradijs de gewoonten van dat menschelijk
tijdperk". (Céline Renooz, Psychologie Comparée de l'Homme et de
la Femme, pp. 85-87). Misschien werd dit duister gevoeld door het
Duitsche meisje (vermeld in Kalbeck's Life of Brahms), dat zeide:
"Men geniet tweemaal zooveel van muziek als men gedécolleteerd is".
Van het standpunt, waarmee we hier voornamelijk te doen hebben, zijn
er drie wegen, waarop het cultiveeren van naaktheid--voor zoover ze
toegestaan is door de publieke opinie--neiging heeft invloed uit te
oefenen: 1. Ze is een belangrijk element bij de sexueele hygiëne van
jonge menschen, die een gezonde kennis en gebrek aan nieuwsgierigheid
invoert in een sfeer, die eens overgegeven was aan preutschheid en
verhitheid. 2. Het effect van naaktheid is gunstig voor hen, die wat
ouder zijn ook, in zoover ze er toe leidt om het gevoel voor schoonheid
aan te kweeken en tonische en troostende invloeden te verschaffen van
natuurlijke kracht en bekoring. 3. De gewoonte van naaktheid heeft,
bij haar begin tenminste, een dynamischen psychologischen invloed ook
op de moraal, een invloed, die uitgeoefend wordt in het stellen van
een krachtige en positieve moraal in de plaats van de enkel negatieve
en schuchtere moraal, die in deze sfeer geheerscht heeft.
Misschien zijn er niet veel volwassenen, die zich duidelijk voor oogen
stellen de intense en heimelijke concentratie van de gedachten van veel
jongens en sommige meisjes op het probleem van den lichaamsbouw van
het andere geslacht, en den tijd, het geduld, en de intellectueele
energie, die zij bereid zijn te besteden aan de oplossing van het
probleem. Dit wordt meest in het geheim gedaan, maar niet zelden
vertoont de verborgen aandrang zich met een plotseling geweld, dat in
de blinde oogen der wet beschouwd wordt als een misdaad. Een Duitsch
rechtsgeleerde, Dr. Werthauer, heeft onlangs geconstateerd, dat, als
er een voldoende mate van bekendheid was met de natuurlijke organen
en de functies van het andere geslacht, dan negentig percent van de
onzedelijke daden van jonge mannen met meisjes zouden verdwijnen,
want in de meeste gevallen zijn dat geen aanvallen, maar alleen
het onschuldig, hoewel onbedwingbaar resultaat van een onderdrukte
natuurlijke nieuwsgierigheid. Het is volkomen waar, dat niet weinig
kinderen moedig elkanders medewerking inroepen bij het vaststellen
van de zaak en dat zij haar oplossen tot elkander's wederkeerige
tevredenheid. Maar zelfs dit is niet geheel voldoende, want het doel
wordt niet openlijk bereikt en op een gezonde wijze, met een gepaste
onderschikking van wat specifiek sexueel is, maar met een bewustheid
van verkeerd-doen en een uitsluitende opmerkzaamheid op het enkele
physieke feit, dat onmiddellijk leidt tot sexueele opwinding. Als
gemeenzaamheid met het naakte lichaam van het andere geslacht openlijk
verkregen wordt en zonder gevoel van ongepastheid, bij werk of bij
spel, in lichaamsoefening en gymnastiek, bij het loopen en bij het
baden, van de eerste jaren van het kind af, dan gaan geen ongezonde
resultaten samen met de kennis van de essentieele feiten van physieken
bouw, die op zulk een wijze natuurlijk verkregen zijn. De verhitheid
en de preutschheid, die gelijkelijk het sexueele leven in het verleden
vergiftigd hebben, zijn evenzeer onmogelijk gemaakt.
Naaktheid heeft echter een hygiënische waarde, zoowel als een
specifiek geestelijke beteekenis, zich uitstrekkende ver over den
invloed ervan om de natuurlijke nieuwsgierigheid te doen bedaren
van jonge menschen of om te werken als een voorbehoedmiddel tegen
ziekelijke emotie. Zij is een inspiratie voor volwassenen, die al
lang iedere jeugdnieuwsgierigheid zijn ontgroeid. Het zien van den
essentieelen en eeuwigen menschelijken vorm, het ding dat ons het
naast is in de geheele wereld, met zijn kracht en zijn schoonheid
en zijn bevalligheid, is een van de machtigste opwekkingsmiddelen
van het leven. "De macht van een vrouwenlichaam is niet méer
lichamelijk", zeide James Hinton, "dan de macht van muziek een macht
is van trillingen van de atmosfeer. Het is meer dan al de mooie en
opwekkende dingen in de wereld, dan bloemen of sterren of de zee. De
geschiedenis en de legende en de mythe openbaren ons den heiligen en
ontzagwekkenden invloed van de naaktheid, want, zooals Stanley Hall
zegt, naaktheid is altijd een talisman geweest van wonderbare macht bij
menschen en goden". Hoe hevig verlangen de menschen naar het gezicht
van het naakte lichaam--zelfs nu nog, nu geslachten achtereen ons
het begrip ingeprent hebben, dat het onfatsoenlijk en zelfs walgelijk
is--ziet men uit de begeerigheid, waarmee zij den aanblik zoeken van
zelfs haar onvolkomen en bedriegelijke vormen, ofschoon deze zeker
een koppige en prikkelende eigenschap hebben, die nooit kan gevonden
worden in de pathetische eenvoud van naakte schoonheid. Het was een
ander schouwspel, toen de koninginnen van het oude Madagascar op
het jaarlijksche Fandroon, of badfeest, haar koninklijke kleeren
ter zijde legden en terwijl haar onderdanen het voorplein van het
paleis vulden, de marmeren trappen naar het bad afdaalden in volkomen
naaktheid. Als wij onze conventies wat kleeding betreft streng maken,
dan maken wij meteen open hof voor de wellust en wij ontzeggen ons
een van de voornaamste opwekkingsmiddelen van het leven.
"Ik had eens een wanhopig gevoel en wandelde somber langs een
straat in Melbourne", schrijft de Australische schrijver van
een nog onuitgegeven autobiographie, "toen er drie kinderen
uit een steeg kwamen loopen en in het volle daglicht den weg
overstaken. De schoonheid en het weefsel van hun beenen in de
open lucht vervulden mij met vreugde, zoodat ik al mijn ellenden
vergat bij het kijken naar hen. Het was een lichtende openbaring,
een onverwachte glimp van het paradijs, en ik heb nooit opgehouden
dankbaar te zijn voor de gelukkige combinatie van vorm, zuiver
bloed en fijne huid van deze arme kinderen, want de wind scheen
hun gouden schoonheid te verhoogen, en ik behield het rozeroode
visioen van hun natuurlijke ledematen die zooveel goddelijker zijn
dan wanneer ze altijd onder bedekking gehouden worden. Een andere
gelegenheid, waarbij naakte jonge ledematen mij al mijn somberheid
en mijn gedruktheid deden vergeten, was bij mijn eerste bezoek aan
Adelaide. Ik kwam een naakten jongen tegen, die bij het bad tegen
het hekwerk leunde en de schoonheid van zijn gezicht, zijn romp
en zijn mooie jonge ledematen en prachtige voeten vervulde mij
met vreugde en vernieuwde hoop. De tranen kwamen mij in de oogen,
en ik zeide tot mij zelf: "Zoolang er schoonheid in de wereld is,
zal ik voortgaan te strijden"."
Wij moeten, zooals Bölsche verklaart (loc. cit.), ons gewennen
het menschelijk lichaam te beschouwen precies zooals wij een
mooie bloem beschouwen, niet alleen met het medelijden, waarmee
de dokter het lichaam beziet, maar met vreugde in zijn kracht en
gezondheid en schoonheid. Want een bloem, zooals Bölsche er naar
waarheid bijvoegt, is niet alleen "naakt lichaam", zij is het
heiligste deel van het lichaam, het sexueele orgaan van de plant.
"Voor meisjes is de eenige, waarlijk reine vorm van dansen, naakt
te dansen", zegt Hinton, "en te zijner tijd zal het dus zoover
komen. Dit is zeker: meisjes zullen naakt dansen en mannen zullen
rein genoeg zijn om er naar te kijken". Het is al zoo geweest in
Griekenland, merkt hij elders op, zooals het nu in Japan is (zooals
onlangs beschreven is door Stratz). Het is bijna veertig jaar
geleden sedert deze prophetische woorden geschreven werden, maar
Hinton zelf zou waarschijnlijk verwonderd zijn over de vorderingen,
die al gemaakt zijn, langzaam (want alle ware vorderingen moeten
langzaam zijn) naar dit doel. Zelfs op het tooneel beginnen nieuwe
en natuurlijker tradities in Europa overheerschend te worden. Het
is nog niet vele jaren geleden, dat een Engelsche actrice als
laster beschouwde het zeggen dat zij op het tooneel verscheen met
bloote voeten, en dat zij een aanklacht uitbracht wegens laster,
waarmee ze groote schadevergoeding kreeg. Zulk een resultaat zou
nu niet wel mogelijk wezen. De beweging, waarin Isidora Duncan een
pionier geweest is, heeft geleid tot een gedeeltelijk in onbruik
geraken onder danseressen van de hinderlijke vinding van tricots,
en het wordt niet langer als onfatsoenlijk beschouwd vele deelen
van het lichaam te vertoonen, die het vroeger gewoonte was te
bedekken.
We moeten hier echter meteen aan toevoegen dat danseressen, voor
zoover zij echte artiesten zijn, recht hebben de voorwaarden
te bepalen die het gunstigst zijn voor haar kunst, maar
dat er niets hoegenaamd gewonnen wordt voor de zaak van een
gezonde naakt-cultuur door de "levende beelden" en "levende
schilderijen" die in de laatste jaren in alle landen in de mode
zijn geweest. Het kan zijn dat ze gewettigd zijn, als vertooningen
in Cafés Chantants, maar zij hebben niets hoegenaamd uit te staan
met natuur noch met kunst. Dr. Pudor, die schrijft als een van
de eerste apostels van de naakt-cultuur, heeft energiek tegen
deze vertooningen geprotesteerd (Sexual-Probleme, Dec. 1908,
p. 828). Hij wijst er terecht op dat naaktheid, om gezond te
zijn, behoefte heeft aan open lucht, aan weiden en zonlicht, en
dat naaktheid bij avond, in een café-chantant bij kunstlicht,
in tegenwoordigheid van toeschouwers, die zelf gekleed zijn,
geen element van moraal in zich heeft. Hier en daar zijn rustig
pogingen gedaan om een zekere mate van wederzijdsche naaktheid
aan te kweeken, zooals tusschen de seksen op afgelegen landelijke
uitstapjes. Het is van beteekenis een verslag van zulk een proef
te vinden in Die Nacktheit van Ungewitter. In dit geval ging
een gezelschap menschen, mannen en vrouwen, geregeld elken Zondag
afgelegen plaatsen in het bosch opzoeken of weilanden, waar ze zich
dan legerden, picnicten en spellen deden. "Zij maakten het zich
zoo gemakkelijk als ze konden, de mannen deden hun jassen uit,
hun vesten, schoenen en sokken; de vrouwen haar blouses, rokken,
schoenen en kousen. Langzamerhand, naarmate de moreele opvatting
van naaktheid zich ontwikkelde in hun geest, viel meer en meer
kleeding weg, totdat de mannen niets meer droegen dan een zwembroek
en de vrouwen alleen maar haar hemd. In deze kleeding werden
gezamenlijk spelen gehouden en een echt kampleven werd geleid. De
dames (waarvan sommige ongetrouwd waren) lagen dan in hangmatten
en de mannen op het gras en het gesprek was heerlijk. Wij voelden
ons als leden van een familie en gedroegen ons als zoodanig. Op
een geheel natuurlijke en onbelemmerde wijze gaven wij ons geheel
over aan de vrijmakende gevoelens, die opgewekt werden door dit
licht- en luchtbad, en wij brachten deze heerlijke uren door
met vroolijk zingen en dansen, op lichtzinnig kinderlijke wijze,
bevrijd van den last van een valsche beschaving. Het was natuurlijk
noodig plaatsen te zoeken, die zoo ver mogelijk verwijderd waren
van de hoofdwegen, uit angst van gestoord te worden. Terzelfder
tijd schoten wij geenszins tekort in natuurlijke zedigheid en
égards voor elkander. Kinderen, die geheel naakt kunnen loopen,
kunnen permissie krijgen deel te nemen aan zulke bijeenkomsten
van volwassenen, en zullen zoodoende opgevoed worden, vrij van
ziekelijke preutschheid". (R. Ungewitter, Die Nacktheit, p. 58).
Ongetwijfeld is het ideaal in deze zaak, de mogelijkheid volkomen
naaktheid toe te staan. Dit kunnen we wel toegeven, en het is
ongetwijfeld waar, dat onze strenge politie-verordeningen er
veel toe bijdragen om kunstmatig een verbergen te bevorderen
in deze zaak, dat niet gegrond is op eenig natuurlijk
instinct. Dr. Shufeldt vertelt in zijn Studies of the Human Form,
dat hij eens bij een tocht, ondernomen om te photografeeren, in de
bosschen twee jongens tegenkwam, die naakt waren op een zwembroek
na, en die bezig waren in een vijver waterlelies te plukken. Hij
vond hen een goed onderwerp voor zijn photografietoestel, maar zij
konden er niet toe gebracht worden om hun broek uit te trekken,
in het geheel niet uit zedigheid of nagemaakte zedigheid, maar
eenvoudig omdat ze bang waren, dat ze mogelijk zouden worden gepakt
en gearresteerd. Wij moeten erkennen, dat op het tegenwoordig
oogenblik het algemeene gevoelen nog niet voldoende opgevoed is om
publieke veronachtzaming toe te staan van de conventie de sexueele
centra te bedekken, en alle pogingen om de grenzen van de naaktheid
te verwijden moeten voldoende eerbied toonen voor dezen eisch. Wat
vrouwen aangaat, heeft Valentine Lehr van Freiburg in Bresgau een
kleeding uitgevonden (uitgebeeld in Die Nacktheit van Ungewitter)
die geschikt is voor publieke waterbaden of luchtbaden beide,
omdat ze tegemoet komt aan den eisch van hen wier minimum-eisch
is, dat de voornaamste sexueele centra van het lichaam in het
publiek bedekt moeten zijn, terwijl er overigens nog al bezwaren
tegen aan te voeren zijn. Ze bestaat uit twee deelen, gemaakt
van poreuze stof, een deel dat de borst bedekt met een band over
de schouders, en het andere, dat het onderlijf bedekt onder den
navel en tusschen de beenen getrokken is. Dit minimale costuum,
dat noch ideaal, noch æsthetisch is, bedekt voldoende de sexueele
deelen van het lichaam, terwijl het de armen, het middel, de
heupen en de beenen geheel vrij laat.
Dan blijft er ten slotte de moreele beschouwing van de
naaktheid. Hoewel hierop door velen gedurende de laatste halve
eeuw de nadruk is gelegd, is zij nog vreemd aan de meerderheid. Het
menschelijk lichaam kan nooit een zaak zonder beteekenis zijn. De
wijze opvoeder moge toezien, dat jongens en meisjes opgevoed worden in
een natuurlijke en gezonde gemeenzaamheid met elkaar, maar een zekere
angst en schoonheid moeten altijd verbonden zijn met de beschouwing
van het lichaam, een gemengde aantrekking en afstooting. Omdat het
deze kracht heeft, roept het natuurlijk de deugd te voorschijn van
hen, die deelnemen aan het schouwspel en maakt ieder week toegeven
aan gemoedsbeweging onmogelijk. Zelfs als wij toegeven, dat het zien
van naaktheid den hartstocht oproept, dan is het nog een oproep,
die de veredelende hoedanigheden van zelfbeheersching te voorschijn
brengt. Het is maar een armoedig soort van deugd, die gelegen is
in het vluchten in de woestijn voor dingen, waarvan we vreezen,
dat ze verleiding in zich hebben. Wij moeten leeren, dat het zelfs
nog erger is te trachten een woestijn om ons heen te scheppen in
de beschaving. Wij zouden niets zonder hartstochten kunnen doen,
zelfs al wilden we dat; de rede, zegt Holbach, is de kunst de juiste
hartstochten te kiezen, en opvoeding de kunst die te zaaien en te
kweeken in de harten der menschen. Het zien van de naaktheid heeft
zijn moreele waarde daarin, dat het ons leert te genieten van wat
we niet kunnen bezitten, een les, die een hoofdbestanddeel is van
het trainen voor iedere soort van mooi maatschappelijk leven. Het
kind moet leeren naar bloemen te kijken en ze niet te plukken; de
man moet leeren naar de schoonheid van een vrouw te kijken en niet
te begeeren ze te bezitten. De vreugdevolle overwinning over die
"erotische kleptomanie", zooals Ellen Key terecht gezegd heeft,
geeft blijk van het bloeien van een mooie beschaving. Wij denken
dat de overwinning moeilijk, zelfs onmogelijk is. Maar dat is niet
waar. Deze aandrift heeft, evenals andere menschelijke aandriften,
neiging zich onder natuurlijke omstandigheden matig en gezond te
ontwikkelen. Wij drukken ze dom en ruw naar beneden, en dan wordt
ze gedreven in de twee onnatuurlijke uitersten van onderdrukking en
uitspatting, waarvan het eene uiterste even verkeerd is als het andere.
Voor hen, die opgevoed zijn onder slechte condities, mag het inderdaad
hopeloos schijnen te trachten op te klimmen tot de hoogte van de
Grieken en de andere fijner aangelegde volken van de oudheid, in het
erkennen van de moreele, zoowel als de paedagogische, hygiënische
en aesthetische voordeelen [45] van het toelaten in het leven van
het schouwspel van het naakte lichaam. Maar als we dat niet doen,
dan binden we ons zelf hopeloos vast op den weg van de beschaving,
wij berooven ons tegelijk van een bron van moreele kracht en van
vreugdevolle inspiratie. Juist zooals Wesley eens vroeg waarom de
duivel al de beste melodieën moest hebben, zoo beginnen de menschen
zich af te vragen, waarom het menschelijk lichaam, de goddelijkste
melodie in de beste oogenblikken die de schepping heeft opgeleverd, het
deel zou mogen worden van hen, die pleizier hebben in het obscene. En
sommigen zijn er voorts van overtuigd, dat zij door ze in te brengen
aan den kant van reinheid en kracht een zeer machtig bolwerk oprichten
tegen het indringen van een slechte opvatting van het leven en de
daarop volgende verlaging van het geslacht. Dit zijn overwegingen,
die we niet langer buiten beschouwing kunnen laten, hoe groot de
tegenstand ook zij, die zij verwekken onder hen die niet nadenken.
"De menschen zijn bang, dat zulke dingen de hartstochten zullen
opwekken", merkt Edward Carpenter op. "Er is geen twijfel
aan, dat ze dien kant uit kunnen werken. Maar waarom, mogen
we vragen, moeten de menschen zoo bang zijn hartstochten op te
wekken, die toch ten slotte de groote drijfkrachten zijn van het
menschelijk leven?" Het is waar, gaat dezelfde schrijver voort,
dat onze conventioneele moreele formules niet langer voldoende
sterk zijn om den hartstocht voldoende te beteugelen, en dat we
bezig zijn stoom te maken in een ketel, die weggevreten is van
de roest. "Het remedie is niet de hartstochten af te snijden,
of zwakkelijk ze te vreezen, maar een nieuwe, gezonde machine te
vinden van algemeene moraal en gezond verstand waarin zij kunnen
werken". (Edward Carpenter Albany Review, Sept., 1907).
Zoo ver ik weet echter was het James Hinton, die voornamelijk
trachtte de mogelijkheid uiteen te zetten van een positieve
moraal op de basis van naaktheid, schoonheid en sexueelen invloed,
beschouwd als dynamische krachten die, als ze onderdrukt worden,
verderf brengen, en als ze wijs gebruikt worden, er toe dienen het
leven te inspireeren en te veredelen. Hij werkte zijn gedachten
over deze zaak uit in manuscripten, geschreven van omstreeks
1870 tot zijn dood twee jaar later, die, omdat ze nooit in orde
gemaakt waren om uitgegeven te worden, in een onsamenhangenden
staat gebleven en niet gepubliceerd zijn. Ik haal een paar
korte karakteristieke passages aan: "Is niet", schrijft hij,
"de weigering van een Hindoe om een vrouw te zien eten,
vreemdsoortig gelijk aan de onze om er een naakt te zien? De
werkelijke zinnelijkheid van de gedachte is klaarblijkelijk
dezelfde.... Stel dat ananassen, omdat zij lekker zijn om te eten,
niet mochten gezien worden, behalve op schilderijen en dat men
het daarover zelfs nog niet eens was. Stel dat niemand een ananas
zien mocht, tenzij hij rijk genoeg was om er een te koopen voor
zijn eigen maal, daar het zien en het eten onverbreekbaar verbonden
was. Wat een begeerigheid zou er dan naar zijn, wat een voortdurend
verlangen, wat een diefstal!... Miss ---- vertelde ons van haar
Syrische avonturen, hoe zij in den winkel ging van een houtsnijder
en hoe hij niet naar haar wilde kijken; en hoe zij een instrument
opnam en werkte, tot hij ten laatste naar naar keek en zij beiden
in lachen uitbarstten. Zal het niet zoo zijn met ons kijken naar
vrouwen over het algemeen? Er zal een werk komen--en ten laatste
zullen wij opkijken en in lachen uitbarsten.... Als mannen zien
wat waarlijk verkeerd is en als zij met verstand en met voorzorg
handelen wat de sexueele verhoudingen betreft, zullen zij er dan
niet op staan, dat vrouwelijk schoon genoten wordt door jonge
menschen, en van de eerste jeugd af, opdat het eerste gevoel dat
moge zijn van schoonheid? Zullen zij niet zeggen: "Wij moeten de
valsche reinheid niet toelaten, wij moeten de echte hebben". Wij
hebben valsche beproefd en zij is niet goed genoeg; de macht moet
verkregen worden om rein schoonheid te genieten; het is noodlottig
te trachten het met minder te doen. Ieder leeraar van de jeugd
moet zeggen: "Deze schoonheid van de vrouw, Gods voornaamste werk
van schoonheid, het is goed, dat gij ze ziet; het is een genoegen,
dat het goede dient; alle schoonheid dient het goede en deze meer
dan alle, want de taak ervan is u rein te maken. Kom er heen,
zooals gij komt naar uw dagelijksch brood, of naar zuivere lucht,
of naar het reinigingsbad: dit is rein voor u, als gij rein zijt,
het zal u helpen in uw pogen om het te zijn. Maar als iemand van u
onrein is, en er voedsel der onreinheid uit maakt, dan moest gij
u schamen en bidden; het is niet voor u, dat ons leven ingericht
kan worden; het is voor menschen en niet voor beesten". Dit moet
komen als de menschen hun oogen openen, en koel handelen, en met
verstand en voorzorg en niet alleen in paniek als er kwestie is
van sexueelen hartstocht in zijn moreele verhoudingen."