MOEDER EN KIND

Het recht van het kind om zich zijn voorouders te kiezen.--Hoe dit

verwerkelijkt kan worden.--De moeder is de naaste bloedverwant in

de opgaande lijn van het kind.--Moederschap en vrouwenbeweging.--De

enorme beteekenis van het moederschap.--De sterfte onder de

zuigelingen en de oorzaken daarvan.--De voornaamste oorzaak

ligt bij de moeder.--De noodzakelijkheid van rust tijdens

de zwangerschap.--Het veelvuldig vóorkomen van ontijdige

geboorten.--De taak van den staat.--Vooruitgang in den nieuweren

tijd van de puericultuur.--Het vraagstuk betreffende den coïtus

tijdens zwangerschap.--De noodzakelijkheid van rust gedurende den

zoogtijd.--De plicht van de moeder om haar kind te zoogen.--De

economische vraag.--De taak van den staat.--Vooruitgang der

moederbescherming.--Teleurstellingen ondervonden bij het inrichten

van openbare kinderbewaarplaatsen.

De sexueele natuur van den mensch wortelt, evenals alles wat het meest

essentieele in hem is, in een bodem, die lang vóor zijn geboorte

gevormd werd.--In dit opzicht, evenals in alle andere, ontleent

hij de elementen van zijn leven aan zijn voorouders, hoe nieuw de

veranderde combinatie ook moge zijn en hoezeer die ook gewijzigd

moge worden door latere omstandigheden. Het lot van den mensch ligt

niet in de toekomst, maar in het verleden. Dat is, juist beschouwd,

de meest levende van alle levende werkelijkheden. Ieder kind heeft

dus het recht zijn eigen voorouders te kiezen. Natuurlijk kan het

dat alleen doen door plaatsvervangers, door zijn ouders. Het is de

ernstigste en heiligste plicht van den toekomstigen vader de eene

helft te kiezen van het karakter naar voorouders en erfelijkheid van

zijn toekomstig kind; het is de ernstigste en heiligste plicht van de

toekomstige moeder ook zulk een keuze te doen [2]. Toen zij elkander

kozen, hebben zij te zamen al de voorouders van hun kind gekozen. Zij

hebben de sterren bepaald, die zijn lot zullen besturen.

Vroeger werd dit besluit, dat zooveel mogelijkheden voor de toekomst

bevat, gewoonlijk genomen op een hulpelooze, blinde, bijna onbewuste

wijze. Het werd òf bestuurd door een instinct, dat over het geheel

nogal goed gewerkt heeft, òf beïnvloed door economische belangen

van wier resultaten men dat niet kan zeggen, of het werd overgelaten

aan toevalligheden, die van nòg lager orde zijn dan zuiver dierlijke

aandriften en die niets dan kwaad kunnen stichten. Voor de toekomst

kunnen wij alleen het geloof hebben--want alle hoop van de menschheid

moet op dat geloof berusten--dat een nieuwe impuls, die het natuurlijk

instinct versterken en het mettertijd onafscheidelijk begeleiden

zal, den beschaafden mensch den koers zal aangeven die het ras moet

nemen. Evenals in het verleden het ras over het geheel gevormd is door

een natuurlijke, gedeeltelijk sexueele, keuze, die onbewust was van

zichzelf en onwetend omtrent de doeleinden waar ze toe leidde, zoo

zal het ras in de toekomst gevormd worden door opzettelijke keuze,

zal de scheppende energie van de natuur zelf bewust worden in het

brein van den beschaafden mensch. Dit is niet een geloof dat zijn

oorsprong heeft in een vage hoop. De problemen van het leven van het

individu zijn verbonden aan het lot van het leven van het ras en ieder

keer weer zullen wij bevinden, als wij peinzen over de individueele

kwesties, met welke wij hier te maken hebben, dat zij in alle punten

ten slotte samenloopen naar dit zelfde doeleinde van het ras.

Daar we hier nu de sexueele betrekkingen moeten nagaan van het individu

ten opzichte van de maatschappij, zal het praktisch zijn op dit punt

de kwesties van voorouders terzijde te stellen en het individu te

nemen zooals het, met een reeds bepaalden erfelijken aanleg, ligt

onder het hart der moeder.

Het is de moeder, die de naaste bloedverwant is van het kind. Op

verschillende punten in de zoölogische ontwikkeling heeft het

mogelijk geschenen dat de functies, die we nu kennen als die van het

moederschap, in ruime mate en gelijkelijk gedeeld werden door den

vader. De natuur heeft verschillende proeven genomen in deze richting,

met visschen bijvoorbeeld, en zelfs met vogels. Maar hoe nuttig en

uitmuntend deze proeven ook waren en ofschoon krachtig genoeg om hun

voortzetting tot op dezen dag te verzekeren, blijft het toch waar, dat

de mensch niet bestemd was zich langs dezen weg te verheffen. Onder al

de zoogdieren, die er vóór den mensch geweest zijn, is het mannetje

een indrukwekkende en belangrijke figuur in de eerste dagen van het

hofmaken, maar nadat de conceptie verzekerd is, speelt de moeder de

voornaamste rol in het leven van het ras. Het mannetje moet er zich mee

tevreden stellen buiten het voedsel op te zoeken en op wacht staan als

het thuis is in de voorkamer van het gezin. Als ze eenmaal bevrucht

is, verwerpt het vrouwtje toornig de liefkoozingen, die zij tevoren

zoo coquet in ontvangst genomen heeft, en zelfs bij den mensch is de

positie van den vader bij de geboorte van zijn kind niet bijzonder

waardig of aangenaam. De natuur staat aan den man slechts een tweede

en betrekkelijk nederige plaats toe in het tehuis, de broedplaats

van het ras; hij mag zich, als hij wil, schadeloos stellen door het

zoeken van avonturen en roem in de wereld daarbuiten. De moeder is

de naaste bloedverwant van het kind, en gedurende den tijd van de

conceptie tot aan de geboorte, kan de hygiëne van den toekomstigen

mensch alleen bevorderd worden door invloeden, die werken door haar.

Zoo fundamenteel en elementair als het feit is van de overheerschende

positie van de moeder voor het leven van het ras, zoo onbetwistbaar

als het schijnen moet aan allen die er studie van gemaakt hebben,

moeten we toch toegeven, dat het soms vergeten is of niet geteld. In

de groote tijden van de menschheid is het inderdaad aangenomen als een

centraal en heilig feit. In het klassieke Rome werd in een bepaalde

periode het huis van de zwangere vrouw versierd met guirlandes, en in

Athene was het een onschendbaar heiligdom, waar zelfs de misdadiger

bescherming kon vinden. Zelfs te midden van de gemengde invloeden

van tijden zoo vol van schuimend leven, als aan de opkomst van de

Renaissance voorafgingen, was de ideaal mooie vrouw, zooals wij nog

kunnen zien op schilderijen, de zwangere vrouw. Maar het is niet altijd

zoo geweest. Tegenwoordig, bij voorbeeld, is er geen twijfel aan,

dat we nog pas bezig zijn los te komen uit een periode, waarin dit

feit dikwijls werd betwist of ontkend, in theorie en praktijk beide,

ook door de vrouwen zelf. Dit was vooral opmerkelijk in Engeland en

Amerika beide, en het ligt waarschijnlijk voor een groot deel aan de

ongelukkige, dwaze verblindheid, die vrouwen in deze landen er toe

bracht mannelijke idealen na te jagen, dat nu de inspiratie voor den

vooruitgang in de vrouwenbeweging voornamelijk komt van de vrouwen

van andere landen. Moederschap en de toekomst van het ras werden

systematisch gekleineerd. Het vaderschap, zoo werd gezegd, was maar een

ondergeschikte gebeurtenis in het leven van den man: waarom zou het

moederschap meer dan louter een gebeurtenis zijn in het leven van de

vrouw? In Engeland waren de vrouwen, door een merkwaardig verdraaiden

vorm van sexueele aantrekkingskracht zoo betooverd door den glans,

die de mannen omgaf, dat zij al de feiten van organische constitutie,

die haar ongelijk maakten aan den man, wilden onderdrukken of vergeten,

zich haar glorie tot schande rekenden en dezelfde opvoeding zochten

als mannen, dezelfde bezigheden als mannen, ja dezelfde sport. Zooals

wij weten was er oorspronkelijk een element van rechtvaardigheid in

dezen aandrang [3]. Hij was volkomen gerechtvaardigd in zoover hij een

aanspraak was op bevrijding van een kunstmatige beperking, en een eisch

tot economische onafhankelijkheid. Maar hij werd noodlottig en dwaas,

toen hij zich ontwikkelde in een hartstocht om, in alle opzichten,

dezelfde dingen te doen, die mannen doen; hoe noodlottig en hoe dwaas

kunnen we beseffen als wij ons mannen voorstellen, hartstochtelijk de

wijzen van doen en de werkzaamheden van vrouwen nabootsende. Vrijheid

is alleen goed, als zij is een vrijheid om de wetten te volgen van

iemands eigen natuur; zij houdt op vrijheid te zijn als zij wordt

een slaafsche poging anderen na te bootsen en ze zou slechts ongeluk

aanbrengen als ze ooit slagen kon [4]. Tegenwoordig heeft deze beweging

theoretisch opgehouden vertegenwoordigsters te bezitten, die ernstigen

invloed uitoefenen. Toch vertoonen zich de praktische resultaten nog

zeer zichtbaar in Engeland en de andere landen, waarin zij gevoeld

is. De sterfte onder de zuigelingen is enorm en begint nog slechts,

tenminste in Engeland, een neiging te vertoonen om af te nemen;

het moederschap is zonder waardigheid en de levenskracht der moeders

neemt spoedig af, zoodat zij niet eens haar kinderen kunnen zoogen;

onwetende jonge moeders geven haar kinderen aardappelen en jenever;

overal spreekt men ons van de teekenen van ontaarding van het ras,

of zoo al niet van het ras, dan toch in ieder geval van de jonge

individuen van tegenwoordig.

Het zou misplaatst zijn en ons te ver voeren om hier deze

verscheidenheid te bespreken van praktische gevolgen van de dwaze

poging, om het enorme belang van het moederschap voor het ras te

kleineeren. Het zij genoeg slechts dit eene punt aan te raken:

de bovenmatige sterfte onder de zuigelingen.

In Engeland--dat uit een maatschappelijk oogpunt niet in zoo veel

slechter toestand verkeert dan de meeste landen, want in Oostenrijk

en Rusland is de kindersterfte nog hooger, hoewel ze in Australië

en Nieuw-Zeeland veel lager is, maar toch nog buitensporig--komt

jaarlijks meer dan een vierde van alle sterfgevallen van kinderen

onder het jaar voor. Naar de meening van de medische ambtenaren van

den gezondheidsdienst, die het best in de gelegenheid zijn om een

opinie te vormen, hadden ongeveer de helft van deze sterfgevallen,

in het ruwe berekend, absoluut voorkomen kunnen worden. Bovendien

is het twijfelachtig of er een werkelijk dalende beweging is in

deze sterfte; in de laatste halve eeuw is zij nu eens gestegen en

dan weer gedaald, en hoewel in de paar laatste jaren de algemeene

beweging van de kindersterfte voor kinderen onder de vijf jaar in

Engeland en Wales een neiging getoond heeft om af te nemen, steeg

in Londen (volgens J. F. J. Sykes, ofschoon Sir Shirley Murphy

getracht heeft de beteekenis van deze cijfers te verminderen) de

kindersterfte voor de drie eerste levensmaanden van 69 per duizend

in het tijdverloop 1888-1892 tot 75 per duizend van 1898-1901. (Dit

heeft, dat moeten we bedenken, betrekking op de periode vóór

het invoeren van de wet op het kennisgeven van geboorten). In

ieder geval is er, hoewel de algemeene sterfte een bepaalde

neiging toont tot verbetering, zeker geen naar evenredigheid

daarmee overeenkomende verbetering in de kindersterfte. Dit kan

ternauwernood verwondering wekken, als wij ons voor oogen stellen,

dat er geen verandering ten goede, maar eerder ten kwade, geweest

is in de omstandigheden waaronder onze kinderen worden geboren en

opgevoed. Zoo zegt William Hall (British Medical Journal, October

14, 1905), die een grondige kennis had, loopende over 56 jaar,

van de achterbuurten van Leeds, en die verscheiden duizenden

van achterbuurtkinderen gewogen en gemeten heeft, behalve dat

hij meer dan 120.000 jongens en meisjes onderzocht heeft op hun

geschiktheid voor fabrieksarbeid, dat "vijftig jaar geleden

de moeder uit de achterbuurt veel verstandiger, zindelijker,

huiselijker en moederlijker was dan zij nu is; zij was zelf beter

gevoed en zij zoogde bijna altijd haar kinderen en na het speenen

kregen zij meer voedzaam, beenderenvormend voedsel, en zij was

in staat thuis gezonder voedsel klaar te maken". Het systeem van

leerplicht heeft een ongelukkigen invloed uitgeoefend door den

ouders een dwang op te leggen waardoor de toestanden van het tehuis

slechter werden. Want, hoe uitstekend onderwijs is, het is niet de

eerste levensbehoefte en het is verplichtend gemaakt, voordat de

meer essentieele dingen van het leven even verplichtend gemaakt

zijn. Hoe volkomen onnoodig deze groote sterfte is, kan blijken

zonder dat we het goede voorbeeld van Australië en Nieuw-Zeeland

noemen, wanneer wij slechts kleine Engelsche steden vergelijken:

terwijl in Guildford de kindersterfte 65 per duizend is, is het

in Burslem 205 per duizend.

Somtijds wordt gezegd, dat kindersterfte een economische kwestie

is en dat ze zou ophouden te bestaan met loonsverbetering. Dit is

alleen waar tot zekere hoogte en onder bepaalde voorwaarden. In

Australië is geen nijpende armoede, maar het aantal sterfgevallen

van kinderen onder het jaar is nog tusschen de 80 en 90 per

duizend, en een derde van deze sterfte is volgens Hooper (British

Medical Journal, 1908, vol II, p. 289) gemakkelijk te vermijden

omdat ze voortkomt uit de onwetendheid van de moeders en den

tegenzin in het zoogen. De loonarbeid van getrouwde vrouwen

vermindert zeer de armoede van een familie, maar niets kan

slechter zijn voor het welzijn van de vrouw als moeder, of voor

het welzijn van haar kind. Reid, de medische ambtenaar van den

gezondheidsdienst voor Staffordshire, waar twee groote centra

zijn van werkmansbevolking met dezelfde gezondheidsvoorwaarden,

heeft aangetoond, dat in het Noordelijk centrum, waar een groot

aantal vrouwen in fabrieken werkt, ontijdige geboorten driemaal

zooveel voorkomen als in het Zuidelijk centrum, waar feitelijk

geen beroepsloonarbeid voor vrouwen is; de veelvuldigheid van

abnormaliteiten is ook in dezelfde verhouding. De voorrang van

Joodsche boven Christenkinderen en hun geringere kindersterfte,

schijnen geheel te berusten op het feit dat Jodinnen betere moeders

zijn. "De Joodsche kinderen in de achterbuurten", zegt William Hall

(British Medical Journal, October 14, 1905), een man van ruime

en nauwkeurige kennis, "waren beter in gewicht, wat hun tanden

betreft en in algemeene lichamelijke ontwikkeling, en zij schenen

minder vatbaar te zijn voor besmettelijke ziekten. Toch woonden

deze Joden in overvolle woningen, zij namen weinig beweging, en de

ongezondheid van hun omgeving was in het oog vallend. De kwestie

was, dat hun kinderen veel beter gevoed waren. De zwangere Jodin

werd beter verzorgd en voedde ongetwijfeld den foetus beter. Nadat

de kinderen geboren waren, kregen 90 percent borstvoeding en later

in hun jeugd kregen zij overvloedig beenderenvormend voedsel;

eieren en olie, visch, versche groenten en vruchten namen een

groote plaats in in hun diëet". G. Newman, legt in zijn belangrijk

en groot boek over "kindersterfte" den nadruk op het besluit dat

wij "allereerst moeten hebben een hooger standaard van physiek

moederschap." Het probleem van kindersterfte, verklaart hij

(bladz. 259), is er niet een alleen van hygiëne, van huisvesting,

of zelfs van armoede als zoodanig, "maar het is voornamelijk een

kwestie van moederschap".

De voornaamste behoefte van de zwangere vrouw is rust. Zonder een

groote mate van rust voor de moeder kan er geen puericultuur zijn [5].

De taak een mensch te scheppen neemt al de beste krachten van een

vrouw in beslag, vooral gedurende de laatste drie maanden vóor

de geboorte. Zij kan niet ondergeschikt gemaakt worden aan de

belasting, die er op de krachten gelegd wordt door handenarbeid

of geestelijken arbeid, of zelfs door ingespannen maatschappelijke

plichten en vermaken. De talrijke proeven en waarnemingen, die in

de laatste jaren gedaan zijn in de inrichtingen voor kraamvrouwen,

voornamelijk in Frankrijk, hebben afdoende aangetoond, dat niet alleen

het tegenwoordige en toekomstige welzijn van de moeder en het gemak

van haar bevalling, maar ook het lot van het kind, een zeer grooten

invloed ondervinden van rust gedurende de laatste maand van haar

zwangerschap. "Iedere arbeidster heeft aanspraak op rust gedurende

de laatste drie maanden van haar zwangerschap". Dit besluit werd

aangenomen door het Internationale Congres voor Hygiëne in 1900, maar

het kan niet in de praktijk uitgevoerd worden dan door samenwerking

van de geheele gemeenschap. Want het is niet genoeg te zeggen, dat

een vrouw rust moet hebben tijdens de zwangerschap; het is de taak van

de gemeenschap te zorgen, dat die rust behoorlijk verzekerd wordt. De

vrouw zelf, en haar werkgever, daar kunnen we zeker van zijn, zullen

hun best doen de gemeenschap te bedriegen, maar het is de gemeenschap,

die schade lijdt, zoowel economisch als moreel, als een vrouw

minderwaardige kinderen ter wereld brengt en de gemeenschap moet, in

haar eigen belang zoowel werkgever als werkneemster controleeren. Wij

kunnen niet langer laten zeggen, met de woorden van Bouchacourt,

dat "tegenwoordig het schuim van het menschengeslacht--de blinden,

de doofstommen, gedegenereerden, nerveuzen, misdadigers, idioten,

zwakzinnigen, crétins en epileptici--beter beschermd worden dan de

zwangere vrouwen" [6].

Pinard, die altijd geëerd moet worden als een van de stichters

van de eugeniek, heeft, tezamen met zijn leerlingen, veel gedaan

om den weg te bereiden voor het aannemen van dit eenvoudig,

maar belangrijk axioma, door de gronden duidelijk te maken,

waarop het berust. Uit lang voortgezette waarnemingen op zwangere

vrouwen van alle standen, heeft Pinard de conclusie getrokken,

dat vrouwen, die tijdens de zwangerschap rusten, betere kinderen

hebben dan vrouwen, die niet rusten. Afgezien van de meer algemeene

nadeelen van werk tijdens de zwangerschap, bevond Pinard dat het,

gedurende de laatste maanden, een neiging had om de baarmoeder

naar beneden te drukken in het bekken, en zoo de ontijdige

geboorte te veroorzaken van onvoldragen kinderen; terwijl de

weeën moeilijker en gevaarlijker gemaakt werden (zie bv. Pinard,

Gazette des Hôpitaux, Nov. 28, 1895, en van denzelfden schrijver

Annales de Gynécologie, Aug. 1898).

Letourneux heeft de vraag bestudeerd of rust tijdens de

zwangerschap noodig is voor vrouwen, wier beroepsarbeid maar weinig

vermoeiend is. Hij onderzocht 732 opeenvolgende bevallingen in

de Clinique Baudeloque in Parijs. Hij bevond, dat 137 vrouwen,

die vermoeiende bezigheden hadden (dienstboden, keukenmeiden,

enz.) en die niet rustten tijdens de zwangerschap, kinderen

voortbrachten van een gemiddeld gewicht van 3.081 gram; 115

vrouwen, die maar weinig vermoeiende bezigheden hadden (naaisters,

modisten, enz.) en die ook niet rustten tijdens de zwangerschap,

kinderen hadden van een gemiddeld gewicht van 3.130 gram; een klein

verschil, maar toch van beteekenis, omdat de vrouwen van de eerste

groep groot waren en sterk, terwijl die van de tweede groep teer

en rank gebouwd waren. En weer, bij het vergelijken van groepen

vrouwen, die tijdens de zwangerschap rustten, werd bevonden,

dat de vrouwen, die gewend waren aan vermoeiend werk, kinderen

hadden met een gemiddeld gewicht van 3.319 gram, terwijl zij,

die gewend waren aan minder vermoeiend werk, kinderen hadden met

een gemiddeld gewicht van 3.318 gram. Het verschil tusschen rust

en geen rust is dus aanmerkelijk, daar het ook zware vrouwen,

die vermoeiende bezigheden hebben, in staat stelt de teerder

vrouwen, die minder vermoeiende bezigheden hebben, in te halen,

niet ze te overtreffen. Wij zien ook, dat zelfs bij de betrekkelijk

weinig vermoeiende bezigheden van modistes enz., rust tijdens de

zwangerschap toch van belang blijft, en niet veilig gemist kan

worden. "De maatschappij", zegt Letourneux, "moet rust verzekeren

aan vrouwen, die niet in gunstige omstandigheden verkeeren,

tijdens een deel van de zwangerschap. De kosten daarvan zal zij

terugbetaald krijgen door de vermeerderde kracht van de aldus

geboren kinderen" (Letourneux, "De l'Influence de la Profession

de la Mère sur le Poids de l'Enfant", Thèse de Paris, 1897).

Dr. Dweira-Bernson ("Revue Pratique d'Obstétrique et de Pédiatrie,"

1903, p. 370), vergeleek vier groepen van zwangere vrouwen

(dienstboden met zwaar werk, met licht werk, boerenmeisjes,

naaisters) die drie maanden lang rustten voor de bevalling, met

vier evenzoo samengestelde groepen, die geen rust namen voor

de bevalling. In iedere groep bevond hij, dat het verschil in

het gemiddelde gewicht van het kind was bepaald ten gunste van

de vrouwen, die gerust hadden en het was opmerkelijk, dat het

grootste verschil werd bevonden in het geval van de boerenmeisjes,

die waarschijnlijk de sterkste waren, die ook het hardst werkten.

De gewone duur der zwangerschap varieert tusschen 274 en 280

dagen (of 280 tot 290 dagen na de laatste menstruatie), en

soms een paar dagen langer, hoewel men het niet eens is over

den uitersten grens, die sommige autoriteiten zouden willen

uitstrekken tot 300 dagen (Pinard in Richet's Dictionaire de

Phisiologie, deel VII pp. 150-162; Taylor, Medical Jurisprudence,

5de uitgave, pp. 44, 98 en volgende; L. M. Allen, "Prolonged

Gestation", American Journal Obstetrics, April 1907). Het is

mogelijk, zooals Müller opperde in 1898 in een Thèse de Nancy,

dat de beschaving de neiging heeft den duur der zwangerschap

te verkorten en dat die in vroeger tijden langer was dan hij

nu is. Zulk een neiging tot vroege geboorte onder de opwindende

zenuwachtige invloeden van de beschaving zou dan overeenkomen,

zooals Bouchacourt aangetoond heeft (La Grossesse, p. 113), met

eenzelfde uitwerking op huisdieren. De sterke vrouw van het land

verandert in de sierlijker, maar ook teerder vrouw van de stad,

die eene mate van zorg en hygiëne noodig heeft, die de vrouw van

het land met haar zenuwstelsel met meer weerstandsvermogen tot

zekere hoogte ontberen kan, hoewel zelfs zij, zooals wij zien,

schade lijdt in de persoon van haar kind, en waarschijnlijk in

haar eigen persoon door de gevolgen van het werken tijdens de

zwangerschap. De ernstige aard van deze neiging der beschaving

tot vroege geboorte--waarvan gebrek aan rust in de zwangerschap

echter maar een van de vele belangrijke oorzaken is--blijkt uit het

feit dat Séropian (Fréquence Comparée des Causes de l'Accouchement

Prématuré, Thèse de Paris, 1907) bevond, dat omstreeks een derde

van de geboorten in Frankrijk (32.28 percent) in meerdere of

mindere mate te vroeg zijn. Zwangerschap is geen ziektetoestand;

integendeel, is een zwangere vrouw op het hoogtepunt van haar meest

normale physiologische leven, maar tengevolge van de spanning,

die er door veroorzaakt wordt, is zij er bijzonder aan onderhevig

te lijden door iederen kleinen schok of druk.

Men moet opmerken, dat de verhoogde neiging tot ontijdige geboorte,

terwijl zij gedeeltelijk mag berusten op algemeene neigingen der

beschaving, ook voor een deel berust op zeer bepaalde oorzaken,

die zeer goed te vermijden zijn. Syphilis, alcoholisme en pogingen

om miskraam op te wekken, behooren onder de niet ongewone oorzaken

van ontijdige geboorte (zie bv. G. F. Mc. Cleary, "The Influence

of Antenatal Conditions on Infantile Mortality", British Medical

Journal, Aug. 13, 1904).

Ontijdige geboorte moet vermeden worden, omdat het kind, dat

te vroeg geboren is, onvoldoende is toegerust voor de taak,

die voor hem ligt. Astengo bevond bij bijna 19.000 gevallen in

het Lariboisière Hospital in Parijs en in de Maternité, dat,

gerekend van den datum der laatste menstruatie, er een directe

verhouding is tusschen het gewicht van het kind bij de geboorte

en den duur der zwangerschap. Hoe langer de zwangerschap, des te

beter het kind (Astengo, Rapport du Poids des Enfants à la Durée

de la Grossesse, Thèse de Paris, 1905).

Ontijdige geboorten komen waarschijnlijk in Engeland evenveel

voor als in Frankrijk. Ballantyne zegt (Manual of Antenatal

Pathology; The Foetus p. 456) dat men voor praktische doeleinden de

veelvuldigheid van ontijdige weeën in kraaminrichtingen kan stellen

op 20 percent, maar dat, als alle kinderen, die minder wegen dan

3 KG. beschouwd moeten worden als ontijdig geboren, dit stijgt

tot 41.5 percent. Dat het aantal ontijdige geboorten toeneemt in

Engeland schijnt te blijken uit het feit, dat gedurende de laatste

25 jaar er een voortdurende toename is in de sterfte door ontijdige

geboorte. Mc. Cleary, die dit punt bespreekt en die de toename

als werkelijk bestaand beschouwt, komt tot het besluit, dat het

schijnt, of er een vermindering is in de qualiteit, zoowel als in

de quantiteit van onze kinderproductie. Zie ook een discussie,

ingeleid door Dawson Williams, over "Physical Deterioration",

British Medical Journal, Oct. 14, 1905.

Er behoeft nauwelijks op gewezen te worden, dat niet alleen

onrijpheid een oorzaak is van ontaarding in de kinderen die

blijven leven, maar dat deze alleen reeds er toe bijdraagt om het

aantal der kinderen te verminderen die in het leven blijven. Zoo

zegt Newman, (l.c.) dat in de meeste Engelsche stadsdistricten

ontijdige geboorte de voornaamste oorzaak is van sterfte onder

de zuigelingen en dat omstreeks 30 percent van de sterfgevallen

van zuigelingen er onder gebracht kunnen worden; zelfs in Londen

(Islington) bevindt Alfred Harris (British Medical Journal,

Dec. 14, 1907) dat bijna 17 percent van de sterfgevallen van

zuigelingen er toe gerekend kunnen worden. Newman meent, dat

ongeveer de helft der moeders van kinderen, die sterven door

ontijdige geboorte, gedecideerd ziek zijn of onvoldoende gevoed;

zij zijn daarom niet geschikt om moeder te worden.

Rust tijdens de zwangerschap is een machtig voorbehoedmiddel

tegen ontijdige geboorten. Zoo vergeleek Dr. Sarraute-Lourié 1.550

zwangere vrouwen in het Asile Michelet, die rust hadden vóor de

bevalling met 1.550 kraamvrouwen in het Hôpital Lariboisière,

die niet zoo'n rustperiode gehad hadden. Zij bevond, dat de

gemiddelde duur der zwangerschap tenminste twintig dagen korter

was in de laatste groep. (Mme Sarraute-Lourié, De l'Influence du

Repos sur la Durée de la Gestation, Thèse de Paris, 1899).

Leyboff heeft aangedrongen op de absolute noodzakelijkheid van rust

tijdens de zwangerschap, zoowel ter wille van de vrouw zelf als

van den last, dien zij draagt, en hij toont de slechte resultaten

aan, die volgen als de rust is verwaarloosd. Reizen per spoor,

paardrijden, fietsen en zeereizen kunnen, naar Leyboff meent, ook

nadeelig zijn aan het verloop van de zwangerschap. Leyboff erkent

de moeilijkheden, waar zwangere vrouwen door de tegenwoordige

toestanden in de industrie, onder lijden en komt tot het besluit,

"dat het dringend noodig is vrouwen bij de wet te verhinderen

gedurende de drie laatste maanden der zwangerschap te werken;

dat er in ieder district een moederschapfonds moest wezen; dat

gedurende dezen verplichten rusttijd een vrouw hetzelfde salaris

moest ontvangen als wanneer zij werkt". Hij voegt er aan toe, dat

kinderen van ongehuwde moeders moesten worden verzorgd door den

Staat, dat er een acht-urige werkdag moest zijn voor alle arbeiders

en dat geen kinderen onder de zestien jaar verlof mochten hebben

om te werken. (E. Leyboff, L'Hygiène de la Grossesse, Thèse de

Paris, 1905).

Perruc zegt dat een rust van tenminste twee maanden vóor de

bevalling verplichtend moest worden gesteld, en dat de vrouw

gedurende dien tijd een schadeloosstelling moest ontvangen van

Staatswege. Hij meent, dat die den vorm zou moeten aannemen van

verplichte verzekering en dat de arbeidster, de werkgever en de

Staat er gelijkelijk voor moesten bijdragen (Perruc, Assistance

aux Femmes Enceintes, Thèse de Paris, 1905).

Waarschijnlijk heeft werk gedurende de eerste maanden van de

zwangerschap, als het niet buitensporig zwaar en vermoeiend is,

weinig of geen slechten invloed; zoo bevond Bacchimont (Documents

pour servir à l'Histoire de la Puériculture Intra-utérine, Thèse

de Paris, 1898) dat, terwijl er een groote toename was in gewicht

van kinderen van moeders, die drie maanden gerust hadden, er

geen overeenkomstige toename was in de kinderen van die moeders,

die langeren tijd gerust hadden. Gedurende de laatste drie

maanden wordt vrijheid, rust, het ophouden van de verplichtende

routine van een beroep noodig. Dit is de meening van Pinard,

de voornaamste autoriteit in deze zaak. Velen echter, vreezende

dat economische en industrieele voorwaarden zoo'n langen rusttijd

praktisch tè moeilijk te bereiken zullen maken, zijn met Clappier

en G. Newman tevreden met twee maanden als minimum te eischen;

Salvat vraagt maar een maand rust vóor de bevalling, terwijl de

vrouw, of zij getrouwd is of niet, dan een schadeloosstelling in

geld zal krijgen gedurende dezen tijd en kosteloos geneeskundige

hulp en medicijnen. Ballantyne (Manual of Antenatal Pathology:

The Foetus, p. 475), zoowel als Niven, vragen slechts éen maand

verplichte rust gedurende de zwangerschap met schadeloosstelling

Arthur Helme echter overziet meer alle factoren van het probleem

en komt in een belangrijk geschrift over "The Unborn Child: Its

Care and Its Rights" (British Medical Journal, Aug. 24, 1907)

tot het besluit: "Dat, waar het op aankomt, zou zijn zwangere

vrouwen geheel te verhinderen naar haar werk te gaan en het komt

er evenzeer op aan van het standpunt van het kind, dat dit verbod

zich zoowel over de eerste als over de laatste maanden van de

zwangerschap moet uitstrekken."

In Engeland is tot nog toe weinig vooruitgang gekomen met

betrekking tot deze vraag van rust tijdens de zwangerschap,

zelfs niet in het veranderen van de publieke opinie. Sir William

Sinclair, professor in de verloskunde aan de Victoria University

in Manchester, heeft uitgegeven (1907) A Plea for Establishing

Municipal Maternity Homes. Ballantyne, een groot Engelsch

autoriteit op het gebied van de embryologie van het kind, heeft

uitgegeven een "Plea for a Pre-Maternity Hospital" (British Medical

Journal, Jan. 11, 1908), en heeft de kwestie verder besproken in

zijn Manual of Antenatal Pathology: The Foetus (Hoofdst. XXVII);

hij stelt echter meer belang in het oprichten van ziekenhuizen

voor de ziekten der zwangerschap dan in de meeromvattende en meer

fundamenteele kwestie van rust voor alle zwangere vrouwen. In

Engeland zijn wel is waar een paar inrichtingen welke ongehuwde

vrouwen opnemen, die een getuigschrift hebben van goed gedrag en

die voor de eerste maal zwanger zijn, want, zooals Bouchacourt

opmerkt, verzetten Engelsche vooroordeelen zich tegen ieder

medelijden, betoond aan vrouwen, die recidivisten zijn in de

misdaad der conceptie.

Tegenwoordig wordt alleen in Frankrijk de dringende behoefte aan

rust gedurende de laatste maanden der zwangerschap duidelijk in

het oog gehouden en eenige ernstige en officieele pogingen zijn

aangewend om er in te voorzien. In een belangwekkende Parijsche

verhandeling (De la Puériculture avant la Naissance, 1907) heeft

Clappier veel mededeelingen samengebracht, die betrekking hebben

op de pogingen, die nu gedaan worden om de kwestie praktisch

te behandelen. Er zijn vele Asiles in Parijs voor zwangere

vrouwen. Een van de beste is het Asile Michelet, in 1893 gesticht

door de "Assistance Publique" van Parijs. Dit is een sanatorium

voor zwangere vrouwen, die in het midden van de achtste maand

zijn. In naam worden alleen Fransche vrouwen toegelaten, die

een jaar haar domicilie in Parijs hebben gehad, maar inderdaad

schijnt het, dat vrouwen uit alle deelen van Frankrijk worden

opgenomen. Zij worden bezig gehouden met nu en dan voorkomend

licht werk voor de inrichting en zij worden voor dit werk betaald,

en ook houden zij zich bezig met het maken van kleertjes voor het

verwachte kind. Getrouwde en ongetrouwde vrouwen worden gelijkelijk

opgenomen, daar alle vrouwen gelijk zijn van het standpunt uit

van moederschap, en inderdaad zijn de meeste van de vrouwen,

die naar het Asile Michelet komen, ongetrouwd en sommige zijn

meisjes, die zich zelfs te voet gesleept hebben van Brittanje en

andere ver verwijderde plaatsen van Frankrijk, om zich te kunnen

verbergen voor haar vrienden in de gastvrije afzondering van deze

toevluchtsoorden in de groote stad. Het is niet het minste voordeel

van deze inrichtingen, dat zij ongetrouwde moeders en haar kind

beschermen tegen de vele ellenden, waaraan zij zijn blootgesteld en

zoo er toe bijdragen om misdaad en lijden te verminderen. Behalve

de moederschapstoevluchtsoorden zijn er instellingen in Frankrijk

om met hulp en raad die zwangere vrouwen bij te staan, die liever

thuis blijven, maar die zoodoende de noodzakelijkheid vermijden

van huiselijk werk dat niet voor haar past.

Er kan geen schaduw van twijfel zijn dat, zooals tegenwoordig in

ons eigen land en eenige andere landen, die beschaafd heeten,

moederschap buiten het huwelijk beschouwd wordt als bijna een

misdaad, er dus de allergrootste behoefte is aan passende zorg

voor ongetrouwde vrouwen, die op het punt zijn moeder te worden,

een zorg, die haar in staat stelt in het geheim bescherming en

verzorging te verkrijgen en haar gevoel van eigenwaarde en haar

maatschappelijke positie te bewaren. Dit is noodig niet alleen

in het belang der humaniteit en der publieke economie, maar ook,

zooals te dikwijls vergeten wordt, in het belang der zedelijkheid,

want het is zeker, dat door te verzuimen een passende voorzorg van

deze soort te verschaffen, vrouwen gedreven worden tot kindermoord

en prostitutie. In vroegere, meer humane tijden was het algemeen

zorgen voor het heimelijk ontvangen van en zorgen voor onwettige

kinderen zonder twijfel hoogst heilzaam. Het onderdrukken van de

middeleeuwsche methode, die in Frankrijk langzamerhand plaats

vond tusschen 1833 en 1862, leidde tot een groote toename van

kindermoord en miskraam en was een onmiddellijke aanmoediging tot

misdaad en zedeloosheid. In 1887 trachtte de "Conseil Général" van

de Seine de heerschende verwaarloozing van deze zaak te vervangen

door het aannemen van meer verlichte denkbeelden en stichtte een

bureau secret d'admission voor zwangere vrouwen. Sedert dien tijd

zijn zoowel kinderverlating als kindermoord zeer verminderd, hoewel

zij toenemen in die deelen van Frankrijk, die geen faciliteiten

van deze soort bezitten. Men meent in ruime kringen, dat de Staat

de inrichtingen moest vereenigen voor het verzekeren van geheim

moederschap en in zijn eigen belang de onkosten op zich nemen. In

1904 verzekerde de Fransche wet de bescherming van ongetrouwde

moeders door haar geheim te waarborgen, maar zij organiseerde

geen algemeene oprichting van geheime kraaminrichtingen en heeft

aan de medici overgelaten het pionierswerk te doen in dit groote

en menschlievende werk van algemeen belang (A. Maillard-Brune,

Refuges, Maternités, Bureaux d'Admission Secrets, comme Moyens

Préservatives de l'Infanticide, Thèse de Paris, 1908). Het

behoort niet onder de geringste voordeelen van het dalende

geboortecijfer, dat het geholpen heeft den stoot te geven tot

deze nuttige beweging.

De ontwikkeling van een systeem van industrie, dat het menschelijk

lichaam en de menschelijke ziel ondergeschikt maakt aan de dorst

naar goud, heeft tijdelijk de belangen van het ras en zelfs van

het individu verbannen uit de gedachten van de maatschappij, maar

men moet wel begrijpen, dat dit niet altijd en overal zoo geweest

is. Hoewel in sommige deelen der wereld de vrouwen van natuurvolken

dòorwerken tot den tijd der bevalling, moet men in het oog houden,

dat de arbeidsvoorwaarden in het leven der natuurvolken niet gelijken

op het inspannende en voortdurende werken in de moderne fabrieken. In

vele deelen van de wereld echter, mogen vrouwen niet hard werken

tijdens de zwangerschap en zij worden op alle wijzen ontzien. Dit is,

bij voorbeeld, zoo onder de Pueblo Indianen, en onder de Indianen

van Mexico. Op dergelijke wijze wordt gezorgd op de Carolinen en de

Gilbert Eilanden en in vele andere streken over de geheele wereld. Op

sommige plaatsen worden vrouwen afgezonderd tijdens de zwangerschap,

en op andere plaatsen worden zij gedwongen meer of minder uitmuntende

regels in acht te nemen. Het is waar, dat de oorzaak, die aan deze

regels wordt toegeschreven, soms de vrees is voor booze geesten,

maar zij hebben niettemin dikwijls een hygiënische waarde. In vele

deelen van de wereld is de ontdekking van zwangerschap de aanleiding

tot een feest van meer of minder godsdienstig karakter, en veel goede

raad wordt aan de aanstaande hoeder gegeven. De moderne Muzelmannen,

en zelfs de Chineezen, zorgen er voor, te waken over de gezondheid

van hun vrouwen, als ze zwanger zijn [7]. Zelfs in Europa in de 13de

eeuw namen, zooals Clappier opmerkt, industrieele vereenigingen dezen

toestand soms in aanmerking en wilden niet toestaan, dat vrouwen

tijdens de zwangerschap werkten. In IJsland, waar nog veel van het

primitieve leven van Scandinavisch Europa bewaard is gebleven, worden

groote voorzorgsmaatregelen genomen met zwangere vrouwen. Zij moeten

een rustig leven leiden, nauwe kleeren vermijden, matig zijn in eten

en drinken, geen alcohol gebruiken, bewaard worden voor alle schokken,

terwijl haar echtgenooten en alle anderen om haar heen haar moeten

behandelen met onderscheiding, haar moeten bewaren voor vermoeienis

en altijd geduld met haar moeten hebben [8].

Het is noodig op dit punt den nadruk te leggen, omdat wij ons voor

oogen moeten stellen, dat de moderne beweging om de zwangere vrouw

met teederheid en zorg te omringen, wel verre van enkel het gevolg

te zijn van de zachtheid en verweekelijking der beschaving, naar

alle waarschijnlijkheid is het terugkeeren op een hooger plan tot

de gezonde practijken van die rassen, die den grondslag legden voor

menschelijke grootheid.

Terwijl rust de hoofdplicht is van een vrouw tijdens de laatste

maanden der zwangerschap, zijn er andere punten in haar leefregel,

die verre van onbelangrijk zijn in hun invloed op het lot van

het kind. Een daarvan is de kwestie van het gebruik van alcohol

door de moeder. Ongetwijfeld is alcohol de oorzaak geweest van veel

fanatisme. Maar de hoogdravende buitensporigheid van anti-alcoholisten

moet ons niet blind maken voor het feit, dat de nadeelen der alcohol

werkelijkheid zijn. Vooral op het reproductieproces, op de melkklieren

en op het kind heeft de alcohol een belemmerenden en degenereerenden

invloed zonder dat er eenige voordeelen tegenover staan. Het is

bewezen door proeven op dieren en waarnemingen op den mensch dat de

alcohol, die de zwangere vrouw tot zich neemt, vrij overgaat uit den

bloedsomloop der moeder naar den bloedsomloop van den foetus. Féré

heeft verder aangetoond, dat het mogelijk is door alcohol en aldehyde

in te spuiten in kippeneieren tijdens den broedtijd, stilstand van

ontwikkeling en misvorming te weeg te brengen in het kuiken [9]. De

vrouw, die een kind in haar schoot draagt, of aan haar borst zoogt,

moest er aan denken, dat de alcohol, die misschien onschadelijk is

voor haarzelf, niet veel beter is dan vergif voor het onrijpe wezen,

dat zijn voedsel neemt uit haar bloed. Zij moest zich bepalen tot de

allerlichtste alcoholbevattende dranken in zeer matige hoeveelheden,

en zij zou nog beter doen, als zij er geheel en al van afzag en in

plaats daarvan melk dronk. Zij is nu de eenige bron voor het leven

van het kind en zij kan niet te zorgvuldig zijn in het scheppen

van een atmospheer van reinheid en gezondheid er omheen. Geen later

uitgeoefende invloed kan fouten goedmaken, die in dezen tijd gemaakt

worden [10].

Wat waar is van den alcohol, dat is even waar van andere sterk werkende

geneesmiddelen en vergiften, die alle vermeden moesten worden zoover

dat kan tijdens de zwangerschap, wegens den nadeeligen invloed, dien

zij mogelijk direct op het embryo uitoefenen. Hygiëne is beter dan

medicijnen, en er moet gelet worden op het diëet, dat in geenen deele

overdadig moet zijn. Het is een dwaling te veronderstellen, dat de

zwangere vrouw aanmerkelijk meer voedsel noodig heeft dan gewoonlijk

en er is veel reden om aan te nemen, dat een zware vleeschvoeding

neiging heeft steriliteit te veroorzaken, maar dat ze ook niet gunstig

is voor de ontwikkeling van het kind in haar schoot [11].

Hoe lang, wordt dikwijls gevraagd, kan sexueele omgang voortgezet

worden, als hij al toegelaten is, nadat de bevruchting duidelijk

is vastgesteld? Dit heeft men niet altijd een gemakkelijke vraag

gevonden om te beantwoorden, want bij het menschelijk paar komen

altijd veel overwegingen samen om het antwoord gecompliceerd te

maken. Zelfs de Katholieke theologen zijn niet heelemaal eensgezind

geweest op dit punt. Clemens van Alexandrië zeide, dat, als het zaad

gezaaid was, de akker moest rusten tot den oogst. Maar wij mogen wel

als regel stellen, dat de kerk geneigd was den omgang te beschouwen

op zijn hoogst als een vergeeflijke zonde, mits er geen gevaar was

voor ontijdige geboorte. Augustinus, Gregorius de Groote, Thomas van

Aquino en Dens, bij voorbeeld, schijnen deze meening te zijn toegedaan;

voor sommigen is het, inderdaad, in het geheel geen zonde [12]. Onder

dieren is de regel eenvoudig en gelijkvormig; zoodra het vrouwtje

bevrucht is in den paringstijd, verwerpt zij iedere toenadering van

het mannetje, totdat, nadat de geboorte en de zoogtijd voorbij zijn

er een nieuwe paringstijd begint. Onder natuurvolken is de neiging

minder gelijkvormig en heeft sexueele abstinentie, als ze voorkomt

tijdens de zwangerschap, de neiging minder een natuurlijk instinct

te worden dan een voorschrift van het ritueel, of een gewoonte, nu

voornamelijk berustend op bijgeloof. Onder vele natuurvolken wordt

abstinentie tijdens de heele zwangerschap bevolen, omdat men meent

dat het zaad den foetus zou dooden [13].

De Talmud is ongunstig gestemd jegens den coïtus tijdens de

zwangerschap, en de Koran verbiedt hem den geheelen tijd door,

zoowel als tijdens den zoogtijd. Onder de Hindoes, aan den

anderen kant, wordt de gemeenschap voortgezet tot aan de laatste

veertien dagen van de zwangerschap en er wordt zelfs geloofd, dat

het ingebrachte zaad den embryo helpt voeden (W. D. Sutherland,

"Ueber das Alltagsleben und die Volksmedizin unter den Bauern

Britischostindiens", Münchener Medizinische Wochenschrift,

Nos. 12 en 13, 1906). De groote Indische medicus Susruta, echter,

was tegen coïtus tijdens de zwangerschap, en de Chineezen stellen

zich met klem aan dezelfde zijde.

Al naarmate de menschen zich los gemaakt hebben van de barbaarschheid

in de richting der beschaving, is het dierlijk instinct van weigering

na de bevruchting volkomen verloren geraakt bij vrouwen, terwijl

terzelfder tijd beide seksen neiging hebben om onverschillig te worden

voor die ritueele beperkingen, die in een vroegere periode bijna

even bindend waren als het instinct. Sexueele omgang geraakte zoo in

gebruik na de bevruchting evenzeer als er voor, als een deel van de

gewone "huwelijksrechten", hoewel er toch soms een flauw vermoeden

achterbleef, dat zich weerspiegelt in de aarzelende houding van de

Katholieke kerk, waar we reeds op zinspeelden, dat zulke omgang een

zondige toegeeflijkheid kan zijn. De moraal wordt echter te hulp

geroepen, om deze toegevendheid te versterken. Als de echtgenoot in

dezen tijd uitgesloten is van huwelijksverkeer, zegt men, dan zal hij

verkeer buiten het huwelijk zoeken, zooals inderdaad in sommige deelen

van de wereld erkend wordt dat hij wettig doen mag; daarom werken de

belangen van de vrouw, die er op uit is de trouw van haar echtgenoot te

bewaren, en de belangen van de Christelijke moraal, die de instelling

der monogamie in eere wenscht te houden, samen om de voortzetting van

den coïtus tijdens de zwangerschap te bevorderen. De gewoonte is in

de hand gewerkt door het feit, dat bij beschaafde vrouwen tenminste,

coïtus tijdens de zwangerschap gewoonlijk niet minder aangenaam is

dan op andere tijden en door sommige vrouwen zelfs aangenamer wordt

gevonden [14]. Dan is er verder nog de overweging, voor die paren die

getracht hebben de conceptie te voorkomen, dat de omgang nu ongestraft

genoten kan worden. Uit een hooger gezichtspunt kan zulk een omgang

ook gerechtvaardigd zijn, want als, zooals al de betere moralisten

over de sexueele aandrift nu gelooven, liefde haar waarde heeft, niet

alleen voor zoover zij de voortplanting veroorzaakt, maar ook voor

zoover zij individueele ontwikkeling bevordert en het wederzijdsch

welzijn en de harmonie van het vereenigde paar, wordt deze omgang

tijdens de zwangerschap moreel gerechtvaardigd.

Al in den ouden tijd echter, hebben groote autoriteiten zich verklaard

tégen de gewoonte den coïtus uit te voeren tijdens de zwangerschap. Op

het einde van de eerste eeuw heeft Soranus, de eerste der groote

gynecologen gezegd in zijn verhandeling over de vrouwenziekten, dat

sexueele omgang schadelijk is de geheele zwangerschap door en vooral

schadelijk tijdens de laatste maanden. Langer dan zestienhonderd jaren

schijnt de kwestie, nadat ze in handen van de theologen gevallen was,

te zijn verwaarloosd van medische zijde, totdat in 1721 een beroemd

Fransch verloskundige, Mauriceau, gezegd heeft, dat geen zwangere

vrouw de laatste twee maanden omgang moest hebben en dat een vrouw,

die neiging had tot miskraam in het geheel geen omgang moest hebben

tijdens de zwangerschap. Langer dan een eeuw echter, bleef Mauriceau

een pionier met weinig of geen volgelingen. Het zou lastig zijn,

was de algemeene opinie, zelfs als het noodig was, om den omgang

tijdens de zwangerschap te verbieden [15].

In de laatste jaren echter is er onder verloskundigen een toenemende

sterke neiging geweest om met beslistheid te spreken over omgang

tijdens de zwangerschap, hetzij om dien geheel te veroordeelen,

of om er bij aan te manen tot groote voorzichtigheid. Het is zeer

waarschijnlijk dat, in overeenstemming met de klassieke proeven

van Doreste op embryo's van kippen, schokken en rustverstoringen op

het menschelijk embryo ook nadeelige gevolgen kunnen te voorschijn

roepen op den groei. De stoornis, die ontstaat door coïtus, tijdens

den eersten tijd van de zwangerschap, kan zoodoende aanleiding geven

tot misvorming. Als zulke toestanden gevonden worden in de kinderen

van volkomen gezonde, krachtige en over het algemeen matige ouders,

die zich zorgeloos aan coïtus hebben overgegeven in den eersten tijd

van de zwangerschap, dan kan zulke coïtus op het embryo gewerkt hebben

op dezelfde wijze, als wij weten dat schokken en dronkenschap werken

op het embryo van lagere organismen. Hoe dit ook zij, het is zeker

waar, dat bij vrouwen, die er aanleg voor hebben, coïtus tijdens de

zwangerschap de oorzaak is van ontijdige geboorte; het gebeurt soms

dat weeën beginnen een paar minuten na de daad [16]. Het natuurlijk

instinct van dieren laat geen omgang toe tijdens de zwangerschap;

het ritueele voorschrift van natuurvolken wijst in dezelfde richting;

de stem van medische kennis, voor zoover zij spreekt, begint dezelfde

waarschuwing te laten hooren en zal binnenkort waarschijnlijk dit

kunnen doen op den grondslag van een meer soliede en samenhangend

bewijs.

Pinard, de grootste der autoriteiten over puericultuur, verklaart,

dat er volkomen opgehouden moet worden met sexueelen omgang

tijdens de geheele zwangerschap en in zijn spreekkamer in de

"Clinique Baudelocque" heeft hij een groot plakkaat geplaatst met

een "Important Notice" in dezen geest. Féré was gedecideerd van

meening, dat sexueele relaties tijdens de zwangerschap, vooral als

zij roekeloos worden onderhouden, een belangrijke rol spelen in

het veroorzaken van zenuwbezwaren bij kinderen, die erfelijk niet

belast zijn en verder vrij van iedere ziekelijke infectie tijdens

de zwangerschap en de ontwikkeling; hij vermeldde in bijzonderheden

een geval, dat hij als afdoende beschouwde ("L'Influence de

l'Incontinence Sexuelle pendant la Gestation sur la Descendance",

Archives de Neurologie, April, 1905). Bouchacourt bespreekt

het onderwerp in bijzonderheden (La Grossesse, pag. 177-214),

en meent, dat sexueele omgang tijdens de zwangerschap zooveel

mogelijk vermeden moet worden. Fürbringer (Senator en Kaminer,

Health and Disease in Relation to Marriage, vol. I, pag. 226)

beveelt abstinentie aan van de 6de of 7de maand af, en de geheele

zwangerschap door waar er eenige neiging is tot miskraam, terwijl

in alle gevallen veel zorg en zachtheid moeten uitgeoefend worden.

Het geheele onderwerp is onderzocht in een Thèse de Paris door

H. Brénot (De l'Influence de la Copulation pendant la Grossesse,

1903); hij komt tot het besluit, dat sexueele relaties gevaarlijk

zijn de geheele zwangerschap door, omdat zij dikwijls ontijdige

bevalling of miskraam te voorschijn roepen en dat zij gevaarlijker

zijn bij primiparae dan bij multiparae.

Bijna alles wat gezegd is over de hygiëne der zwangerschap en de

behoefte aan rust, heeft ook betrekking op den tijd, die onmiddellijk

op de geboorte van het kind volgt. Rust en hygiëne aan den kant der

moeder blijven gelijkelijk noodig in haar eigen belang en in dat van

haar kind. Deze behoefte heeft men meer algemeen en meer in de praktijk

erkend dan de behoefte aan rust tijdens de zwangerschap. De wetten

van verschillende landen maken een tijd van rust van beroepsbezigheid

na de bevalling verplichtend, en in sommige landen trachten zij te

voorzien in een vergoeding voor de moeder tijdens deze verplichte

rust. In geen land echter wordt het principe zoo volkomen doorgevoerd

en voor zoo langen tijd als wenschelijk is. Maar het is het juiste

principe en het draagt in zich de kiem, die zich in de toekomst zal

ontwikkelen. Er kan weinig twijfel aan bestaan, dat wat ook de zaken

zijn, en dat zijn er zeker vele, die veilig overgelaten kunnen worden

aan het oordeel van het individu, de zorg voor de moeder en haar kind

daaronder niet behoort. Dat is een zaak, die meer dan eenige andere

de gemeenschap als een geheel raakt en de gemeenschap mag niet traag

zijn in het laten gelden van haar autoriteit daarin. De Staat heeft

behoefte aan gezonde mannen en vrouwen en door iedere nalatigheid

bij het in acht nemen van deze behoefte laadt hij zich ernstige

moeilijkheden van allerlei soort op den hals en doet nadeel aan zijn

kracht in de wereld. Volkeren zijn begonnen de wenschelijkheid van

opvoeding te erkennen, maar zij zijn nog ternauwernood begonnen zich

voor oogen te stellen, dat het nationaliseeren van de gezondheid van

nog meer belang is dan het nationaliseeren van de opvoeding. Als het

noodig was te kiezen tusschen de taak, kinderen onderwezen te krijgen

en de taak, ze welgeboren en gezond te hebben, dan deed men beter

het onderwijs te laten varen. Er zijn veel groote volkeren geweest,

die nooit gedroomd hebben van nationale systemen van opvoeding; er

is nooit een groot volk geweest, dat de kunst niet kende gezonde en

krachtige kinderen voort te brengen.

De zaak wordt van bijzonder belang in groote fabrieksstaten zooals

Engeland, de Vereenigde Staten en Duitschland, omdat in zulke

staten een stilzwijgende samenzwering geneigd is te ontstaan, die

nationale doeleinden ondergeschikt maakt aan individueele doeleinden,

en die in de praktijk de ontaarding van het ras in de hand werkt. In

Engeland bv. is deze neiging bijzonder duidelijk zichtbaar geworden,

met ongelukkige resultaten. Het belang van de werkende vrouw heeft

neiging één te worden met het belang van haar werkgever; te zamen

wrijven zij als het ware de belangen van het kind, dat het ras

vertegenwoordigt, fijn en ontduiken zij de wetten, gemaakt in het

belang van het ras, hetgeen het belang is van de gemeenschap als een

geheel. De werkende vrouw wil zooveel loon verdienen als zij kan en

met de kortst mogelijke onderbreking; als zij dien wensch bevredigt,

handelt zij terzelfder tijd in het belang van den werkgever, die dus

zorgvuldig vermijdt haar te dwarsboomen.

Dit streven aan den kant van de werkende vrouw is in het geheel niet

altijd en heelemaal het resultaat van armoede en zou daarom niet

uit den weg geruimd worden door het verhoogen van het loon. Lang

voor haar huwelijk, toen ze nog weinig meer dan een kind was, is

zij gewoonlijk er op uit gegaan om te werken, en werken is haar een

tweede natuur geworden. Zij doet haar werk goed, zij heeft een goede

positie en wat voor haar "hoog loon" is; zij is onder vriendinnen

en mede-arbeidsters; het leven en de drukte en de opwinding van de

werkkamer of van de fabriek zijn haar een aangename prikkel geworden,

waar ze niet meer buiten kan. Aan den anderen kant is haar huis

haar niets; zij gaat daar alleen heen om te slapen, ze gaat er den

volgenden morgen met het aanbreken van den dag, of eerder, uit;

zij heeft zelfs de eenvoudigste huiselijke bekwaamheden niet; zij

beweegt zich in haar eigen huis als een vreemd en onhandig kind. De

enkele daad van huwen kan dezen stand van zaken niet veranderen; al

wil ze nog zoo graag als ze trouwt een huiselijke vrouw worden, zij

mist zoowel de neiging als de geschiktheid voor huiselijkheid. Zelfs

ondanks haarzelf wordt ze naar de fabriek teruggedreven, naar de

eenige plaats waar zij zich werkelijk thuis voelt.

In Duitschland mogen vrouwen niet werken vier weken na de

bevalling en ook niet de twee volgende weken als de dokter het

noodig oordeelt. De verplichte verzekering tegen ziekte, die

vrouwen dekt bij de bevalling, verzekert haar een uitkeering

in dezen tijd, die overeenkomt met een groot deel van haar

loon. Getrouwde en ongetrouwde moeders hebben gelijke rechten. De

Oostenrijksche wet is naar hetzelfde voorbeeld gemaakt. Deze

maatregel heeft geleid tot een groote afname in kindersterfte,

en daardoor tot een groote toename in gezondheid van hen, die

in leven blijven. Hij wordt echter beschouwd als onvoldoende,

en er is in Duitschland een beweging om den tijd te verlengen,

het systeem toe te passen op een grooter aantal vrouwen en het

nog meer bepaaldelijk verplichtend te maken.

In Zwitserland is het sinds 1877 onwettig eene vrouw te ontvangen

in een fabriek na de bevalling, tenzij zij in het geheel acht

weken rust genomen heeft, tenminste zes weken van dezen tijd nà

de bevalling. Sinds 1898 zijn Zwitsersche werkende vrouwen bij

de wet beschermd geweest tegen het doen van zwaar werk tijdens

de zwangerschap en tegen verschillende andere invloeden, die

waarschijnlijk nadeelig zijn. Maar deze wet is in de praktijk

ontdoken, omdat ze niet als schadevergoeding een uitkeering

verstrekt. Een poging, in 1899 gedaan, om de wet te verbeteren door

zulk een uitkeering te verstrekken, werd door het volk verworpen.

In België en Holland zijn er wetten tegen het werken van vrouwen

onmiddellijk na de bevalling, maar er wordt geen uitkeering

verstrekt, zoodat werkgevers en werkende vrouwen gezamenlijk

de wet ontduiken. In Frankrijk bestaat zulk een wet niet, hoewel

dikwijls met nadruk verklaard is, dat ze noodig is (zie bv. Salvat,

La Dépopulation de la France, Thèse de Lion, 1903).

In Engeland is het onwettig een vrouw "willens en wetens" in een

fabriek aan het werk te hebben vier weken nà de geboorte van haar

kind, maar de wet voorziet niet in een schadevergoeding voor de

vrouw, van wie men op deze wijze eischt, dat ze zich opoffert

voor de belangen van den Staat. De vrouw ontduikt de wet, in

stilzwijgende overeenkomst met haar werkgevers, die altijd wel

kunnen vermijden te "weten" dat er een geboorte heeft plaats

gevonden en zoo kunnen ontkomen aan alle verantwoordelijkheid

voor het aan het werk hebben van de moeder. Zoo kunnen de

fabrieksinspecteurs niet ingrijpen en de wet wordt een doode

letter; in 1906 kon maar één aanklacht ingebracht worden wegens

deze overtreding. Door invoeging van dit "willens en wetens"

wordt er een premie gesteld op onwetendheid. Het onverstandige

van zoo van te voren een premie te stellen op de onwetendheid is

altijd min of meer ontkend door hen, die de wetsartikelen maakten,

al in de dagen van de Tien geboden en de wetten van Hamurabi. Het

is de taak van de rechtbank, van hen die de wetten toepassen,

verzachtende omstandigheden aan te nemen, waar die verzachtende

omstandigheden aanwezig zijn; het is niet de taak van den wetgever

het pad van den wetbreker te effenen. Er zijn klaarblijkelijk

tegenwoordig wetgevers zoo nauwgezet of naïef, dat zij bereid

zouden zijn te eischen dat geen zakkenroller vervolgd mocht worden,

als hij in staat was onder eede te verklaren dat hij niet "wist",

dat de beurs, die hij gestolen had, toebehoorde aan de persoon,

van wie hij hem wegnam.

De jaarverslagen van de Engelsche fabrieksinspecteurs dienen

slechts om deze wet belachelijk te maken, die er zoo wijs humaan

uitziet en die toch niets beteekent, maar zij hebben tot nog toe

geen enkele verandering kunnen bewerken. Deze verslagen bewijzen,

bovendien, dat het bezwaar in omvang toeneemt. Zoo zegt Miss

Martindale, een fabrieksinspectrice, dat in al de steden die

zij bezoekt, van een rustige kathedraalstad af, tot een groote

fabrieksstad toe, het aan het werk hebben van getrouwde vrouwen

snel toeneemt; zij hebben haar geheele leven gewerkt in molens

en fabrieken en zij zijn niet gewend aan koken, huiswerk doen en

kinderen groot brengen, zoodat zij, na het huwelijk, zelfs als

ze niet door armoede gedwongen zijn, liever voortgaan met werken

zooals vroeger. Miss Vines, een andere fabrieksinspectrice, haalt

de opmerking aan van een vrouw, die in de fabriek werkte. "Ik

behoef niet te werken, maar ik blijf niet graag thuis", terwijl

een andere vrouw zeide: "Ik ben honderd maal liever aan het werk

dan thuis. Ik voel me ongelukkig thuis". (Annual Report Chief

Inspector of Factories and Workshops for 1906, pp. 325 etc.)

Hier kan aan toegevoegd worden, dat alleen de Engelsche wet, die

vier weken rust eischt voor de moeder na de geboorte van een kind,

in de praktijk onuitvoerbaar is, maar de tijd zelf is belachelijk

onvoldoende. Als een rusttijd voor de moeder is hij onvoldoende,

maar de Staat stelt nog meer belang in het kind dan in zijn moeder,

en het kind heeft veel langer dan voor vier weken behoefte aan de

verzorging der moeder. Helme raadt aan verbod van staatswege voor

vrouwen om te werken minstens zes maanden na de bevalling. Waar

kinderbewaarplaatsen verbonden zijn aan de fabrieken, die de

moeder in staat stellen haar kind te zoogen in de tusschentijden

tusschen het werk, kan de tijd zonder twijfel verkort worden.

Het is van belang de aandacht te vestigen op het feit, dat het

geenszins de vrouwen in fabrieken zijn, die er toe gebracht

worden als gewoonlijk door te werken gedurende den geheelen tijd

der zwangerschap, en tot haar werk terug te keeren onmiddellijk

na den korten rusttijd der bevalling. Het Comitee van Onderzoek

van de Christian Social Union (London Branch) ondernam, in 1905,

een onderzoek naar het werk van vrouwen na de geboorte. Vrouwen in

fabrieken en werkplaatsen waren van het onderzoek uitgesloten, dat

alleen maar betrekking had op vrouwen met huiswerk, huisindustrie

en met ongeregeld werk. Er werd bevonden, dat de meerderheid haar

werk voortzetten tot op den tijd van de bevalling en dat zij het

van tien tot veertien dagen daarna weer opvatten. De kindersterfte

voor kinderen van vrouwen met enkel huiswerk was veel lager,

dan die voor de kinderen van de andere vrouwen, terwijl, zooals

altijd, de flesschenkinderen een veel grootere sterfte hadden dan

de borstkinderen (British Medical Journal, Oct. 24, 1908, p. 1297).

In de groote Fransche gietstaalwerken in Creusot (Saône et Loire)

worden de salarissen van haar, die moeder zullen worden onder de

arbeidsters verhoogd; maatregelen worden getroffen, haar passende

raad en medische hulp te verschaffen; zij mogen niet werken na

het midden van de zwangerschap of naar haar werk terugkeeren nà

de bevalling zonder een medisch attest, dat zij er voor geschikt

zijn. Men zegt, dat de resultaten uitmuntend zijn, niet alleen

voor de gezondheid van de moeders, maar voor de vermindering

van ontijdige geboorten, de afname van de kindersterfte en het

algemeen voorkomen van de borstvoeding. Het zou waarschijnlijk

een hopelooze zaak zijn te verwachten, dat veel werkgevers in

Angelsaksische landen deze politiek zullen aannemen. Zij zijn te

"praktisch", zij weten hoe gering de geldswaarde van menschenlevens

is. Bij ons moet de Staat tusschenbeide komen.

Er kan geen twijfel aan bestaan dat, over het geheel, moderne

beschaafde gemeenschappen beginnen te erkennen, dat onder de

sociale en economische toestanden, die nu neiging hebben meer en

meer te gaan heerschen, zij in hun eigen belang moeten zorgen,

dat de beste energie en levenskracht van de moeder aan het kind

worden gewijd, zoowel vóor als nà de geboorte. Zij erkennen ook,

dat zij hun plicht in dit opzicht niet kunnen volbrengen, als ze

niet voldoende zorgen voor de moeders, die zoo gedwongen worden

haar werk op te geven, om zich aan haar kinderen te wijden. Wij

komen hier op een punt, waar Individualisme overeenstemt met

Socialisme. De individualiteit móet zien, dat het tot iederen

prijs noodig is de maatschappelijke toestanden te veranderen,

die alle individualiteit vernietigen; de socialist móet zien,

dat een maatschappij, die verzuimt orde te brengen op dit centrale

en hoofdpunt, de voortbrenging van het individu, spoedig moet te

gronde gaan.

Het behoort tot het juiste vervullen van den plicht van een moeder

jegens haar jonge kind dat, als zij gezond is, zij het zoogen

zal. In de laatste jaren is deze kwestie een zaak van ernstig belang

geworden. In het midden van de 18de eeuw, toen de vrouwen van de

hoogere klassen ongeneigd waren geworden, om haar eigen kinderen te

zoogen, deed Rousseau een zoo luid en welsprekend protest hooren,

dat het weêr eens mode werd voor een vrouw, haar natuurlijke plichten

te vervullen. Tegenwoordig, nu hetzelfde kwaad weer gevonden wordt

en in een veel ernstiger vorm, want nu betreft het niet de kleine

hoogere stand, maar de grootere lagere klasse, zou de welsprekendheid

van Rousseau machteloos zijn, want het betreft niet zoozeer de mode

als het gemak en vooral een onhandelbare economische factor. Niet de

minst dringende reden om vrouwen, en vooral moeders, op een gezonden

economischen basis te plaatsen, is de noodzakelijkheid haar in staat

te stellen, haar kinderen te zoogen.

Geen vrouw is normaal, gezond en geheel ontwikkeld als zij geen

borsten heeft, die goed genoeg zijn om de belofte te geven van

voldoende te werken, als de tijd voor haar werkzaamheid komt,

en tepels die geschikt zijn tot zoogen. De ernst van de kwestie

tegenwoordig blijkt uit de veelvuldigheid waarmee jonge vrouwen

te kort schieten in dit essentieele element van vrouwelijkheid en

de jonge man van tegenwoordig, zegt men, als hij een vrouw neemt

"trouwt inderdaad slechts met een deel van een vrouw, waarvan

het andere deel uitgestald staat in den apothekers winkel, in den

vorm van een zuigflesch". Blacker bevond onder duizend patiënten

van de moederschapsafdeeling van University College Hospital, dat

39 nooit gezoogd hadden, 747 hadden al haar kinderen gezoogd, en

214 hadden alleen maar enkele gezoogd. De voornaamste reden, die

zij opgaven voor het niet zoogen was afwezigheid of onvoldoende

toevoer van melk; andere redenen waren ongeschiktheid voor of

tegenzin in het zoogen, en het weigeren van het kind om de borst

te nemen (Blacker, Medical Chronicle, Feb. 1900). Deze resultaten

onder de Londensche armen zijn zeker veel beter, dan die men

zou kunnen vinden in veel industrie-steden, waar vrouwen na het

huwelijk werken. In de andere groote landen van Europa vindt men

even onbevredigende resultaten. In Parijs heeft Madame Dluska

aangetoond, dat van de 209 vrouwen, die voor haar bevalling

naar de Clinique Baudelocque kwamen, er maar 74 haar kinderen

zoogden; van de 135, die niet zoogden, waren er 35 verhinderd

door pathologische redenen of afwezigheid van melk, 100 door de

noodzakelijkheden van haar werk. Zelfs zij, die zoogden, konden

er zelden meer dan zeven maanden mee voortgaan tengevolge van

de lichamelijke inspanning van haar werk (Dluska, Contribution

à l'Etude de l'Allaitement Maternel, Thèse de Paris, 1894). Veel

statistieke gegevens zijn in de Duitsche landen verzameld. Zoo vond

Wiedow (Centralblatt für Gynäkologie, No. 29, 1895), dat van de

525 vrouwen in de kraaminrichting te Freiburg maar de helft goed

kon zoogen tijdens de eerste twee weken; onvoldoende tepels werden

opgemerkt in 49 gevallen en men bevond, dat de ontwikkeling van

den tepel een directe betrekking had op de waarde van de borst als

een afscheidingsorgaan. In München bevonden Escherich en Büller,

dat bijna 60 percent vrouwen van de lagere klasse niet in staat

waren haar kinderen te zoogen, en in Stuttgart waren driekwart

van de jonge moeders in dezen toestand.

De redenen, waarom kinderen gezoogd behooren te worden aan de

moederborst, zijn meer omvattend dan sommigen geneigd mogen zijn

te gelooven. In de eerste plaats is de psychologische reden er een

van geen gering belang. De borst met haar uiterst gevoeligen tepel,

die trilt in harmonie met de sexueele organen, levert het normale

mechanisme, waardoor moederliefde ontwikkeld wordt. Zonder twijfel

kan de vrouw, die nooit haar kind zoogt, er van houden, maar zulk

een liefde heeft neiging gebrekkig te blijven aan de fundamenteele en

instinctieve zijde. Bij sommige vrouwen, die wij toch moeten aarzelen

om abnormaal te noemen, ontwaakt de moederliefde in het geheel niet,

voordat zij in werking gebracht wordt door dit mechanisme, door de

daad van het zoogen.

Een meer algemeen erkende en zeker fundamenteele reden om het kind

te zoogen is, dat de melk van de moeder, zelfs als zij maar tamelijk

gezond is, het eenige voedsel is, dat ideaal geschikt is voor het

kind. Er zijn sommige menschen, wier vertrouwen in de wetenschap hen

er toe brengt te gelooven, dat het mogelijk is, soorten van voedsel te

fabriceeren, die even goed zijn, of beter dan moedermelk; zij meenen,

dat de melk die het best is voor het kalf, evenzeer het best is voor

een zoo verschillend dier als het kind. Dat is een dwaling. Het beste

voedsel voor het kind is hetgeen voortgebracht wordt in het lichaam

van zijn eigen moeder. Alle andere voedsels zijn min of meer bruikbare

surrogaten, die het moeite kost te vervaardigen zooals het behoort,

en bovendien zijn ze blootgesteld aan verschillende gevaren, waarvan

de moedermelk vrij is.

Een andere reden, voornamelijk onder de armen, tegen het gebruiken

van ieder kunstmatig voedsel is deze, dat zij de omgeving van het

kind er aan gewennen, proeven te nemen met zijn voedsel en zich te

verbeelden, dat iedere soort van voedsel, die zij zelf eten, ook goed

kan zijn voor het kind. Zoo komt het voor, dat brood en aardappelen,

brandewijn en jenever, in den mond der kinderen gegoten worden. Bij

het kind, dat de borst krijgt, is het gemakkelijker uit te leggen dat,

behalve op raad van den dokter, niets anders moet worden gegeven.

Nog een andere reden waarom de moeder haar kind moet zoogen, is de

nauwe en veelvuldige omgang met het kind, die er uit voortvloeit. Niet

alleen wordt het kind in alle opzichten beter verzorgd, maar de

moeder wordt niet beroofd van de tucht, die de verzorging meebrengt,

en wordt ook in staat gesteld van het begin af aan den aard van het

kind te leeren kennen en te begrijpen.

Het onvermogen om te zoogen verkrijgt groote beteekenis, als we

erkennen, dat het waarschijnlijk in hooge mate als een directe

reden verbonden is met kindersterfte. De sterfte van kunstmatig

gevoede kinderen gedurende het eerste levensjaar is zelden minder

dan tweemaal die van de borstkinderen, soms is ze driemaal zooveel

als die van de borstkinderen, of zelfs nog meer; zoo sterven te

Derby 51.7 percent kunstmatig gevoede kinderen beneden den leeftijd

van twaalf maanden, maar slechts 8.6 percent borstkinderen. Zij,

die blijven leven, zijn in het geheel niet vrij van ellende. Aan

het einde van het eerste jaar heeft men bevonden, dat zij ongeveer

25 percent minder wegen dan de borstkinderen en dat ze veel kleiner

zijn; zij zijn meer onderhevig aan tuberculose en Engelsche ziekte,

met al de slechte gevolgen, die uit deze ziekten voortkomen;

en er is reden om te gelooven, dat de ontwikkeling van hun tanden

nadeel ondervindt. De slechte gesteldheid van de kunstmatig gevoede

kinderen wordt juist aangeduid door het feit, dat van de 40.000

kinderen, die naar het kinderziekenhuis in München gebracht waren

voor behandeling 86 percent met de flesch waren groot gebracht

en dat de weinige, die gezoogd waren, de borst gewoonlijk maar

voor een korten tijd gehad hadden. De nadeelige invloed wordt

zelfs nog gevoeld op den jongelingsleeftijd. In sommige deelen

van Frankrijk, waar bijna alle kinderen kunstmatig gevoed worden,

heeft men bevonden, dat het percentage van afgekeurde lotelingen

bijna tweemaal zoo groot is, als dat van Frankrijk in het

algemeen. Overeenkomstige resultaten heeft Friedjung gevonden

bij een groot Duitsch gymnastiekgezelschap. Van de 155 leden

bevond men bij navraag dat 65 percent borstkinderen geweest waren

(gemiddeld gedurende zeven maanden); maar onder de beste athleten

steeg het percentage van borstkinderen tot 72 percent (voor een

gemiddelden termijn van negen of tien maanden), terwijl voor de

groep van 56, die het laagste stonden in athletische kracht, het

percentage van borstkinderen daalde tot 57 (voor een gemiddelden

tijd van slechts drie maanden).

De voordeelen voor een kind om door zijn moeder gezoogd te worden,

zijn grooter dan dat ze verklaard kunnen worden door het enkele

feit dat ze gezoogd zijn, in plaats van kunstmatig gevoed. Dit

is aangetoond door Vitrey (De la Mortalité Infantile, Thèse de

Lyon, 1907), die uit de statistieken van het Hôtel-Dieu in Lyon

afleidde, dat kinderen, die door hun moeders gezoogd worden, een

sterfte hebben van slechts 12 percent, maar dat, als zij door

anderen gezoogd worden, de sterfte stijgt tot 33 percent. Wij

kunnen hieraan toevoegen, dat, terwijl het zoogen een hoofdpunt

is voor het volledig welzijn van het kind, het tevens hoogst

wenschelijk is voor de gezondheid der moeder. (Eenige belangrijke

statistieken zijn opgesomd in een artikel over "Infantile

Mortality" in het British Medical Journal, 2 Nov. 1907, terwijl

verschillende beschouwingen over het zoogen grondig besproken

zijn door Bollinger, "Ueber Säuglings-Sterblichkeit und die

Erbliche functionelle Atrophie der menschlichen Milchdrüse"

Correspondenz-blatt Deutschen Gesellschaft Anthropologie, Oct.,

1899).

Het schijnt dat het in Zweden, in het midden van de 18de eeuw een

strafbare overtreding was, als een vrouw haar kind de flesch gaf,

als zij het kon zoogen. In de laatste jaren heeft Prof. Anton

von Menger, in Weenen, betoogd (in zijn Das Bürgerliche Recht

und die besitzlosen Klassen) dat het toekomstige geslacht het

recht heeft dezen eisch te stellen, en hij stelt voor, dat iedere

moeder bij de wet verplicht zal zijn haar kind te zoogen, tenzij

zij een getuigschrift heeft van een dokter, dat zij het niet

kan. E. A. Schroeder (Das Recht in der Geschlechtlichen Ordnung,

1893, p. 346) betoogde ook, dat een moeder wettig verplicht moest

zijn haar kind te zoogen minstens negen maanden lang, tenzij er

voldoende redenen bijgebracht konden worden voor het tegendeel, en

deze eisch, die redelijk schijnt te zijn en natuurlijk, daar het

het voorrecht van een moeder is, zoowel als haar plicht, om haar

kind te zoogen, als ze er toe in staat is, is met klem ook door

anderen gedaan. Van het juridisch standpunt is hij ondersteund door

Weinberg (Mutterschutz, Sept. 1907). In Frankrijk verbiedt de Loi

Roussel een vrouw minnediensten te doen, vóor dat haar kind zeven

maanden oud is, en dit heeft een uitmuntend effect gehad daarin,

dat het de kindersterfte deed dalen (A. Allée, Puériculture et

la Loi Roussel, Thèse de Paris, 1908). In sommige streken van

Duitschland worden fabriekseigenaars gedwongen een kamer in de

fabriek beschikbaar te stellen, waar moeders het kind de borst

kunnen geven in de rusttijden tusschen het werk. De contrôle op

en het onderhoud van deze kamers en het aanstellen van dokters

en verpleegsters, geschiedt van gemeentewege. (Sexual-Probleme,

Sept. 1908, p. 573).

Zooals de zaken tegenwoordig staan in moderne industrielanden, kan

men het verbeteren van deze misstanden niet overlaten aan de natuur,

dat is, aan de onwetende en onoordeelkundige aandriften van personen,

die leven in een maalstroom van kunstmatig leven, waar de stem van het

instinct verstikt wordt. De moeder, zijn wij geneigd te denken, mag

men toevertrouwen, dat zij zal toezien op het welzijn van haar kind,

en het is onnoodig, of zelfs "immoreel" haar te hulp te komen. Toch

zijn er, naar ik meen, weinig dingen meer tragisch om te zien dan

een jonge moeder uit Lancashire, die op de fabriek werkt, terwijl ze

thuis moest blijven om op haar zieke kind te passen. Zij is gewend

voor zonsopgang op te staan om naar de fabriek te gaan; zij heeft haar

kind ternauwernood bij het licht der zon gezien, zij weet niets van

wat het noodig heeft, de handen, die zoo goed het weefgetouw kunnen

grijpen, kunnen het kind niet sussen. De moeder ziet er op neer in

vage, onhandige, sprakelooze ellende. Het is een gezicht om nooit

te vergeten.

Het is Frankrijk, dat de leiding neemt om te beginnen met de

wetenschappelijke en praktische bewegingen voor de verzorging van

het jonge kind voor en na de geboorte, en het is in Frankrijk, dat

wij de kiem vinden van bijna alle methoden, die nu langzamerhand

aangenomen worden om kindersterfte tegen te houden. Het systeem van

het dorp Villiers-le-Duc, nabij Dijon in de Côte d'Or, is een kiem

gebleken van deze vruchtbare soort. Hier mag iedere zwangere vrouw,

die niet in staat is te zorgen voor de juiste voorwaarden voor haar

eigen leven en dat van het kind dat zij krijgt, de hulp inroepen van

de dorpsautoriteiten; zij heeft, zonder betaling, recht op behandeling

van een dokter en een vroedvrouw en op éen franc daags gedurende het

kraambed. De maatregelen, in dit dorp genomen, hebben feitelijk een

einde gemaakt aan moeder- en kindersterfte beide. Een paar jaar geleden

hoorde Dr. Samson Moore, de stadsdokter voor Huddersfield, van dit

dorp en de heer Benjamin Broadbent, de burgemeester van Huddersfield

bezocht Villiers-le-Duc. Er werd besloten in Huddersfield een beweging

op touw te zetten om de kindersterfte te bestrijden. Toen ontstond,

wat bekend staat als het Hudderfieldsche systeem, een systeem, dat

schitterende resultaten heeft gehad. De punten van het Hudderfieldsche

systeem zijn: (1) verplichte aangifte van geboorten binnen de 48

uur; (2) het aanstellen van dames tot behulp van de stadsdoktoren,

om het huis te bezoeken, te onderzoeken, raad te geven en te helpen;

(3) de georganiseerde hulp van dames-volontairs, onder toezicht van

de gemeente; (4) recht van beroep op den stadsdokter, als het kind,

dat niet onder medische verzorging is, niet groeit. De kindersterfte

in Huddersfield is zeer gedaald door dit systeem [17].

Wij kunnen wel zeggen, dat het Hudderfieldsche systeem de oorsprong

geweest is van de Engelsche wet op de Geboorte-Aangifte, die

in 1908 in werking trad. Deze wet vertegenwoordigt in Engeland

het nationale begin van een systeem voor de rassenverbetering,

waarvan het niet mogelijk is de eindresultaten te voorzien. Als

deze wet algemeen in werking komt, zal ieder kind in het land

recht hebben--wettig en niet door individueele willekeur of

philantropische minzaamheid--op medische verzorging van den

dag van zijn geboorte af, en voor iedere moeder zal te bereiken

zijn de raad van een beschaafde vrouw, die voeling houdt met de

gemeenteautoriteiten. Er kon geen grootere triomf zijn voor de

medische wetenschap, voor de nationale kracht en voor de zaak der

menschlievendheid in het algemeen. Zelfs op het lagere plan van

financieele belangen is het gemakkelijk te zien, dat een enorme

besparing van openbare en persoonlijke middelen op die wijze zal

bereikt worden. De wet is facultatief en niet verplichtend. Dit

was een wijze voorzorg, want een wet van deze soort kan geen

uitwerking hebben, tenzij zij grondig wordt doorgevoerd door de

gemeenschap die haar aanneemt, en ze zal niet aangenomen worden

eer een gemeenschap duidelijk de voordeelen ervan heeft erkend,

en de methoden, om die te bereiken.

Een belangrijke aanvulling van deze organisatie is de School

voor Moeders. Van zulke scholen, die overal beginnen op te komen,

kan men zeggen dat zij hun oorsprong hebben in de Consultations

de Nourrissons (met hun vertakking de Goutte de Lait), opgericht

door Professor Budin in 1892, die zich over geheel Frankrijk

uitgebreid hebben en in ruimen kring een invloed ten goede hebben

gehad. In de Consultations worden kinderen iedere week onderzocht

en gewogen en de moeders krijgen er raad en worden aangemoedigd

haar kinderen te zoogen. De Gouttes zijn feitelijk poliklinieken

voor melkafgifte, waar kinderen voor wie borstvoeding onmogelijk

is, onder medisch toezicht met melk gevoed worden. Scholen voor

Moeders zijn een uitbreiding van hetzelfde systeem; zij omvatten

een menigte onderwerpen, die het voor een moeder noodig is te

weten. Sommige van de eerste van deze scholen werden opgericht in

Bonn, in de Beiersche stad Weissenberg en in Gent. Op eenige van

die Scholen voor Moeders, en zooals bekend is in Gent (beschreven

door Mrs. Bertrand Russell, in de Nineteenth Century, 1906),

is de belangrijke stap gedaan jonge meisjes van 14 tot 18 jaar

te onderrichten; zij worden ingelicht omtrent kinder-anatomie en

physiologie, omtrent het bereiden van gesteriliseerde melk, omtrent

het wegen van kinderen, omtrent het opnemen van temperaturen en het

maken van tabellen, omtrent het besturen van crêches, en na twee

jaar zijn zij in staat een salaris te verdienen. In verschillende

deelen van Engeland worden nu scholen voor jonge moeders en voor

jonge meisjes opgericht in dezen geest, eerst in Londen, onder

toezicht van Dr. F. J. Sykes, stadsdokter voor St. Pancreas (zie

bv. A School For Mothers, 1908, waarin een inrichting van deze

soort te Somers Town beschreven wordt, met een voorrede van Sir

Thomas Barlow; een verslag van de nieuwste pogingen, de verzorging

van kinderen in Londen te verbeteren, zal men ook vinden in de

Lancet, Sept. 26, 1908). We kunnen hier bijvoegen, dat sommige

Engelsche gemeentebesturen depôts hebben opgericht om moeders

goedkoop van goede melk te voorzien. Zulke depôts zullen echter

waarschijnlijk meer kwaad dan goed doen, als zij de vervanging

van borstvoeding door kunstmatige voeding bevorderen. Zij moesten

nooit opgericht worden, behalve in aansluiting met de Scholen voor

Moeders, waar een opvoedende invloed uitgeoefend kan worden, en

geen moeder moest van melk voorzien worden als ze niet een medisch

attest vertoont, waaruit blijkt dat zij niet in staat is haar kind

te voeden (Byers, "Medical Women and Public Health Questions",

British Medical Journal, Oct. 6, 1906). Het is een merkwaardig

feit, dat binnenkort de plaatselijke autoriteiten door de wet

gemachtigd zullen worden Scholen voor Moeders op te richten.

De groote voordeelen, door deze instellingen in Frankrijk

veroorzaakt, zoowel wat betreft het verminderen van de

kindersterfte als het bevorderen van de opvoeding der moeders en

haar trots en belangstelling in haar kinderen, zijn uiteengezet

in twee Thèses de Paris door G. Chaignon (Organisation des

Consultations de Nourrissons à la Campagne, 1908), en Alcide

Alexandre (Consultations de Nourrissons et Goutte de Lait d'Arques,

1908).

De beweging is nu bezig zich uit te breiden over geheel Europa

en er is een Internationale Unie gevormd, die al de instellingen

omvat, die speciaal berusten op de bescherming van kinderleven

en de bevordering van puericultuur. Het permanente comité is in

Brussel, en om het andere jaar wordt er een Congres gehouden voor

Kinderbescherming (Goutte de Lait).

Men zal zien, dat al de bewegingen, die nu in werking gesteld worden

voor de verbetering van het ras door het kind en de moeder van het

kind, de intimiteit erkennen van de verhouding tusschen de moeder en

haar kind en er op gericht zijn haar te helpen, zelfs als het noodig

is door het uitoefenen van eenigen dwang, haar natuurlijke functies

met betrekking tot haar kind, te vervullen. Voor den theoretischen

philantroop, die begeerig is om de wereld op papier te verbeteren,

schijnt niets eenvoudiger te zijn dan de tegenwoordige bezwaren van

het opvoeden van kinderen uit den weg te ruimen door het oprichten

van Staatskinderbewaarplaatsen, die tegelijk de moeders moeten

ontheffen van alles wat met de productie van de menschen der toekomst

in verband staat, behalve het genot--als het dat toevallig is--van

ze te ontvangen en de moeite van ze te dragen, en ze tevens moeten

opvoeden onafhankelijk van het tehuis, op een gezonde, zuinige en

wetenschappelijke wijze [18]. Niets schijnt eenvoudiger, maar uit het

fundamenteel psychologisch standpunt is niets onjuister. Het denkbeeld

van een Staat, die er is buiten de gemeenschap, is een overblijfsel,

in een anderen vorm van dat verouderde idee, dat Lodewijk XIV dwong

te verklaren "L'État, c'est moi!" Een staat, die toelaat dat de

individuen die hem vormen, niet in staat zijn hun heiligste en

intiemste functies te vervullen en die op zich neemt, dit in hun

plaats te doen, onderneemt een taak, die niet wenschelijk zou zijn,

zelfs al kon zij volvoerd worden. Men moet altijd in gedachte houden

dat een Staat, die zich voorstelt de leden die hem samenstellen te

ontlasten van hun natuurlijke functies en verantwoordelijkheden,

iets geheel anders is dan een Staat die zijn leden tracht te helpen

hun eigen biologische en sociale functies meer naar behooren te

vervullen. Een Staat, die moeders in de gelegenheid stelt te rusten

als zij zwanger zijn, werkt aan een verstandige taak; een Staat, die

de kinderen van zijn moeders overneemt, drijft de philantropie tot

in het belachelijke. Het is gemakkelijk dit te erkennen, als wij den

noodzakelijken loop der omstandigheden nagaan onder een systeem van

"Staatskinderbewaarplaatsen". Het kind zou op den vroegsten leeftijd

van de natuurlijke moeder verwijderd worden, maar iemand moet de

moederplichten vervullen; en als die uitgeoefend worden onder gunstige

omstandigheden, dan ontwikkelt zich een moederlijke betrekking tusschen

het kind en de "moeder", die ongetwijfeld natuurlijke moederlijke

instincten bezit, maar die door geen natuurlijken moederlijken band

verbonden is met het kind, dat zij verzorgt. Zulk een verhouding heeft

neiging om aan beide kanten praktisch en naar het gevoel de werkelijke

verhouding te worden. Wij kunnen zeer dikwijls zien, hoe onbevredigd

zulk een verhouding wordt. De kunstmatige moeder wordt beroofd van

een kind, dat zij begonnen was te voelen als haar eigen; de gevoelens

van het kind worden onderste boven gegooid, verdeeld en verdraaid;

de echte moeder heeft het bittere gevoel, dat zij voor haar kind

niet de echte moeder is. Zou het niet voor allen veel beter geweest

zijn als de Staat het groote leger van vrouwen, die hij geoefend had

voor de positie om de kinderen van andere vrouwen te verzorgen, had

aangemoedigd om in plaats daarvan zelf kinderen te hebben? De moeders,

die niet in staat zijn haar eigen kinderen te verzorgen, konden er dan

toe opgevoed worden afstand te doen van het hebben van eigen kinderen.

Ellen Key (in haar Eeuw van het Kind, en elders) heeft voor

alle jonge vrouwen aangeraden een jaar verplichte "dienst",

overeenkomstig de militaire dienstplicht die in de meeste

landen voor jonge mannen verplichtend is. Gedurende dien tijd

zou het meisje geoefend worden in ordelijk huishouden, in de

grondbeginselen der hygiëne, in de verzorging van zieken en vooral

in de verzorging van kinderen en alles wat betrekking heeft op

de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van kinderen. Het

principe, dat aan dit voorstel ten grondslag ligt, is sindsdien in

ruimen kring aangenomen. Marie von Schmid (in haar Mutterdienst,

1907) gaat zoo ver een algemeene oefening aan te raden van

jonge vrouwen in die plichten, die gehouden moet worden in een

soort van uitgebreide en verbeterde kraaminrichting. De dienst

zou een jaar duren, en dan zou de jonge vrouw drie jaar lang in

reserve blijven, en zou opgeroepen kunnen worden in dienst. Er

is zeker veel te zeggen voor zoo'n voorstel, aanmerkelijk meer

dan er voor militaire dienstplicht te zeggen is. Want terwijl het

zeer twijfelachtig is, of een man ooit geroepen zal worden om te

vechten, worden de meeste vrouwen wel opgeroepen om huishoudelijke

plichten te vervullen of om op kinderen te passen, hetzij voor

haarzelf, hetzij voor andere menschen.

De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij · 第 33 / 71 题