Het lievelingspaard van den keizer kreeg een gouden beslag, een gouden
hoefijzer aan iederen poot.
Maar waarom dat?
Het was een verwonderlijk mooi beest, had fijne pooten,
schrandere, heldere oogen en manen, die als een sluier over zijn
hals neerhingen. Het had zijn meester door kruitdamp en kogelregen
gedragen, had de kogels hooren zingen en fluiten, had gebeten,
geslagen en meegestreden, toen de vijanden op hem indrongen, was met
zijn keizer over het gevallen paard van den vijand heengesprongen,
had de kroon van goud, het leven van zijn keizer gered,--en daarom
kreeg het paard van den keizer gouden hoefijzers.
Er kwam een mestkever aankruipen. «Eerst de grooten, dan de kleinen,»
zeide hij; «maar in de grootte alleen zit het hem niet.» En daarbij
strekte hij zijn dunne pooten uit.
«Wat moet je hebben?» vroeg de hoefsmid.
«Een gouden hoefbeslag,» antwoordde de mestkever.
«Och, je bent zeker niet wijs!» riep de smid uit. «Wil je ook een
gouden hoefbeslag hebben?»
«Een gouden hoefbeslag, jawel!» zei de mestkever. «Ben ik dan
niet even goed als dat groote dier daar, dat opgepast en geroskamd
wordt en dat men eten en drinken voorzet? Behoor ik ook niet in den
keizerlijken stal?»
«Maar waarom krijgt het paard een gouden hoefbeslag?» vroeg de
smid. «Begrijp je dat niet?»
«Begrijpen?--Ik begrijp, dat het een geringschatting van mijn persoon
is,» zei de mestkever; «het geschiedt om mij te krenken, en daarom
ga ik ook de wijde wereld in.»
«Ga je gang maar!» zei de smid.
«Gemeene kerel, die je bent!» zei de mestkever, en toen ging hij den
stal uit, vloog een klein eindje weg en bevond zich al spoedig daarop
in een mooien bloemtuin, waar het van rozen en lavendel geurde.
«Is het hier niet allerprachtigst?» vroeg een der kleine insecten,
die met hun roode, sterke, met zwarte stipjes bezaaide vlerkjes daarin
rondvlogen. «Wat is het hier heerlijk, wat is het hier schoon!»
«Ik ben het beter gewend,» zei de mestkever. «Noem je het hier mooi. Er
is niet eens een mesthoop?»
Daarop ging hij verder onder de schaduw van een groote violier:
daar kroop een rups.
«Wat is de wereld toch schoon!» zei de rups. «De zon is zoo warm,
alles zoo vergenoegd! En als ik eenmaal in slaap val en sterf, zooals
zij het noemen, dan ontwaak ik als een kapel.»
«Wat verbeeldt je je wel,» zei de mestkever, «als kapel rond te
vliegen? Ik kom uit den stal van den keizer; maar niemand daar,
zelfs niet het lievelingspaard van den keizer, dat toch mijn
afgelegde gouden schoenen draagt, beeldt zich zoo iets in. Vleugels
krijgen! Vliegen! Ja, maar nu vliegen wij!» En hierop vloog de
mestkever weg. «Ik wil mij niet ergeren, maar erger mij toch!» zei
hij onder het wegvliegen.
Al spoedig daarop streek hij op een groot grasperk neer; hier lag
hij een poos; eindelijk viel hij in slaap.
Een stortregen stroomde er eensklaps uit de wolken neer. De mestkever
ontwaakte van het rumoer en wilde zich in den grond verschuilen,
maar dit gelukte hem niet: hij werd al om en om gekeerd; nu eens
dreef hij op den buik, dan weer op den rug, aan vliegen viel niet te
denken;--hij twijfelde er aan, of hij wel levend van deze plaats zou
wegkomen. Hij lag, waar hij lag, en bleef daar ook liggen.
Toen het weer een weinig tot bedaren gekomen was en de mestkever het
water uit zijn oogen weggepinkt had, zag hij iets wits schemeren:
het was een stuk linnen, dat op de bleek lag; hij ging er heen en
kroop tusschen een plooi van het natte linnen. Daar lag hij wel
is waar anders dan op den warmen mesthoop in den stal; maar iets
beters was hier niet voorhanden, en daarom bleef hij, waar hij
was, bleef er een geheelen dag, een geheelen nacht, en ook de regen
bleef. Tegen den morgen kroop hij tevoorschijn; hij ergerde zich over
de weersgesteldheid.
Op het linnen zaten twee kikvorschen; hun heldere, oogen straalden
van louter plezier. «Wat is het heerlijk weer!» zei de eene, «hoe
verfrisschend! En het linnen houdt het water zoo mooi bij elkander;
het krabbelt mij in de achterpooten, alsof ik moest zwemmen.»
«Ik zou wel eens willen weten,» zei de andere, «of de zwaluw, die zoo
ver rondvliegt, op haar vele reizen in het buitenland een beter klimaat
dan het onze gevonden heeft. Zulk een nattigheid! Het is waarlijk,
alsof men in een natte sloot lag! Wie zich daarin niet verheugt,
heeft zijn vaderland niet lief.»
«Ben je dan niet in den stal van den keizer geweest?» vroeg de
mestkever. «Daar is de vochtigheid warm en geurig: dat is mijn klimaat;
maar dat kan men niet op reis meenemen. Is er hier in den tuin geen
mesthoop, waar personen van een aanzienlijken stand zooals ik zich
te huis kunnen voelen en logeeren?»
De kikvorschen begrepen hem niet of wilden hem niet begrijpen.
«Ik vraag nooit tweemaal!» zei de mestkever, nadat hij reeds driemaal
gevraagd en geen antwoord gekregen had.
Daarop ging hij een eindje verder en stiet nu op een potscherf, die
daar wel is waar niet had moeten liggen, maar zooals zij lag, gaf zij
een goede beschutting tegen weer en wind. Hier woonden verscheidene
familiën van oorwormen; deze hadden geen hooge eischen,--alleen
gezelligheid. De vrouwelijke individuen zijn vol van de teederste
moederliefde, en daarom prees ook iedere moeder haar kind als het
schoonste en verstandigste.
«Ons zoontje heeft zich verloofd!» zei een moeder. «Het is een beste
jongen. Zijn geheele streven is daarheen gericht, eenmaal in het
oor van een geestelijke te komen. Zijn verloving bewaart hem voor
uitspattingen! Welk een vreugde voor een moeder!»
«Onze zoon,» sprak een andere moeder, «was, zoodra hij uit het ei
gekropen was, ook dadelijk in de weer; het is alles leven en vuur
aan hem! Hij loopt zich de horens af! Welk een vreugde voor een
moeder! Niet waar, mijnheer de mestkever?»
«Je hebt beiden gelijk!» zei de mestkever; en nu verzocht men hem,
de kamer binnen te treden, zoo ver hij namelijk onder de potscherf
kon komen.
«Nu zie je ook mijn klein oorwurmpje!» zeiden een derde en een vierde
van de moeders. «Het zijn lieve kinderen en zij houden veel van een
grapje. Zij zijn nooit ondeugend, als zij ten minste geen buikpijn
hebben; maar op hun leeftijd krijgt men dat maar al te gemakkelijk!»
Op deze wijze sprak iedere moeder over haar kindertjes, en de
kindertjes spraken mee en gebruikten hun kleine scharen, die zij aan
den staart hebben, om den mestkever aan den baard te trekken.
«Ja, zij moeten ook altijd wat doen, die kleine schalkjes!» zeiden
de moeders. Maar dat verveelde den mestkever; hij vroeg daarom,
of hij nog ver van den mesthoop verwijderd was.
«Die is buiten in de wijde wereld, aan gene zijde van de sloot,»
antwoordde een oorworm; «zoo ver zal, naar ik hoop, geen mijner
kinderen gaan; dat zou mij den dood aandoen!»
«Zoo ver zal ik toch trachten te komen,» zei de mestkever en
verwijderde zich zonder afscheid te nemen; want dat staat immers
deftig.
Bij de sloot trof hij verscheidene van zijn soort aan, allemaal
mestkevers.
«Hier wonen wij!» zeiden zij. «Wij hebben het hier heel gezellig! Mogen
wij je ook uitnoodigen, in het vette slijk af te klimmen? De reis is
zeker vermoeiend voor je geweest!»
«Zeker!» sprak de mestkever. «Ik was aan den regen blootgesteld en heb
op linnen moeten liggen. Ook heb ik scheuren in mijn eenen vleugel,
omdat ik onder een potscherf in den tocht gestaan heb. Het is inderdaad
een waar genot voor mij, weer eens onder mijns gelijken te zijn.»
«Kom je misschien van den mesthoop?» vroeg de oudste.
«Van heel wat deftiger plaats!» zei de mestkever. «Ik kom uit den stal
van den keizer, waar ik met gouden schoenen aan de pooten geboren ben;
ik ben op reis ter volbrenging van een geheimen last; doch je moet
mij daarover maar niet uithooren, want ik verraad het toch niet.»
Daarop klom de mestkever in het vette slijk af. Daar zaten drie
jonge mestkeverinnen; zij meesmuilden, omdat zij niet wisten, wat
zij zouden zeggen.
«Geen van de drie is nog verloofd,» zei de moeder; en de jonge dames
meesmuilden op nieuw, ditmaal uit verlegenheid.
«Ik heb ze in de keizerlijke stallen niet mooier gezien,» zei de
mestkever, terwijl hij uitrustte.
«Bederf mijn dochters niet; spreek niet tegen haar, of het moest zijn,
dat je werkelijk plan op een van haar hadt!--Maar dat heb je zeker wel,
en ik geef er mijn zegen op!»
«Hoera!» riepen al de andere mestkevers uit, en onze mestkever was
nu verloofd. Op de verloving volgde de bruiloft dadelijk; want er
bestond geen reden om deze uit te stellen.
De volgende dag verliep zeer aangenaam, de daarop volgende ook nog
al; maar den derden dag moest hij reeds op voedsel voor zijn vrouw,
misschien zelfs wel voor zijn kinderen bedacht zijn.
«Ik heb mij laten misleiden!» dacht de mestkever; «er blijft mij dus
niets anders over, dan ze ook te misleiden!»
Zoo gezegd, zoo gedaan! Weg was hij, den heelen dag bleef hij uit,
den heelen nacht bleef hij uit,--en zijn vrouw zat daar als een
weduwe. «O,» zeiden de andere mestkevers, «hij, dien wij in de familie
opgenomen hebben, is een echte landlooper: hij is weggegaan en laat
zijn vrouw ten onzen laste achter!»
«Welnu, dan moet zij maar weer voor een meisje doorgaan,» zei de
moeder, «en als mijn kind hier blijven. Schande over den booswicht,
die haar verlaten heeft!»
De mestkever was ondertusschen gedurig verder gereisd en op een
koolblad over de sloot gezeild. Den volgenden morgen kwamen er twee
personen bij de sloot; toen zij hem zagen, tilden zij hem op, draaiden
hem om en om, stelden zich beiden heel geleerd aan, inzonderheid
een van hen,--een jongen. «Allah ziet de zwarte mestkevers in den
zwarten steen, in de zwarte rots! Niet waar, zoo staat er in den
Koran geschreven?» Daarop vertaalde hij den naam van den mestkever
in het Latijn en verdiepte zich in diens geslacht en aard. De tweede
persoon, een oudere geleerde, was er voor, hem mee naar huis te nemen;
zij hadden daar, zei hij, even goede exemplaren noodig, en dat--zoo
kwam het onzen mestkever voor,--was niet beleefd gesproken, en daarom
vloog hij hem plotseling uit de hand. Daar hij nu droge vleugels had,
vloog hij een vrij groot eind voort en bereikte den mesthoop, waarop
hij plaats nam en zich in den verschen mest begroef.
«Hier is het heerlijk!» zei hij.
Al spoedig daarop viel hij in slaap, en nu droomde hij, dat het
lievelingspaard van den keizer doodgevallen was en hem zijn gouden
hoefijzers gegeven en de belofte gedaan had, zijn andere twee pooten
ook te laten beslaan.
Dat was zeer aangenaam. Toen de mestkever wakker werd, kroop hij te
voorschijn en keek eens in het rond. Welk een pracht heerschte er
op den mesthoop! Op den achtergrond groote palmen, die zich hoog
verhieven; de zon maakte, dat zij doorzichtig schenen, en wat was
daaronder een menigte groen en frissche bloemen, rood als vuur,
geel als barnsteen, wit als versch gevallen sneeuw!
«Dat is een onvergelijkelijke plantenpracht; dat zal smaken, als het
verrot!» zei de mestkever. «Dat is een goede provisiekamer. Hier
wonen zeker bloedverwanten; ik zal eens zien, of ik iemand vind,
met wien ik omgang kan hebben. Trotsch ben ik; dat is mijn trots!»
En nu drentelde hij over den mesthoop rond en dacht aan zijn schoonen
droom van het doode paard en de geërfde hoefijzers.
Daar pakte een hand den mestkever eensklaps beet, drukte hem en
draaide hem om en om.
De zoon van den tuinman en een vriendinnetje van dezen waren bij
den mesthoop gekomen, hadden den mestkever gezien en wilden nu een
grapje met hem hebben. Eerst werd hij in een wingerdblad gewikkeld
en toen in een warmen broekzak gestopt; hij kriebelde en krabbelde
daar naar zijn beste vermogen; daarvoor echter kreeg hij een druk van
de hand van den knaap en werd op deze wijze tot bedaren gebracht. De
knaap ging daarop met rassche schreden naar den grooten vijver toe,
die zich aan het einde van den tuin bevond. Hier werd de mestkever in
een ouden, halfgebroken klomp gezet, daarop werd er een stokje voor
mast ingestoken, en aan dezen mast bond men den mestkever nu met een
wollen draadje vast. Nu was hij schipper en moest zeilen.
De vijver was zeer groot, den mestkever scheen het een oceaan toe,
en hij verwonderde zich daarover zoozeer, dat hij op zijn rug viel
en met zijn pooten lag te trappelen.
Het scheepje zeilde af; de stroom van het water voerde het mee; maar
als deze het te ver van den wal deed afdrijven, dan stroopte een
der jongens zijn broek dadelijk op, stapte in het water en haalde
het weer aan land terug. Eindelijk echter, juist toen het weer in
volle vaart voorwaarts ging, werden de jongens geroepen, dringend
geroepen; zij haastten zich om te komen, liepen van het water weg en
lieten het scheepje aan zijn lot over. Dit dreef nu gedurig meer van
den oever af, gedurig meer naar het midden van den vijver toe; het
was verschrikkelijk voor den mestkever, daar hij niet kon vliegen,
omdat hij aan den mast vastgebonden was.
Daar kreeg hij bezoek van een vlieg. «Wat is het vandaag mooi weer!»
zei de vlieg. «Hier wil ik uitrusten en mij in de zon koesteren. Je
hebt het hier heel prettig.»
«Je spreekt naar je verstand! Zie je dan niet, dat ik vastgebonden
ben?»
«Ik ben niet vastgebonden,» zei de vlieg en vloog weg.
«Ja, nu ken ik de wereld!» sprak de mestkever. «Het is een booze
wereld! Ik ben de eenige fatsoenlijke man op de wereld! Eerst weigert
men mij gouden schoenen; vervolgens moet ik op nat linnen liggen en in
den tocht staan, en eindelijk dringen zij mij nog een vrouw op! Doe
ik daarop een schrede in de wereld en verneem, hoe ik het daar kan
krijgen en hoe ik het graag wou hebben, dan komt er een menschenjongen,
bindt mij vast en geeft mij aan de woeste golven ten prijs, terwijl
het lievelingspaard van den keizer met gouden schoenen rondloopt! Dat
ergert mij nog het meest! Maar op deelneming mag men in deze wereld
niet rekenen! Mijn levensloop is zeer interessant; maar wat baat het,
als niemand dien kent? De wereld verdient het niet, dien te leeren
kennen; zij zou mij anders wel gouden schoenen in den stal van den
keizer gegeven hebben, toen het lievelingspaard beslagen werd en
ik mijn pooten daarom uitstak. Als ik gouden schoenen gekregen had,
dan zou ik een sieraad van den stal geworden zijn; nu heeft de stal
mij verloren, nu heeft de wereld mij verloren. Alles is uit!»
Maar alles was nog niet uit. Er kwam een schuitje, waarin eenige
meisjes zaten, aanroeien.
«Kijk! Daar zeilt een oude klomp!» zei een der meisjes.
«Er zit een diertje aan vastgebonden!» riep een ander uit.
Het schuitje kwam dicht in de nabijheid van het scheepje van
onzen mestkever; de meisjes vischten dit uit het water op; een van
haar haalde een schaartje uit haar zak, knipte het wollen draadje
doormidden, zonder den mestkever eenig leed te doen, en toen zij aan
land kwam, zette zij hem in het gras neer.
«Kruip, kruip! Vlieg, vlieg, als je kunt!» zeide zij. «Vrijheid is
een heerlijk ding!»
De mestkever vloog op en door een openstaand raam van een groot gebouw;
daar viel hij mat en moede neer op de fijne, zachte manen van het
lievelingspaard van den keizer, dat in den stal stond, waar het te
huis was, evenals dit met den mestkever het geval was. De mestkever
klampte zich aan de manen vast, zat een korten tijd doodstil en kwam
wat tot kalmte.
«Hier zit ik op het lievelingspaard van den keizer, zit als keizer op
hem! Maar wat wilde ik ook weer zeggen? Ja, nu schiet het mij weer te
binnen! Dat is een goede gedachte. Waarom krijgt het paard een gouden
hoefbeslag? Zoo vroeg de smid mij immers. Nu wordt deze vraag mij eerst
duidelijk. Ter wille van mij kreeg het paard het gouden hoefbeslag.»
En nu kwam de mestkever in een goede luim. «Men krijgt een ruimen
blik op reis!» zei hij.
De zon wierp haar stralen in den stal op hem neer en maakte het daar
licht en vriendelijk.
«De wereld is, wel bezien, toch zoo boos niet,» zei de mestkever,
«men moet haar maar weten te vatten!»
Ja, de wereld was schoon, omdat het lievelingspaard van den keizer
slechts daarom een gouden hoefbeslag gekregen had, opdat de mestkever
zijn ruiter kon zijn.
«Nu zal ik naar de andere kevers toe gaan en hun vertellen, hoe veel
men voor mij gedaan heeft: ik zal hun al de onaangenaamheden vertellen,
die ik op mijn reis in het buitenland doorgestaan heb, en hun zeggen,
dat ik nu zoo lang te huis zal blijven, totdat het paard zijn gouden
hoefbeslag afgesleten heeft.