Er was in het huis van zeker rijk koopman een kinderpartij; het
waren allemaal kinderen van rijke en aanzienlijke lieden; de koopman
was een geleerd man; hij had eenmaal het studentenexamen afgelegd;
daartoe spoorde zijn brave vader hem aan, die van den beginne af
slechts veehandelaar, maar altijd eerlijk en vlijtig geweest was;
de handel had geld opgebracht, en dit geld had de koopman weten te
vermeerderen. Verstandig was hij, en een hart had hij ook, maar over
zijn hart werd minder gesproken dan over al zijn geld. Bij den koopman
gingen de deftige lieden in en uit, zoowel menschen van adellijk bloed,
gelijk het heet, als van verstand, maar ook lieden, die beide bezaten,
en ook geen van beide. Ditmaal was er daar een kinderpartij, en
kinderen zeggen alles, wat hun maar voor den mond komt. Onder anderen
was daar een verwonderlijk schoon, klein meisje, maar dit meisje was
ontzettend trotsch; dat hadden de dienstboden haar geleerd, en niet
haar ouders, want daarvoor waren dit veel te verstandige lieden; haar
vader was kamerheer, en dat is iets heel deftigs, dat wist zij wel.
«Ik ben een kamerkind!» zeide zij. Zij had even goed een kelderkind
kunnen zijn, want daar kan niemand zelf iets aan doen. Verder vertelde
zij, dat zij «geboren» was, en zeide, dat men, als men niet geboren
was, ook niets kon worden; het baatte niets, of men al wilde lezen en
vlijtig zijn; als men niet geboren was, dan kon men ook niets worden.
«En diegenen, wier namen op «sen» eindigen,» zeide zij, «van die kan
volstrekt niets komen! Men moet de handen in de zijden zetten en ze
ver van zich houden, die «sens!» en dit zeggende, zette zij haar
handen in de zijden en maakte haar ellebogen spits, om te toonen,
hoe men dat moest doen; en haar armpjes waren heel poezelig. Het was
een allersnoepigst meisje. Maar het dochtertje van den koopman werd
over deze taal heel boos; haar vader heette Petersen, en van dezen
naam wist zij, dat hij op «sen» eindigde, en daarom zeide zij zoo
trotsch, als zij maar kon:
«Maar mijn vader kan voor honderd thalers bonbons koopen en deze
midden onder de kinderen werpen! Kan jouw vader dat?»
«Ja, maar mijn vader,» zei het dochtertje van een schrijver, «kan
jouw vader en jouw vader en al jelui vaders in de krant zetten! Alle
menschen zijn bang voor hem, zegt moeder, want mijn vader is het,
die in de krant regeert.»
En het dochtertje zag er daarbij trotsch uit, alsof het een wezenlijke
prinses geweest was, die er wel trotsch moest uitzien.
Maar buiten voor de deur, die slechts op een kier stond, bevond
zich een arme jongen en keek door de reet. Hij was zoo gering, dat
hij niet eens in de kamer mocht komen. Hij had het braadspit voor de
keukenmeid omgedraaid, en deze had hem nu vergund, achter de deur te
staan en naar de keurig uitgedoste kinderen te kijken, die zulk een
plezierigen dag hadden, en dat was al veel voor hem.
«Welk een geluk, een van hen te zijn!» dacht hij, en daarbij hoorde
hij, wat er gesproken werd, en dat was wel geschikt, om hem erg
mismoedig te maken. Geen enkelen penning hadden zijn ouders te huis,
dien zij konden overleggen, om daarvoor een krant te lezen, laat
staan dan er een te schrijven!--en wat nog het allerergste was: de
naam van zijn vader en ook de zijne eindigden op «sen» van hem kon
dus ook niets komen. Dat was treurig!--Maar geboren was hij toch,
dat kon onmogelijk anders zijn.
Dat was nu op dezen avond.
Sedert verliepen er vele jaren, en ondertusschen worden kinderen
volwassen menschen.
In de stad stond een prachtig huis, het was opgevuld met louter
mooie voorwerpen en schatten; alle menschen wilden het zien, zelfs
menschen, die buiten de stad woonden, kwamen naar de stad toe, om het
te zien. Wie van de kinderen, waarvan wij verteld hebben, zou dit
huis nu wel het zijne noemen? Ja, dat te weten, is natuurlijk heel
gemakkelijk! Neen, neen! het is toch niet zoo heel gemakkelijk. Het
huis behoorde aan den kleinen, armen jongen, die op den bewusten
avond achter de deur gestaan had; van hem kwam toch iets, ofschoon
zijn naam op «sen» eindigde,--het was Thorwaldsen.
En die drie andere kinderen?--de kinderen van het adellijk bloed, van
het geld en van den hoogmoed?--Ja, het eene heeft het andere niets
te verwijten, het zijn gelijke kinderen,--van hen kwam alles goeds,
de natuur had hen rijkelijk bedeeld; wat zij indertijd gedacht en
gesproken hadden, was niets anders dan kinderpraat.