HET MINNENDE PAAR.

Een drijftol en een bal lagen samen in een kast onder meer ander

speelgoed. Op zekeren dag zei de drijftol tegen de [1] bal: «Willen

we maar met elkaar trouwen, daar we toch in dezelfde kast bij elkaar

liggen?» Doch de bal, die van marokijn gemaakt was en die even veel

verbeelding had als een preutsch meisje, wilde daar geen antwoord

op geven.

Den volgenden dag kwam de kleine jongen, aan wien al het speelgoed

toebehoorde. Hij verfde den drijftol rood en geel en sloeg er een

koperen spijkertje midden in. Dat stond dan al eens heel prachtig,

als de tol in de rondte draaide!

«Kijk mij nu eens aan!» zei hij tegen de bal. «Wat zeg je nu wel van

me? Willen we nu met elkaar trouwen? We passen net goed bij elkaar:

jij springt en ik dans! Een gelukkiger paar dan wij zouden zijn,

kan er niet gevonden worden.»

«Zou je dat denken?» vroeg de bal. «Dan weet je zeker niet, dat mijn

vader en moeder marokijnleeren pantoffels geweest zijn en dat ik een

kurk in mijn lijf heb zitten?»

«Maar ik ben van mahoniehout,» hernam de tol, «en de burgemeester

heeft mij zelf gedraaid. Hij houdt er zelf een draaibank op na en

heeft heel wat schik in mij gehad.»

«Kan ik daar zeker van zijn?» vroeg de bal.

«Nimmer moge de zweep meer op mij neerkomen, als het niet waar is!»

antwoordde de drijftol.

«Je weet je zaak goed te bepleiten,» zei de bal. «Maar toch valt er

niet aan een huwelijk tusschen ons te denken; want ik ben al zoo wat

half en half met een spreeuw geëngageerd. Telkens als ik in de lucht

vlieg, steekt hij den kop uit zijn nest en vraagt: «Wil je met mij

trouwen?» En nu heb ik in mijn hart al «ja» gezegd, en dus is het net

zoo goed, alsof ik hem het jawoord gegeven had; maar ik beloof je,

dat ik je nooit zal vergeten!»

«Nu, dat geeft me ook wat!» zei de drijftol, en na dien tijd spraken

zij geen woord meer tegen elkaar.

Na verloop van eenigen tijd werd de bal door den jongen uit de kast

genomen. De drijftol zag, hoe zij hoog in de lucht vloog, evenals een

vogel; eindelijk kon hij haar in 't geheel niet meer zien; telkens

kwam zij weer terug, maar deed iederen keer een hoogen sprong,

als zij op den grond neerkwam, en dit deed zij òf uit blijdschap òf

omdat zij een kurk in haar lijf had. Maar den negenden keer bleef de

bal weg en kwam niet meer terug; en de jongen zocht er overal naar,

maar zij was en bleef weg.

«Ik weet wel, waar zij is!» zei de drijftol met een zucht. «Zij zit

in het spreeuwennest en is met den spreeuw getrouwd.»

Hoe meer de drijftol hierover dacht, des te meer raakte hij op de

bal verliefd; juist omdat hij haar niet kon krijgen, nam zijn liefde

gedurig toe; dat zij een ander tot man genomen had, stak hem wel het

meest, en de drijftol danste in de rondte en snorde, maar dacht toch

aldoor aan de bal, die in zijn gedachten al mooier en mooier werd.

Zoo verliepen er eenige jaren,--en nu was het een oude liefde.

De drijftol was al niet jong meer! Maar daar werd hij op zekeren

dag heelemaal verguld; nog nooit had hij er zoo prachtig uitgezien;

hij was nu een vergulde drijftol en sprong, dat hij weer snorde. Ja,

dat was de moeite waard, om te zien.

Maar eens sprong hij wat hoog, en--weg was hij!

Men zocht en zocht, tot zelfs in den kelder, maar hij was nergens

te vinden.

Waar was hij dan?

Hij was in den vuilnisbak gesprongen, waarin allerlei dingen lagen:

koolstronken, aardappelschillen en verrotte bladeren, die uit de goot

naar beneden gekomen waren.

«'t Is een mooie plaats, voor mij om te liggen! Het verguldsel zal hier

wel gauw van mij afgaan. Ach, onder welk gespuis ben ik aangeland!»

Dit zeggende, keek hij naar een koolstronk en toen naar een zonderling,

rond ding, dat veel van een rotten appel weghad;--doch het was geen

appel, maar de oude bal, die vele jaren in de goot gelegen had en

geheel met water doortrokken was.

«Goddank! Daar komt toch iemand, die in rang en stand met mij

gelijkstaat en met wien ik eens een woordje kan wisselen!» zei

de bal en keek naar den vergulden drijftol. «Ik ben eigenlijk van

marokijnleer, ik ben door dameshanden genaaid en heb een kurk in

mijn lijf: maar dat zal niemand mij zeker kunnen aanzien. Ik stond

op het punt om met een spreeuw te trouwen, maar toen viel ik in de

goot, en daarin heb ik vijf jaren gelegen en ben heelemaal met water

doortrokken. Geloof mij, dat is een heele tijd voor een jong meisje!»

Maar de drijftol zei niets: hij dacht aan zijn oud lief, en hoe meer

hij hoorde, des te duidelijker werd het hem, dat zij het was.

Daar kwam de meid om den vuilnisbak te leegen. De jongen stond er

naar te kijken. «Hé! Daar ligt een vergulde tol!» riep zij uit.

En de drijftol kwam weer tot eer en aanzien, maar van de bal hoorde

men niets meer. En de drijftol sprak nooit meer over zijn vroegere

liefde; want die vergaat wel, als een minnares vijf jaren lang in

een goot gelegen heeft en heelemaal met water doortrokken is; ja,

men erkent haar niet meer, als men haar in een vuilnisbak ziet liggen.

Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood · 第 23 / 83 题