De burgemeester stond voor zijn open raam; hij was in zijn overhemd
met manchetten en droeg een keurige doekspeld; hij was zeer glad
geschoren, hetgeen hij zelf gedaan had, en toch had hij zich een
klein sneetje toegebracht, maar daarop kleefde een stukje krant.
«Hoor eens, kleine!» riep hij.
En deze kleine was geen ander dan de zoon der arme waschvrouw, die
juist het huis voorbijliep en zijn pet eerbiedig afnam; de klep daarvan
was in het midden gebroken; de pet was er geheel op ingericht om in
elkaar gerold en in den zak gestoken te worden. In zijn armoedige,
maar zindelijke kleeren, met zware klompen aan de voeten, stond de
knaap daar eerbiedig, alsof hij tegenover den koning zelf stond.
«Je bent een beste jongen,» zei de burgemeester. «Je bent een beleefde
knaap. Je moeder is zeker in de rivier aan het wasschen; daar moet
je stellig heen brengen, wat je in den zak hebt zitten. Wat zit er in?»
«Een half pintje,» zei de knaap op een fluisterenden toon.
«En van morgen heeft zij evenveel gekregen,» vervolgde de burgemeester.
«Neen, dat was gisteren!» antwoordde de knaap.
«Twee halve maken één heel!--Zij deugt niet! Het is treurig met
zulk soort van menschen!--Zeg tegen je moeder, dat zij zich moest
schamen! En word jij maar geen dronkaard; maar dat zal je wel
worden! Arm kind! Ga maar heen!»
En de knaap ging verder; zijn pet bleef hij in de hand houden,
en de wind speelde met zijn blonde lokken. Hij sloeg den hoek der
straat om en kwam in het straatje, dat naar de rivier liep, waar
zijn moeder druk met wasschen bezig was. Het water stroomde sterk,
want de sluizen van den molen waren opengezet; het beddelaken dreef
met den stroom mee. De waschvrouw had werk om het vast te houden.
«Het had niet veel gescheeld, of ik was zelf met den stroom
meegesleept!» zeide zij. «Het is goed, dat je komt, want ik heb wel
een hartsterking noodig! Zes uren sta ik hier al. Heb je wat voor mij?»
De knaap haalde de flesch te voorschijn, en zijn moeder zette haar
aan den mond en nam er een fermen slok uit.
«Dat doet goed! Dat verwarmt! Dat is even goed als warm eten,
en niet zoo duur! Drink ook eens, beste jongen! Je ziet er geducht
bleek uit; je hebt het zeker koud in je dunne kleeren! Het is dan ook
herfst. Foei! wat is het water koud! Als ik maar niet ziek word! Maar
dat zal ik wel niet! Geef mij nog een slok en drink ook eens, maar
slechts een klein slokje, want je moogt er niet aan wennen, mijn arme,
goede jongen!»
En zij ging naar haar zoontje toe, terwijl het water haar uit de
kleeren droop.
«Ik sta mij hier af te beulen; maar ik doe het graag, als ik je er
maar eerlijk en rechtschapen doorheen breng, mijn beste jongen!»
Op dit oogenblik kwam er een oude vrouw aan, die er zeer armoedig
uitzag; zij was aan haar eene been lam en droeg een lange, valsche
lok over haar eene blinde oog: het oog moest door die lok bedekt
worden, maar zij deed eigenlijk het gebrek nog meer uitkomen. Het
was een vriendin van de waschvrouw; «de lamme Martha met de lok,»
noemden de buren haar.
«Wat ben je daar weer in dat koude water aan het wasschen! Je hebt
waarlijk wel noodig, dat je je een weinig verwarmt, en toch maken
de booze tongen heel wat ophef van de slokjes, die je drinkt!»--En
nu duurde het maar weinige oogenblikken, of al de woorden van den
burgemeester waren aan de waschvrouw overgebracht; want Martha had
alles gehoord, en zij had er zich over geërgerd, dat hij op zulk
een wijze tegen het kind over diens eigen moeder en over de weinige
droppeltjes sprak, die zij gebruikte, en wel omdat het juist op een
dag gebeurde, waarop de burgemeester een groot gastmaal gaf, waarbij
de wijn bij stroomen vloeide. «Fijne wijnen en koppige wijnen!»
voegde zij er bij. «Maar dat noemt men geen drinken! Zij deugen wel,
maar jij deugt niet!»
«Wel zoo! Heeft hij met je gesproken?» zei de waschvrouw tot haar
jongen, en haar lippen trilden daarbij. «Je hebt een moeder, die niet
deugt! Misschien heeft hij wel gelijk! Maar tegen het kind moest
hij zoo iets niet zeggen! Uit dat huis is er al veel ellende over
mij gekomen!»
«Je hebt daar immers gediend, toen de ouders van den burgemeester
nog in leven waren en het huis bewoonden; dat is al vele jaren
geleden! Sedert zijn er vele schepels zout gebruikt, en men moet
dus wel dorst hebben,» en Martha glimlachte. «De burgemeester geeft
vandaag een groot gastmaal; eigenlijk had het afgezegd moeten worden,
maar het werd te laat, en het eten was ook al klaar. Ik heb het van
den huisknecht gehoord. Zoo even is er een brief gekomen, dat zijn
jongste broeder te Kopenhagen gestorven is!»
«Gestorven!» riep de waschvrouw uit en werd doodsbleek.
«Wel,» zeide Martha, «trek je je dat zoo erg aan? 't Is waar ook,
je kendet hem nog van den tijd, toen je daar in huis diendet.»
«Is hij dood? Het was zulk een goed man! Er worden er niet veel
zooals hij gevonden!» En de tranen biggelden haar langs de wangen. «O
mijn God! het draait mij alles voor de oogen,--dat komt, omdat ik de
flesch leeggedronken heb,--dat heb ik niet kunnen verdragen! Ik voel
mij alles behalve wel!»
«Mijn hemel! Je bent werkelijk ziek,» zei de andere vrouw. «Het is te
hopen, dat het maar weer gauw over zal zijn. Het zal het beste wezen,
dat ik je naar huis breng.»
«Maar de wasch dan?»
«Ik zal wel voor de wasch zorgen. Komaan! geef mij maar een arm! De
jongen kan wel hier blijven en oppassen, totdat ik terugkom, dan zal
ik het overige wel wasschen: dat is immers maar een kleinigheid!»
En de knieën der waschvrouw knikten.
«Ik heb te lang in de koude gestaan; en sedert van morgen heb ik
droog noch nat over mijn lippen gehad! De koorts brandt mij door
de leden. O, mijn God! help mij om naar huis te gaan!--Mijn arm
kind!»--Zij weende. Ook de knaap weende, en al spoedig daarop zat
hij alleen aan de rivier bij de natte wasch. De beide vrouwen liepen
slechts langzaam voort, de waschvrouw sleepend en waggelend; zij gingen
het straatje door en kwamen het huis van den burgemeester voorbij, en
vlak daarvoor viel zij op de straatsteenen neer. Er verzamelden zich
verscheidene menschen om haar heen: de lamme Martha liep in het huis,
om hulp in te roepen. De burgemeester en zijn gasten gingen naar het
raam toe.
«Dat is de waschvrouw!» zei hij; «die heeft een beetje te diep in het
glaasje gekeken; zij deugt niet! 't Is jammer van den aardigen jongen,
dien zij heeft. Ik mag dat kereltje inderdaad graag lijden. Maar zijn
moeder deugt niet!»
En de waschvrouw kwam weer bij, en men bracht haar in haar armzalige
woning, waar zij te bed gelegd werd. De goede Martha maakte wat warm
bier met boter en suiker klaar; dit middel, dacht zij, was het beste,
en daarop begaf zij zich naar de rivier, waschte heel slecht, maar
noemde het goed, en deed eigenlijk niets anders dan de natte wasch
in de mand doen.
Tegen den avond zat zij in het armoedige kamertje bij de
waschvrouw. Eenige gebakken aardappelen en een lekker vet stuk ham
had de keukenmeid van den burgemeester haar voor de zieke gegeven;
daaraan deden Martha en de knaap zich te goed; de zieke genoot van
den heerlijken geur, deze was heel voedzaam, beweerde zij.
En de knaap werd te bed gebracht, in dezelfde bedstee, waarin zijn
moeder lag; maar hij had zijn plaats aan haar voeten en dekte zich
met een oude deken toe.
Met de waschvrouw ging het een weinig beter; het warme bier had haar
versterkt, en de geur van het heerlijke eten had haar goedgedaan.
«Hartelijk dank!» zeide zij tegen Martha. «Ik zal je alles eens
vertellen, als de kleine slaapt. Ik geloof, dat hij al in de rust
is. Wat ziet hij er lief uit, zooals hij daar met gesloten oogen
ligt! Hij weet niet, hoe het met zijn moeder gesteld is. God geve,
dat hij dit nimmer te weten kome!--Ik diende bij de ouders van
den burgemeester. Eens trof het zoo, dat de jongste der zoons, de
student, te huis kwam; destijds was ik nog jong, een jolig meisje,
maar eerbaar, dat mag ik voor het aangezicht Gods zeggen!» zei de
waschvrouw. «De student was vroolijk en opgeruimd. Iedere droppel
bloed aan hem was goed en rechtschapen; een beter mensch is er nooit op
aarde geweest. Hij was zoon in huis, ik slechts meid; maar wij hadden
elkander lief, doch in alle eer en deugd; een kus is toch geen zonde,
als men elkaar waarlijk liefheeft. En hij zei het tegen zijn moeder,
wie hij een afgodische liefde toedroeg! En hij was verstandig en
liefderijk!--Hij vertrok en stak mij zijn gouden ring aan den vinger;
en zoodra hij het huis uit was, riep mijn mevrouw mij binnen. Ernstig
en toch liefderijk sprak zij tegen mij, alsof het God zelf was, die
tegen mij sprak; zij deed mij den afstand gevoelen, die er tusschen
hem en mij bestond.
««Nu let hij er slechts op, hoe aardig je er uitziet, maar je
schoonheid zal vergaan! Je hebt niet zulk een opvoeding genoten als
hij; je staat niet op denzelfden trap van ontwikkeling, en dat is
een ongeluk. Ik acht den arme,» zeide zij, «bij God staat hij hooger
aangeschreven dan menige rijke, maar hier op aarde moet men er zich
voor wachten, in een verkeerd spoor te komen, als men voorwaarts rijdt;
anders slaat het rijtuig omver, en je zult beiden omverslaan! Ik weet,
dat een braaf man, een handwerksman, om je hand gevraagd heeft; ik
bedoel Erich, den handschoenmaker; hij is weduwnaar en heeft geen
kinderen, denk daar eens over na!»
«Ieder woord, dat zij sprak, sneed mij als een mes door het hart,
maar de vrouw had gelijk! En dat drukte loodzwaar op mij!--Ik kuste
haar hand en stortte bittere tranen, en weende nog meer, toen ik op
mijn kamertje kwam en mij op mijn bed wierp. Het was een pijnlijke
nacht, die er nu volgde. God weet, wat ik leed en streed. Op den
daaraanvolgenden Zondag ging ik aan de tafel des Heeren, opdat het mij
licht zou worden. Het was als een goddelijke beschikking: toen ik de
kerk uittrad, kwam Erich mij tegen. En nu bleef er geen twijfel meer
in mijn ziel over; wij pasten voor elkaar, wat rang en stand betreft,
ja, hij was zelfs een welgesteld man; en ik ging dan ook naar hem
toe, greep zijn hand en zei: «Heb je nog zin in mij?»--Ja, eeuwig en
altijd!» zei hij.--«Wil je een meisje nemen, dat je acht en eert, maar
niet liefheeft,--doch dat kan nog wel komen!»--«Dat zal wel komen!» zei
hij, en daarop gaven wij elkaar de hand. Ik ging naar huis naar mijn
mevrouw: den gouden ring, dien haar zoon mij gegeven had, droeg ik op
mijn hart; ik kon hem overdag niet aan mijn vinger steken, maar deed
dit alle avonden, voordat ik te bed ging. Ik kuste den ring, zoodat
mijn lippen er van bloedden, en daarop gaf ik dien aan mijn mevrouw
en zei tegen haar, dat ik in de volgende week met den handschoenmaker
zou gaan trouwen. Toen omhelsde en kuste mijn mevrouw mij;--zij zeide
niet, dat ik _niet deugde_, maar destijds was ik misschien wel beter,
ofschoon ik nog niet zooveel ervaring omtrent de ellende, die er in
de wereld bestaat, opgedaan had, als nu het geval is. Met Vrouwendag
vierden wij de bruiloft; en in het eerste jaar ging het goed, we
hadden een knecht en een leerling, en jij, Martha, diendet bij ons.»
«O, ge waart een lieve, goede huismoeder!» zei Martha, «nimmer zal
ik vergeten, hoe goed gij en uw man voor mij geweest zijt!»
«Ja, dat waren destijds de goede jaren, toen je bij ons waart! Kinderen
hadden we nog niet!--Den student zag ik niet meer!--Maar ja, ik zag hem
toch nog eens, maar hij zag mij niet. Hij was hier bij gelegenheid van
de begrafenis zijner moeder. Ik zag hem bij het graf staan; hij zag
er doodsbleek uit en was diep bedroefd, maar dat was om zijn moeder;
later, toen zijn vader stierf, was hij in vreemde landen en kwam niet
weer hier. Hij is nooit getrouwd, dat weet ik; hij werd advocaat,
geloof ik!--Mij had hij vergeten, en al had hij mij ook gezien, dan
zou hij mij toch zeker niet herkend hebben, zooveel leelijker ben ik
geworden. En dat is ook wel goed!»
Zij sprak over de dagen der beproeving en vertelde, hoe het ongeluk als
't ware boven haar losbarstte. «Wij bezaten,» zeide zij, «vijfhonderd
daalders, en omdat er destijds in de straat een huis voor tweehonderd
te koop was en het de moeite wel zou loonen, dit af te breken en een
nieuw te bouwen, werd het gekocht. De metselaar en de timmerman maakten
een begrooting, en het nieuwe gebouw zou duizend en twintig daalders
kosten. Erich had krediet, het geld leende hij in de hoofdstad,--maar
de schipper, die het zou overbrengen, leed schipbreuk, en het geld
ging met hem verloren.
«Omstreeks dezen tijd bracht ik mijn lieven jongen, die daar
slaapt, ter wereld. Mijn man kreeg een hevige langdurige ziekte,
drie vierendeel jaars moest ik hem aan- en uitkleeden. Wij gingen
gedurig meer achteruit, wij maakten schulden; alles wat wij hadden,
ging verloren, en mijn man stierf eindelijk. Ik heb gewerkt, gestreden
en geleden, ter wille van mijn kind; ik ben uit schoonmaken gegaan, ik
heb voor de menschen gewasschen; maar ik mag het niet beter krijgen;
zoo is Gods wil! Maar Hij zal mij wel tot zich nemen en ook mijn
zoontje niet verlaten!»
Daarop viel zij in slaap.
Tegen den morgen voelde zij zich verkwikt en krachtig genoeg, zooals
zij meende, om weer aan haar werk te gaan. Zij was weer aan het
wasschen gegaan. Daar begon zij eensklaps te beven en viel in onmacht;
krampachtig sloeg zij met de handen in de lucht, deed een enkelen
stap en viel neer. Haar hoofd lag op het land, maar haar voeten in de
rivier; haar klompen, die zij aangehouden had,--in elke daarvan zat
een bosje stroo,--dreven met den stroom weg. Zoo vond Martha haar,
toen zij haar koffie wilde brengen.
Ondertusschen was er iemand van den burgemeester naar haar huis
gezonden met de boodschap, «dat zij eens dadelijk bij hem moest komen;
want dat hij haar iets te zeggen had.» Het was te laat! Er werd een
chirurgijn gehaald, om een aderlating te doen; de waschvrouw was dood.
«Zij heeft zich doodgedronken!» zei de burgemeester.
In den brief, die hem de tijding van den dood zijns broeders bracht,
was de inhoud van het testament meegedeeld, en daarin stond, dat
er zeshonderd daalders aan de weduwe van den handschoenmaker waren
vermaakt, die vroeger bij zijn ouders gediend had. Zooals men dit
het beste vond, moest het geld «bij grootere of kleinere gedeelten
aan haar of aan haar kind uitbetaald worden.»
«Er heeft zoo wat een vrijage tusschen mijn broeder en haar bestaan,»
zei de burgemeester. «Het is goed, dat zij maar dood is; de knaap
krijgt nu alles, en ik zal hem bij brave menschen in den kost doen;
er kan een flink handwerksman van hem groeien!»--En op deze woorden
schonk God zijn zegen.
De burgemeester liet den knaap bij zich komen, beloofde, dat hij zich
zijner zou aantrekken, en voegde er nog bij, hoe gelukkig het was,
dat zijn moeder maar gestorven was: zij deugde niet.
Men bracht haar naar het kerkhof, naar het kerkhof der armen; Martha
strooide zand op het graf en plantte er een klein rozeboompje op;
de knaap stond naast haar.
«Mijn lieve moeder!» zei hij, terwijl de tranen hem langs de wangen
biggelden. «Is het dan waar? Deugde zij niet?»
«Ja, zij deugde wel!» zei de oude meid en sloeg een blik ten hemel. «Ik
weet het sedert vele jaren en sedert den laatsten nacht. Ik zeg je,
dat zij wel deugde!» En God in den hemel zei het ook,--laat dan de
wereld maar zeggen: «Zij deugde niet!»