De geschiedenis van het meisje, dat, om haar schoenen niet vuil te
maken, op het brood trapte, en hoe slecht het met dit meisje afliep,
is welbekend: zij is geschreven en zelfs gedrukt.
Inge heette dit meisje; zij was een arm kind, trotsch en hoogmoedig;
er was een slechte grond in haar, zooals men zegt. Reeds als klein
kind was het haar grootste plezier, vliegen te vangen, ze de vlerken
uit te trekken en ze in kruipende dieren te veranderen. Later nam zij
den meikever en den mestkever, stak deze aan een naald vast, schoof
dan een groen blad of een klein stukje papier naar hun pootjes toe,
en dan greep het arme diertje daarnaar en hield het vast, draaide en
wendde het, om van de naald af te komen.
«Nu leest de meikever!» zeide Inge. «Kijk maar eens, hoe hij het
blad omkeert.»
Met de jaren werd zij eer slechter dan beter; maar mooi was zij, en
dat was haar ongeluk, anders was zij wel duchtiger beknord; geworden,
dan nu het geval was.
«Ik denk, dat ik nog eens verdriet van je zal hebben,» zei haar eigen
moeder. «Als kind heb je mij dikwijls op mijn japon getrapt, ik vrees,
dat je mij later op het hart zult trappen.»
En dat deed zij ook.
Zij kreeg op een dorp een dienst bij deftige menschen, en deze
beschouwden haar als hun eigen kind, en zoo ging zij ook gekleed;
zij zag er lief uit, maar haar hoogmoed nam toe.
Toen zij daar zoo wat een jaar geweest was, zei haar mevrouw tegen
haar: «Je moest je ouders toch eens gaan opzoeken, Inge!»
En Inge begaf zich op weg naar haar ouders, maar alleen om zich eens
in haar geboorteplaats te vertoonen; daar moesten de menschen zien,
hoe mooi zij geworden was; maar toen zij aan den ingang van het dorp
kwam en de jonge knechts en meiden daar met elkaar zag staan en haar
moeder ook daarbij, die op een steen zat uit te rusten, met een bosje
rijshout, dat zij in het bosch gesprokkeld had, voor zich, toen keerde
Inge om; zij schaamde er zich over, dat zij, die netjes gekleed was,
zulk een vrouw in lompen, die hout in het bosch sprokkelde, tot moeder
had. Zij had er volstrekt geen berouw over, dat zij teruggekeerd was.
Weer verliep er omstreeks een half jaar. «Je moest toch nog eens naar
je dorp toe gaan en je ouders een bezoek brengen, Inge!» zei haar
mevrouw. «Ik zal je een groot wittebrood geven; dan kan je dit voor
hen meenemen; zij zullen er zeker blij mee zijn, dat zij je weerzien.»
Inge trok haar beste kleeren en haar nieuwe schoenen aan, tilde haar
japon op en liep heel voorzichtig voort, opdat zij rein aan haar voeten
zou blijven, en dat kon men haar niet kwalijk nemen! Maar toen zij daar
kwam, waar de weg over het moeras loopt en waar slijk en modder was,
wierp zij het brood op den grond en trapte daarop, om niet nat en
vuil te worden; maar terwijl zij daar zoo stond, met den eenen voet
op het brood en den anderen opgeheven, om verder te loopen, zonk het
brood gedurig dieper met haar; zij verdween geheel en al, en slechts
een groote modderpoel, die blaasjes deed opborrelen, bleef er te zien.
Dat is de geschiedenis.
Maar waar kwam Inge nu? Zij zonk in den moerasgrond en kwam beneden
bij de moerasvrouw, die daar allerlei kwaad brouwt. De moerasvrouw
is de tante der elfen, die bekend genoeg zijn, waarvan men liedjes
heeft en die men afgeschilderd vindt; maar van de moerasvrouw weten
de menschen alleen, dat, wanneer er in den zomer damp uit de weiden
opstijgt, het de moerasvrouw is, die allerlei kwaad brouwt. In de
brouwerij der moerasvrouw daalde Inge neer, en daar is het niet lang
uit te houden.--De slijkkist is een pronkkamer, bij de brouwerij der
moerasvrouw vergeleken! Ieder vat stinkt zoo geducht, dat men daarvan
flauw valt, en dan staan de vaten dicht op elkaar gepakt, en als er
hier en daar een kleine opening tusschen is, waar men door zou hebben
kunnen dringen, dan is dit toch niet mogelijk door de natte padden en
de dikke slangen, die zich hier letterlijk in elkaar verwarren. Hierin
zonk Inge neer; al het walglijke, levende ontuig was zoo ijskoud,
dat zij over al haar leden trilde, ja, dat zij gedurig meer van
schrik verstijfde. Aan het brood bleef zij vasthangen, en het brood
trok haar naar beneden, evenals het barnsteen een stroohalm aantrekt.
De moerasvrouw was te huis, de brouwerij kreeg overdag bezoek, zij
werd bezichtigd door den duivel en zijn grootmoeder, en de grootmoeder
van den duivel is een oude, zeer giftige vrouw, die nooit ledig is;
zij rijdt nooit uit, om ergens een bezoek af te leggen, zonder haar
handwerk mee te nemen, en dit had zij dan ook hier bij zich. Zij
naaide leugenweefsels en haakte onbezonnen woorden, die op den grond
gevallen waren, alles tot schade en verderf. Ja, die oude grootmoeder
kon naaien, borduren en haken!
Zij zag Inge, hield haar brilleglas voor haar oog en keek het meisje
nog eens aan. «Dat is een meisje, dat kundigheden bezit,» zeide zij,
«en ik verzoek, de kleine, tot een herinnering aan mijn bezoek hier,
mee te mogen nemen. Zij zal een geschikt standbeeld in de voorkamer
van mijn kleinzoon zijn.»
En zij kreeg haar. Op deze wijze kwam Inge in de hel. Daar gaan de
menschen niet altijd regelrecht naar toe, maar zij kunnen er ook
langs omwegen inkomen, als zij daartoe de bekwaamheid bezitten.
Dat was een voorkamer zonder einde; men werd al duizelig, als men voor-
of achterwaarts keek, en een menigte, die het versmachten nabij was,
stond hier te wachten, totdat de poort der genade voor hen opengedaan
zou worden. Zij moesten lang wachten. Groote, dikke, waggelende spinnen
weefden een duizendjarig web over hun voeten, en dit spinneweb sneed
als voetangels en boeide als koperen ketenen; bovendien kookte er nog
een eeuwige onrust in iedere ziel, een onrust des jammers. De gierige
stond daar en had den sleutel van zijn geldkist vergeten; de sleutel
stak er in, dat wist hij. Maar het is te wijdloopig, al de soorten van
pijnigingen en van jammer op te sommen, die daar ondergaan werden. Inge
gevoelde een hevige pijn, terwijl zij daar als een standbeeld moest
staan; want zij was van onderen aan het brood vastgekleefd.
«Dat heeft men er van, als men zijn voeten rein en helder wil houden!»
zeide zij bij zich zelve. «Kijk eens, hoe zij mij aangapen!» Ja,
werkelijk waren aller blikken op haar gevestigd;--hun booze lusten
fonkelden hun uit de oogen en spraken zonder geluid te geven uit hun
mond; zij waren verschrikkelijk om aan te zien.
«Mij aan te staren moet een genoegen zijn!» dacht Inge, «ik heb een
lief gezicht en mooie kleeren aan!» En nu draaide zij haar oogen
om, maar haar nek kon zij niet omdraaien, want deze was daarvoor te
stijf. O, hoe morsig was zij in de brouwerij der moerasvrouw geworden:
daaraan had zij niet gedacht. Haar kleeren waren met slijk bezoedeld,
een slang had zich in haar lokken gehangen en slingerde langs haar
rug neer, en uit iedere plooi van haar gewaad kwam een groote pad
te voorschijn, die als een kortademige mops blafte. Dit was zeer
onaangenaam. «Maar de anderen hier beneden zien er immers ook
afschuwelijk uit!» zeide zij, en daarmee troostte zij zich.
Het ergste van alles was echter de vreeselijke honger, dien zij
gevoelde. Was zij dan niet bij machte, voorover te bukken en een
stuk van het brood, waarop zij stond, af te breken? Neen, haar
rug was stijf, haar armen en handen waren verstijfd, haar geheele
lichaam was als een steenen zuil, alleen haar oogen kon zij nog in
haar hoofd omdraaien, naar alle kanten heen draaien, zoodat zij ook
achter zich kon zien; dat was een leelijk gezicht. En toen kwamen er
vliegen aan, die over haar oogen heen en weer kropen; zij knipte met
haar oogen, maar de vliegen vlogen niet weg, want zij konden niet
vliegen daar hun vlerken uitgetrokken waren; zij waren in kruipende
dieren veranderd;--dat was een pijn; en daarbij kwam nog de honger,
ja, eindelijk scheen het haar toe, alsof haar ingewanden zich zelf
opaten, en zij werd van binnen erg leeg. «Als dat langer moet duren,
dan houd ik het niet uit!» zeide zij, maar zij moest het wel uithouden.
Nu viel er een heete traan op haar hoofd neer, rolde over haar gezicht
en hare borst tot op het brood, waarop zij stond, en er viel nog een
traan, nog vele. Maar wie zou er wel over Inge weenen?--Zij had op
aarde immers nog een moeder! De tranen der smart, die een moeder over
haar kind stort, komen altijd bij het kind, maar ze verlossen niet, zij
branden slechts en verergeren de pijn. Het was iets verschrikkelijks,
zulk een onuitstaanbaren honger te hebben en niet aan het brood te
kunnen komen, waarop zij toch met haar voeten stond. Zij had een
gevoel, alsof haar binnenste zich zelf verteerd had, zij was als een
dun riet, dat ieder geluid inzuigt; zij hoorde duidelijk alles, wat
er op aarde over haar gesproken werd, en wat zij hoorde, was hard en
wreed. Haar moeder weende wel is waar erg en was bedroefd over haar,
maar zij zeide met dat al: «Hoogmoed komt voor den val! Dat is je
ongeluk geweest, Inge! Je hebt je moeder heel veel verdriet aangedaan!»
Haar moeder en allen op aarde wisten van de zonde, die zij gepleegd
had, wisten, dat zij op het brood had getrapt, dat zij in de diepte
weggezonken en verdwenen was; de koeherder had dit van de helling
bij den moerassigen weg gezien.
«Wat heb je je moeder toch een verdriet aangedaan», Inge!» zei haar
moeder, «ja, ik had het wel gedacht!»
«O, was ik maar nooit geboren!» dacht zij daarbij; «dat zou veel
beter voor mij geweest zijn. Maar wat baat het mij nu, dat mijn
moeder weent?»
Zij hoorde, hoe de goede menschen, die haar als ouders verpleegd
hadden, nu zeiden, dat zij een zondig kind was, dat zij de gaven
Gods niet in waarde gehouden, maar daarop met voeten getreden had;
de deur der genade zou eerst langzaam voor haar opengaan.
«Zij hadden mij moeten kastijden, zij hadden mijn grillen moeten
uitroeien,» dacht Inge.
Zij hoorde, dat er een liedje op haar gemaakt werd, over het
hoogmoedige meisje, dat op het brood trapte, opdat haar schoenen
netjes zouden blijven, en dat men dit liedje overal in het land zong.
«Dat men daarom zoo veel kwaads moet hooren en zoo veel lijden!» dacht
Inge. «De anderen moesten ook voor hun zonden gestraft worden! Ja,
dan zou er zeker veel te straffen zijn!--Ach! wat word ik gepijnigd!»
Haar hart verhardde zich nog meer dan haar uiterlijk voorkomen.
«Hier beneden in dit gezelschap kan men niet beter worden! En ik wil
ook niet beter worden! Kijk eens, hoe zij mij aangapen!»
Haar hart was vol toorn en boosheid ten opzichte van alle menschen.
«Nu hebben zij elkaar daarboven eindelijk eens wat te vertellen. Ach,
wat word ik gepijnigd!»
Zij hoorde ook, hoe haar geschiedenis aan de kinderen verteld werd,
en de kleinen noemden haar de goddelooze Inge,--zij was zoo leelijk,
zeiden zij, zoo afschuwelijk, zij moest erg gepijnigd worden.
Gedurig kwamen er harde woorden over haar uit een kindermond.
Maar op zekeren dag, terwijl toorn en woede in het inwendige van
haar holle lichaam knaagden en zij haar naam hoorde noemen en haar
geschiedenis aan een onschuldig kind, een klein meisje, hoorde
vertellen, merkte zij, dat de kleine in tranen uitbarstte bij het
hooren van de geschiedenis der hooghartige, ijdele Inge.
«Maar komt Inge dan nooit meer naar boven?» vroeg het kleine meisje. En
men antwoordde:
«Zij komt nooit meer naar boven.»
«Maar als zij nu eens om vergiffenis vroeg en beloofde, dat zij het
nooit weer zou doen?»
«Dan wel; maar zij zal niet om vergiffenis vragen!» hernam men.
«Ik zou zoo graag willen, dat zij dit deed!» zei de kleine en was
ontroostbaar. «Ik zal er mijn pop en mijn speelgoed voor geven, als zij
maar naar boven mag komen. Het is te verschrikkelijk! Die arme Inge!»
Deze woorden drongen tot het hart van Inge door; zij deden haar goed;
het was de eerste maal, dat iemand zei: «Die arme Inge!» en er niets
omtrent haar gebreken bijvoegde, een klein, onschuldig kind weende
om haar en vroeg genade voor haar; het werd haar daarbij zonderling
te moede; zij zou nu zelf graag geweend hebben, maar zij vermocht
dit niet, zij kon niet weenen, en dat was ook een kwelling.
Terwijl er jaren daar boven verliepen,--beneden was er geene
afwisseling,--hoorde zij gedurig zeldzamer over zich spreken. Nu drong
er op zekeren dag plotseling een zucht tot haar ooren door: «Inge,
Inge! Wat heb je mij een verdriet aangedaan! Ik heb het wel gezegd!»
Het was de laatste zucht van haar stervende moeder.
Somtijds hoorde zij haar naam door de menschen, waarbij zij vroeger
gediend had, noemen, en het waren liefelijke woorden, als haar mevrouw
zeide: «Zou ik je wel ooit weerzien, Inge? Men kan nooit weten,
waar men nog eens zal komen!»
Maar Inge zag wel in, dat haar goede mevrouw nooit daar zou kunnen
komen, waar zij was.
Er verliep wederom eenige tijd, een lange, bittere tijd.
Nu hoorde Inge nog eenmaal haar naam noemen en zag twee heldere
sterren boven zich fonkelen; het waren twee vriendelijke oogen, die
zich op aarde sloten. Er waren destijds al zoovele jaren verloopen,
sedert het kleine meisje ontroostbaar was en over «de arme Inge»
weende, dat het kind een oude vrouw geworden was, die God nu weer
tot zich wilde roepen; en juist in deze ure, waarop de herinnering
van haar geheele vroegere leven weer bij haar oprees, herinnerde zij
zich ook, hoe zij eens als klein kind tranen gestort had bij het
hooren van de geschiedenis van Inge. Dat uur en die indruk werden
bij die oude vrouw in haar doodsuur weer zoo levendig, dat zij luide
uitbarstte in de woorden: «Mijn God en Heer! Ook ik heb, evenals Inge,
uw zegeningen vaak met voeten getreden en daarbij niet bedacht, dat
ik iets verkeerds deed; ook ik heb vaak een hoogmoedige gezindheid
gekoesterd,--doch Gij hebt mij in Uw genade niet laten zinken, maar
mij staande gehouden! O, laat in mijn laatste ure niet van mij af!»
De oogen der oude vrouw sloten zich, en het oog harer ziel opende
zich, om het verborgene te zien. Zij, in wier laatste gedachten
Inge zoo levendig tegenwoordig geweest was, zij zag ook nu, hoe
diep zij gezonken was, en bij den aanblik daarvan barstte de vrouw
in tranen uit: In den hemel stond zij als een kind en weende om de
arme Inge! En deze tranen en gebeden klonken als een echo in het
holle, ledige hulsel, dat de geboeide, gefolterde ziel omsloot; de
nooit gedachte liefde van boven overweldigde haar! Waarom werd haar
dit wel vergund? De gepijnigde ziel verzamelde als 't ware in haar
gedachten iedere daad, die zij op aarde verricht had, en zij, Inge,
smolt in zulke tranen weg, als zij er vroeger nooit geweend had;
bekommering over haar zelve vervulde haar, het was haar, alsof de
poort der genade zich nimmer voor haar kon openen, en terwijl zij dit
in haar verbrijzeling erkende, schoot er een straal in den afgrond
tot haar neer, en wel met een kracht, die sterker was dan die van
den zonnestraal, waardoor de sneeuwman, die de kinderen vervaardigd
hebben, ontdooit; en veel sneller dan de sneeuwvlok smelt en tot een
droppel wordt, die op de warme lippen van het kind neervalt, loste de
versteende gestalte van Inge zich in damp op,--een vogeltje vloog met
de snelheid van den bliksemstraal naar boven naar de menschenwereld
op. Maar deze vogel was angstig en schuw voor alles, wat hem omgaf;
hij schaamde zich over zich zelf, schaamde zich tegenover alle levende
schepselen en trachtte zich ijlings te verbergen in een donker gat
in een ouden, verweerden muur; daar zat hij neer, terwijl hij over
zijn geheele lichaam beefde; hij kon geen geluid van zich geven,
hij had geen stem; een geruimen tijd zat hij daar, voordat hij de
heerlijkheid, die hem omgaf, kon zien; ja heerlijk was het! De lucht
was frisch en zacht, de maan wierp haar helder schijnsel op de aarde;
boomen en struiken wasemden geuren uit, en prachtig was het, waar hij
zat; zijn veeren waren rein en fijn. O, wat was al het geschapene
toch in liefde en heerlijkheid voortgebracht! Alles, wat er in het
binnenste van den vogel omging, wilde zich in een lied lucht geven,
maar de vogel vermocht dit niet; gaarne zou hij gezongen hebben,
evenals in de lente de koekoek en de nachtegaal. Onze God, die zelfs
het stille lofgezang van den worm hoort, hoorde ook hier het loflied,
dat zich in gedachtenakkoorden verhief, evenals de psalm in het hart
van David klonk, voordat deze zich in woorden en melodie kon uiten.
Weken lang stegen deze stille lofliederen op, zij moesten hoorbaar
worden, zij moesten dit bij den eersten vleugelslag eener goede daad;
zulk een goede daad moest er verricht worden!
Het kerstfeest naderde. De boer stak in de nabijheid van den muur
een stok in den grond en bond daaraan een schoof haver vast, opdat
de vogelen in de lucht ook een vroolijk Kerstfeest en een goeden
maaltijd mochten hebben; dat was braaf, zoo is de deugdzame!
De zon ging op den Kerstmorgen op en bescheen de schoof, de
kwinkeleerende vogels fladderden in menigte om den stok heen.
Daar klonk het ook uit het gat in den muur: «Piep, piep!» De zwellende
gedachte werd een geluid, het zwakke piepen een geheele hymne, de
gedachte van een goede daad ontwaakte, en de vogel kwam uit zijn
schuilplaats te voorschijn; in den hemel wisten zij al, wat voor een
vogel het was!
De winter was streng, de wateren waren dichtgevroren, de vogelen en
de dieren des velds konden slechts weinig voedsel vinden. Onze kleine
vogel vloog over den straatweg heen, en daar, in het spoor der sleden,
vond hij ook nu en dan een graankorreltje, en op de pleisterplaatsen
eenige broodkruimeltjes; hij zelf at er slechts weinige op, maar hij
riep al de andere uitgehongerde musschen bij elkaar, opdat zij eenig
voedsel zouden krijgen. Hij vloog de steden in, keek in de rondte, en
waar een lieve hand op het kozijn brood voor de vogeltjes gestrooid
had, at hij zelf maar een enkel kruimeltje en gaf al het andere aan
de overige vogels.
In den loop van den winter had de vogel zooveel broodkruimeltjes
verzameld en aan de andere vogels gegeven, dat zij te zamen opwogen
tegen het geheele brood, waarop Inge getrapt had, opdat haar schoenen
rein zouden blijven, en toen het laatste broodkruimeltje gevonden
en goed besteed was, werden de grauwe vleugels van den vogel wit en
spreidden zich wijd uit.
«Daar vliegt een zeezwaluw over het water heen!» zeiden de kinderen,
die den witten vogel zagen; nu dook zij in het water onder, toen
verhief zij zich in den helderen zonneschijn; zij schitterde; het
was niet mogelijk om te zien, waar zij bleef,--zij zeiden, dat zij
in de zon gevlogen was!