DE OUDE STRAATLANTAARN.

Hebt ge ooit de geschiedenis van de oude straatlantaarn gehoord? Zoo

heel plezierig is zij wel niet, maar toch laat zij zich wel eens een

enkele maal lezen.

't Was een brave, oude straatlantaarn, die vele, vele jaren achtereen

dienst gedaan had, maar nu voor den post, dien zij zoo lang bekleed

had, ongeschikt geacht werd. De laatste avond, dien zij op den paal

zou doorbrengen om de straat te verlichten, was daar. Het was haar

te moede als een balletdanseres, die voor de laatste maal danst en

weet, dat zij den volgenden dag vergeten op haar zolderkamertje zal

zitten. De lantaarn zag geducht tegen den volgenden dag op; want zij

wist, dat zij dan voor het eerst van haar leven op het stadhuis zou

komen en door den burgemeester en den gemeenteraad bezichtigd worden,

die zouden beslissen, of zij nog tot verdere diensten bruikbaar was

of niet.

Daar zou dan bepaald worden, of zij in 't vervolg haar licht voor de

bewoners van een der voorsteden zou laten schijnen, dan wel naar de

een of andere fabriek op het platteland verbannen worden; misschien

ook zou zij wel regelrecht naar een ijzergieterij gaan, om in een

anderen vorm te worden gegoten. In dat geval kon er wel is waar alles

van haar komen; maar de gedachte dat zij niet wist, of zij er dan de

herinnering nog van zou behouden, dat zij een maal een straatlantaarn

geweest was, pijnigde haar. Maar hoe het ook met haar mocht afloopen,

zooveel was zeker, dat zij van den lantaarnopsteker en diens vrouw, die

haar bijna als een lid der familie beschouwden, gescheiden zou worden.

Toen de lantaarn voor het eerst op den paal gezet werd, was de

lantaarnopsteker nog een jeugdig, krachtig man. Ja, dat was al

een heelen tijd geleden, dat zij lantaarn en hij lantaarnopsteker

werd. Zijn vrouw was toen nog een beetje trotsch. Alleen wanneer zij

's avonds voorbijkwam, verwaardigde zij de lantaarn met een blik,

maar overdag nooit. Doch in de laatste jaren, toen zij alle drie,

de lantaarnopsteker, zijn vrouw en de lantaarn, oud geworden waren,

had de oude vrouw haar verzorgd, geschuurd en van olie voorzien. 't

Waren beiden doodeerlijke menschen; nooit hadden zij de lantaarn ook

maar een enkelen droppel olie te kort gedaan.

't Was de laatste avond, die zij op straat doorbracht, en den

volgenden dag moest zij naar het stadhuis toe: dat waren twee sombere

gedachten! Geen wonder, dat zij niet heel helder brandde. Maar ook

vele andere gedachten bestormden haar. Aan hoevelen had zij haar

licht geschonken, hoeveel had zij gezien, misschien wel evenveel als

de burgemeester en de gemeenteraad! Maar deze gedachten hield zij voor

zich, want het was een brave, eerlijke, oude lantaarn, die niemand ooit

kwaad deed en wel het minst aan de haar gestelde overheid. Allerlei

dingen kwamen haar in de gedachten, en bij tijd en wijle flikkerde

haar vlam daardoor even op. Zij had in zulke oogenblikken een gevoel,

dat men zich ook harer zou herinneren.

«Daar was indertijd dat knappe jonge mensch,--het is al vele jaren

geleden,--deze hield een briefje op rose papier in de hand. Het was

zoo keurig geschreven, en wel door een dameshand. Tweemaal las hij het

en kuste het en keek naar mij op met oogen, die duidelijk schenen te

zeggen: «Ik ben de gelukkigste van alle stervelingen!» Alleen hij en

ik wisten, wat er in dien eersten brief van zijn geliefde geschreven

stond.--Ja, ook nog een ander paar oogen herinner ik mij. Wat kunnen

onze gedachten toch snel van het eene op het andere springen! Hier in

de straat had er een begrafenis plaats; een jeugdige, schoone vrouw

lag in de lijkkoets in de kist, die met bloemen en kransen bedekt

was; de vele fakkels verduisterden mijn licht. Langs de huizen

stonden de menschen dicht op elkaar gedrongen; zij sloten zich

allen bij den lijkstoet aan. Maar toen de fakkels uit mijn gezicht

verdwenen waren en ik eens in de rondte keek, stond er nog iemand

tegen mijn paal aan te leunen en weende. Nimmer zal ik die oogen,

waarin zooveel treurigheid te lezen stond en die naar mij opkeken,

vergeten!» Deze en dergelijke gedachten bestormden de oude lantaarn,

die thans voor de laatste maal haar licht in de straat verspreidde.

De schildwacht, die van zijn post afgelost wordt, kent zijn opvolger

ten minste en kan hem nog eenige woorden toefluisteren; maar de

lantaarn kende haar plaatsvervangster niet, en zij zou haar toch zoo

menigen nuttigen wenk omtrent mist en regen hebben kunnen geven; zij

zou haar hebben kunnen zeggen, hoever de stralen der maan reikten,

uit welken hoek de wind gewoonlijk woei, en zooveel andere dingen meer.

Op het brugje, dat over de goot lag, stonden drie personen, die

zich aan de lantaarn wilden voorstellen; want zij verkeerden in den

waan, dat deze den post zelf te begeven had. De eerste persoon was

een haringkop, die in de duisternis insgelijks licht van zich kon

geven. Hij beweerde, dat het heel wat olie zou uithalen, als hij op

den lantaarnpaal geplaatst werd. De tweede was een stuk vermolmd

hout, dat ook licht rondom zich verspreidt. Het was, zeide het,

van een ouden stam afkomstig, eenmaal het sieraad van het bosch. De

derde persoon was een glimwormpje; waar dit vandaan gekomen was,

begreep de lantaarn niet, maar het was er, en licht geven kon het

ook. Het vermolmde hout en de haringkop zwoeren echter bij alles,

wat hun heilig was, dat het slechts op bepaalde tijden licht van zich

gaf en dat het daarom volstrekt niet in aanmerking kon komen.

De oude lantaarn verklaarde, dat geen hunner voldoend licht gaf, om den

post van straatlantaarn te bekleeden; maar dat wilde geen van drieën

gelooven. Toen zij dan ook hoorden, dat de lantaarn den post niet

zelf te begeven had, zeiden zij, dat dit hun genoegen deed; want zij

was al veel te oud en te afgeleefd, om een goede keuze te kunnen doen.

Op hetzelfde oogenblik kwam de wind van den hoek der straat aanbruisen

en gierde door de luchtgaten der oude lantaarn. «Wat hoor ik daar?»

zei hij tegen haar. «Gaat ge morgen heen? Is dit de laatste avond, dien

ik u hier aantref? Dan wil ik u tot afscheid toch nog wat geven. Ik

blaas nu op zulk een wijze in uw hersenkast, dat ge u voortaan niet

alleen alles, wat ge gehoord en gezien hebt, zult kunnen herinneren,

maar dat het zoo helder in uw binnenste zal worden, dat ge alles,

waarvan in uw tegenwoordigheid gelezen of verteld wordt, kunt zien.»

«O, dat is waarlijk veel, heel veel!» sprak de oude lantaarn. «Ik dank

u wel hartelijk. Als ik maar niet in een anderen vorm gegoten wordt!»

«Dat zal nog zoo gauw niet gebeuren!» zei de wind. «Nu blaas ik u de

herinnering in; als ge meer andere geschenken van dien aard krijgt,

dan kunt ge nog een gelukkigen ouden dag hebben.»

«Als ik maar niet in een anderen vorm gegoten word!» zei de lantaarn

weer. «Of zal ik dan ook mijn geheugen behouden?»

«Oude lantaarn, wees toch verstandig!» hernam de wind.

Op dit oogenblik kwam de maan van achter de wolken te voorschijn.

«Wat geeft gij?» vroeg de wind.

«Ik geef niets,» antwoordde zij. «Ik ben immers aan het afnemen, en

de lantarens hebben mij nooit verlicht, maar wel heb ik omgekeerd de

lantarens verlicht.» En met deze woorden verschool de maan zich weer

achter de wolken, om verder aandringen te voorkomen.

Nu viel er een droppel op de lantaarn neer. Deze droppel zeide, dat

hij uit de grauwe wolken kwam en ook een geschenk was, misschien wel

het beste. «Ik doordring u zoozeer, dat ge de gave verkrijgt om in

één nacht, als ge dit verlangt, in roest te veranderen en tot stof

te worden.»

Dit scheen de lantaarn een slecht geschenk toe, en de wind dacht er

evenzoo over. «Is er niemand meer, die wat te geven heeft?» blies

hij zoo hard, als hij maar kon.

Nu viel er een heldere verschietende ster neer en liet een lange,

vurige streep achter.

«Wat was dat?» riep de haringkop uit. «Viel daar niet een ster naar

beneden? Ik geloof haast, dat zij op de lantaarn is neergekomen. Nu,

als er zulke hooggeplaatste personen naar den post dingen, kunnen

wij wel naar huis gaan.»

En dat deden zij ook alle drie. Maar de oude lantaarn gaf op eens een

verwonderlijk helder licht van zich. «Dat is een heerlijk geschenk

geweest!» zeide zij. «De prachtige sterren, waarin ik altijd zooveel

schik gehad heb en die zulk een helderen glans rondom zich verspreiden,

als ik nooit van mij heb kunnen geven, ofschoon ik er altijd mijn

uiterste best toe heb gedaan, hebben mij, arme oude lantaarn, toch

opgemerkt en mij een geschenk gezonden, waardoor alles, wat ik mij

zelf herinner en wat ik zoo duidelijk zie, alsof het voor mij stond,

ook door allen, die ik liefheb, gezien kan worden. En hierin ligt

toch eerst het wezenlijke genot; want een vreugde, waarin men niet

met anderen kan deelen, is toch maar een halve vreugde.»

«Dat doet uw hart eer aan!» zei de wind. «Maar ge weet zeker nog

niet, dat daartoe waskaarsen noodig zijn. Als er geen waskaars in u

opgestoken wordt, dan kan niemand der anderen iets in u zien. Daaraan

hebben de sterren niet gedacht; zij meenen, dat alles, wat licht

geeft, een waskaars in zich heeft. Maar ik ben nu moe en zal wat gaan

liggen!»--En hij ging terstond liggen.

«Och hemel! Waskaarsen!» zei de lantaarn. «Die heb ik tot hiertoe

niet gehad, en die zal ik in het vervolg ook wel niet krijgen. Als

ik maar niet in een anderen vorm gegoten word!»

Den volgenden dag,--ja, den volgenden dag kunnen wij gerust

overspringen,--maar den volgenden avond zat de lantaarn dood op

haar gemak in een leuningstoel! En raad eens waar? Bij den ouden

lantaarnopsteker. Deze had den burgemeester en den gemeenteraad om de

gunst verzocht, uit hoofde van zijn langdurige en trouwe diensten de

lantaarn te mogen behouden, die hij zelf op den dag, waarop hij zijn

post had aanvaard, nu vier-en-twintig jaren geleden, voor 't eerst

opgestoken had. Hij beschouwde haar als zijn kind, want hij had er

geen ander; en de lantaarn werd hem ten geschenke gegeven.

Zoo zat zij daar dan in den leuningstoel, dicht bij de warme

kachel. Het was, alsof zij grooter geworden was, want zij besloeg

bijna den geheelen stoel.

De oude luidjes zaten aan hun avondmaal en wierpen vriendelijke

blikken op de oude lantaarn, waarvoor zij gaarne een plaats aan de

tafel zouden ingeruimd hebben.

Zij woonden wel is waar in een kelder, die twee el diep onder den

grond was; men moest een steenen gang door om er in te komen; maar

van binnen zag het er toch recht gezellig uit, en het was er warm;

want zij hadden tochtlatten om de deur gespijkerd. Alles zag er hier

netjes en zindelijk uit, en er hingen gordijnen voor de bedstede en

voor de kleine raampjes. Op de vensterbank stonden twee zonderlinge

bloempotten, die de matroos Christiaan uit Oost- of West-Indië

meegebracht had. Zij waren maar van grof aardewerk en stelden twee

olifanten voor, die echter geen rug hadden; maar in plaats daarvan

groeide er uit de aarde, waarmee zij gevuld waren, in den eenen het

prachtigste bieslook: dat was de moestuin der oude luidjes: in den

anderen een groote, bloeiende geranium: dat was hun bloemtuin. Aan

den muur hing een groot, bontgekleurd schilderij, dat het congres van

Weenen voorstelde. Op deze wijze hadden zij alle koningen en keizers

op eens bij elkaar. Een klok, waaraan zware looden gewichten hingen,

deed onophoudelijk: «Tik, tak!» en deze liep altijd voor, maar dat was

beter, dachten de oude luidjes, dan dat zij naliep. Zij gebruikten hun

avondmaal, en de oude straatlantaarn zat, zooals reeds gezegd is, in

den leuningstoel dicht bij de kachel. Het kwam de lantaarn voor, alsof

de geheele wereld omgedraaid was. Maar toen de oude lantaarnopsteker

haar aankeek en er van sprak, wat zij beiden alzoo met elkaar doorleefd

hadden, in regen en mist, in de heldere, korte zomernachten zoowel

als in de lange winternachten, wanneer het sneeuwde, zoodat het hem

goeddeed, als hij weer in zijn kelder kwam,--toen wist de lantaarn

zich weer goed in alles te verplaatsen. Zij zag alles even duidelijk,

alsof het nu nog gebeurde; ja, de wind had haar inwendig goed verlicht.

De oude luidjes waren zeer vlijtig en bedrijvig; geen uur werd er door

hen in ledigheid doorgebracht. Des Zondags middags werd er het een of

ander boek voor den dag gehaald, bij voorkeur een reisbeschrijving,

en dan las de waardige grijsaard zijn vrouw voor, van Afrika, van de

groote bosschen, van de olifanten, die daar in 't wild rondloopen,

en dan luisterde de oude vrouw in gespannen aandacht naar hem en

sloeg een heimelijken blik op de beide olifanten van aardewerk,

die voor bloempotten dienden.

«Ik kan mij dat alles best voorstellen!» zeide zij. En de lantaarn

wenschte dan van ganscher harte, dat er een waskaars voorhanden geweest

was, die in haar kon opgestoken worden; dan zou de oude vrouw alles tot

het kleinste toe nauwkeurig zoo hebben kunnen zien, als de lantaarn dit

zag: de hooge boomen, de dicht in elkaar gegroeide takken, de naakte,

zwarte menschen te paard en geheele troepen olifanten, die met hun

plompe pooten riet en struiken vertrapten.

«Wat baten mij nu al mijn gaven, als ik geen waskaars vind?» zei

de lantaarn met een zucht. «Zij hebben niets anders dan olie en

vetkaarsen, en dat is niet voldoende!»

Op zekeren dag kwam er een heele boel eindjes waskaars in den kelder;

de grootste eindjes werden gebrand, en de kleinere gebruikte de vrouw

om er haar draden mee te wrijven. Er waren dus genoeg waskaarsen

voorhanden; maar het kwam de beide oude luidjes niet in de gedachten,

een klein eindje in de lantaarn te zetten.

«Daar sta ik nu met al mijn gaven,» dacht de lantaarn. «Ik heb alles

in mij, maar kan er hen geen deelgenooten van maken; zij weten niet,

dat ik de witte muren in de prachtigste tapijten kan veranderen,

in de heerlijkste bosschen, in alles, wat zij maar kunnen wenschen.»

De lantaarn werd overigens netjes in orde gehouden en stond geschuurd

in een hoek, waar zij iedereen in het oog viel. De menschen vonden

wel is waar, dat het een onnut meubel was; maar daarom bekreunden de

oudjes zich niet: zij hadden de lantaarn immers lief.

Op zekeren dag,--'t was de verjaardag van den ouden lantaarnopsteker,

ging de oude vrouw glimlachend naar de lantaarn toe en zei: «Ik zal

vandaag eens ter eere van mijn man illumineeren!» En de lantaarn

knarste met haar blikken schoorsteentje en dacht: «Wacht! Eindelijk

zal er toch een licht voor hen opgaan!»

Maar het bleef bij olie, en geen waskaars kwam er te voorschijn. Zij

brandde den heelen avond door, doch zag nu maar al te goed in, dat

het geschenk der sterren voor dit leven een doode schat zou blijven.

Daar had zij een droom,--en als men zulke gaven als zij bezit, dan is

het geen kunst om te droomen! Het kwam haar voor, dat de oude luidjes

gestorven waren en dat zij naar de ijzergieterij gebracht was, om in

een anderen vorm gegoten te worden. Het was haar daarbij even bang

te moede als indertijd, toen zij naar het stadhuis moest, om door

den burgemeester en den gemeenteraad bekeken te worden. Maar ofschoon

haar de macht verleend was, zich in roest en stof te veranderen, als

zij dit wenschte, deed zij dit toch niet. Zij werd in den smeltoven

geworpen en in een ijzeren kandelaar veranderd, zoo mooi, als men

maar zou kunnen wenschen, om waskaarsen daarop te plaatsen. Zij had

den vorm van een engel gekregen, die een grooten bloemruiker draagt;

midden in den ruiker werd de waskaars geplaatst. De kandelaar kreeg

zijn plaats op een groene schrijftafel; de kamer, waarin zij stond,

zag er heel gezellig uit; er stonden vele boeken in, en de muren waren

met mooie schilderijen behangen; zij behoorde een dichter toe. De

kamer veranderde in dichte, donkere bosschen, in liefelijke weiden,

in het scheepsverdek op de golven der zee, in den helderen hemel met

al zijn sterren.

«Wat liggen er toch een menigte gaven in mij besloten!» zei de oude

lantaarn, toen zij wakker werd. «Ik zou er bijna naar verlangen, in

een anderen vorm gegoten te worden. Maar neen! Dat mag niet gebeuren,

zoolang de oude luidjes leven. Zij hebben mij om mijns zelfs wil

lief. Zij hebben mij geschuurd en mij olie gegeven. En ik heb het

immers ook even goed, als het heele congres, in de beschouwing waarvan

zij insgelijks genoegen vinden!»

Van dien tijd af genoot zij meer inwendige rust, en dat had de oude,

brave straatlantaarn wel verdiend.

Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood · 第 8 / 83 题