„Wat is dat voor een allerzonderlingst glazen kolfje?” vroeg Charly
Brand, toen hij een dag later de ruime kamer binnentrad, door Raffles
ingericht tot studeerkamer.
Een groot aantal boeken stonden er gerangschikt in vele kasten, langs
de muren geplaatst. Een reusachtige globe troonde op een tafeltje en
verscheiden landkaarten lagen opgerold op een groot rek.
De Groote Onbekende had in dit vertrek zoowat alles verzameld, wat hem
een beetje kon helpen en wegwijs maken bij zijn nasporingen.
Maar totnogtoe had hij zich niet opgehouden met de bezigheid, waarmee
Charly hem verraste.
„Wat dat is?” beantwoordde Raffles de vraag van zijn jongen secretaris,
„dat is een kolfje.”
„Ja, maar wat voer je ermee uit?”
„O, wou je dat graag weten?”
„Precies!”
„Wel, Charly, ik heb een kleine, scheikundige proef genomen!”
„Drommels!”
„Een heel eenvoudige!”
„En met succes?”
„Met zéér veel!”
„Wat heb je gevonden?”
„Een beetje opium.”
„Waarin?”
„In een sigaret.”
„En van wien was die sigaret?”
„Beste jongen, nu vraag je te veel.”
„Dus je bent weer bezig, het een of ander geheim op te lossen?”
„Precies!”
Charly vroeg niet verder.
Hij wist uit ervaring, dat Lord Lister, als hij bezig was met de
oplossing van een of ander belangrijk probleem en als dus zijn geest
werd beziggehouden door allerlei combinaties, niet wilde worden lastig
gevallen met vragen, die hij toch niet dacht te beantwoorden.
Dan was de Groote Onbekende steeds kort-af, als hem iets werd gevraagd.
„Mond houden,” dacht Charly, „en afwachten. Edward zal wel vanzelf uit
den hoek komen, als hij al iets heeft mee te deelen.”
En inderdaad!
Nog geen half uur later, welken tijd Charly had doorgebracht met het
bladeren in een paar Engelsche tijdschriften, om dan telkens,
tersluiks, een blik te werpen op het gelaat van zijn vriend, die zat te
teekenen en te denken, stond Raffles op uit zijn stoel.
Hij klapte zijn gouden sigarettenkoker open, nam daaruit een uiterst
dun gerolden sigaret en nadat hij nog een tijd lang zwijgend de fijne
rookwolkjes had nagekeken, begon hij:
„Charly, er is werk aan den winkel!”
„Zie je wel,” dacht Charly, met een gevoel van triomf, „ik dacht wel,
dat Edward eindelijk weer spraakzaam zou worden.”
Maar de uiting van den Grooten Onbekende beviel diens blonden
secretaris maar half.
Charly was er volstrekt niet op gebrand om te worden betrokken in de
rustelooze avonturen van zijn heer en meester. Hij bleef het liefst
buiten schot en keek van uit een wijden fauteuil heel graag toe, als
Lord Lister de moeilijkste avonturen ondernam. Hij juichte mee, als een
onderneming slaagde en hij beefde, erger dan het slachtoffer zelf, als
gevaar dreigde.
En daarom was het dan ook met slechts matige vroolijkheid en
belangstelling in zijn stem, toen hij zei:
„Werk aan den winkel? Voor wie?”
„Wel, boy, voor ons beiden!”
Charly werd opmerkzamer.
„Wat voor soort werk?”
„Dat zal ik je uitvoerig vertellen. Luister!”
Charly stond op trad naar zijn vriend toe, schoof een stoel aan en ging
zitten.
„Vertel maar, Edward, ik ben geheel oor!”
„Het verhaal is kort, Charly, en minder belangwekkend, dan je denkt. Je
moet je eenvoudig met mij, als loodgieter verkleed, naar een huis
begeven en daar op het dak klauteren om er, natuurlijk „zoogenaamd,”
eenige werkzaamheden te verrichten. Ik hoop nu maar, dat de bak met
gereedschap je niet te zwaar zal vallen, mijn jongen.”
Charly’s gelaat klaarde op.
„O, als ’t anders niet is, Edward, ik ben volkomen tot je dienst.” En
toen, na eenige aarzeling, voegde hij eraan toe:
„Zeg, Edward, er is toch geen gevaar aan verbonden?”
Raffles lachte hartelijk.
„Gevaar? Daaraan denk ik steeds het allerlaatst, m’n jongen! Och, kijk
eens, boy, aan alles is ten slotte gevaar verbonden, niet waar? Gevaar
is immers zoo iets betrekkelijks. Als je op straat loopt, kun je onder
een auto raken, als je roeit, kan je giek of wherry omslaan; bij het
voetballen kun je een trap tegen je maag krijgen; uit een vliegmachine
val je meestal dood; bij het schaatsenrijden kom je in een wak terecht
of je breekt je nek......”
Charly hield zijn ooren dicht.
„Hou op, Edward, het duizelt me; ik krijg sterretjes voor m’n oogen.”
„O, beste jongen! Ik was nog lang niet uitgepraat. Want ik had je nog
niet verteld, dat er bij zoo’n expeditie op een dak steeds het gevaar
dreigt naar beneden te kunnen slaan, zoo maar, pardoes op het
plaveisel. Verdere opsomming zal ik je ditmaal sparen.
„We gaan er vanavond samen op uit om ons van een paar flinke
werkmanspakken te voorzien; voor gereedschap is al gezorgd.”
Eenvoudig gekleed, een pet op het hoofd, de klep over de oogen
getrokken, gingen dien avond Lord Lister en zijn jonge secretaris op
pad.
„We moeten naar den Haarlemmerdijk,” sprak de Groote Onbekende, „in een
der kleedingwinkels uit die drukke volksbuurt zullen we wel terecht
komen.”
Het tweetal wandelde, al rookend en pratend, naar het Leidscheplein en
vandaar door de vroolijke, helder verlichte winkelstraten naar het
stadsgedeelte, waarachter de Jordaan zich uitstrekt en waar vooral in
de avonduren zulk een groote drukte heerscht van vrouwen en mannen uit
het volk die, na gedanen arbeid, nog een straatje om kuieren om te
kijken, te praten, te koopen.
Inderdaad slaagden Raffles en zijn vriend al heel spoedig met hun koop
en, ieder met een groot pak onder den arm, stevig met grof touw dicht
gebonden, wandelden ze terug naar het Centraal-Station en daar stapten
ze op het voorbalcon van een der motorwagens van lijn 2.
Niemand van de passagiers, zoo hij hen al gekend mocht hebben, zou in
het tweetal de elegante heeren hebben herkend, die zulk een opzien
baarden bij de dames en zulk een aangenamen indruk maakten, als ze een
diner- of balzaal binnentraden; die in de schouwburgloge steeds aller
oogen tot zich trokken.
Gansch onopgemerkt kwam het tweetal terug in de villa en toen een
uurtje later zoowel Charly Brand als Edward Lister zich had gestoken in
den werkmanskiel, pijpje in den mond, gereedschappenbak, waarin stukken
pijp, zink, spijkers en hamers, onder den arm, toen zagen ze er uit als
een paar loodgieters van het bovenste plankje.
Den volgenden middag kon men het tweetal, op dezelfde manier uitgedost,
omstreeks vijf uur, over de Hoogesluis zien stappen.
„Maar Edward!”
Charly bleef plotseling staan, zette zijn gereedschappenbak op den
grond en begon, om zich een houding te geven, opnieuw den brand te
steken in zijn kalken neuswarmertje.
„Wat heb je nu weer; neem dien bak op, Charly, je belemmert het
verkeer!”
„Ik denk er niet aan! Ik doe geen stap verder, ik verroer geen vin, als
je me niet eerst op mijn vraag hebt geantwoord.”
„Vraag dan op!”
„Als er nu eens werkelijk loodgieters bezig zijn op het huis van meneer
Harringa, dan snappen ze immers meteen, dat wij komen met héél andere
bedoelingen.”
Raffles haalde de schouders op.
„Raap op je bak, Charly,” sommeerde hij nogmaals, „zóó snugger was ik
ook wel! Daaraan heb ik óók gedacht! Stel je gerust! De mannen zouden
vandaag niet werken, omdat er een laagje gewapend beton is aangebracht,
dat eerst nog moet besterven. We zijn, wat dàt betreft, veilig, boy!”
Charly nam nu z’n bak weer op, waartegen een straatjongen al eens had
geschopt, onder den uitroep:
„Schiet op baasie, anders kom je te laat!”
Charly keek den jongen nijdig aan.
„Maak dat je weg komt,” snauwde hij.
„Hij zeit wat,” glunderde de jongen terug, maar meteen maakte hij zich
uit de voeten.
„Pf,” zuchtte Charly weer, „ik begin het ongemakkelijk warm te krijgen,
Edward! Die bak is zóó zwaar!”
„Kom boy, nog een paar minuten, dan zijn we er!”
Charly torstte z’n last verder, af en toe stil staande om den bak van
den eenen schouder op den anderen over te brengen.
Totdat ze eindelijk het groote huis hadden bereikt.
Op de koperen naamplaat las Charly: A. Harringa.
Raffles belde.
De huisknecht deed open.
„We hebben nog een karwei op ’t dak te verrichten,” zeide Lord Lister,
„de baas heeft ons gezonden.”
Hij spuwde een geweldigen pruim op straat, voordat hij de gang
binnenstapte en toen op gemoedelijken toon tot den bediende zei:
„Me collega’s, die hier gisteren werkten, hebben nou een karweitje aan
de Stadhouderskade. Wil je ons even den weg naar het dak wijzen,
meester?”
„Wel zeker,” zei Egbert, „loopt maar achter mij aan, vrienden.”
Charly volgde den huisknecht en achter Charly kwam Raffles.
Zoo kwam het, dat de oude man het niet zag, hoe Raffles uit zijn
gereedschapsbak een pijpje wit krijt te voorschijn haalde en daarmede
op enkele deurpaneelen en het hekwerk langs de trappen een klein
kruisje teekend.
Op den zolder gekomen, zei Egbert:
„Nou maar langs deze ladder en dan door het luik, dan bennen jullie,
waar je wezen moet.”
„Dank je, baas,” zei Raffles, tegen z’n pet tikkend.
Egbert ging de zoldertrap weer af.
Even nog stak hij z’n hoofd over de trapleuning.
„Jullie vindt den weg wel terug, nietwaar, als de duisternis valt?”
„In orde, meester,” antwoordde Raffles.
Egbert verdween en Lord Lister, gevolgd door zijn secretaris, begonnen
de ladder te beklimmen naar het groote vierkante dakluik.
Met kracht zette Raffles den rechterschouder onder het zware ijzeren
luik, waarvan hij eerst de ijzeren haken had losgemaakt en knarsend in
de roestige scharnieren opende het zich.
„Oef!” steunde hij, „dat is een zwaar brok!”
Toen stak hij het donkere hoofd door de opening en met een vluggen
zwaai stond hij op het platte, met zink beslagen dak van het groote
heerenhuis.
Charly gaf zijn vriend de beide gereedschapskisten aan, welke Raffles
naast elkaar neerzette, en toen begaf ook de secretaris van Lord Lister
zich naar zijn nieuwste arbeidsveld.
Samen namen zij toen het zware luik op, om het op zijn plaats terug te
brengen.
„Voorzichtig, Edward, niet heelemaal sluiten!” vermaande Charly. „Dan
kunnen we het van buitenaf immers niet meer open krijgen en dan zouden
we hier leelijk opgesloten zitten!”
„Hindert niet, boy! Laat maar gerust schieten, er is toch heel weinig
kans op, dat we langs dezen weg weer naar beneden terug gaan,”
antwoordde de Groote Onbekende.
„Niet langs dezen weg? Wou je je dan langs de regenpijp naar omlaag
laten glijden?”
„Weet ik nog niet. Misschien wel!”
En toen Charly zijn vriend verschrikt aankeek, wel wetende, dat niets
den overmoedigen Edward te gewaagd was, sprak deze met een glimlach:
„Nou dan, om jou gerust te stellen, verzeker ik je, dat we de regenpijp
niet noodig zullen hebben.”
Het dak was omgeven door ijzer hekwerk. Charly begaf zich onmiddellijk
daarheen, en liet zijn blikken in het rond gaan.
„Je hebt hier een nog veel mooier uitzicht dan we indertijd hadden in
onze kamers van het Amstel-Hotel!” was Charly’s eerste opmerking. „Zeg,
Edward, kijk eens, hoe ver je van hier den Amstel wel over kunt kijken!
O, wat is dat interessant!”
„Ja, heel mooi,” klonk het terug. „Ik moet het interessante echter een
beetje dichterbij zoeken, boy!”
En reeds was Raffles bezig, om met scherpen blik het dak te
onderzoeken.
Doch aanvankelijk vond hij niets bijzonders.
Het geheele platte dak, waarop een zestal schoorsteenen uitkwamen, was
gedeeltelijk met zink beslagen. Nadat Raffles de zinklaag, die over het
dak was aangebracht, nauwkeurig had bekeken, begaf hij zich naar de
plaatsen, waar zich de schoorsteenen bevonden en kwam eenige
oogenblikken later bij zijn vriend terug, die het panorama, dat dit
hooge uitzichtspunt bood, naar alle windrichtingen bewonderde.
„Kom mee, Charly, ik heb je hulp noodig!”
En toen de jongere kameraad aanstalten maakte om zijn gereedschapsbak
op te nemen, beval hij verder:
„Neen, laat maar staan! Ik heb den mijne daar al neergezet en dat is
voldoende.”
Als altijd, gehoorzaamde Charly onmiddellijk en volgde hij zijn vriend
naar de plek tusschen twee der schoorsteenen, waar de ruwhouten bak met
werktuigen inderdaad reeds stond.
„Help mij eens even, deze zinkplaat los te maken, boy! Hier, neem dezen
beitel!” sprak de Groote Onbekende.
Charly ging naast zijn vriend op de knieën liggen en zag nu, nadat
Raffles hem erop had attent gemaakt, hoe een der zinken platen, die
juist tusschen de beide schoorsteenen pasten, eenige centimeters hooger
was aangebracht dan de andere.
De beide mannen zetten hun werktuigen onder de zware plaat, maar reeds
bij de geringste inspanning bewoog het geheele vierkante zinkdeksel en
een oogenblik later hadden zij dit van zijn plaats genomen.
Een zacht fluitend geluid kwam van de lippen van den Grooten Onbekende,
toen hij onder de opening, die nu was ontstaan, een houten trap zag,
die slechts uit weinig treden bestond.
Ook Charly had zich nieuwsgierig over den rand heengebogen en
fluisterend sprak hij:
„Bah, wat een vuile rommel!”
Raffles beduidde hem om niet te spreken en zwijgend keek het tweetal in
hun geknielde houding in de ruimte, die daar onder hen lag.
Het was een klein, vierkant vertrek, een zolderkamertje, dat geen enkel
venster bezat en waar dus volslagen duisternis meest heerschen, doch
dat nu voldoende verlicht werd door het geopende luik. De ruwe houten
trap die slechts een zestal treden bevatte, verbond het met het dak.
Op de trap, evenals op alles, wat zich in het kamertje bevond, lag een
dikke laag stof en vuil. Het vertrek was gevuld met allerlei rommel,
voornamelijk kisten en manden. Daartusschen lagen in groote wanorde
leege wijnflesschen, een paar stukken verminkt kinderspeelgoed en
eenige, met zwaar touw bijeen gebonden, stapels oude kranten.
Een deur, die toegang moest geven tot het andere gedeelte van den
zolder, was van binnen gesloten door middel van een kram in den muur;
de ketting en het slot waren zeer roestig.
De muren van de kamer waren van hout, dat niet eens geschilderd was.
„Mijn bak, Charly!” sprak Raffles op fluisterenden toon.
En Charly zette de gereedschapsbak van zijn vriend vlak bij dezen neer.
Van onder de gewone werktuigen, zooals loodgieters en zinkbewerkers die
gebruiken, haalde de Groote Onbekende een vergrootglas te voorschijn.
Toen onderzocht hij met dien sterken loupe de onzindelijke treden van
het houten trapje en, met een vergenoegde uitdrukking op het gelaat,
sprak hij, terwijl hij reeds weer met beide handen een der zijden van
het luik omklemde:
„Pak aan, Charly!”
„Weer sluiten?” vroeg deze.
„Ja!”
Onhoorbaar sloten zij den toegangsweg naar het kleine rommelkamertje
weer af.
Vragend keek Charly zijn vriend en meester aan.
„Al klaar, Edward?” informeerde hij.
„Voorloopig wel, mijn jongen,” klonk het korte antwoord.
„Gaan we alweer naar beneden?”
„Neen, dàt nog niet! We zullen zelfs nog urenlang hier moeten blijven,
want eerst vanavond kunnen we verder met ons werk vorderen.”
„Dat wordt een gezellige boel! Wat zullen we zoolang hier boven
uitvoeren?”
„Wachten en rooken en straks een stukje eten!”
„Rooken en eten......” herhaalde Charly meesmuilend, „Ja, jij hebt goed
praten. Hoe wil je hier aan sigaren en proviand komen?”
„Daar is voor gezorgd, boy!
„Maar nòg niet, eerst moet er nog gewerkt worden. Luister eens,
Charly,” vervolgde de Groote Onbekende, terwijl hij op het groote luik,
waardoor zij naar boven waren gekomen, ging zitten.
En toen sprak hij met gedempte stem:
„Eerst vanavond, als de duisternis is ingevallen, kunnen we daar ginds
verder werken. We moeten ons echter den schijn geven, alsof we
intusschen hier bezig zijn. Begin daarom, een paar zinkreepen
gedeeltelijk los te maken. Je hebt dan bezigheid. Hier, steek onderwijl
eens op!” lachte hij en hij haalde uit zijn donkerblauwe werkkiel een
handvol van Charly’s fijne Havanna’s te voorschijn.
„Bewaar ze zelf maar onder je boezeroen, dan kun je rooken zooveel je
verkiest!”
Onder het genot van zijn geliefkoosden sigaar begon Charly nu uiterst
langzaam een deel van het zink-bekleedsel op zoodanige wijze los te
maken, dat het met geringe moeite weer in zijn oorspronkelijken
toestand terug gebracht kon worden.
Raffles, die op het vierkante zolderluik was blijven zitten, liet de
eene sigaret na de andere in rook opgaan en keek peinzend naar de zon,
die al lager en lager aan den hemel daalde.
Zwijgend had Charly zich reeds geruimen tijd beziggehouden met het
bewerken van het zink. Af en toe richtte hij zich halverwege op uit
zijn knielende houding om een blik te werpen op het gelaat van zijn
vriend, maar als hij dan zag, hoe Edward, steeds in gedachten verdiept,
blijkbaar geen notitie van zijn tegenwoordigheid nam, vervolgde hij
zuchtend zijn nutteloos werkje.
Een knagend gevoel in zijn maag herinnerde hem eraan, dat de tijd,
waarop hij gewend was te dineeren, waarschijnlijk lang reeds was
aangebroken.
Zijn horloge had hij bij de verkleedpartij thuis gelaten en
ongelukkigerwijze kon hij van hier uit niet op de klok van het Paleis
voor Volksvlijt zien.
Enfin, dat gaf toch niets, Edward had immers gezegd, dat ze nog
urenlang op het dak moesten blijven?
Maar zijn maag jeukte!
Naar beneden gaan om in een winkel iets te halen?
Doch neen, hij mocht de opmerkzaamheid der bewoners van het huis, op
welks dak zij werkten, niet trekken. Neen, Edward had gelijk! Rustig
hier blijven, tot de arbeid afgeloopen was.
Had hij het maar geweten, dan had hij van te voren wel gezorgd, een
kleine versnapering bij zich te hebben......
„Charly, heb je nog geen honger?” klonk hem plotseling de stem van zijn
vriend in de ooren.
Met een zuurzoeten glimlach op het blozende gelaat richtte de jonge
secretaris van Lord Lister zich op.
Hij keek zijn vriend in de donkere, guitig lachende oogen en
antwoordde:
„Als een wolf, Edward! Ik zou op het oogenblik heel wat willen geven
voor een eenvoudigen biefstuk met aardappelen.”
„Dat komt van het harde werken in de buitenlucht!” lachte Raffles weer.
„Kom naast me zitten, Charly, dan zullen we eerlijk samen deelen.”
Bij deze woorden legde Raffles de gereedschappen uit zijn houten bak op
een hoopje naast zich neer en tilde toen een plank op, die als een
dubbele bodem was aangebracht onder in den bak.
Voor Charly’s verbaasde en begeerige blikken vertoonden zich nu een in
vieren gevouwen servet, toen Raffles ook dit had verwijderd, uitte
Charly een kreet van verrassing.
Op kleine bordpapieren schaaltjes lagen daar allerlei eetwaren, die er
in de oogen van den hongerigen Charly, verlokkender uitzagen dan het
fijnste diner, dat oude James voor hem kon opdisschen.
Sneden malsche rostbief, stukken koude kip en een stapeltje dunne
boterhammetjes en daarnaast eenige halve flesschen wijn. En zelfs voor
een paar vorken en messen had Edward gezorgd!
„Maar dat is verrukkelijk!” riep Charly uit. „Een pic-nic in de
avondschemering op het dak!”
En schaterlachend begon hij zich aan de eetwaren te goed te doen.
„Je zult het zonder glas moeten stellen,” sprak Lord Lister, die naast
Charly zat en het zich, evenals deze, goed liet smaken. „Maar we hebben
weleens vaker de flesch aan den mond gezet, nietwaar, boy? Nu kun je
straks nog een lekkere „after-dinner” van me krijgen, want ook die heb
ik meegenomen. Hoe heb ik nu voor je gezorgd, Charly?”
„Als een vaderlijk vriend en weldoener. Neen, als een moeder bijna!”
sprak de jonge secretaris op gemaakt ernstigen toon.
De laatste overblijfselen van den kouden maaltijd waren verdwenen, en
Lord Lister zei, terwijl hij alweer een sigaret had opgestoken:
„Charly, ruim jij nu het eetservies en ons tafelzilver op!”
Charly borg alles weer op den bodem van de gereedschapsbak en legde de
werktuigen en gereedschappen van zijn makker weer op het plankje, dat
juist in de bak paste.
De zon was nu van den hemel verdwenen en de schemering begon te vallen.
In een grijsachtig licht lagen de huizen der groote stad daar vóór hem;
de westelijke hemel was zachtrood getint, welke kleur naar het oosten
langzaam overging in lila en grijsblauw.
Het water van den Amstel lag stil en onbewogen en als een reusachtige
slang, die roerloos ligt, zoo strekte de rivier zich uit tot ver buiten
de stad, tusschen de groene weiden, totdat zij aan den horizon scheen
samen te smelten met den grijzen avondhemel, waaraan zich reeds de
smalle zilveren maansikkel vertoonde.
Op het dak van het groote, oude huis, waarin de familie Harringa
woonde, waren in den donkeren avond twee mannen aan den arbeid.
Zwijgend lichtten zij het luik, dat tusschen de beide schoorsteenen was
aangebracht, uit de opening.
Toen gleden zij geruischloos langs de smalle, met stof bedekte trap
naar beneden.
Het was in de kleine rommelkamer nu volslagen donker, doch de oudste
der beide loodgieters haalde uit een zijner diepe broekzakken een
electrische lantaarn te voorschijn en op hetzelfde oogenblik viel een
heldere lichtbundel in het sombere vertrek.
Plank voor plank onderzocht John C. Raffles nu de vier muren van het
kamertje en aandachtig luisterde hij naar het geluid, dat zijn kloppen
op het ruwe hout teweeg bracht.
Eindelijk vond hij in een der hoeken, die hij slechts had kunnen
bereiken door zich een weg te banen over kistjes en manden, een plek,
waar het geluid holler klonk.
Weer werd het vergrootglas te voorschijn gehaald en eenige minuten
later had de Groote Onbekende gevonden, wat hij zocht.
Voorzichtig drukte hij op een bijna onzichtbare, smalle veer, die in de
kier tusschen twee planken was aangebracht en plotseling opende zich
een deur in den houten muur.
De deur draaide naar buiten open en bij het heldere licht der
electrische zaklantaarn zag Lord Lister eenige steenen treden, in den
muur van het huis uitgehouwen.
Een glans van genoegen was op het fijne gelaat van den Grooten
Onbekende verschenen.
Even keerde hij zich om naar Charly, die in de opening van het dakluik
was blijven zitten, de beenen langs de vuile houten trap naar beneden
bengelend.
Lord Lister beduidde zijn vriend met een gebaar, om hem naar beneden te
volgen.
De steenen trap was zóó smal, dat zij die niet naast elkaar konden
afloopen.
Ook hier was alles met een dikke laag stof bedekt, waarin zich
duidelijk de sporen van voetstappen vertoonden.
De trap stiet tegen een deur, die gesloten was en Raffles zag bij het
schijnsel zijner lantaarn, dat deze deur geen handvat of slot bezat.
Zijn slanke vingers betastten plek voor plek, gleden langs de paneelen
en het kozijn, totdat zij een ondeelbaar oogenblik bleven rusten op een
klein, rond knopje, dat aan de rechterzijde was aangebracht en volkomen
op een knoest in het hout geleek.
Een korte druk en de deur ging geruischloos open.
Daar vóór hem, helder verlicht door het schijnsel van Raffles’
zaklantaarn, lag de „schatkamer”, het heiligdom van den heer Albert
Harringa, en deze deur, die op zoo kunstige wijze was aangebracht,
maakte, zooals Lord Lister reeds had vermoed, een deel uit van de
eikenhouten lambrizeering, die de wanden der kamer gedeeltelijk
bedekte.
Charly wierp nieuwsgierige blikken om zich heen.
„Drommels, daar is een goede slag te slaan!” dacht hij bij zichzelf.
„Goud en zilver genoeg en antiquiteiten en kostbaarheden, meer dan we
mee zullen kunnen nemen!”
En reeds verwachtte hij, dat Edward hem een aantal van de meest
waardevolle voorwerpen zou toereiken om ze onder zijn blauwe
werkmanskiel te verbergen.
Hoe groot was daarom zijn verbazing, toen Lord Lister, inplaats van
deze kleine schatkamer binnen te gaan, zich weer naar Charly wendde en
tot dezen op fluisterenden toon sprak:
„Weer naar boven!”
Raffles sloot de eikenhouten deur weer zorgvuldig achter zich dicht,
beklom met Charly de steenen trap en door het stoffige rommelkamertje
begaven zij zich naar het dak terug.
Eerst toen zij den weg weer door middel van het luik hadden afgesloten,
durfde Charly zijn verbazing te uiten.
„Waarom gaan we met leege handen terug, Edward? Het was toch een kleine
moeite, nu we eenmaal dáár waren, om......”
„Begin je weer te vragen?” bromde Lord Lister. „Ik wil deze keer eens
niets weghalen uit die schatkamer, maar er iets terug bezorgen, boy!”
„Terug bezorgen? En moet dat langs dezen weg?”
„Dat vertel ik je later wel, als ik het voorwerp, dat terug bezorgd
moet worden, maar eerst heb gevonden!”
„Moet je dat nog vinden? Nu begrijp ik er heelemaal niets meer van!”
mopperde de blonde secretaris.
„Dat is ook niet noodig!” klonk het lakonieke antwoord en toen
vervolgde Raffles, terwijl hij zijn blauwe kiel losknoopte:
„Kijk, Charly, ik had er al op gerekend, dat we op eigen gelegenheid
weer naar beneden zouden moeten gaan.”
Al sprekende wond hij een touwladder van zijn middel, die daaromheen
geslagen was geweest. Uit zijn gereedschappenbak nam hij toen een
stevigen ijzeren haak, verbond dezen aan het boveneinde van de ladder
en sprak weer:
„Aan de achterzijde van het huis is een kleine tuin; daarin zullen we
ons laten afzakken. Ik zal eerst gaan, Charly; als ik goed en wel
beneden ben aangeland, trek ik driemaal aan het touw en daarna kan jij
komen afdalen.”
„En onze gereedschapsbakken?” vroeg Charly.
„Wel, kerel, die laten we hier achter.”
„Maar de vorken en messen?”
„Die schenken we den eerlijken vinder; de loodgieters, die hier na ons
komen werken, mogen er hun huishouden mee verrijken.”
Een kwartiertje daarna waren John C. Raffles en Charly Brand behouden
in den tuin van den heer Harringa beland. Een houten schutting scheidde
dezen tuin van de straat en het was voor de beide vrienden een geringe
moeite om hierover te klimmen.
Het was tegen tien uur in den avond, toen oude James, de getrouwe
huisknecht van Lord Lister, werd opgeschrikt bij het lezen van zijn
krant, door een luid bellen aan de voordeur.
Toen hij deze opende, zag hij twee werklui, nog in hun blauwe kielen
gekleed, voor zich staan.
Beleefd zijn pet afnemend, sprak een van het tweetal:
„Zouden wij u een kleinigheid mogen verzoeken voor een paar
werkloozen?”
Wijder openden zich de oogen van James, scherper keek hij toe, toen
barstte hij in een schaterlach uit.
„Die meneer Brand toch!” lachte hij hoofdschuddend, terwijl hij Lord
Lister en diens vriend liet passeeren, „om een ouden man zoo voor den
gek te houden!”
Toen slofte hij achter het tweetal aan naar binnen.