Drie dagen later zat dominee Bronsmand, alias John C. Raffles, de
Groote Onbekende, tegenover den rijken Indischman, Albert Harringa, in
diens woonkamer.
Deze kamer leverde een schouwspel op van de weelderigste pracht.
Een overvloed van kostbare meubelen vulde haar en ieder stuk op
zichzelf vertegenwoordigde een klein kapitaal, want het waren meest
alle antiquiteiten van zeldzame soort.
Een der hoeken van het groote, vierkante vertrek werd in beslag genomen
door een vleugel, die opengeslagen stond. Een gladhouten muziekkastje
stond er naast en was gevuld met een vracht muziekboeken, in keurige
banden.
Op den breeden eikenhouten schoorsteenmantel rustte een zeer oude
zilveren pendule met bijbehoorende vazen en een marokijnen
kleinoodiënkastje, gevuld met voorwerpjes van gedreven zilver en goud,
stond op een antieken trumeau tegen een der wanden.
Als overgordijnen in deze kamer, die met eigenaardigen smaak was
ingericht, dienden bontkleurige Indische doeken, welke door de
Inlanders uit de hand geborduurd waren, terwijl een kleed op dezelfde
wijze vervaardigd, den breeden divan bedekte, een der weinige moderne
meubelen in dit vertrek.
Een aantal zeer goede schilderijen in zwaar vergulde lijsten bedekten
de wanden en op een ezel prijkte het geschilderde portret van een
groepje kinderen. In een der beide jongens herkende Raffles
onmiddellijk den jongsten zoon van den heer Harringa, zijn nieuwen
vriend Willy. Het moest echter reeds vele jaren geleden zijn, dat dit
portret was geschilderd, want Willy kon daarop hoogstens tien jaar oud
zijn.
Lord Lister, die in overleg met Willy, zijn uiterlijk eenige wijziging
had doen ondergaan, om meer den indruk te maken van een eerwaardig
predikant, had ongeveer een half uur gezellig met den suikerlord en
diens jongsten zoon zitten praten.
De oude heer, die tegenover Lord Lister in een wijden armstoel zat,
maakte op dezen een zeer gematigden indruk.
Hij was een man van een lang en mager uiterlijk en op het eerste
gezicht zou men hem voor een oud-militair houden.
Zijn gelaat was gladgeschoren, behalve een zware, grijze snor, die den
fijnbesneden mond gedeeltelijk bedekte.
Hij droeg het grijze haar kort afgesneden, ook de zware wenkbrauwen
waren geheel grijs en twee diepe rimpels tusschen de oogen gaven aan
zijn gelaat een strenge, vastberaden uitdrukking.
Het geheele uiterlijk van den ouden heer toonde aan, dat hij door de
buitenlucht gehard was en zijn gelaatsuitdrukking was een mengeling van
groote goedhartigheid, van edelmoedigheid zelfs, gepaard gaande aan een
onverzettelijke wilskracht, die, wanneer de omstandigheden het zoo
meebrachten, tot wreedheid zou kunnen overgaan.
De oude heer Harringa, die volgens Raffles’ meening een goede zestiger
kon zijn, was onberispelijk gekleed en terwijl hij den Grooten
Onbekende vertelde van zijn langdurige verblijf in de tropen, viel het
den bezoeker op, hoe goed het toilet van den heer des huizes tot in de
minste kleinigheden verzorgd was.
Zijn kleeren waren van de fijnste stoffen vervaardigd en van
onberispelijken snit, de laarzen waren van de beste qualiteit, en de
matgouden manchetknoopen van den suikerlord muntten uit door hun
kunstige bewerking.
„En toch is hij geen fat,” dacht lord Lister bij zichzelf, „die harde,
strenge gelaatstrekken en heldere, diepliggende oogen getuigen wel van
een degelijke, ernstige levensopvatting.”
Willy, de jongste zoon van den Indischman, geleek, wat zijn uiterlijk
betrof, niet veel op zijn vader. Wel had hij denzelfden fijn gebogen
neus en ook diens hoog, intelligent voorhoofd geërfd, maar overigens
lag op zijn gelaat zulk een uitdrukking van jongensachtige
onbezonnenheid en schalkschen humor, dat men slechts zeer weinig
overeenkomst tusschen hem en den ernstigen, strengen vader zag.
„En bevalt u het rustige leven in Holland, na zooveel jaren van hard
werken, dat gij in Indië achter den rug hebt?” informeerde dominee
Bronsmand, nadat hij geduldig had geluisterd naar de beschrijving van
den suikerlord over diens jarenlangen inspannenden arbeid in Insulinde.
„Was die overgang voor u niet heel groot?”
Een glimlach verscheen op het fijnbesneden gelaat van den ouden heer,
toen hij niet zonder eenigen trots antwoordde:
„Maar ik breng ook hier mijn dagen niet in ledigheid door! Daartoe voel
ik me nog te krachtig... nog niet oud genoeg. Ik heb mij eenigen tijd
geleden laten opnemen in een der grootste handelsfirma’s hier en de
werkzaamheden, die ik als mede-directeur op mij heb genomen, zijn van
veelomvattenden aard. Neen, neen, stilzitten kan ik niet. Daaraan went
men niet meer, als men gedurende een menschenleven hard heeft gewerkt.
„Over eenige dagen ga ik in het belang van onze zaak een reis maken
door een deel van Egypte, welke reis wellicht een half jaar zal duren.
Mag ik misschien het genoegen hebben, u vóór mijn afreis eens als gast
aan onze tafel te zien. Het zal ook mijn vrouw zooveel genoegen doen,
kennis te maken met een oud vriend van onzen zoon en wij beiden hebben
er Willy reeds een verwijt van gemaakt, dat hij ons niet eerder over u
heeft gesproken.”
Met een verlegen uitdrukking op het blozende gelaat keek Willy Harringa
den Grooten Onbekende aan, doch een oolijke glans verscheen in zijn
heldere oogen, toen dominee Bronsmand antwoordde:
„Och, die jonge studenten hebben onwillekeurig zooveel vrienden en
bekenden en dat wisselt elkaar zoo onophoudelijk af in een
academiestad, dat het niet te verwonderen is, als ze niet over hen
allen spreken in den huiselijken familiekring. Bovendien verschillen
Willy en ik tamelijk veel in leeftijd en hadden we elkaar ook reeds
verscheidene jaren uit het oog verloren......”
„Maar hoe denkt u over mijn uitnoodiging?” vroeg de heer Harringa
opnieuw. „Zooals ik reeds zei, stel ik er prijs op, u in kennis te
brengen met mijn vrouw en andere kinderen. Mijn beide dochters zijn
gisteren met mama naar Arnhem gereisd om daar eenige bezoeken af te
leggen bij verre bloedverwanten van ons. Morgen zijn ze echter weer
thuis.
„En mijn oudste zoon verschijnt op dezen tijd van den dag nooit in den
familiekring. Hij heeft een zwakke gezondheid en gebruikt de
namiddaguren om in zijn kamer te rusten.”
Het ontging lord Lister niet, hoe een bijna onmerkbare wolk over het
hooge voorhoofd van den rijken handelsman gleed.
„Met heel veel genoegen wil ik gebruik maken van uw vriendelijke
invitatie, mijnheer Harringa,” sprak hij. „Ook mij zal het een waar
genoegen zijn, kennis te mogen maken met de andere leden van uw gezin,
van wie Willy mij vroeger dikwijls vertelde. Doch ik heb één bezwaar:
mijn avonden zijn voorloopig alle bezet...”
„Maar dan komt u bij ons lunchen!” riep de Indischgast op jovialen toon
uit. „Nietwaar, Willy, dan hebben we je vriend den geheelen middag voor
ons! Zullen we dan afspreken, dat u overmorgen den lunch bij ons komt
gebruiken?” vroeg hij, terwijl hij Raffles met een vriendelijken blik
aankeek.
Lord Lister boog op hoffelijke wijze en zeide, dat hij graag van de
uitnoodiging gebruik zou maken.
Eenige minuten later nam hij afscheid van den ouden heer, waarna diens
jongste zoon zijn „goeden, ouden vriend” uitgeleide deed.
In de deftige eetkamer der familie Harringa had het gezin zich
vereenigd om den lunch te gebruiken, terwijl dien dag dominee Bronsmand
mede aan hun tafel aanzat.
Rechts van den gastheer had lord Lister plaats genomen en reeds had
Albert Harringa zijn nieuwen kennis gewikkeld in een gesprek over de
zeden en gewoonten in de landen van het Nijlgebied.
Raffles vertelde, dat hij eenigen tijd in Caïro had vertoefd en vandaar
uit verscheiden uitstapjes had gemaakt in de omstreken.
„Dat is interessant!” mengde zich nu ook mevrouw Harringa, die aan lord
Listers rechterhand zat, in het gesprek. „Dan zal mijn man veel van u
kunnen vernemen, wat voor hem van belang is voor zijn aanstaande reis.”
„Daarvan vertelt dominee Bronsmand mij vanmiddag nog wel het een en
ander,” antwoordde haar echtgenoot. „Nu wil ik niet langer beslag op u
leggen,” vervolgde hij, zich weer tot zijn gast wendende, „anders haal
ik mij de ongenade van de jongelui op den hals.”
Bij deze woorden liet hij zijn blik gaan langs de andere personen, die
aan de breede eettafel zaten.
Aan de lange zijde, tegenover het echtpaar Harringa met hun gast in het
midden, zaten aan weerskanten van den vroolijken, levenslustigen Willy,
diens beide zusters.
De blonde Louise, die nauwelijks achttien jaren telde, was een
bijzonder bekoorlijk meisje. Zij had den fijnen neus en den mond van
Willy, maar veel mooier oogen dan deze.
Heerlijke, donkere, tintelende oogen, waren het, die tot in de ziel
doordrongen en waarin tegelijkertijd een guitig vonkje tintelde. Als
zij ze opsloeg, blonken ze vroolijk, bijna overmoedig zelfs en toch
hadden zij op een ander oogenblik iets zachts en kwijnends.
Haar blonde haren hingen in een menigte van lange, glinsterende
krullen, op Engelsche wijze, langs haar blozende gezichtje.
Een eenvoudig toilet van fijn wit batist omsloot haar onberispelijke
gestalte en zij droeg geen anderen opschik dan een fonkelenden diamant
aan haar vinger, die de oogen trok tot haar kleine, blanke handjes.
Mathilde, die ruim vier jaar ouder was dan haar zuster, was een knappe
brunette en ook haar uiterlijk had veel overeenkomst met dat van den
vroolijken Willy, om wiens koddige verhalen allen juist hartelijk
lachten.
„Ja zeker, papa,” vervolgde Willy zijn bewering, „inlichtingen omtrent
het leven en de gewoonten van de bewoners der Nijllanden kunnen wij u
ook wel geven. Loes, Tilly en ik hebben een magnifieken film gezien in
een der bioscoop-theaters, „Jachtavonturen in Afrika!” Daar zag je de
interessantste kiekjes, nietwaar kinderen?”
„Tilly was zóó onder den indruk van alles wat de bioscoop ons
vertoonde, dat ze een voorbeeld is gaan nemen aan de inboorlingen. Kijk
maar, Wil, ze heeft haar kapsel veranderd,” sprak het blonde zusje,
terwijl ze met een schalkschen blik keek naar het modern gekapte
hoofdje van Mathilde.
„Waarempel! Dat was me nog niet eens opgevallen!” klonk weer de heldere
stem van Willy, „ja Til, kijk maar niet zoo verontwaardigd, je bent
precies zoo gekapt als die Kafferdames, die zich een heele koek van
vette klei om het hoofd leggen, die ze netjes laten drogen en waarop ze
minstens even trotsch zijn als jij op je kastanjebruine lokkenpracht.”
Mevrouw Harringa hief lachend haar kleinen wijsvinger op tegen haar
ondeugenden zoon.
„Je bent een echte plaaggeest,” sprak ze met haar zachte, eenigszins
sleepende stem, die haar jarenlang verblijf in de tropen verried, „als
ik jullie was, meisjes, zou ik niet meer met Willy uitgaan.”
„Neen, u hebt gelijk, mama! Hij mag nooit meer met ons mee!” klonk het
van de overzijde der tafel.
Mevrouw boog zich tot haar gast over en vertelde:
„Zoo zeldzaam goed als die drie met elkaar kunnen opschieten, dat is
alleraardigst. Als Willy kan, neemt hij zijn zusters altijd mee uit en
de meisjes zijn dan ook dol op hem.”
„Dat is wel een uitzondering, mevrouw,” antwoordde Raffles. „Meestal
nemen de broers liever de zusters van hun vrienden mee uit. Ik
persoonlijk kan hier echter niet over oordeelen.”
„Hebt u geen zusters?” informeerde mevrouw.
„Helaas, neen. Broers noch zusters,” sprak dominee Bronsmand, alias
John C. Raffles.
Het was, alsof een pijnlijke trek over het gelaat van den spreker
gleed, en vreezende, een minder aangename snaar te hebben aangeroerd,
bracht de vrouw des huizes als ongemerkt het gesprek op iets anders.
Mevrouw Harringa was eer klein dan groot van gestalte en aanmerkelijk
jonger dan haar echtgenoot. Haar gelaatstint was veel donkerder dan die
van haar dochters en zij was verre van mooi te noemen. Doch op haar
gelaat lag zulk een uitdrukking van goedhartigheid, haar donkere oogen
keken zoo eerlijk en trouw om zich heen, dat men vergat, hoe
onregelmatig het gelaat was gevormd.
Het bijna zwarte haar vertoonde veel zilveren draden, maar had zijn
jeugdigen glans nog behouden.
En hoe ondeugend de oogen van het kleine vrouwtje, ook konden
schitteren, als Willy en de meisjes op schalksche wijze elkaar plaagden
of geestige uitvallen deden, toch ontging het den Grooten Onbekende
niet, dat af en toe een bezorgde uitdrukking op dat gelaat kwam, als
haar blik gleed naar die andere zijde van de tafel, links van naar
echtgenoot.
Dan bleven die donkere oogen even rusten op den jongen man, die daar
had plaats genomen en die zwijgend getuige was van de gesprekken om hem
heen, zonder dat hij zich met een woord daarin mengde.
Oswald Harringa, de oudste van het viertal kinderen, was een vreemd
uitziend jongmensch. Hij scheen aan onoverkomelijke matheid te lijden,
die hem een levenloos, flauw uiterlijk gaf.
Hij had zeer donkere, droomerige oogen en een gelaat zonder
uitdrukking, van een bijzonder bleeke tint. Hij was lang en mager, met
lange, witte, dunne vingers.
Op eigenaardige wijze hing hij meer in zijn stoel dan dat hij erin zat
met zijn lange beenen recht voor zich uitgestrekt onder de tafel.
Slechts een enkelen keer gedurende den maaltijd richtte hij het bleeke
gelaat op om met een onverschillige uitdrukking in de donkere oogen en
op zachten, vermoeiden toon een kort antwoord te geven, wanneer een
vraag rechtstreeks tot hem werd gericht.
Het scheen echter een zwijgende overeenkomst te zijn, dat men Oswald
zoo weinig mogelijk lastig viel.
Als hij met een langzaam, kwijnend gebaar vork en mes even had
neergelegd, om te wachten tot een van de beide kamermeisjes, die de
familie aan tafel bedienden, hem van het noodige had voorzien, liet hij
zijn puntige kin op de borst rusten en staarde hij voor zich uit, alsof
hij niet wist, wat er om hem heen gebeurde.
Het menu was uitgebreid en daar, zooals de heer Harringa den gast
vertelde, de familie ervan hield, om lang te tafelen, had Raffles
voldoende gelegenheid om zich nauwkeurig rekenschap te geven van de
indrukken, die de leden van dit huisgezin op hem maakten.
Willy met zijn beide vroolijke zusters, daar tegenover hem, zijn
gastheer en diens innemende echtgenoote, het bedienend personeel,
telkens gleed zijn blik vluchtig van den een naar den ander om dan even
te blijven rusten op den bleeken jongen man, die aan den familiedisch
zittende, te midden zijner huisgenooten, zich daar geheel geïsoleerd
scheen te gevoelen en den indruk maakte, alsof zijn geest geheel
afwezig was en hijzelf zich niet bewust van wat er om hem heen
gebeurde.
„Ziezoo,” klonk de stem van papa Harringa, toen de gastvrouw opstond,
ten teeken, dat de lunch was afgeloopen. „Nu geven de dames ons zeker
wel toestemming om in de bibliotheek een sigaar te gaan rooken?”
Niet zonder eenige voldoening zag Raffles, dat behalve Willy, ook
Oswald zich uit zijn stoel verhief om de anderen te volgen. De
bibliotheek was een hoog, niet al te groot en zeer gezellig vertrek.
Het licht viel ongehinderd naar binnen door de vier ramen, waarvoor de
mosgroene overgordijnen geheel waren weggeschoven.
Een breede boekenkast, die den muur tegenover de vensters geheel in
beslag nam, borg een verzameling werken van den meest verscheiden
inhoud. Met een korten oogopslag las Raffles de titels der meest
bekende klassieken, werken op scheikundig gebied, boeken over
natuurlijke historie en een volledige encyclopaedie. Een der planken
telde een lange rij klein-formaatboeken, uitgegeven door de
Wereld-bibliotheek en daaronder waren in keurige prachtbandjes
bijeengegaard een groot aantal romans en andere werken, betrekking
hebbende op het leven en de toestanden in Indië. Deze reeks werd
afgesloten door de in twaalf deelen gebonden werken van Multatuli.
Vóór de ramen van het vertrek stond een achthoekige eikenhouten tafel,
waarop een Indisch kleed lag en waaromheen een viertal clubfauteuils
van donkergroen leer geschaard stonden.
De vier heeren namen in deze gemakkelijke zetels plaats en Willy schoof
een paar kleine rooktafeltjes aan.
„Dit merk kan ik u bijzonder aanbevelen,” sprak de gastheer tot
Raffles, die, schijnbaar toevallig, vlak tegenover Oswald Harringa had
plaats genomen.
Bij die woorden wees de oude heer naar een der soorten in een geopend
kistje, waar in keurige regelmaat, verschillende fijne merken, met
goudbedrukte bandjes voorzien, lagen te wachten op den fijnproever, die
hen in geurigen damp zou doen opgaan.
„Wilt u mij toestaan,” sprak Lord Lister, „om mij aan mijn gewoonte te
houden en een sigaret op te steken? Ik heb nooit smaak kunnen vinden in
het rooken van sigaren.”
Bij deze woorden haalde de Groote Onbekende zijn kostbaar gouden
sigaretten-etui te voorschijn, doch nog voor dat hij het had kunnen
openen, sprak de gastheer met een glimlach:
„Neen dat kan ik niet toestaan, dat gij uw eigen sigaretten rookt.
Toevallig heeft mijn zoon Oswald dezelfde voorliefde voor dit
rookmateriaal, die gij er op na schijnt te houden, dominee Bronsmand,
probeer daarom eerst eens het merk, dat mijn zoon rookt.”
„Ik denk niet, papa,” klonk nu de zachte, eentonige stem van Oswald,
„dat mijn sigaretten mijnheer zullen smaken.”
En alsof het uitspreken van deze weinige woorden reeds te veel
inspanning voor den bleeken jongen man was geweest, leunde hij nog
dieper terug in de leeren kussens van zijn fauteuil, terwijl hij als
doodelijk vermoeid even de oogen sloot.
Lord Lister was geen enkele der trage bewegingen van den tegenover hem
zittende ontgaan, doch op ongedwongen toon antwoordde hij:
„Indien u het toestaat, wil ik dolgraag een sigaret van u opsteken. Ik
ben een sterk rooker en veronderstel, dat uw merken ook mij wel zullen
bevallen.”
Bijna onwillig haalde Oswald nu op zijn beurt een prachtigen
sigarettenkoker uit zijn borstzak te voorschijn.
Het étui was van dof goud vervaardigd en bevatte eenige initialen, die
van kleine diamanten waren gezet. Welke deze letters waren kon Raffles
op dat oogenblik onmogelijk ontcijferen.
Oswald Harringa had het étui geopend en bood den gast een der
sigaretten aan.
Lord Lister stak hem aan, doch reeds nadat hij eenige trekjes had
gedaan, legde hij den sigaret in het aschbakje en sprak, terwijl er
even een eigenaardige uitdrukking in zijn zwarte oogen verscheen, die
hij eenige seconden op Oswald liet rusten.
„Inderdaad, gij hadt wèl gelijk, mijnheer Harringa, dit merk bevat mij
niet. De sigaret is mij werkelijk te zwaar.”
Luidkeels begon Willy te lachen.
„U moet weten,” wendde hij zich tot Raffles, „dat ik de sigaretten van
mijn broer niet uit kan staan. Gelukkig houdt hij er de liefhebberij op
na, om af en toe op het dak te gaan rooken. Dan genieten alleen de
duiven en de musschen van dien „heerlijken” geur.”
Een gloeiende blos overtoog voor een oogenblik Oswald’s gelaatstrekken,
toen zijn jongere broer die woorden sprak. Maar Lord Lister was die
blos niet ontgaan en schijnbaar achteloos voegde hij den stillen
jongeman toe:
„Op het dak? Maar dat is alleraardigst. Dan zult u wel een mooi
vergezicht hebben over Amsterdam.”
Toen zich lachend tot den ouden heer wendende:
„Staat u mij nu toe, meneer Harringa, dat ik een van mijn eigen
exemplaren opsteek?”
Eveneens lachend antwoordde deze:
„Het zou nu al bijzonder onbeleefd van mij zijn, als ik u dit bleef
weigeren. Het is toch eigenaardig,” ging hij voort en reeds was de
lachende uitdrukking weer van zijn gelaat verdwenen, „dat wij geen van
allen in dit opzicht den smaak van mijn oudsten zoon deelen.”
Op het uitdrukkingslooze gelaat van Oswald was een bijna onmerkbaar
ironisch lachje verschenen. Dit honende spotlachje was den Grooten
Onbekende niet ontgaan, doch schijnbaar met de grootste belangstelling
sprak deze, terwijl hij aandachtig de grillige figuren in het
tafelkleed bekeek:
„Dit is een zeldzaam fraai kleed, mijnheer Harringa. U bent zeker in
het bezit van veel Indische merkwaardigheden?”
„Ja, ik heb daarvan zelfs een klein museum aangelegd,” vertelde de
suikerlord. „Een der kamers van dit huis heb ik voor dat doel ingericht
en ik durf gerust beweren, dat mijn verzameling bezienswaardig is.”
„Is het al te onbescheiden, als ik u vriendelijk verzoek, uw collectie
eens te mogen bewonderen?” vroeg Raffles. „U moet weten, dat ik zelf
een groot liefhebber van antiquiteiten en zeldzaamheden ben.”
Albert Harringa aarzelde even, eer hij een antwoord gaf.
Hij wisselde eerst een korten blik met zijn jongsten zoon, die als
bevestigend met het hoofd knikte.
Toen sprak de oude heer:
„Het was vroeger mijn trots en glorie om vrienden en bekenden een blik
te gunnen in de „schatkamer”, zooals Willy indertijd mijn klein museum
doopte. Onaangename gebeurtenissen echter, een paar geheimzinnige
diefstallen, hebben mij meer terughoudend gemaakt. U echter, voor wien
ik, evenals mijn jongste zoon, sympathie heb, al ken ik u nog slechts
kort, wil ik het verzoek niet weigeren.”
Toen vertelde de oude heer Harringa in korte trekken de geschiedenis
der beide onontdekte diefstallen, hetzelfde verhaal, dat Raffles in
meer uitvoerige bewoordingen eenige dagen geleden uit Willy’s mond had
vernomen.
„En ik geloof niet,” zoo besloot de suikerlord, „dat ik ooit den dief
van de kostbaarheden zal vinden.”
„Wie weet, papa?” riep Willy uit. „De meest raadselachtige misdaden
zijn wel opgelost...”
„Wat denkt gij er van, mijnheer Oswald?” vroeg de Groote Onbekende,
zich tot den oudsten zoon wendende.
Zonder zijn hoofd op te heffen, antwoordde deze met lispelende,
droomerige stem:
„Het is een vreemde zaak en ik denk niet, dat vader ooit zijn
doodshoofd terug zal krijgen.”
„Ik hoop, dat het uit zal komen, dat je je hierin vergist,” sprak Willy
met groote levendigheid. „Als papa de zaak maar in handen wilde geven
van een knappen rechercheur, zou het geheim wel worden opgelost!”
„Neen,” antwoordde de jonge man weer. „Ik geloof niet, dat er een
enkele rechercheur bestaat, die in staat is om uit te vinden, hoe het
ding gestolen is en waar men het gebracht heeft.”
Als verbaasd over de groote welsprekendheid van zijn broeder, keek
Willy dezen aan.
De oude heer Harringa stond nu uit zijn fauteuil op en stelde voor om
nu naar boven te gaan, ten einde de „schatkamer” te bezichtigen.
Willy sprong op om zijn vader en den „dominee” te volgen, terwijl
Oswald bijna fluisterend sprak:
„Ik ga nu naar mijn kamer om te rusten.”
Hij nam met een paar woorden afscheid van den bezoeker en verdween door
een der deuren uit de bibliotheek.
De „schatkamer” kwam geheel overeen met de beschrijving, die Willy
ervan had gegeven. De vloer was van donker eikenhout, evenals de
lambrizeering. En terwijl Raffles, schijnbaar geheel verloren in zijn
bewondering voor de vele kostbaarheden, die hier bijeengezameld waren,
met scherpe blikken rondkeek, bracht hij als onwillekeurig het gesprek
weer terug op den diefstal van het doodshoofd.
„Verbergt deze houten lambrizeering geen enkele geheime deur, waardoor
het den dief mogelijk zou zijn geworden, te ontsnappen?” vroeg hij. En
in het voorbijgaan klopte hij hier en daar eens tegen het houten
beschot.
„Geen enkele in- of uitgang behalve de gewone deur,” antwoordde Albert
Harringa.
„Het is vreemd!” sprak Raffles.
Toen werd verder over de geheimzinnigheden, welke zich hier hadden
afgespeeld, niet meer gesproken. Maar een eigenaardige glans lag in de
oogen van den Grooten Onbekende, toen hij eenige minuten later met de
beide heeren het vertrek verliet.
Het was laat in den namiddag, toen dominee Bronsmand afscheid nam van
den ouden heer Harringa, diens vrouw en dochters.
Willy wilde zijn vriend een eindweegs naar huis terug geleiden en samen
verlieten de beide heeren het ouderwetsche huis aan den Amstel.
De huisdeur stond open en in de vestibule ontmoetten zij twee werklui,
die in blauwe werkblouses gekleed met hun gereedschappen in de hand,
bij de deur stonden te wachten.
„Moeten jullie hier zijn?” vroeg Willy, toen de beide mannen eerbiedig
voor de heeren op zij gingen.
„Ja, mijnheer,” antwoordde de oudste van het tweetal, „we hebben een
reparatie op het dak en wachten even op een boodschap van den baas.”
„Mooi,” antwoordde Willy.
Toen wandelde hij met lord Lister langs de breede rivier, waarop eenige
zeil- en roeibootjes langzaam voortgleden.
De beide heeren namen afscheid bij het Rijksmuseum en toen dominee
Bronsmand, alias John C. Raffles zich door de Paulus Potterstraat
huiswaarts begaf, tastten zijn vingers even in den rechtervestzak. Wat
hij eruit te voorschijn haalde en met een geheimzinnigen glimlach
bekeek om het daarna weer in den vorigen schuilhoek terug te brengen,
was niets anders dan de gedeeltelijk opgerookte sigaret, hem door
Oswald Harringa aangeboden.