„U schijnt het niet te gelooven, jonker Van Leeuwen, maar ik verzeker u
toch, dat het de nuchtere waarheid is!”
Het was een jonge, zéér gezette heer met een roode gelaatskleur en een
rossig-blond snorretje op de bovenlip, die met stellige overtuiging
deze woorden sprak tot iemand, die tegenover hem was gezeten en die met
onverschillige kalmte den eenen sigaret na den anderen in blauwe
rookkringetjes deed opgaan.
Die „iemand”, die als jonker Van Leeuwen werd aangesproken, was niemand
anders dan John C. Raffles, de Groote Onbekende, de Londensche
gentleman-dief, die reeds geruimen tijd in Holland woonde met zijn
vriend en secretaris Charly Brand en die in het Willemsparkkwartier te
Amsterdam een fraaie villa bewoonde.
De ander was de dertig jarige Richard Mollen, een goedige, dikke
lobbes, zoon van een rijk effectenhandelaar.
Richard Mollen, door al zijn clubvrienden Pim genoemd, was te goedig en
te lobbesachtig om er een enkelen vijand op na te houden. Hij werd
geduld, omdat-ie altijd bereid was, z’n kameraden financieel te steunen
en omdat hij zulke geweldig domme dingen kon zeggen. Het geld
accepteerden de jeugdige verkwisters van Pim, omdat het hun nuttig was
en dan namen ze zijn onnoozele praatjes maar op den koop toe.
Lord Lister had Richard Mollen een week geleden voor het eerst ontmoet.
Pim was aan hem voorgesteld en heel dien avond had hij met half open
mond zitten luisteren naar een geestig verhaal, dat Raffles deed. Het
was de geschiedenis van den Londenschen inspecteur James Baxter, en
diens secretaris Marholm, bijgenaamd „de vloo”.
Hoeveel keeren die Baxter niet reeds de dupe was geworden van den
Grooten Onbekende John C. Raffles. Van Leeuwen was de tel kwijt
geraakt, naar hij beweerde, dat honderd hem niet overdreven was.
Wat moest die Raffles een oolijke kerel zijn had Pim gedacht en den
volgenden dag had hij jonker Van Leeuwen aangesproken.
„Hebt ge Raffles wel eens gezien?” vroeg Pim.
„Zeker, meneer Mollen, ik heb hem eens in Windsorclub in Londen
ontmoet, waar hij kwam onder den naam van Lord Hamilton. Ik wist, dat
Lord Hamilton en Lord Edward Lister een en dezelfde persoon waren en
daarom heb ik den ganschen avond geen oog van hem afgehad.
„Is hij werkelijk zoo knap, als men van hem vertelt?”
„Knap? Hoe bedoelt u dat?”
„Zou hij raadselachtige, onoplosbare dingen kunnen oplossen?”
„Misschien...”
„Dan zou ik hem willen spreken.”
„Kent u dan het geheim van een misdaad?”
„Het is niet mijn geheim, maar dat van een vriend.”
Toen, denkende aan de spreekwoordelijk geworden onnoozelheid van Pim
Mollen, had Raffles den jongeman voor den volgenden middag bij zich
genoodigd.
Er was geen geheim, dat hem niet interesseerde en hier scheen meer
achter te zitten. Immers had Pim zich laten ontvallen, dat Raffles
misschien het onoplosbare zou kunnen oplossen.
„U schijnt het niet te gelooven, jonker Van Leeuwen,” zei Pim nog eens,
toen hij het geheele „geheim”, dat zijn geheim niet was, had
geopenbaard, „zal ik dan m’n vriend Willy Harringa vragen, of hij het u
zelf komt vertellen?”
„Afgesproken! En als het inderdaad zoo geheimzinnig blijkt, beloof ik
u, Raffles in den arm te nemen of—zelf de zaak op te lossen.”
„Ik weet niet erg veel,” zei de goedige Pim met een groote dosis
zelfkennis... „maar ik weet tòch wel, jonker, dat u dat niet zult
kunnen doen!”
Raffles knikte eens vriendelijk tegen den dikken Pim Mollen. Hij vond
het niet noodig, met hem te gaan debatteeren en noodeloos woorden te
verspillen...
Twee dagen later had Willy Harringa het geheim aan jonker Van Leeuwen
geopenbaard onder vooraf bedongen toezegging, dat de jonker pogingen
zou aanwenden om den grooten John C. Raffles te vertellen, hoe alles
zich had toegedragen, opdat deze het geheim zou kunnen oplossen.
Dat verhaal kwam op het volgende neer.
Willy Harringa was de tweede en jongste zoon van den schatrijken
suikerlord Albert Harringa.
Deze heer had een groot deel van zijn leven in Indië doorgebracht,
vanwaar hij twee jaar geleden was teruggekeerd. Daar ook zijn vrouw een
Hollandsche van geboorte was, had Harringa zich metterwoon in Nederland
gevestigd en in Amsterdam een groot heerenhuis gekocht in de
onmiddellijke omgeving van den breeden Amstelstroom.
„Het altijd mooie uitzicht op de rivier,” zoo vertelde Willy aan Lord
Lister, „trok mijn vader zoo aan, dat hij er niet toe kon overgaan om
een der meer moderne villa’s in het nieuwe stadsgedeelte te koopen.
Vader heeft als kind en ook later totdat hij naar Indië ging, ook aan
de boorden van den Amstel gewoond, zooals hij ons dikwijls in Indië
vertelde en daarom trok zijn hart hem daarheen terug, toen hij het land
der tropen voorgoed vaarwel zei.
„Het huis, waarin wij wonen,” vervolgde de jonge man, „is een stijf
gebouw, zeer ouderwetsch ingericht. Daar vader een liefhebber van
oudheden is, heeft hij aan het inwendige van het huis niets laten
veranderen.
„Alleen heeft hij de muren, die met papier behangen waren, met tapijten
en gobelins laten bekleeden.
„Een der kamers van het gebouw is ingericht als een miniatuur-museum.
Daarin heeft vader een collectie waardevolle en zeldzame voorwerpen
bijeen verzameld, die een groot vermogen vertegenwoordigen en waaraan
mijn vader zeer gehecht is.
„Gedurende de beide jaren, die wij nu in Holland wonen, is er tweemaal
een diefstal bij ons gepleegd en beide keeren even geheimzinnig.”
Willy Harringa zweeg even.
Lord Lister, die tot nu toe roerloos en zonder een woord te zeggen,
naar den jongen man had zitten luisteren, schoof zijn steel een beetje
achteruit, sloeg het eene been over het andere en toen hij deze voor
hem zoo behaaglijke houding had aangenomen, sprak hij:
„Ga voort, mijnheer Harringa, ik luister.”
„Ja, tweemaal gebeurde dat geheimzinnige,” vervolgde Willy. „De eerste
keer, het is nu ruim een jaar geleden, zijn een aantal antieke zilveren
koppen gestolen, eenige kostbare ringen en andere gouden en zilveren
voorwerpen. Men heeft toen getracht, de dieven op te sporen, maar het
is niet gelukt.”
„Waarom was die diefstal toen zoo geheimzinnig?” viel Raffles den
spreker plotseling in de rede.
„Omdat het onmogelijk was uit te vinden, op welke wijze de dieven in
huis waren gekomen. Er was volstrekt niet ingebroken.
„Doch laat mij u eerst verder vertellen, dan zult u moeten toestemmen,
dat wij hier zeer zeker voor geheimzinnige, waarschijnlijk onoplosbare
misdaden staan.
„De tweede diefstal is van veel meer belang dan de eerste en op even
onverklaarbare wijze ten uitvoer gebracht.”
„Bedoelt gij, dat zij ernstig is om de groote waarde van hetgeen toen
gestolen is?”
„In één opzicht, ja. Maar het is meer dan de geldswaarde alleen. Mijn
vader heeft, gedurende zijn verblijf in Indië, eenige malen groote
diensten bewezen aan den Radjah van Mooltan, een zeer rijk vorst.
Vóórdat mijn ouders Indië verlieten, heeft de Radjah mijn vader een
souvenir van een buitengewoon karakter aangeboden. Het was niets minder
of meer dan de schedel van een zijner doorluchtige voorvaderen.
„Dit doodshoofd werd geschat op een waarde van ongeveer een half
millioen.”
„Een half millioen?” herhaalde Raffles op verbaasden toon.
Hij had nimmer gehoord, dat een schedel, zelfs die, welke dateerde uit
de oudste tijden, zulk een ongehoord bedrag vertegenwoordigde.
Het ironische lachje verdween echter weer van zijn gelaat, toen de
jonge man vervolgde:
„Ja, jonker van Leeuwen, een half millioen gulden! Deze schedel was
gevormd als drinkbeker, omringd met zware massief gouden banden en
honderden kostbare steenen.
„De bodem van den drinkbeker was geheel ingelegd met diamanten van het
zuiverste water, die in den vorm van een ster waren gezet. Alleen de
steen, die het middelpunt van deze ster vormde, vertegenwoordigde reeds
een bedrag van vijftigduizend gulden.
„Maar geheel afgezonderd van de geldelijke waarde van deze reliquie,
had de beker een waarde voor mijn vader, die met geen geld te betalen
is. Zijn vriend de Radjah, vertelde hem namelijk, dat, indien de beker
verloren ging of gestolen werd, het ongeluk mijn vader zou
achtervolgen.
„Nu is de oude heer in het geheel niet bijgeloovig, jonker,” sprak
Willy Harringa, „maar hij zelf zoowel als wij allen leven in
voortdurenden angst, dat een ongeluk ons onvermijdelijk boven het hoofd
hangt, sinds het kostbare geschenk van den Radjah zoo geheimzinnig
verdween.”
„Ik moet bekennen, dat het een ernstige zaak is,” sprak Raffles,
terwijl hij lange trekken deed aan zijn sigaret en met de blanke
linkerhand de geurige rookwolkjes uiteenjoeg.
„Hoe groot is het dienstpersoneel, dat uw ouders er op nahouden?” vroeg
hij.
„Het personeel bestaat uit drie dienstmeisjes, een huisknecht en de
chauffeur,” vertelde Willy weer, „maar hun eerlijkheid en goede trouw
zijn boven alle verdenking verheven.”
„En alle voorwerpen, die bij beide diefstallen zijn ontvreemd, werden
bewaard in het museum van kostbaarheden, dat uw vader er op nahoudt?”
„Ja, in zijn zoogenaamde schatkamer,” antwoordde Willy. „De doodskop
werd daar onder een glazen stolp bewaard.”
„Vertel mij nu eens, hoe die schatkamer is ingericht, mijnheer
Harringa,” verzocht lord Lister.
„Het is een kleine kamer, verlicht door een zijvenster. De wanden zijn
te halver hoogte met hout beschoten en het bovengedeelte is met
gobelins behangen, die, zooals ik u reeds vertelde, daar door mijn
vader zijn aangebracht.
„In deze kamer bevindt zich de eigenaardige, doch zeer kostbare
verzameling, bestaande uit allerlei Indische wapens, olifantstanden,
bijzondere kleedingstukken, die gedragen worden door de Indische
vorsten en den adel, oude munten, juweelen en verder zeldzaamheden van
allerlei aard, doch allen van belangrijke waarde.
„De deur van deze kamer is altijd gesloten en de sleutel is steeds in
vaders bezit.
„Het open gedeelte van den schoorsteen, boven de ouderwetsche
stookplaats, is versperd door ijzeren stangen in den steenen muur,
zoodat de dief onmogelijk door den schoorsteen kon komen of gaan.
„Ook door het venster was het onmogelijk, want dat kan maar aan één
kant geopend worden en de openingen zijn zóó klein, dat een kind er
niet door zou kunnen dringen.”
„Is de mogelijkheid buitengesloten, dat de dief door middel van een
valschen sleutel in de kamer kon binnenkomen?”
„Neen, daaraan valt niet te denken!” riep Willy vol overtuiging uit.
„Vader had een zeer bijzonder slot laten maken, waarvan er slechts twee
sleutels bestaan.
„Eén van die beide sleutels draagt hij altijd bij zich en het tweede
exemplaar bewaarde hij in een geheim laadje van zijn oude
schrijfbureau, dat in de bibliotheek staat. Geen van ons heeft ooit van
het bestaan van den tweeden sleutel afgeweten, en na den diefstal van
het kostbare doodshoofd draagt vader ook dat tweede sleuteltje steeds
bij zich.
„En nu heb ik u van het geval alles verteld, wat ik er zelf van weet,”
eindigde Willy Harringa zijn mededeelingen.
„Zoudt u werkelijk kans zien, eenig licht in deze duistere zaak te
brengen?... U alleen of, zooals Richard Mollen mij vertelde, „met
behulp van den grooten Londenschen Onbekende, Raffles?” O, u weet niet,
welk een weldaad gij mijn vader zoudt bewijzen, wanneer gij aan het
licht bracht, door wien en op welke wijze de diefstal van het
doodshoofd is gepleegd! De arme, oude man verkwijnt van verdriet en,
hoewel het terugvinden van deze kostbaarheid voor hem van zoo
onberekenbare waarde zou zijn, is hij er noch door mijn moeder, noch
door een van zijn kinderen toe te bewegen, deze zaak in handen van het
gerecht te geven.
„Het schijnt, dat de vergeefsche pogingen der politie en justitie van
den eersten diefstal hem het vertrouwen in deze lui hebben ontnomen.
„Evenals mijn vader, ben ook ik er bijna zeker van, dat nimmer eenig
spoor van den dief ontdekt zal worden en als u ons de hulp van John C.
Raffles, dien gij schijnt te kennen, niet had toegezegd, over wiens
scherp vernuft en bijzondere gave om geheimzinnige misdaden op het
spoor te komen, de geheele wereld verbaasd staat, dan had ik u nu niet
verveeld met mijn verhaal.”
„Gij hebt mij niet verveeld, mijnheer Harringa,” antwoordde lord
Lister, het eindje van zijn sigaret in een zilveren aschbak gooiend.
„Integendeel! Vol belangstelling heb ik naar alles geluisterd, wat gij
mij daarvan hebt verteld en ik wil gaarne mijn best doen om deze zaak
op te helderen, zooals ik zei: met of zonder de medewerking van den
Londenschen Grooten Onbekende.
„In het belang mijner bemoeiingen is het echter in de eerste plaats
noodig, dat ik uw vader een bezoek breng om dan tevens het terrein
eenigszins te kunnen verkennen!”
„Maar dat is onmogelijk!” riep Willy Harringa verschrikt uit. „Voor
niets ter wereld zou ik mijn vader meedeelen, dat gij omtrent deze
geheimzinnige geschiedenis zijt ingelicht en dat gij als een detective
een bezoek bracht aan onze woning.”
„Dat is ook volstrekt niet noodig,” sprak Raffles met een bijna
onmerkbaren glimlach. „Gij kunt mij aan uw vader voorstellen als
dominee Bronsmand, iemand met wien gij te Leiden gedurende uw
studententijd—gij hebt immers te Leiden gestudeerd, nietwaar?—hebt
kennis gemaakt.
„Laat het verdere gerust aan mij over en zend mij morgen bericht,
wanneer ik mijn bezoek kan komen brengen.”
„Denkt gij dan werkelijk, dat er kans is om den dief te ontdekken?”
vroeg Willy met een twijfelachtige uitdrukking op zijn gelaat.
„Ik zal trachten, hem te vinden!” klonk het antwoord.