Opeens riep Hesse: "we gaan naar Jans Kroep, die moet ze maar poffen."

"Wat?" vroeg Wibbe.

"We zeggen, dat we ze naderhand wel zullen betalen."

Wibbe vond 't plan maar zóó zóó!

Toch volgde hij z'n vriend op z'n ren naar den winkel van Jans.

Deze oude juffrouw hield er 'n soort manusje van alles op na.

De jongens hadden er al meermalen boterbrokken gekocht, maar ook

't bewuste pistooltje, waar Hesse den eersten dag zoo naar verlangd

had. Jans kende de jongens heel goed door hun herhaalde bezoeken en

door hun geregeld voorbijgaan.

Toch zette ze 'n leelijk gezicht, toen Wibbe haar vóórstelde, hem

tien kaarsen te geven om pas later 't geld te ontvangen.

"Dus mevrouw Broekenaaier weet er niets van?" vroeg ze, "waar moeten

ze voor dienen?"

Wibbe en Hesse keken elkander eens aan.

Zouden ze Jans alles zeggen?

Dat kon niet!

Dus--dus....

Er kwam redding!

Wibbe had op 't lessenaartje 'n velletje postpapier ontdekt. Jans

scheen bezig met 't schrijven van 'n brief, wat haar veel moeite

kostte, want Wibbe herkende enkele vlekken en allerzonderlingste

hanepoten.

Plotseling kreeg hij 'n ingeving!

"Wil ik dien brief voor je schrijven?" vroeg hij.

Jans keek hem wantrouwend aan, maar wie twijfelde aan Wibbe's

eerlijkheid als je in dat open gezicht keek.

Ze begon te grinniken en ze antwoordde: "Brieven schrijven is nog

m'n dood! Ja, als je 't wil doen."

"Zeker!" riep Wibbe, "en de eene dienst is de andere waard, dan leen

jij ons de kaarsen!"

De ruil werd beklonken, en vol vreugde ijlden de twee ridders met

hun twaalf kaarsen in de richting van den toren.

Twee stuks had Wibbe van mevrouw meegekregen 'n halve zat er nog in

den lantaren--ze beschikten dus over twaalf en 'n half exemplaar.

De drie andere ridders werden pas om één uur 's middags verwacht.

Wibbe en Hesse besteedden dus hun morgenuren aan 't klauteren naar

boven.

Omdat ze nu 't heerlijke gevoel hadden, 'n geheime kelder te bezitten,

schepten ze veel meer plezier in die beklimming dan den eersten keer.

Er stond weer 'n stralende zon en doordat de toren juist was

doorgebroken op de plek waar 'n platje om zoo te zeggen de

tweede verdieping aanwees, konden ze daar buitengewoon gezellig

rondscharrelen. Hesse haalde natuurlijk 't kunststuk uit om ruiter

te paard op den afgebrokkelden muurrand te gaan zitten.

Ongemerkt hield Wibbe hem achter aan z'n buis vast.

Plotseling slaakte Hesse 'n kreet!

Wibbe schrikte eerst, maar toen verstond hij 't woord: vlag.

Dadelijk vatte hij vuur en riep: "Ja, we moeten 'n vlag hebben of

'n banier!"

De vervaardiging van iets dergelijks zou hen den ganschen morgen

bezig houden!

"Màg 't wel?" vroeg Wibbe, toen ze op weg waren naar huis.

"Waarom niet? We hebben verlof om hier te spelen. Waarom zou je er

dan geen vlag mogen plaatsen."

Thuis klampten ze mevrouw aan en verlangden van haar 'n vlag.

"Die heb ik niet! Ik geloof 't ten minste niet. Zoolang ik hier woon,

is 't nog niet voorgekomen.

"Ga maar mee! Ik zal eens op zolder zoeken."

Ze volgden.

Mevrouw snuffelde in allerlei hoeken en gaten, in oude koffers, en

ja, eindelijk vond ze iets, dat op 'n vlag leek. Het was 'n groote

oranjelap vol scheuren en flarden.

Toen juichten de jongens en dadelijk begonnen ze pogingen in 't werk

te stellen om er 'n toonbare vlag van te maken. Dat viel niet mee.

De lap was zóó gehavend, dat er eigenlijk maar 'n vierkante decimeter

van overschoot.

Mevrouw wilde met alle plezier 'n handje helpen en dus knipte ze,

en ze paste, en ze naaide....

Onmiddellijk trokken de ridders op zoek naar 'n fatsoenlijken stok.

Ze konden toch kwalijk 'n boonenstaak nemen!

't Is toch maar 'n moeilijke zaak om voor ridder te spelen. En dan

was er nog niet eens sprake van harnassen!

Maar de goede wereld levert wel stokken op en dus kregen Wibbe en

Hesse er eindelijk één in bezit.

De moeilijkheid zat 'm natuurlijk in de lengte. Stokken genoeg,

maar ze moesten 'n lange hebben, die boven op den halven toren kon

bevestigd worden.

Zóó een haalden ze bij boer Peggers. Die goeie kerel stond er met

plezier een af, omdat de notaris hèm zoo goed geholpen had toen hij

'n stukje land koopen wilde.

De oranje lap, wèl vol toenaaisels en ingezette stukken werd nu met

de bandjes aan den stok van drie meter veertig bevestigd.

Daarna trokken de beide ridders met den jonggeborene naar hun verblijf.

Het kostte hen menig zweetdruppeltje eer de stok goed en wel vast

stond, want ze vonden hoegenaamd geen geschikte aanknoopingspunten.

Ongeveer zes maal moesten ze de trap af, naar huis. Eerstens om

hamer en spijker te halen, tweedens om 'n touw, toen weer om 'n kram,

waarmee de stok aan 't ondereinde moest vastgezet worden.

Ze gunden zich haast géén tijd om 'n paar boterhammen in te slikken,

zóó vervuld waren ze van hun vlag, te meer omdat Wibbe 't plan opperde

er 'n hond in te prikken en door de gaatjes zwart draad te trekken.

Bij nader inzien kon dat nog wel later gebeuren.

Juist toen de stok stevig stond, klonken de juichkreten van de

drie stadsridders. Geestdriftig begroetten ze de nieuwe vlag en

even daarna stonden de vijf jongens met verrukte gezichten onder de

wapperende vlag.

Ja zeker, de wind blies fel uit 't Zuid-Oosten en deed 't doek

ontplooien.

"Heb jullie kaarsen meegebracht?" vroeg Hesse. Dadelijk doken de

handen in de zakken en daar verschenen tien kaarsen.

"We hebben er dus twee en twintig!" gilde Hesse en hij toonde zijn pak.

"Ze moeten nog betaald worden," vertelde hij.

Henk trok 'n vies gezicht en hij vroeg: "Koopen jullie op krediet? Daar

moet ik niets van hebben."

"En als je nou geen geld hebt en je moet kaarsen hebben, wat dan?"

--"Ja, wat dan? We zouden met tien kaarsen toch ook wel 'n mooie

verlichting gehad hebben."

"Wat kosten ze?"

--"Tien voor drie kwartjes."

Henk dacht even na en toen zei hij:

"Allo Jan en Kees, opdokken! Hoeveel hebben jullie? Wij koopen die

tien kaarsen en later betalen Wibbe en Hesse weer nieuwe."

Kees en Jan wisten samen drie en veertig centen op te diepen. Henk

legde de rest er bij en op zijn bevel moest deze schuld eerst afgelost

worden.

Wibbe zou er voor zorgen, hij holde naar Jans en--daar kwam hij terug

met vijf reepjes.

Wibbe aan 't verdeelen!

"Dat is voor 't schrijven van dien brief," legde hij uit.

Aldus verkwikt trokken de ridders omlaag. De kisten werden verschoven,

met d'r vijven verlegden ze de zerk.

Toen kreeg elk 'n brandende kaars in de hand en zóó daalden ze af.

Dat meerdere licht gaf 'n heel andere kijk in de ruimte.

En nog meer na 't ontsteken van de overige zeventien kaarsen.

Duidelijk onderscheidden ze nu rondom de muren van zware steenen. De

bodem van de kelder bestond uit 'n dik glibberig zand. Midden in

zagen ze de put, gevuld met slijkerig water.

Langs de muren plaatsten de jongens op geregelde afstanden hun kaarsen,

en vier om de put.

Ziezoo, nu raakten ze op hun gemak!

Hesse kreeg weer de oude praats.

"Ik verklaar deze kelder voor onze geheime verzamelplaats. Hier houden

we onze bijeenkomsten...."

Méér wist Hesse niet te verzinnen op 't oogenblik.

Henk merkte op: "'t Is wel leuk, maar veel te nat. Ook kunnen we

onmogelijk zooveel kaarsen betalen. Ik stel vóór, dat we 'n gat

probeeren te maken in den vloer van de oude kerk. Als dat klaar is,

gaan we zooveel mogelijk zand door de opening smijten om 't hier

'n beetje droog te maken.

"Als we ooit nog eens beschermelingen krijgen, moeten we die hier

opbergen en dan dienen we toch 'n droog plekje te hebben."

't Voorstel van Henk werd aangenomen.

De kaarsen werden uitgeblazen en zorgvuldig in de kist gepakt.

Wibbe kwam op den reuzeninval om al de papieren uit de kisten alvast

naar beneden te brengen voor de drooglegging.

Alles kon meehelpen, en dus verdwenen al de oude kranten in de kelder.

Toen begon er 'n zeer moeilijk onderzoek tusschen de puinhopen om

'n losse zerk te vinden. Dat werd 'n hopeloos werk.

Jan zei nog 't verstandigste woord: "Er is maar één plek, waar we

kans hebben."

Hij wees op 'n diepte, waar 'n groote steen bloot lag.

"We moeten dien steen stuk slaan of anders de voegen openkrabbelen."

Dat laatste leek allen de eenigste kans van slagen.

Met messen en spijkers begon er 'n langdurig gepeuter. Rondom de

zerk werd 't cement weggebikt, zoodat er 'n centimeter breede voeg

open kwam.

"Nu ligt deze zerk los," beweerde Kees, maar Henk zei: "Je vergeet

de stutbalken."

"Wat nou weer?" vroeg Hesse.

"Je begrijpt, dat die steenen toch ergens op moeten rusten. Daarvoor

zijn de steunbalken."

"En in de kelder zagen we niets."

"Ach jò, die balken zitten verborgen in 'n laag kalk of zoo."

"Praten jullie toch zoo niet! Hoe moet 't nu verder?"

Vijf nadenkende gezichten!

Allerlei uitroepen!

Henk zei eindelijk: "We moeten 'n plat ijzer hebben of anders

'n steenboor."

Beide voorwerpen bleken niet verkrijgbaar.

Toen weer diep gedenk en 'n uitroep van Hesse:

"We zullen er 'n hoek uithakken, dan kunnen we er ons dikke ijzer

in krijgen."

Het was gevonden!

Ze hakten!

Stukje voor stukje vloog van de zerk los, en na 'n geweldige hakkerij,

ontstond er 'n opening.

Kees deed ook 'n uitvinding.

Volgens hem moest er 'n dik touw door heen. In de kelder kon één er

'n dwarshout aan binden. Dan met z'n allen trekken!

Aldus geschiedde!

De zerk bewoog.... ze kwam op één kant te staan en plofte achterover.

Vijf hoofden gluurden door de opening.

Dat was 'n prachtig luchtgat en 'n prachtig lichtgat.

Dadelijk gingen ze onderzoeken hoe 't werkte.

"Die vieze lucht is al weg," vond Wibbe.

"We kunnen nu best zien," verklaarde Hesse.

Henk oordeelde 't noodig om nog 'n paar zerken om te wippen.

Nou, dat ging heel wat vlugger!

En zoo onstond er, vrijwel in 't midden 'n uitstekend lucht en

lichtgat.

Vermoeid verlangden de arbeiders naar rust.

Er werden wat brokken hout naar beneden geworpen en daarop namen de

afgetobde ridders plaats.

"Morgen beginnen we aan 't zand kruien," zei Hesse, "breng als je kunt

'n schop mee, dan schieten we op."

Ze voelden alle vijf, dat ze in dit natte slik niet konden blijven.

Al 't overtollige water was hier verzameld. Het zou waarschijnlijk

wel wegzakken, maar ze konden daarop niet wachten.

Zoo bracht 'n nieuwe dag, nieuwe arbeid. Ze werkten waarlijk

voorbeeldig en stortten heele ladingen zand door middel van 'n

geleenden kruiwagen in hun kelder.

Later werd dat zand verspreid over den bodem.

De put kreeg 'n vracht steenen te verzwelgen, nadat 't vuile water

er uitgeschept was.

Toen verdween ze onder de last van zes kruiwagens zand.

Verscheidene dagen had 't werk geduurd, maar de zegepraal was volkomen.

Hesse kondigde 's middags half vijf, Donderdag 26 Juli plechtig aan:

"Morgen feestelijke inwijding van 't geheime verblijf der ridders

van den halven toren!"

De ridders van den halven toren · 第 46 / 77 题