Alle vier zochten ze op 'n drukke manier, helaas, niemand kon 'n
doosje vinden.
Alleen Kees vischte 'n ongelukkig stompje uit de scheuren van zijn
voering, maar dit vertoonde niet eens 'n kop.
"'k Móét ze hebben!" riep Hesse, en tegelijkertijd holde hij weg om
ze te halen.
Met 'n vaart stoof hij naar binnen, juist mevrouw tegen 't lijf.
"Hei hei, Hes, wat is dat voor 'n haast!" riep ze, maar de jongen
gunde zich niet eens den tijd om behoorlijk antwoord te geven.
"'k Moet lucifers hebben!"
Weg rende hij.
Mevrouw werd 'n weinigje boos om die manieren van Hesse. Ze ging
'm achterna en toen hij met 'n doosje weg wilde stuiven, greep ze
'm bij 'n arm en ontstemd vroeg ze:
"Wat moet je met die lucifers? Ik vind je manier van doen niet zooals
't hoort."
Hesse kwam in 'n lastig parket....
Van de kelder mocht ze in geen geval iets weten, dus maakte hij er
zich af door te zeggen: "'t Is zoo donker in den toren, we hebben
iets ontdekt!"
Mevrouw zag nu wel, hoe opgewonden hij deed, haar goede hart dreef
haar tot 'n kort: "Voorzichtig met vuur, hoor!"
Nu moest Hesse toch lachen!
In dien uitgebranden toren voorzichtig met vuur zijn? Alleen voor
die oude kisten met papieren?
Hij zei maar niets, veel te blij, dat hij kon weg snappen.
Hijgend kwam hij in den toren terug en met zenuwachtige haast stak
hij de kaars aan.
Toen ging 't behoedzaam 't trapje af.... Hesse liet den lantaren
zooveel mogelijk zakken om te kunnen zien....
Veel onderscheidde hij niet en dus daalde hij verder, terwijl de vier
andere ridders op hun knieën in spanning afwachtten hoe 't onderzoek
zou afloopen.
Hesse's hoofd verdween in 't donkere gat.... 't licht van den lantaren
wierp zonderlinge schaduwen tegen de torentrap....
Toen klonk er 'n stem als uit 'n graf:
"Kom maar!"
De jongens keken elkander aan.
Wibbe, als oudste vriend, voelde zich verplicht om eerst te gaan.
Voorzichtig zette hij z'n voeten op de eerste trede, toen lager,
en eindelijk stond hij naast Hesse.
Rondom 'n dikke duisternis, alleen 'n lichtvlak voor hun voeten.
De bodem voelde kleffig aan, geen geluid drong in de diepte
door.... alleen de stem van Henk....
Ook deze stond na 'n paar minuten bij Wibbe en Hesse, die als
vastgevroren op dezelfde plek bleven staan.
Jan en Kees volgden....
Geen van de vijf verroerde zich, allen luisterden ze en trachtten
't duister te doorboren.
Eindelijk kwam er 'n woord van Hesse:
"'t Loopt onder den vloer van de kerk dóór."
De vier anderen zagen hem bewegen en mèt Hesse bewoog ook 't lichtvlak,
zoodat ze nu meer in 't donker stonden.
"Zie je wat?" fluisterde Henk.
Hesse antwoordde niet, hij had al z'n aandacht noodig bij 't voortgezet
onderzoek.
Schoorvoetend volgden de anderen!
Ze vonden 't veiliger om bij 't licht te blijven.
Hesse schoof heel langzaam verder, tot hij plotseling bleef staan.
't Lichtvlak schoot opeens naar boven met 'n hoek....
De starende ridders zagen 'n muur....
Langzaam stapten ze verder, één hand tastend tegen den muur.
"'t Is hier benauwd," klaagde Jan.
Inderdaad hing er in 't gewelf 'n dompige zware lucht, waardoor de
hoofden begonnen te gloeien.
Toch wilden ze 't onderzoek nu niet opgeven. Eerst moesten ze weten
of er iets bizonders ontdekt werd.
Hesse bleef voorop gaan, den lantaren hoog in de hand.
Zóó schoven ze langs de muren verder, tot ze weer bij de trap
uitkwamen, aangeduid door 'n flauwe schemering, die uit den toren
neerviel.
"Nog even in 't midden kijken," aldus kommandeerde Hesse.
Hij en Wibbe lieten de drie anderen staan en stevenden nu recht uit
naar 't midden.
Eensklaps klonk er 'n gil....
Henk en de twee anderen schrikten op en met wijde oogen probeerden
ze te zien wat er gebeurde....
Ze verroerden geen vin!
Toen klonk weer de scherpe stem van Wibbe:
"Kom dan, gauw! gauw!"
Met popelende harten en bevend van angst naderden de drie....
Wat was er gebeurd?....
Zou Hesse....?
Ze wisten niet wat ze dachten--ze waren alleen maar bang!
Bang voor 't onbekende....
Nauwelijks waren ze bij 't lichtvlak, of ze begrepen met één oogopslag
waarom Hesse zoo had gegild....
Hij lag in 'n put!....
Wibbe trok uit alle macht, maar vergeefs!
't Bloed stroomde de drie weer naar de wangen!
Snel grepen ze Hesse bij de armen en heschen hem uit 't water.
Druipend zat de jonge ridder in 't slik van den kant en z'n eerste
woord was:
"Stommeriken!"
Op die manier scheen hij de vrienden te willen bedanken voor hun hulp.
Waarom Hesse hen voor stommeriken uitschold, bleef 'n raadsel.
Henk zei 't ook: "Wat doe jij zoo stom te wezen om in die put te
rollen?"
Hesse begon zich droog te schudden en terloops gaf hij antwoord:
"Wist ik, dat er hier 'n put was!"
De anderen moesten toegeven, dat 't hen verbaasde en ze begonnen
allerlei veronderstellingen te opperen.
Waarschijnlijk was 't niet anders dan grondwater, langzamerhand in
deze put verzameld.
Maar Hesse vroeg: "Hoe komt die put er dan?" Zou ze gegraven
zijn? Kwamen hier menschen? Wibbe deed 'n zeer verstandig voorstel,
toen niemand 'n goede oplossing vond.
"Ga jij nou mee naar huis om je natte boeltje uit te doen. Laat
mevrouw 't niet merken, anders mogen we misschien niet meer. Morgen
komen we weer bij elkaar en dan moet elk 'n lantaren hebben plus
'n paar kaarsen. Dan gaan we de kelder hier schitterend verlichten
en meteen eens goed kijken wat er te zien is."
Hesse wilde eerst niet van weggaan weten, maar de vier bezwoeren hem,
in 's hemelsnaam niet ziek te worden.
Voor de meerderheid moest Hesse wijken.
Ze kropen dus weer uit de donkere ruimte, sloten den toegang af door
de zerk, en daarop schoven ze de kisten.
Vlug namen ze afscheid.
Drie draafden 't dorp uit, den weg op naar de stad.
Wibbe nam Hesse bij 'n arm en holde naar huis.
Dichtbij liepen ze heel kalm alsof er geen windje aan de lucht was
en veilig kwamen ze op de kamer van Hesse.
Wibbe deed kordaat!
Hij trok hem de schoenen en kousen uit--de eerste verstopte hij in
de kast en de laatste wrong hij stevig uit om ze te drogen tegen den
volgenden dag.
"Je neemt je andere laarzen," zei Wibbe, "en daar stop je dan je
bloote voeten in, dat gaat best."
Ook de broek en de onderbroek nam Wibbe onderhanden.
"Ik leg alles op zolder," zei hij, "je trekt je oude broek maar aan
en anders niets."
Wibbe hielp handig en vlug en ongemerkt wist hij de natte boel op
zolder te krijgen, waar alles werd uitgespreid.
Hesse zag er toch wel 'n beetje pipsch uit, misschien door 't beleefde
avontuur en door de vochtigheid.
Mevrouw scheen de ongewone rustigheid van de jongens te bevreemden. Ze
geloofde aan 't een of andere kattekwaad en dus ging ze eens kijken,
maar de twee jongens zaten op Wibbe's kamer heel aandachtig platen
te kijken.
"Wat zijn jullie vroeg binnen, er is toch niets?"
Hesse zat gelukkig aan den versten kant van de tafel, waardoor mevrouw
de onderste helft van z'n lichaam niet kon zien.
Wibbe antwoordde ferm: "We spelen riddertje en nu moeten we morgen
weten, hoe die vroegere ridders met verraders deden."
Dat klinkt vreeselijk, dacht Wibbe, nu zal ze wel gauw weggaan,
maar mevrouw ging er op in! Ze wilde weten wie de verrader was!
Toen diende Wibbe wel vol te houden met 't vertellen van 'n toekomstig
plan.
"Ik ben 't," zei hij, "en nu zoeken we naar 'n plaat, die ik gezien
heb, waar onder staat: De dood van den verrader."
Hesse zei geen enkel woord en hij herademde toen mevrouw de kamer
verliet.
"Als ze toch iets merkt," zei Hesse later, "dan móét je liegen. Ze
mag niets van onze geheime kelder weten! Dan is de aardigheid er af."
Wibbe moest dat toegeven en dus beloofde hij alleen te zullen zeggen:
Hesse is in 't water gevallen.
Tot groote vreugde van de jongens, kreeg mevrouw er geen erg in.
Veilig belandden ze in bed en ze droomden van hun kelder.
Den anderen dag droeg Hesse z'n zelfde kleeren weer. Ja, de bovenbroek
voelde nog min of meer vochtig aan, maar allo, ze gingen eerst 'n
uurtje in 't gras liggen om van de zon wat warmte af te gappen.
Deze laatste uitdrukking was van Hesse en nog afkomstig uit z'n
vroegere jaren.
Maar 'n uur hielden ze 't niet uit!
"We hebben geen kaarsen," riep Hesse, "zullen we ze gaan vragen?"
"Mevrouw zal ons aan zien komen!" meende Wibbe, "ik wil 't toch
wel probeeren!"
Weg draafde hij en acht minuten later keerde hij terug met twee
kaarsen.
"Dat vindt ze genoeg!" riep hij tegen Hesse. "Maar 't is lang niet
genoeg! We moeten er minstens tien hebben."
Hesse dacht even na....