Op eens vroeg hij: "Zeg, jij bent geen zoon van hèm, is het wel?"

"Nee," antwoordde Wibbe, "ik ben er in huis als pleegkind."

"En ik?... Zie je, ik begrijp niet alles. Heb jij ook geen vader en

moeder meer?"

"Nee."

"Ben jij wel 's in Spanje geweest?... Niet?... Ik wel! Dààr woonde

m'n vader. Ik ga er later weer naar toe."

Wibbe zweeg. Het kalme gedrag van Hesse verbaasde hem en op eens

schoot hem te binnen: "Zou de jongen misschien bedroefd zijn?"

"Vindt je 't naar om hier te wonen?"

Daar veranderde Hesse als met 'n tooverslag.

"O nee! heelemaal niet! Ik heb dat zoo wel 's méér, dat ik aan m'n

vader denk."

"En niet aan je moeder?

"Ja--ja--òòk! Maar vader, weet je, die kon zoo hard op 'n paard rijden

met 'n piek in z'n hand."

"Heb je dat wel eens gezien?"

"Nee! vader vertelde er van, toen wij hier woonden."

"Waarom bleef hij ginder niet?"

"Gaat je niet an!"

Wibbe keek vreemd op door dien laatsten uitval. Waarom deed Hesse in

eens zoo ruw? Mòèst z'n vader misschien weg uit Spanje?

Meer tijd om er over te denken of om er Hesse naar te vragen, had

hij niet, want z'n makker holde vooruit tot aan 'n houten deur. Dit

was de afsluiting van den tuin aan de achterzijde.

Maar Hesse scheen de lenigheid van z'n vader geërfd te hebben, hij

klom als 'n aap over de deur heen en kwam achter 't huis van den

notaris terecht.

Wibbe moest wel volgen en nu stonden ze op 'n plek, waar Wibbe nog

nooit was geweest, 'n smalle doorgang tusschen twee rijen huizen met

blinde muren. Het lag er vol rommel en overblijfselen van kisten,

tonnen en manden.

Ze voelden zich hier te veel opgesloten en dus ging 't verder, tot aan

'n hek.

Wip, er over heen.

Nu stonden ze op 'n straatweg, want behalve 't huis van den notaris

en 'n paar pakhuizen met woningen er achter, werden er geen andere

gevonden.

"Je had net zoo goed over de brug kunnen gaan," zei Wibbe.

Hesse antwoordde niet eens--hij zag 'n sloot, en dus sprong hij er

zonder aarzelen overheen, zonder zelfs naar Wibbe om te kijken. Hij

zag paarden!

Wibbe bleef een poos aan den kant staan... zou hij òok 't land in gaan?

Hesse liep regelrecht op de dieren af en, alsof de beesten voelden,

dat de naderende kleine mensen geen kwaad in den zin had, ze bleven

staan en lieten zich een voor één bekloppen en aaien.

Dat werd Wibbe te machtig!

Met 'n vaart sprong hij over de sloot en holde naar den groep.

Hesse praatte hardop tegen de paarden, die hem met hun mooie groote

oogen aankeken.

"Help me d'r eens op," zei hij tegen Wibbe, maar deze riep: "Nee

jongen, dat mag niet."

Hesse wachtte niet, maar lokte 't eene paard mee tot bij 't hek.

Dáár klom hij eerst op de dwarslat, en... met 'n flinke ruk zat hij

op den rug van 't makke dier. Hij greep de manen, klakte met de tong

en daar ging 't door de wei.

Wibbe keek sip!

Hij zou 't nooit klaar spelen om ruiter te worden!

Hij vergenoegde zich dus maar met toekijken, toch wel vol bewondering

voor dien Hesse.

De pret duurde niet lang, want de eigenaar, 'n boer, kwam schreeuwen:

"D'r af! gauw!"

Maar Hesse hoorde of zag niets!

Als 'n jonge ridder reed hij voort, tot de boer hem genaderd was en

weer schreeuwde.

Toen schrikte Hesse even... hij liet zich snel van den paardenrug

afglijden en ging er van door.

Wibbe draafde mee.

Weer sprongen ze over de sloot en eerst nu begon Hesse luidruchtig

te praten.

"Dat zijn de liefste beesten van de heele wereld!" riep hij

opgewonden. "Als ik ouder ben, koop ik er vijftig, honderd, duizend!"

De ridders van den halven toren · 第 15 / 77 题