Wibbe antwoordde: "Als ik rijk was, liet ik 'n nieuwe bouwen."

Mevrouw keek hem aan terwijl ze dacht: Zou de jongen weten, dat z'n

pleegvader zoo'n groote som gelds voor hem in bewaring heeft gegeven?

Ze wist toch wel beter en daarom zei ze: "Och, over een paar jaar

stort hij wel in en dan zullen we wel weer zien."

't Verdere van den dag ging traag voorbij. Wibbe probeerde de koeien

in de wei te naderen, maar ze moesten niets van 'm weten en gingen op

'n grappige manier aan den haal.

Ook 't middagmaal verliep vervelend, want èn mevrouw èn Wibbe wachtten

met ongeduld op den terugkeer van den notaris.

't Werd donker.

Zwijgend zaten beiden aan den tafel, luisterend naar elk geluid.

"Mag ik opblijven, tot meneer thuis komt?" vroeg Wibbe.

Mevrouw stemde toe.

En zoo wachtten ze, uur na uur....

Misschien bleef hij dien nacht óók nog weg! dacht mevrouw.

Ze stelde als uiterste termijn: half elf.

't Was nù negen uur.

Langzaam verliep de tijd.... de pendule tikte.... 't Werd half

tien.... eindelijk tien uur.... en--twintig minuten later verscheen

Hesse.

De ridders van den halven toren · 第 9 / 77 题