NABERICHT.

Voor zoover het mij mogelijk was, heb ik zelf de plaatsen bezocht, die

ik in den loop van dit verhaal moest beschrijven; een zomervacantie is

echter te kort, om een tochtje naar en door Australië te doen. Voor het

laatste gedeelte van dit werk heb ik mij derhalve met beschrijvingen,

teekeningen en photographieën moeten tevreden stellen.

Wat de beschrijvingen betreft, heb ik er naar gestreefd slechts zulke

te kiezen, waarvan ik met zekerheid wist dat ze vertrouwbaar waren:

Trollope (1873), Christmann (1870) en Grant (1881); de eerste twee

hebben geheel Australië, de derde Queensland alleen beschreven met het

doel hun landgenooten het vijfde werelddeel te doen kennen, zooals het

in zijn maatschappelijken toestand werkelijk is, en hen op te wekken

tot—of onder bijzondere omstandigheden te waarschuwen tegen

landverhuizing. Van hen mag men verwachten, dat zij de waarheid en niet

meer dan de waarheid hebben geschreven.

Ook de beschrijving der onderzoekingstochten van Burke Wills,

Leichhardt, Stuart en Harris, de werken van Marin la Meslée Inglis,

Warburton, het dagboek van den graaf de Beauvoir en van C. Lumholtz,

waarin de schrijvers het resultaat van hun onderzoekingen op sociaal,

botanisch, zoölogisch en anthropologisch gebied hebben opgeteekend,

hebben mij den grondslag verschaft voor eenige episodes. Toch heb ik

getracht mij ook voor leugens in commissie te vrijwaren, door de

feiten, die mij onwaarschijnlijk voorkwamen, slechts uit te werken,

nadat ik ze twee of meermalen „belegt” had gevonden.

Voor hen die er belang in stellen te weten, hoe ik daarbij te werk ben

gegaan, mogen de volgende voorbeelden dienen:

Journal du compte de Beauvoir. Brisbane 19 Oct.

„On a eu beau élever et instruire des enfants noirs, leur apprendre

des métiers, leur faire gagner des salaires élevés; à vingt ou

vingt-cinq ans, ils se sont échappés des villes vers les bois, pour

reprendre le cours d’une misérable existence. Bien mieux, il est un

Aborigène d’une remarquable intelligence, dont on a pris soin à

Melbourne dès sa plus tendre enfance, qui s’est pris de passion

pour les machines et l’industrie: il avait presque des manières

d’Européen; il paraissait aimer les mathématiques et pouvait même

résoudre une équation du second degré; on l’a envoyé passer deux

ans en Angleterre, on l’a présenté à la Reine et comblé

d’attentions aimables. Eh bien, maintenant, courez les bords de

l’Ulla-Dulla et vous le trouverez tout nu, au milieu de tribes

hideuses, vivant d’oppossum” etc.

Aan deze woorden dankt Tatamboe zijn bestaan.

„The Queenslander”, published weekly in Brisbane

June 8, 1878.

....„In this region nature maintains 1 fitting solitude. The

glaring cliffs drop down from a table-land where the cypress pine

surges mournfully in the breeze; half starved dingoes wake the

echoes of the hills by their nightly serenades, and a few blacks

roam from creek to creek and gorge to gorge, finding in the

innumerable caves into which the soft substance is excavated, safe

harbour and concealment after a raid in the plains below. To this

region must one come to see the fossieker in all his miserable

state. Travelling in pairs, but usually working separately, the

true gambusino of the north is found.... and hour by hour, nay,

every second there is the same uneasy consciousness that

bloodthirsty and vengeful eyes are upon you and that to relinquish

your gun for a minute may cost you your life.”

In dezen toestand heb ik Herman Borgers geplaatst, en één van die

„bloodthirsty blacks” is de zwarte uit de grot.

Bijna alle reizigers spreken in hun dagboek over de zonderlinge

bijenjacht, zooals ik die door Jacky heb doen uitvoeren; ook in het

„Album der natuur”, jaargang 1866, wordt er op bladz. 222 met eenige

woorden melding van gemaakt.

Op deze wijze werd het mij mogelijk, zonder willens en wetens de

waarheid geweld aan te doen, Willem Roda in een land te voeren, dat ik

nooit bezocht heb.

„De vloek van den zanger”, is een metrische vertaling van Uhlands

gedicht van dien naam. Dat ik de legende aan den Rijn heb geplaatst, en

er,—met het oog op hen, voor wie ik hoofdzakelijk schreef,—twee

strophen aan toegevoegd heb, zonder daardoor het gedicht schooner te

maken, zal men mij, hoop ik, vergeven; even als een paar juridische

anachronismen in het 3de en 4de hoofdstuk.

Voor de Zwijnenjacht in het 11de hoofdstuk heeft een artikel van een

Förster in Daheim,—een man van het vak dus,—bouwstof geleverd.

E. Hs.

Willem Roda: Een jongensboek · 第 23 / 25 题