HOOFDSTUK XX.

Willems moeder zat alleen in de achterkamer; zij pookte het vuur in de

kachel nog eens op, want Roda en Emilia konden elk oogenblik

thuiskomen, en nu de zon ondergegaan was, begon het koud op straat en

kil in huis te worden.

In de kamer was, sedert Willem er ruim drie jaar geleden als

boerenjongen was binnengekomen, niet veel veranderd; alleen de

gordijnen waren wat meer verschoten en het vloerkleed vertoonde hier en

daar den draad.

Er werd gescheld.

„Goeden avond, moe! Brief van Willem?” vroeg Emilia, terwijl ze zich

vlug van mantel en hoed ontdeed, en de lamp ging opsteken. „Neen? Och,

ik had het eigenlijk niet behoeven te vragen; ik zag het bij het

binnenkomen al aan uw gezicht. Maar maak u toch niet zoo ongerust; ’t

gebeurt immers zoo dikwijls, dat de mail later aankomt dan men meende;

’t is nog geen veertien dagen over den tijd. Ik zal die rimpels maar

eens weer glad strijken!” ging ze opgeruimd voort, en zette zich naast

haar moeder aan de tafel, „die leelijke plooien wil ik niet meer zien;

ik zal u wat moois voorlezen, ik heb van de modiste een nieuw bundeltje

gedichten ter leen gekregen.”

„Neen, kind, je moet den geheelen dag je oogen inspannen; ik kan het je

wel aanzien, je bent vermoeid; en buitendien, we hebben sedert jij ook

al voor den kost moet werken, zoo weinig gelegenheid samen eens te

praten; ik zal morgen die gedichten wel lezen; blijf nu eens een poosje

bij me zitten keuvelen.”

„Heel gaarne, moe; maar op voorwaarde, dat we voor dezen enkelen avond

eens niet over Willem spreken.”

„Nu ’t is mij goed; ik ga dan straks de laatste brieven van Willem en

Herman nog eens overlezen.”

„Voor de twintigste maal, moe?” vroeg Emilia met een ondeugend lachje.

„Heb jij ze dan nog maar éénmaal gelezen, Emilia?”

„Neen, ik ken ze al van buiten, al zijn ze lang,” antwoordde deze met

een lichte blos.

„Milie, denk je dat ze spoedig komen zullen?”

„Ik weet het niet, moeder, ik hoop het voor u, voor mij en vooral voor

vader; voor dien zou het een uitkomst zijn. Vind u ook niet, dat vader

er in de laatste dagen erg verdrietig uitziet?”

„Zeker heb ik dat opgemerkt, maar de oorzaak is immers niet ver te

zoeken, je zegt het zelf; hij verlangt even vurig als ik en jij onzen

Willem weer te zien.”

„Het is vaders gewoonte niet, iets voor ons verborgen te houden en toch

ben ik er zeker van, dat er nog iets anders is, dat hem treurig maakt.”

„Zou er iets met Willem gebeurd zijn?” riep de moeder verschrikt

opspringend.

„Wel neen, moe, ga toch zitten; dat zou vader ons niet verborgen

hebben. Wees toch niet zoo ongerust; u zult u zelf weer ziek maken. Nu

ga ik tafeldekken en ik spreek geen woord meer over Willem, vóór er een

brief is. Gelukkig, daar is vader!”

Met bezorgde blikken zagen Emilia en haar moeder den heer Roda aan;

zijn gelaat zag nog wel betrokken, maar niet verdrietig meer.

„Nog geen brief van Willem, wel?” vroeg hij na den avondgroet, en

schoot de pantoffels aan, die zijn dochter voor hem had neergezet. „De

mail wordt niet voor de volgende week verwacht, maar er kon ook over

Londen bericht zijn gekomen; nu, dan nog maar acht dagen geduld hebben.

Aan tafel, kinderen. Ik heb honger; na het eten heb ik wat nieuws mede

te deelen.”

„Goed of kwaad?” vroegen zijn vrouw en zijn dochter bijna te gelijk.

„’t Was kwaad, maar ’t werd goed!” was het raadselachtig antwoord,

„meer vertel ik niet, vóór we gegeten hebben.”

De maaltijd was spoedig afgeloopen. Emilia had nog zelden zoo snel

afgenomen en thee gezet.

„Nu, vader, hier is een sigaar en een kopje thee; maar nu ook eerlijk

alles vertellen!”

„Dat zal ik doen van stukje tot beetje. Om te beginnen: Men heeft mij

de betrekking opgezegd!”

„Opgezegd en waarom?” vroeg Emilia verschrikt en verwonderd.

„Op staanden voet, zonder eenige reden op te geven. Je kunt begrijpen,

hoe ik schrikte; of ik al vorschte naar de reden, het hielp me niets;

ik kon de volgende week vertrekken. Dat is het kwade, nu komt het

goede,” vervolgde Roda; hij stond op, liep de kamer op en neer en

lachte daarbij zoo vreemd, zoo schamper, zoo ironisch, dat zijn vrouw

en Emilia er koud van werden.

„Vader, wat is er gebeurd?” riep zijn dochter en sloeg de armen om zijn

hals. „Kom, zeg het ons, zeg het ons!”

„Wel, moet ik niet lachen,” zei Roda,—zijn toon klonk nog steeds

spottend en diepe, grievende smart schemerde er doorheen. „Moet ik niet

verheugd zijn, nu ik, na vier jaren op een anders kantoor de boeken te

hebben bijgehouden, weer dagelijks in ons vroeger huis op de

Heerengracht mag komen. Wel niet als heer, maar toch als knecht!”

„Vader, ik begrijp u niet; och, pijnig ons niet langer; u spreekt zoo

zonderling, dat zijn we niet van u gewoon; zie moeder eens aan, de

tranen schieten haar in de oogen!”

Roda ging zitten.

„Ja, ik ben onredelijk tegen mijn lot, maar er wordt mij ook niets

bespaard. Waarom moet mij ook juist in het huis, waar ik ben opgevoed,

waar ik als heer en meester gewoond heb, een ondergeschikte betrekking

worden aangeboden? Maar ik zal mijn plicht vervullen tot het einde toe;

’t is bitter, maar het moet.” Roda streek met de hand over het

voorhoofd, als wilde hij die droefgeestige gedachten wegvagen en op

minder treurigen toon vervolgde hij:

„Ik heb je al gezegd, dat mijn tegenwoordige patroon mij de betrekking

heeft opgezegd; dat was eergisteravond; gistermiddag ontmoet ik Omens

niet ver van het kantoor; ik neem hem onder den arm, vertel hem de

geschiedenis en vraag hem, of hij me niet een andere boekhoudersplaats

kan bezorgen. „Wel vriend,” zegt hij, „dat treft zoo mooi als ’t kan.

In het huis, waar je vroeger gewoond hebt, heeft een Engelschman een

bankierskantoor gevestigd; ik ken mijn buurman sedert eenige weken; hij

heeft me verzocht een ervaren boekhouder voor hem te zoeken; een man,

die, zoolang hij zelf in het buitenland vertoeft, de geheele zaak kan

drijven. Ik zal dadelijk gaan zeggen, dat je het aanneemt.” „Neen, ik

neem het niet aan,” zeg ik. „Ik wil in mijn eigen huis geen

ondergeschikte zijn; nog liever word ik pakhuisknecht, als ik geen

boekhoudersplaats meer vinden kan.” Omens redeneerde echter zoolang—je

weet wel hoe Omens praten kan—en stelde de zaak zoo mooi voor, dat ik

zwichtte. Zooeven ben ik er zelf heengegaan; ik heb mijn woord gegeven.

Maandagmiddag aanvaard ik mijn nieuwe betrekking.”

„Arme vader!” zuchtte Emilia.

Haar moeder zeide niets; ze staarde stil voor zich heen.

„Och!” ging Roda voort, toen hij zag, dat hij zijn vrouw en dochter ook

droevig had gestemd. „’t Is onaangenaam; maar ik heb al zoo dikwijls

dingen moeten doen, die mij tegen de borst stuitten. Binnen eenige

weken ben ik er aan gewoon.—Ze zag er anders goed uit, onze vroegere

woning. Het geheele huis is nieuw geschilderd, en de tuin staat nog zoo

mooi, of het midden in den zomer was. Die Engelschman is een

buitengewoon vriendelijk mensch; hij bood mij aan de vertrekken eens te

gaan bezichtigen; het hart bloedde mij, maar ik had den moed niet te

weigeren. Overal is de stoffeering even rijk en smaakvol, en een stal

met paarden heeft hij, zooals er, geloof ik, maar weinige in Amsterdam

zijn. Het trok mijn aandacht, dat de inrichting der vertrekken juist

zoo is, als wij die vroeger hadden. Het kantoor is beneden; de

slaapkamers zien op den tuin uit; de logeerkamers, in één woord, alles

is zoo gebleven als het was; de groote zaal alleen heb ik niet gezien,

daar waren ze nog aan het timmeren. Maar wat ik het vreemdst vind, is,

dat mijn nieuwe patroon mij bij het heengaan vroeg, of ik alles naar

mijn smaak vond. Alsof ik ooit ergens anders zal komen dan op het

kantoor of in de spreekkamer!

„Eén ding is er echter, dat mij met mijn lot verzoent, Emilia. Ik heb

de betrekking niet willen aannemen, voordat de bankier mij het salaris

had genoemd, dat ik zal verdienen. Hij gaf telkens ontwijkende

antwoorden; „dat zullen we later wel bespreken”; „in elk geval meer dan

in uw tegenwoordige betrekking,” en dergelijke uitvluchten meer; maar

ik rustte niet, voordat hij een som had genoemd.

„Voorloopig,” zei hij er bij, „maar het bedrag is nu reeds zoo hoog,

dat we voortaan in ruimer omstandigheden kunnen leven, en jij, Emilia,

niet weder naar de modiste behoeft te gaan. Van morgen af blijf je

thuis.”

„Vader, als dat de reden is, waarom u tegen uw zin de betrekking heeft

aangenomen, blijf ik liever hoedenmaken.”

„Neen, kind, dat is de eenige reden niet. In elk geval is er niets meer

aan te veranderen; ik heb mijn woord gegeven. Maandag ga ik er heen!”

Er werd verder niet meer over deze zaak gesproken en Maandag kwam. Roda

maakte zich reeds op heen te gaan, toen er gescheld werd, en Omens

langzaam naar boven kwam. Alle drie keken hem verwonderd aan: de oude

advocaat was gekleed alsof hij op audiëntie moest.

„Wel, Roda, wat woon je hoog en wat een steile trap!” zeide Omens

hijgend van het klimmen. „Mijn oude beenen zijn er niet meer voor

geschikt, en ik begrijp niet, hoe jij minstens viermaal daags op en af

kunt klimmen. Neen, als je niet gelijkvloers gaat wonen, kom ik niet

meer bij je!”

„Wat voert je hierheen, Omens?” vroeg Roda, die met verbazing zijn

vriend aanhoorde. „Je weet toch, dat ik straks naar dat kantoor moet.”

„Wel, juist daarom kom ik hier; ik zal je brengen en je installeeren.

Neen, spreek niet tegen. Je bent klaar? Mee haar beneden dan; ik breng

je, stel je aan de klerken voor en daarmee uit. De bankier wil het zoo,

dat is een jon..., och, een man bedoel ik, die van die aardigheden

houdt en wij oudjes moeten er ons maar aan onderwerpen. Voorwaarts.

Goeden dag, Emilia, goeden dag, mevrouw!... tot straks!” voegde hij er

fluisterend bij en sloeg de deur snel achter zich dicht.

Roda was reeds de trap af.

„Moeder!” riep Emilia half schreiend, half juichend en zichzelf steeds

meer opwindend uit. „Moeder, er is iets op til! Ik weet het! Ik voel

het! Die opgezegde betrekking! De nieuwe in ons huis! Die Engelschman!

Omens, die vader komt halen! De brief, die uitblijft! Moeder, Willem

komt! Hij is al hier met Herman! In al die geheimzinnige toebereidselen

herken ik Willem. Dat alles is zijn werk! Hij wil vader verrassen! Geen

twijfel meer! Moeder! Moeder! ze komen, ze komen!” En snikkende wierp

ze zich in haar moeders armen.

„Kind! bedaar! Zie eens aan, nu ben jij nog meer opgewonden dan ik; dat

komt er van als men zich zoo lang tot kalmte dwingt en zijn gevoel

verbergt!”

Thans was het de moeder, die de dochter steunde; ze zette haar zachtjes

in den leuningstoel, maar op hetzelfde oogenblik werd er op de deur

geklopt.

„Willem!” riepen moeder en dochter te gelijk en rukten de deur open.

Maar ’t was Willem niet; ’t was Frederik Walling, de voormalige

schooier, die er nu echter in zijn deftigen zwarten rok alles behalve

schooierachtig uitzag.

Hij streek met zijn mouw zijn zijden hoed glad.

„Mevrouw, juffrouw,” stotterde hij, door het ontstelde gelaat der

moeder en de betraande wangen van Emilia in de war gebracht, „door mijn

schuld... vroeger... is uw zoon—”— —Een rijtuig houdt voor de deur

stil—„Daar zijn twee heeren uit Australië!” roept Walling en snelt zoo

hard als hij kan naar beneden.

Twee mannen stormen de trap op en werpen hem op den overloop omver.

„Willem, mijn kind! Moeder! Emilia! Herman!”

„Nu naar vader!” riep Willem, zich uit de armen van zijn moeder

losmakend, die hem zwijgend omkneld hield. „We moeten vóór hem in ons

huis zijn. Niet gekleed? Dat doet er niet toe; vooruit! In het voorste

rijtuig, moe, bij Hermans ouders in! Och, sluit die deur toch niet; dat

houdt maar op; laat dien ouden rommel maar staan!”

De portieren sloegen dicht; de palfreniers sprongen op den bok, de

nieuwsgierigen op zijde, en in vliegende vaart rolden de beide koetsen

naar de Heerengracht.

Roda was intusschen ook reeds op de gracht gekomen.

„Daar houden equipages stil voor het kantoor,” zegt hij tot Omens; „er

stappen menschen uit!”

„Waarschijnlijk de vrouw en de kinderen van den bankier!” antwoordt

Omens en strijkt vergenoegd zijn kort, grijs baardje, „ze moeten bij de

inwijding tegenwoordig zijn!”

„En er hangt een vlag uit,” herneemt Roda, „waarvoor dient die

vertooning? Hadt je mij er niet buiten kunnen laten, Omens? Je weet,

dat ik op zoo iets niet gesteld ben!”

„Dat weet ik, maar in dat geval hebben we jou er bepaald bij noodig; we

zijn er.”

„Hemel! Omens! Op die koperen naamplaat!” roept Roda, opeens den

advocaat bij den arm grijpend, sidderend uit.

„Wat is er?”

„Op die plaat!—Daar staat—daar staat—„J. Roda”, mijn naam!”

Omens duwt den verbaasden man, die eindelijk begint te begrijpen,

zachtjes door de openstaande benedendeur de gang in.

„Vader!” roept Willem, die, nu hij zijn grijzen vader gezien heeft,

niet wachten kan, tot hij binnen is.

„Willem, mijn kind! mijn jongen, heb ik je eindelijk, eindelijk weder!”

roept Roda. Schreiend sluit hij zijn zoon in zijn armen en kust hem op

beide wangen. „Willem, Willem, in mijn eigen huis vind ik mijn kind

weer, wat een verrassing! Wat zullen moeder en Emilia blij zijn!”

„Mee naar boven, vader, dan kunt u hooren, wat ze zeggen!”

„Zijn ze er al? Willem, denk jij dan aan alles, wat mij gelukkig kan

maken?”

„Wel natuurlijk, vader; waaraan zou ik anders denken? Kom, geef mij uw

arm eens; boven wachten moeder, Emilia, Herman, de geheele familie

Borgers, Frederik Walling, Van Dal en nog iemand: de Engelschman, die u

al gesproken heeft, vader; aan hem hebben we grootendeels ons geluk te

danken.”

„Goed, Willem; maar loop nu niet zoo snel de trappen op, mijn jongen!

Of de ouderdom of de ontroering er de schuld van is, Willem, weet ik

niet; ik kan je niet bijhouden!”

In de bovenzaal werd de oude heer Roda met gejuich ontvangen, en

gelukgewenscht door allen, die Willem had opgenoemd, behalve door Lord

Greybury: de Engelschman was verdwenen, zonder dat iemand zijn heengaan

had opgemerkt.

Toen Van Dal thuis kwam en mopperend tegen zijn vrouw, die weer niet

mede had willen gaan, zijn jas op een stoel wierp, vielen er twee

gouden tientjes op den vloer; hoe lang man en vrouw zich ook in

gissingen verdiepten over de herkomst van die goudstukjes, zij vonden

den waren oorsprong niet.

Weer waren evenals vier jaar geleden al de vensters in den voorgevel

van het groote huis verlicht; weer drong er dansmuziek door vensters en

deuren heen naar buiten; weer stonden in onafzienbare rij de equipages

op de gracht en ook nu sloegen de koetsiers zich de armen tegen de

schouders.

Daar binnen evenwel waren nu twee bruiden en twee bruidegoms in plaats

van één paar zooals toen. Willem was de verloofde van Emma Borgers;

zijn zuster zou den volgenden dag de vrouw van Herman Borgers worden.

En thans werd de feestvreugde niet verstoord; thans had Omens geen

jobstijding meer te brengen; hij trippelde op zijn korte beentjes

tusschen de palmen en heesters met Roda door de zaal, als was hij

vijftig in plaats van zeventig. Ook Roda scheen al het doorgestane leed

vergeten te zijn en weer jong te zijn geworden.

Lord Greybury zond een telegram; hij wenschte den ouders geluk en

hoopte binnen een paar jaar het jonge paar op Emilia-station

persoonlijk te komen gelukwenschen.

Willem bleef nog twee maanden bij zijn ouders; toen nam hij opnieuw

afscheid, nu tevens van zijn bruid. Herman Borgers en zijn gelukkige

vrouw waren reeds vooruitgereisd naar Marseille; daar zouden zij op hun

broer wachten, die eerst nog eenige oude kennissen wilde bezoeken.

De kommandant van De Kruisberg keek verwonderd op, toen de majoor een

naamkaartje met „Willem Roda, squatter, Queensland” vóór hem op den

lessenaar legde en berichtte, dat deze heer hem wenschte te spreken.

Hij ontving Willem hartelijk, en luisterde met belangstelling naar zijn

lotgevallen.

„Zoover heeft het nog geen van mijn jongens gebracht, Willem, en zoover

zal het wel nooit weer een brengen,” zei de kommandant en vertelde

Willem op zijn beurt, hoe hij hem verdacht had een complot gesmeed te

hebben en eerst veel later de ware toedracht der zaak had ontdekt.

„Kommandant,” zeide Willem bij het heengaan, „wil u zoo goed zijn dit

geld aan den boschwachter te geven; ik heb niet eerder gelegenheid

gehad mijn schuld af te doen.”

„Aan den boschwachter? Heeft hij je dan geld geleend om te

ontvluchten?” vroeg de kommandant, en zijn gezicht betrok.

„Wel, neen! Hij heeft mij onwillens en onwetens zijn hond verkocht!”

„Ha, zoo! Nu is mij die zaak helder. Laten we daar niet meer over

spreken, Willem. ’t Is twijfelachtig of we elkaar ooit weer zien; doe

mij het genoegen, me nog eens bericht te zenden, hoe het je verder

gaat; ik bewaar alle brieven van de jongens uit het gesticht, het doet

me altijd goed te hooren, dat het hun welgaat. Adieu!”

Vrouw Branse, Oldejan en Jongejan zitten in de hut koffie met snijkoek

te gebruiken, want het is Zondag. Een vreemde heer bukt zich en kijkt

naar binnen.

„Jan Branse thuis?”

„Heere mien tied! ’t Is Willem?” roept de vrouw dadelijk. „Mensche,

mensche wat bin jij groot en mooi eworden, ik ken oe alleen aan de

stemme!”

Willem bleef den geheelen middag bij de brave hutbewoners.

„Ik heb het oe wel ezegd!” zeide Oldejan, toen Willem afscheid nam.

„Die weldadig is, en zijn vader en moeder eert, kan het nooit slecht

gaon in de wereld. De Engelen van den Heer hebben oe begeleid!”

Den volgenden morgen was Willem te Wijk. Op zijn verzoek ging Volsteke

nog eens met hem in den berg.

„Volsteke, ik begrijp niet, hoe ik een geheelen winter in deze bedompte

gangen heb kunnen leven,” zei Willem, toen ze samen een half uurtje

rondgewandeld hadden. „Ik zou het hier nu geen dag meer uithouden, ik

ben aan de zon en den blauwen hemel gewend, ik kan er niet meer

buiten.”

„Moeten is dwang, maar willen is kunnen!” antwoordde Volsteke. „Dat

hebt ge zelf ondervonden en getoond, anders was ge thans niet, die ge

zijt.”

Anderhalf jaar daarna wandelden Willem, zijn zuster en haar man

ongeduldig bij de aanlegplaats der Europeesche stoombooten te Sydney

heen en weer. De boot had reeds de Heads gepasseerd, maar stoomde veel

te langzaam in de uitgestrekte haven, althans voor Willem, want op dit

schip bevond zich Emma Borgers, thans zijn vrouw. Eindelijk legde de

boot aan: maar hoe groot was Willem’s en Emilia’s blijdschap, toen na

Emma ook hun vader en moeder aan wal stapten.

„Denk je soms, Willem, dat jij alleen verrassingen kunt bedenken?” zei

de oude Roda, toen allen op de boot, die hen naar Brisbane moest

voeren, waren overgestapt. „En jullie beiden dachten ons oudjes maar

alleen te Amsterdam te laten zitten. Neen, jongens, daar komt niets

van. Jullie waren nog geen drie maanden weg, of bij ons stond het plan

vast, Emma te brengen. ’t Is een lange reis, maar wij oudjes hebben ons

goed gehouden, niet waar, Emma?”

De boot stoomde reeds de rivier van Brisbane op.

„Willem,” vroeg Roda, „kunnen moeder en ik niet zonder paard te rijden

naar je stations komen?”

„Wel zeker, vader! We gaan hier met reuzenschreden vooruit. Voor twee

jaren was er nog geen voetpad; tegenwoordig brengt ons de spoortrein in

rechte lijn tot op een mijl of wat afstands.”

„Uitmuntend,” antwoordde Roda en wreef zich vergenoegd de handen, „dan

gaan we eerst eens kijken, hoe het leven daar op de stations ons

bevalt. Is het er voor ons beiden te druk, dan keer ik met moeder naar

Brisbane terug en we blijven er wonen, tot we samen naar Nederland

terugkeeren.”

De geheele familie zat onder de veranda van Darling-station vereenigd.

Willem vertelde van zijn laatste bezoek op De Kruisberg en bij Jan

Branse.

„En toch, Willem, wed ik, dat je in Nederland nog iets vergeten hebt,

wat je beloofd hebt te doen!” zei Knol opeens.

„Ik wed van niet!” antwoordde Willem. „Wat bedoel je Kees?”

„Wel, je hebt de jongens van het gymnasium in Doetinchem meer dan eens

beloofd te schrijven, hoe het ons op onze vlucht gegaan is. ’t Is niet

mooi, dat je het vergeten hebt, Willem; zonder hen zouden we nooit vóór

onzen tijd van De Kruisberg zijn afgekomen!”

„Ik neb het niet vergeten, Kees. Tot mijn spijt moet ik echter

bekennen, dat ik hun naamkaartjes heb verloren. Maar ik weet goeden

raad; niemand zal me kunnen verwijten, dat ik een belofte heb

geschonden. Zoo spoedig ik tijd heb, zal ik mijn geschiedenis eens

opschrijven en laten drukken. Wellicht krijgt een van die jongens het

boek in handen, en hebben ze voor het lange wachten mijn overige

lotgevallen op den koop toe.”

Willem Roda: Een jongensboek · 第 21 / 25 题