Willems moeder zat alleen in de achterkamer; zij pookte het vuur in de
kachel nog eens op, want Roda en Emilia konden elk oogenblik
thuiskomen, en nu de zon ondergegaan was, begon het koud op straat en
kil in huis te worden.
In de kamer was, sedert Willem er ruim drie jaar geleden als
boerenjongen was binnengekomen, niet veel veranderd; alleen de
gordijnen waren wat meer verschoten en het vloerkleed vertoonde hier en
daar den draad.
Er werd gescheld.
„Goeden avond, moe! Brief van Willem?” vroeg Emilia, terwijl ze zich
vlug van mantel en hoed ontdeed, en de lamp ging opsteken. „Neen? Och,
ik had het eigenlijk niet behoeven te vragen; ik zag het bij het
binnenkomen al aan uw gezicht. Maar maak u toch niet zoo ongerust; ’t
gebeurt immers zoo dikwijls, dat de mail later aankomt dan men meende;
’t is nog geen veertien dagen over den tijd. Ik zal die rimpels maar
eens weer glad strijken!” ging ze opgeruimd voort, en zette zich naast
haar moeder aan de tafel, „die leelijke plooien wil ik niet meer zien;
ik zal u wat moois voorlezen, ik heb van de modiste een nieuw bundeltje
gedichten ter leen gekregen.”
„Neen, kind, je moet den geheelen dag je oogen inspannen; ik kan het je
wel aanzien, je bent vermoeid; en buitendien, we hebben sedert jij ook
al voor den kost moet werken, zoo weinig gelegenheid samen eens te
praten; ik zal morgen die gedichten wel lezen; blijf nu eens een poosje
bij me zitten keuvelen.”
„Heel gaarne, moe; maar op voorwaarde, dat we voor dezen enkelen avond
eens niet over Willem spreken.”
„Nu ’t is mij goed; ik ga dan straks de laatste brieven van Willem en
Herman nog eens overlezen.”
„Voor de twintigste maal, moe?” vroeg Emilia met een ondeugend lachje.
„Heb jij ze dan nog maar éénmaal gelezen, Emilia?”
„Neen, ik ken ze al van buiten, al zijn ze lang,” antwoordde deze met
een lichte blos.
„Milie, denk je dat ze spoedig komen zullen?”
„Ik weet het niet, moeder, ik hoop het voor u, voor mij en vooral voor
vader; voor dien zou het een uitkomst zijn. Vind u ook niet, dat vader
er in de laatste dagen erg verdrietig uitziet?”
„Zeker heb ik dat opgemerkt, maar de oorzaak is immers niet ver te
zoeken, je zegt het zelf; hij verlangt even vurig als ik en jij onzen
Willem weer te zien.”
„Het is vaders gewoonte niet, iets voor ons verborgen te houden en toch
ben ik er zeker van, dat er nog iets anders is, dat hem treurig maakt.”
„Zou er iets met Willem gebeurd zijn?” riep de moeder verschrikt
opspringend.
„Wel neen, moe, ga toch zitten; dat zou vader ons niet verborgen
hebben. Wees toch niet zoo ongerust; u zult u zelf weer ziek maken. Nu
ga ik tafeldekken en ik spreek geen woord meer over Willem, vóór er een
brief is. Gelukkig, daar is vader!”
Met bezorgde blikken zagen Emilia en haar moeder den heer Roda aan;
zijn gelaat zag nog wel betrokken, maar niet verdrietig meer.
„Nog geen brief van Willem, wel?” vroeg hij na den avondgroet, en
schoot de pantoffels aan, die zijn dochter voor hem had neergezet. „De
mail wordt niet voor de volgende week verwacht, maar er kon ook over
Londen bericht zijn gekomen; nu, dan nog maar acht dagen geduld hebben.
Aan tafel, kinderen. Ik heb honger; na het eten heb ik wat nieuws mede
te deelen.”
„Goed of kwaad?” vroegen zijn vrouw en zijn dochter bijna te gelijk.
„’t Was kwaad, maar ’t werd goed!” was het raadselachtig antwoord,
„meer vertel ik niet, vóór we gegeten hebben.”
De maaltijd was spoedig afgeloopen. Emilia had nog zelden zoo snel
afgenomen en thee gezet.
„Nu, vader, hier is een sigaar en een kopje thee; maar nu ook eerlijk
alles vertellen!”
„Dat zal ik doen van stukje tot beetje. Om te beginnen: Men heeft mij
de betrekking opgezegd!”
„Opgezegd en waarom?” vroeg Emilia verschrikt en verwonderd.
„Op staanden voet, zonder eenige reden op te geven. Je kunt begrijpen,
hoe ik schrikte; of ik al vorschte naar de reden, het hielp me niets;
ik kon de volgende week vertrekken. Dat is het kwade, nu komt het
goede,” vervolgde Roda; hij stond op, liep de kamer op en neer en
lachte daarbij zoo vreemd, zoo schamper, zoo ironisch, dat zijn vrouw
en Emilia er koud van werden.
„Vader, wat is er gebeurd?” riep zijn dochter en sloeg de armen om zijn
hals. „Kom, zeg het ons, zeg het ons!”
„Wel, moet ik niet lachen,” zei Roda,—zijn toon klonk nog steeds
spottend en diepe, grievende smart schemerde er doorheen. „Moet ik niet
verheugd zijn, nu ik, na vier jaren op een anders kantoor de boeken te
hebben bijgehouden, weer dagelijks in ons vroeger huis op de
Heerengracht mag komen. Wel niet als heer, maar toch als knecht!”
„Vader, ik begrijp u niet; och, pijnig ons niet langer; u spreekt zoo
zonderling, dat zijn we niet van u gewoon; zie moeder eens aan, de
tranen schieten haar in de oogen!”
Roda ging zitten.
„Ja, ik ben onredelijk tegen mijn lot, maar er wordt mij ook niets
bespaard. Waarom moet mij ook juist in het huis, waar ik ben opgevoed,
waar ik als heer en meester gewoond heb, een ondergeschikte betrekking
worden aangeboden? Maar ik zal mijn plicht vervullen tot het einde toe;
’t is bitter, maar het moet.” Roda streek met de hand over het
voorhoofd, als wilde hij die droefgeestige gedachten wegvagen en op
minder treurigen toon vervolgde hij:
„Ik heb je al gezegd, dat mijn tegenwoordige patroon mij de betrekking
heeft opgezegd; dat was eergisteravond; gistermiddag ontmoet ik Omens
niet ver van het kantoor; ik neem hem onder den arm, vertel hem de
geschiedenis en vraag hem, of hij me niet een andere boekhoudersplaats
kan bezorgen. „Wel vriend,” zegt hij, „dat treft zoo mooi als ’t kan.
In het huis, waar je vroeger gewoond hebt, heeft een Engelschman een
bankierskantoor gevestigd; ik ken mijn buurman sedert eenige weken; hij
heeft me verzocht een ervaren boekhouder voor hem te zoeken; een man,
die, zoolang hij zelf in het buitenland vertoeft, de geheele zaak kan
drijven. Ik zal dadelijk gaan zeggen, dat je het aanneemt.” „Neen, ik
neem het niet aan,” zeg ik. „Ik wil in mijn eigen huis geen
ondergeschikte zijn; nog liever word ik pakhuisknecht, als ik geen
boekhoudersplaats meer vinden kan.” Omens redeneerde echter zoolang—je
weet wel hoe Omens praten kan—en stelde de zaak zoo mooi voor, dat ik
zwichtte. Zooeven ben ik er zelf heengegaan; ik heb mijn woord gegeven.
Maandagmiddag aanvaard ik mijn nieuwe betrekking.”
„Arme vader!” zuchtte Emilia.
Haar moeder zeide niets; ze staarde stil voor zich heen.
„Och!” ging Roda voort, toen hij zag, dat hij zijn vrouw en dochter ook
droevig had gestemd. „’t Is onaangenaam; maar ik heb al zoo dikwijls
dingen moeten doen, die mij tegen de borst stuitten. Binnen eenige
weken ben ik er aan gewoon.—Ze zag er anders goed uit, onze vroegere
woning. Het geheele huis is nieuw geschilderd, en de tuin staat nog zoo
mooi, of het midden in den zomer was. Die Engelschman is een
buitengewoon vriendelijk mensch; hij bood mij aan de vertrekken eens te
gaan bezichtigen; het hart bloedde mij, maar ik had den moed niet te
weigeren. Overal is de stoffeering even rijk en smaakvol, en een stal
met paarden heeft hij, zooals er, geloof ik, maar weinige in Amsterdam
zijn. Het trok mijn aandacht, dat de inrichting der vertrekken juist
zoo is, als wij die vroeger hadden. Het kantoor is beneden; de
slaapkamers zien op den tuin uit; de logeerkamers, in één woord, alles
is zoo gebleven als het was; de groote zaal alleen heb ik niet gezien,
daar waren ze nog aan het timmeren. Maar wat ik het vreemdst vind, is,
dat mijn nieuwe patroon mij bij het heengaan vroeg, of ik alles naar
mijn smaak vond. Alsof ik ooit ergens anders zal komen dan op het
kantoor of in de spreekkamer!
„Eén ding is er echter, dat mij met mijn lot verzoent, Emilia. Ik heb
de betrekking niet willen aannemen, voordat de bankier mij het salaris
had genoemd, dat ik zal verdienen. Hij gaf telkens ontwijkende
antwoorden; „dat zullen we later wel bespreken”; „in elk geval meer dan
in uw tegenwoordige betrekking,” en dergelijke uitvluchten meer; maar
ik rustte niet, voordat hij een som had genoemd.
„Voorloopig,” zei hij er bij, „maar het bedrag is nu reeds zoo hoog,
dat we voortaan in ruimer omstandigheden kunnen leven, en jij, Emilia,
niet weder naar de modiste behoeft te gaan. Van morgen af blijf je
thuis.”
„Vader, als dat de reden is, waarom u tegen uw zin de betrekking heeft
aangenomen, blijf ik liever hoedenmaken.”
„Neen, kind, dat is de eenige reden niet. In elk geval is er niets meer
aan te veranderen; ik heb mijn woord gegeven. Maandag ga ik er heen!”
Er werd verder niet meer over deze zaak gesproken en Maandag kwam. Roda
maakte zich reeds op heen te gaan, toen er gescheld werd, en Omens
langzaam naar boven kwam. Alle drie keken hem verwonderd aan: de oude
advocaat was gekleed alsof hij op audiëntie moest.
„Wel, Roda, wat woon je hoog en wat een steile trap!” zeide Omens
hijgend van het klimmen. „Mijn oude beenen zijn er niet meer voor
geschikt, en ik begrijp niet, hoe jij minstens viermaal daags op en af
kunt klimmen. Neen, als je niet gelijkvloers gaat wonen, kom ik niet
meer bij je!”
„Wat voert je hierheen, Omens?” vroeg Roda, die met verbazing zijn
vriend aanhoorde. „Je weet toch, dat ik straks naar dat kantoor moet.”
„Wel, juist daarom kom ik hier; ik zal je brengen en je installeeren.
Neen, spreek niet tegen. Je bent klaar? Mee haar beneden dan; ik breng
je, stel je aan de klerken voor en daarmee uit. De bankier wil het zoo,
dat is een jon..., och, een man bedoel ik, die van die aardigheden
houdt en wij oudjes moeten er ons maar aan onderwerpen. Voorwaarts.
Goeden dag, Emilia, goeden dag, mevrouw!... tot straks!” voegde hij er
fluisterend bij en sloeg de deur snel achter zich dicht.
Roda was reeds de trap af.
„Moeder!” riep Emilia half schreiend, half juichend en zichzelf steeds
meer opwindend uit. „Moeder, er is iets op til! Ik weet het! Ik voel
het! Die opgezegde betrekking! De nieuwe in ons huis! Die Engelschman!
Omens, die vader komt halen! De brief, die uitblijft! Moeder, Willem
komt! Hij is al hier met Herman! In al die geheimzinnige toebereidselen
herken ik Willem. Dat alles is zijn werk! Hij wil vader verrassen! Geen
twijfel meer! Moeder! Moeder! ze komen, ze komen!” En snikkende wierp
ze zich in haar moeders armen.
„Kind! bedaar! Zie eens aan, nu ben jij nog meer opgewonden dan ik; dat
komt er van als men zich zoo lang tot kalmte dwingt en zijn gevoel
verbergt!”
Thans was het de moeder, die de dochter steunde; ze zette haar zachtjes
in den leuningstoel, maar op hetzelfde oogenblik werd er op de deur
geklopt.
„Willem!” riepen moeder en dochter te gelijk en rukten de deur open.
Maar ’t was Willem niet; ’t was Frederik Walling, de voormalige
schooier, die er nu echter in zijn deftigen zwarten rok alles behalve
schooierachtig uitzag.
Hij streek met zijn mouw zijn zijden hoed glad.
„Mevrouw, juffrouw,” stotterde hij, door het ontstelde gelaat der
moeder en de betraande wangen van Emilia in de war gebracht, „door mijn
schuld... vroeger... is uw zoon—”— —Een rijtuig houdt voor de deur
stil—„Daar zijn twee heeren uit Australië!” roept Walling en snelt zoo
hard als hij kan naar beneden.
Twee mannen stormen de trap op en werpen hem op den overloop omver.
„Willem, mijn kind! Moeder! Emilia! Herman!”
„Nu naar vader!” riep Willem, zich uit de armen van zijn moeder
losmakend, die hem zwijgend omkneld hield. „We moeten vóór hem in ons
huis zijn. Niet gekleed? Dat doet er niet toe; vooruit! In het voorste
rijtuig, moe, bij Hermans ouders in! Och, sluit die deur toch niet; dat
houdt maar op; laat dien ouden rommel maar staan!”
De portieren sloegen dicht; de palfreniers sprongen op den bok, de
nieuwsgierigen op zijde, en in vliegende vaart rolden de beide koetsen
naar de Heerengracht.
Roda was intusschen ook reeds op de gracht gekomen.
„Daar houden equipages stil voor het kantoor,” zegt hij tot Omens; „er
stappen menschen uit!”
„Waarschijnlijk de vrouw en de kinderen van den bankier!” antwoordt
Omens en strijkt vergenoegd zijn kort, grijs baardje, „ze moeten bij de
inwijding tegenwoordig zijn!”
„En er hangt een vlag uit,” herneemt Roda, „waarvoor dient die
vertooning? Hadt je mij er niet buiten kunnen laten, Omens? Je weet,
dat ik op zoo iets niet gesteld ben!”
„Dat weet ik, maar in dat geval hebben we jou er bepaald bij noodig; we
zijn er.”
„Hemel! Omens! Op die koperen naamplaat!” roept Roda, opeens den
advocaat bij den arm grijpend, sidderend uit.
„Wat is er?”
„Op die plaat!—Daar staat—daar staat—„J. Roda”, mijn naam!”
Omens duwt den verbaasden man, die eindelijk begint te begrijpen,
zachtjes door de openstaande benedendeur de gang in.
„Vader!” roept Willem, die, nu hij zijn grijzen vader gezien heeft,
niet wachten kan, tot hij binnen is.
„Willem, mijn kind! mijn jongen, heb ik je eindelijk, eindelijk weder!”
roept Roda. Schreiend sluit hij zijn zoon in zijn armen en kust hem op
beide wangen. „Willem, Willem, in mijn eigen huis vind ik mijn kind
weer, wat een verrassing! Wat zullen moeder en Emilia blij zijn!”
„Mee naar boven, vader, dan kunt u hooren, wat ze zeggen!”
„Zijn ze er al? Willem, denk jij dan aan alles, wat mij gelukkig kan
maken?”
„Wel natuurlijk, vader; waaraan zou ik anders denken? Kom, geef mij uw
arm eens; boven wachten moeder, Emilia, Herman, de geheele familie
Borgers, Frederik Walling, Van Dal en nog iemand: de Engelschman, die u
al gesproken heeft, vader; aan hem hebben we grootendeels ons geluk te
danken.”
„Goed, Willem; maar loop nu niet zoo snel de trappen op, mijn jongen!
Of de ouderdom of de ontroering er de schuld van is, Willem, weet ik
niet; ik kan je niet bijhouden!”
In de bovenzaal werd de oude heer Roda met gejuich ontvangen, en
gelukgewenscht door allen, die Willem had opgenoemd, behalve door Lord
Greybury: de Engelschman was verdwenen, zonder dat iemand zijn heengaan
had opgemerkt.
Toen Van Dal thuis kwam en mopperend tegen zijn vrouw, die weer niet
mede had willen gaan, zijn jas op een stoel wierp, vielen er twee
gouden tientjes op den vloer; hoe lang man en vrouw zich ook in
gissingen verdiepten over de herkomst van die goudstukjes, zij vonden
den waren oorsprong niet.
Weer waren evenals vier jaar geleden al de vensters in den voorgevel
van het groote huis verlicht; weer drong er dansmuziek door vensters en
deuren heen naar buiten; weer stonden in onafzienbare rij de equipages
op de gracht en ook nu sloegen de koetsiers zich de armen tegen de
schouders.
Daar binnen evenwel waren nu twee bruiden en twee bruidegoms in plaats
van één paar zooals toen. Willem was de verloofde van Emma Borgers;
zijn zuster zou den volgenden dag de vrouw van Herman Borgers worden.
En thans werd de feestvreugde niet verstoord; thans had Omens geen
jobstijding meer te brengen; hij trippelde op zijn korte beentjes
tusschen de palmen en heesters met Roda door de zaal, als was hij
vijftig in plaats van zeventig. Ook Roda scheen al het doorgestane leed
vergeten te zijn en weer jong te zijn geworden.
Lord Greybury zond een telegram; hij wenschte den ouders geluk en
hoopte binnen een paar jaar het jonge paar op Emilia-station
persoonlijk te komen gelukwenschen.
Willem bleef nog twee maanden bij zijn ouders; toen nam hij opnieuw
afscheid, nu tevens van zijn bruid. Herman Borgers en zijn gelukkige
vrouw waren reeds vooruitgereisd naar Marseille; daar zouden zij op hun
broer wachten, die eerst nog eenige oude kennissen wilde bezoeken.
De kommandant van De Kruisberg keek verwonderd op, toen de majoor een
naamkaartje met „Willem Roda, squatter, Queensland” vóór hem op den
lessenaar legde en berichtte, dat deze heer hem wenschte te spreken.
Hij ontving Willem hartelijk, en luisterde met belangstelling naar zijn
lotgevallen.
„Zoover heeft het nog geen van mijn jongens gebracht, Willem, en zoover
zal het wel nooit weer een brengen,” zei de kommandant en vertelde
Willem op zijn beurt, hoe hij hem verdacht had een complot gesmeed te
hebben en eerst veel later de ware toedracht der zaak had ontdekt.
„Kommandant,” zeide Willem bij het heengaan, „wil u zoo goed zijn dit
geld aan den boschwachter te geven; ik heb niet eerder gelegenheid
gehad mijn schuld af te doen.”
„Aan den boschwachter? Heeft hij je dan geld geleend om te
ontvluchten?” vroeg de kommandant, en zijn gezicht betrok.
„Wel, neen! Hij heeft mij onwillens en onwetens zijn hond verkocht!”
„Ha, zoo! Nu is mij die zaak helder. Laten we daar niet meer over
spreken, Willem. ’t Is twijfelachtig of we elkaar ooit weer zien; doe
mij het genoegen, me nog eens bericht te zenden, hoe het je verder
gaat; ik bewaar alle brieven van de jongens uit het gesticht, het doet
me altijd goed te hooren, dat het hun welgaat. Adieu!”
Vrouw Branse, Oldejan en Jongejan zitten in de hut koffie met snijkoek
te gebruiken, want het is Zondag. Een vreemde heer bukt zich en kijkt
naar binnen.
„Jan Branse thuis?”
„Heere mien tied! ’t Is Willem?” roept de vrouw dadelijk. „Mensche,
mensche wat bin jij groot en mooi eworden, ik ken oe alleen aan de
stemme!”
Willem bleef den geheelen middag bij de brave hutbewoners.
„Ik heb het oe wel ezegd!” zeide Oldejan, toen Willem afscheid nam.
„Die weldadig is, en zijn vader en moeder eert, kan het nooit slecht
gaon in de wereld. De Engelen van den Heer hebben oe begeleid!”
Den volgenden morgen was Willem te Wijk. Op zijn verzoek ging Volsteke
nog eens met hem in den berg.
„Volsteke, ik begrijp niet, hoe ik een geheelen winter in deze bedompte
gangen heb kunnen leven,” zei Willem, toen ze samen een half uurtje
rondgewandeld hadden. „Ik zou het hier nu geen dag meer uithouden, ik
ben aan de zon en den blauwen hemel gewend, ik kan er niet meer
buiten.”
„Moeten is dwang, maar willen is kunnen!” antwoordde Volsteke. „Dat
hebt ge zelf ondervonden en getoond, anders was ge thans niet, die ge
zijt.”
Anderhalf jaar daarna wandelden Willem, zijn zuster en haar man
ongeduldig bij de aanlegplaats der Europeesche stoombooten te Sydney
heen en weer. De boot had reeds de Heads gepasseerd, maar stoomde veel
te langzaam in de uitgestrekte haven, althans voor Willem, want op dit
schip bevond zich Emma Borgers, thans zijn vrouw. Eindelijk legde de
boot aan: maar hoe groot was Willem’s en Emilia’s blijdschap, toen na
Emma ook hun vader en moeder aan wal stapten.
„Denk je soms, Willem, dat jij alleen verrassingen kunt bedenken?” zei
de oude Roda, toen allen op de boot, die hen naar Brisbane moest
voeren, waren overgestapt. „En jullie beiden dachten ons oudjes maar
alleen te Amsterdam te laten zitten. Neen, jongens, daar komt niets
van. Jullie waren nog geen drie maanden weg, of bij ons stond het plan
vast, Emma te brengen. ’t Is een lange reis, maar wij oudjes hebben ons
goed gehouden, niet waar, Emma?”
De boot stoomde reeds de rivier van Brisbane op.
„Willem,” vroeg Roda, „kunnen moeder en ik niet zonder paard te rijden
naar je stations komen?”
„Wel zeker, vader! We gaan hier met reuzenschreden vooruit. Voor twee
jaren was er nog geen voetpad; tegenwoordig brengt ons de spoortrein in
rechte lijn tot op een mijl of wat afstands.”
„Uitmuntend,” antwoordde Roda en wreef zich vergenoegd de handen, „dan
gaan we eerst eens kijken, hoe het leven daar op de stations ons
bevalt. Is het er voor ons beiden te druk, dan keer ik met moeder naar
Brisbane terug en we blijven er wonen, tot we samen naar Nederland
terugkeeren.”
De geheele familie zat onder de veranda van Darling-station vereenigd.
Willem vertelde van zijn laatste bezoek op De Kruisberg en bij Jan
Branse.
„En toch, Willem, wed ik, dat je in Nederland nog iets vergeten hebt,
wat je beloofd hebt te doen!” zei Knol opeens.
„Ik wed van niet!” antwoordde Willem. „Wat bedoel je Kees?”
„Wel, je hebt de jongens van het gymnasium in Doetinchem meer dan eens
beloofd te schrijven, hoe het ons op onze vlucht gegaan is. ’t Is niet
mooi, dat je het vergeten hebt, Willem; zonder hen zouden we nooit vóór
onzen tijd van De Kruisberg zijn afgekomen!”
„Ik neb het niet vergeten, Kees. Tot mijn spijt moet ik echter
bekennen, dat ik hun naamkaartjes heb verloren. Maar ik weet goeden
raad; niemand zal me kunnen verwijten, dat ik een belofte heb
geschonden. Zoo spoedig ik tijd heb, zal ik mijn geschiedenis eens
opschrijven en laten drukken. Wellicht krijgt een van die jongens het
boek in handen, en hebben ze voor het lange wachten mijn overige
lotgevallen op den koop toe.”