Naar de wijze des lands gaven de drie ruiters door luide hoera’s aan
hun blijdschap lucht, toen de laatste slagboom in de verst verwijderde
heining achter hen dichtviel.
Die vroolijke stemming werd bij elk der reizigers nog verhoogd door een
voor ieder verschillende oorzaak.
Willem gevoelde zich opgewekt door het vooruitzicht, eindelijk de
belofte, aan zijn zuster gedaan, te kunnen vervullen, en binnenkort
Herman Borgers, in dubbele beteekenis, deelgenoot van zijn geluk te
maken; Knol, doordat hij, al rijdende, dubbel scheerloon verdiende,
zonder één schaap te villen of de terechtwijzingen van den lastigen
manager te moeten aanhooren; en Jacky,—bij dien welde de vreugde wel
het diepst uit het hart. Gids zijn! En dat nog wel van vreemdelingen!
Straks zou hij eens proeven geven van zijn vaardigheid in het padvinden
en jagen. Hij zou toonen dat hij geen Majol, geen wilde meer was....
Zijn hoera bij het betreden van den bush klonk als een overmoedige
uittarting van alle menschen en dieren der wildernis.
Voor Willem had deze reis nog een bekoorlijkheid meer; hij zou weder
nieuwe streken zien en zoodoende meer en meer bekend worden met het
land, dat hij nu reeds als zijn tweede vaderland beschouwde.
Om zoo snel mogelijk te kunnen rijden, had men alleen het
onontbeerlijke medegenomen. Vleesch en meel slechts voor één dag; de
kogelzakken evenwel waren goed gevuld, en de inhoud moest mondkost
leveren. Van het wild, dat hiertoe toch ook moest medewerken, was
echter in de eerste uren van den tocht weinig of niets te bespeuren.
Slechts een enkele buidelrat vluchtte bij de nadering der ruiters in
een der vele, ver van elkander verwijderde gomboomen. Schaduw gaven die
boomen slechts weinig; de kleine leerachtige bladeren keerden hun dikte
in plaats van hun vlakte naar de zon, die dan ook met haar brandende
stralen ongehinderd den bodem van het bosch verschroeide.
’t Was Januari, in Queensland de heetste maand van het jaar. De hitte
werd drukkend en werkte, met de diepe stilte van dit bosch zonder
schaduw, nadeelig op de blijde stemming van Willem en Knol. Zwijgend
reden ze achter Jacky aan. Deze echter scheen er weinig last van te
hebben. Hij draaide onophoudelijk op zijn paard heen en weder, bekeek
nu eens zijn geweer en zijn revolver, dan weer zijn nieuw jachtmes.
Geen kengoeroe of wallabie liet zich echter zien; geen papegaai of
kakatoe deed in de boomen zijn gekrijsch hooren.
Jacky had bij zijn vertrek van het station ook zijn tomahawk, een
steenen bijl, aan den zadelknop gehangen. Nu haalde hij een vijfde
wapen voor den dag, dat hij tot nu toe zorgvuldig in zijn flanel
verborgen had gehouden. Het was een platte, zwak gebogen, ijzerhouten
lat, afgerond aan de uiteinden en van ongeveer vier decimeter lengte.
De bolle zijde was scherp gesneden, de holle zijde rond gelaten.
Blijkbaar trotsch op het bezit ervan, toonde hij zijn vreemdsoortig
wapen aan de achter hem rijdende Nederlanders.
„Boemerang,” zei hij geheimzinnig.
„Hé! is dat nu een boemerang?” riepen Willem en Knol tegelijk. „Geef
eens hier, Jacky!”
Maar daar had Jacky geen ooren naar; hij vertrouwde zijn kostbaar wapen
aan geen onervaren handen toe.
„Neen, witte man niet kennen boemerang; Jacky doen als kakatoes komt.
Missa William zien, hoe zwarte man doen!” Met die woorden wikkelde
Jacky zijn boemerang in een wollen lap en stopte hem weer tusschen zijn
flanel.
De geheele dag ging voorbij, zonder dat een stuk eetbaar wild onder
schot kwam. Tweemaal hadden ze een herder ontmoet, die zijn kudde naar
het station dreef; maar een van de zestigduizend schapen te slachten,
daaraan dacht geen van drieën. Men was dan ook wel gedwongen opnieuw
met het medegenomen vleesch het avondmaal te bereiden. Jacky’s maag
scheen een afgrond te zijn; hij at driemaal zooveel als Willem en Knol
en was nog verre van verzadigd, toen de geheele voorraad was opgeteerd.
Er scheen geen einde te komen aan het Australisch bosch met zijn
eeuwige gomboomen; toen de drie mannen het kampvuur aanlegden, was het
landschap nog niet merkbaar veranderd.
Willem noch Knol wisten dan ook, of ze een dagreis verder waren
gekomen, dan wel in een kring rondgeloopen hadden. Jacky lachte om hun
twijfel; hoofdzakelijk door gebaren—want het mengelmoes van Engelsch en
de taal der inlanders, dat Jacky sprak, was voor de Hollanders moeilijk
verstaanbaar—beduidde hij hun, dat, zoolang kreupelhout en
slingerplanten het uitzicht niet belemmerden, hij nooit in een kring
kon rondloopen, al geleken alle boomen op elkander als twee eieren van
denzelfden vogel. Juist die boomen waren het, waarlangs hij zijn
denkbeeldig richtsnoer spande. Willem en Knol hadden er elkander reeds
des morgens opmerkzaam op gemaakt, dat hun gids telkens, als hij een
boom genaderd was, een oogenblik omkeek. Nu begrepen zij het doel van
die beweging. De vernuftige zwarte koos zorgvuldig de boomen uit,
waarlangs hij reed, en zorgde steeds, dat elke volgende boom met den
thans bereikten en den vorigen in een rechte lijn stond. Zoo kon hij
wel kleine slingeringen maken, maar in een kring rijden in geen geval.
Eerst in den middag van den tweeden dag, maakte de gladde mosbodem van
het eucalyptusbosch voor een grastapijt plaats. De halmen werden steeds
hooger en de boomen steeds schaarscher; zoo ging langzamerhand het
bosch in een prairie over. Nu kon ook het water en daarmede het wild
niet verre meer zijn.
„Kijk dat gras daar ginds eens golven; ’t is of er een dier doorheen
vlucht,” zei Knol.
„Dingo!” antwoordde Jacky met zekerheid.
Men bereikte de plaats, waar de dingo door het hoefgetrappel opgejaagd
was. Daar lag, half verscheurd, een jong kalf.
„Wacht even,” zei Willem en sprong van het paard, „die rakker zal niet
veel schapen of kalveren meer vermoorden.” Hij haalde een fleschje te
voorschijn, zooals elke bewoner van een station steeds bij zich draagt,
en besproeide het vaneengereten lichaam op verschillende plaatsen met
strychnine.
Onder het verder rijden hoorden ze het klagend geluid der moeder, die
haar kalf zocht; ze kwam hun achterop en volgde hen een tijd lang met
haar angstig geluid; het was of ze den mannen smeekte haar te helpen
zoeken. Deze kregen medelijden met de arme koe, maar hadden haar toch
niet bij het lijk van het kalf durven brengen, al hadden ze dat in het
hooge gras nog terug kunnen vinden. Ze vreesden, dat ze het lichaam van
haar kind zou likken en zich zoodoende zelf vergiftigen.
Weldra hadden de reizigers gegronde hoop, bij het avondmaal iets anders
dan een stukje gezouten vleesch of half rauwe meelballen te eten te
krijgen. Een verwijderd gekwaak, gekras en gekrijsch bewees, dat ze de
bedding van een rivier naderden.
Met moeite slechts onderdrukten ze een vreugdekreet, toen ze de plassen
bezaaid vonden met eenden, ganzen en zwanen, en de acacia’s langs den
oever letterlijk bedekt zagen met papegaaien, kakatoes en andere bont
gekleurde vogels.
„Daar zullen we een paar van uitzoeken, Kees!” zeide Willem, die, na
zijn paard gekluisterd te hebben, zich gereed maakte aan te leggen.
„Missa, niet schiet, vogels wegjagen, morgen niets!” fluisterde Jacky,
terwijl hij den loop van Willems geweer neerdrukte. „Jacky boemerang
werp, veel meer krijg, eenden niet bang maakt.”
„Daar heb je gelijk in, Jacky. Kom aan, vertoon je kunst eens; ik ben
werkelijk nieuwsgierig, hoe je met dat stuk hout een vogel treft.”
„Missa’s meegaan!”
Jacky geleidde hen naar een open plaats aan den oever. Aan de overzijde
naderde een vlucht kakatoes de rivier; ze waren nog zoo hoog, dat het
sneeuwvlokken geleken, die in het diepe blauw der lucht voortdreven. De
vogels kwamen steeds dalende snel nader; reeds waren de gele en roode
kuiven duidelijk van de witte veeren te onderscheiden.
Jacky had zijn boemerang uit de lappen gewikkeld en zorgvuldig
afgewreven. Op het oogenblik, dat hij de kakatoes snel zag dalen, greep
hij de lat bij het eene eind, zwaaide ze eenige keeren boven zijn hoofd
rond en liet ze daarop los.
Willem en Knol keken naar boven om den boemerang met de oogen te
volgen, maar tot hun verbazing vloog het kromme stuk hout snel
draaiende, naar het water. Als een gekeilde steen sprong het weer op,
toen het de oppervlakte bereikt had; daalde weer, kaatste zoo driemaal
terug, en verhief zich ten laatste, als had het ding uit het water
nieuwe kracht geput, sneller draaiend in de lucht. ’t Scheen werkelijk
of de boemerang leven bezat, plotseling nam hij een zijsprong en schoot
tusschen de neerstrijkende kakatoes in. Deze hadden zich bij het dalen
wat veel verspreid; de boemerang slingerde er tusschen door zonder er
een te treffen. Eenige oogenblikken bleef hij op de plaats ronddraaien,
als zocht hij nog een prooi, daarop steeg het zonderlinge wapen hooger,
beschreef een grooten cirkel in de lucht, draaide in wijde spiralen
terug over de rivier en viel voor de voeten der verbaasde Nederlanders
in het gras.
Jacky was teleurgesteld nu zijn boemerang, waarop hij zoo gepocht had,
niets had geraakt. Met scherpen blik doorzocht hij de boomen in de
nabijheid.
„Missa, kijk! Jacky raak blauwe papegaai!”
Op een hoogen, witten eucalyptus stoeiden en dartelden een menigte
veelkleurige papegaaien en parkieten met elkander. Een groote,
indigo-blauwe ara, de teenen als ringen om een dunnen tak geklemd,
schommelde met den kop naar beneden lustig heen en weder.
Jacky zwaaide opnieuw zijn boemerang boven het hoofd en wierp hem voor
zijn voeten op een platten steen; loodrecht steeg de lat naar boven,
schoot op de vereischte hoogte gekomen naar de ara en trof hem tegen
den kop. De vogel liet los en viel. Onder het vallen draaide de
boemerang steeds om den vogel heen; hij scheen er een geheel mee uit te
maken en sloeg er tegen aan, dat de veeren in ’t rond vlogen.
De zwarte liep snel naar de plaats, waar de boemerang en zijn buit
gevallen waren. De papegaai was verpletterd. De schedel, de pooten, tot
zelfs de harde snavel waren stuk geslagen.
Jacky wischte zijn met bloed bevlekt wapen af.
„Komt de boemerang niet terug, als hij iets raakt?” vroeg Willem.
„Neen, missa, witte mannen denken zoo. Boemerang is geen hond. Maar wat
boemerang raakt is dood. Blijft liggen!”
„Dat heb ik gezien en goed ook!” zei Knol, terwijl hij de ara opraapte,
„ik geloof dat er geen beentje in zijn lijf heel is gebleven.”
„Lekker, van avond braden, nog meer raken!” hernam Jacky en zocht naar
een nieuw mikpunt voor zijn boemerang.
„Goed zoo, Jacky, ga je gang, oude jongen, dan sparen wij onze kogels;
ik verzeker je, dat ik trek heb!”
„Kees, vertrouw niet te veel op zijn „lekker”; ik heb den zwarte vuile
eieren zien eten en toen zei hij ook nog: „lekker!”” zei Willem in het
Nederlandsch tot Knol.
Jacky keek bij het hooren van die vreemde taal op.
„Jacky kan niet verstaan!” Met wantrouwende blikken staarde hij, dit
zeggende, de beide blanken aan.
Nu was het de beurt aan Willem en Knol om te lachen. Het ontsteld
gelaat van den zwarte verried, dat hij de witte mannen nooit een andere
taal dan Engelsch had hooren spreken.
„Kan niet verstaan,” herhaalde hij verschrikt. „Witte mannen wil Jacky
doodschiet!”
„Ben je niet wijs, Jacky? Ik zeide, dat je zoo goed met den boemerang
kon omgaan. Waarom zouden we je kwaad willen doen? Als jij ons niet
helpt, verdwalen we immers. Wij komen uit een ander land dan Mr.
Walebone en Mr. Dilly. De zwarten spreken toch ook niet allen dezelfde
taal.”
„Yohi!” [16] zei Jacky nadenkend en ging op zijn hurken zitten. „Missa
Roda, Missa Dilly en Missa Knol goed mannen?” zei hij op vragenden
toon.
„Ja, zeker, Jacky; hier heb je mijn hand er op, wij zullen je nooit
kwaad doen, en als we thuis komen, krijg je weer zoo’n rond stukje
goud!”
„Jacky doet niet!” riep de zwarte eensklaps opspringend.
„Wat niet? Ons niet verder brengen!” vroeg Willem verschrikt.
„Yohi, wel verder brengen. Missa manager niet goed; slaat Jacky met de
zweep. Jacky niet doen, wat Missa manager zegt!”
„Wat zegt Missa manager dan?”
„Jacky moet twee witte mannen in de scrub bij de Majols brengen,
wegloopen, anders Missa Roda Jacky doodschiet!”
„Wat een schurk! Daarom liet hij mij zoo gewillig op reis gaan, en dat
was dus de reden van zijn gehuichelde vriendelijkheid!”
Willem keek dit zeggende eens rond, en de schrik sloeg hem om het hart.
Als Jacky eens gedaan had, wat de verraderlijke bestuurder van hem
eischte! Nu reeds zouden hij noch Knol weten, naar welke zijde zich te
wenden, en zij waren nog op de run van Darling-station; hoe dan,
wanneer de zwarte gids hen over een dag of wat midden in de scrub in
den steek had gelaten?
„Jacky doet het niet, wel? Jacky is een goede zwarte man; hij blijft
bij ons; is het niet?” zoo paaide Willem, terwijl hij den gids
vriendschappelijk op den schouder klopte.
„Yohi!” zei Jacky, „zal aan Missa manager zeggen, witte mannen dood in
de scrub!”
„Braaf zoo, Jacky! zeg wat je wilt, als je ons maar op den weg naar de
goudvelden brengt.”
Jacky was geheel gerustgesteld en hervatte de jacht. Nog verscheidene
eenden en kakatoes vielen onder de moorddadige slagen van de
ijzerhouten boemerang en verschaften een uitmuntend avondeten.
Vijf dagen lang werd de tocht op dezelfde wijze voortgezet.
Gomboomwouden wisselden af met grasvlakten en steenwoestijnen.
De kengoeroes waren blijkbaar dikwijls gejaagd, want ze waren schuwer
dan gewoonlijk en kwamen niet onder schot; zoo moesten zich de
reizigers met vogels tevreden stellen. Den zesden dag evenwel werd het
bosch dat ze doorreden, gaandeweg dichter, de gomboomen hooger en
dikker; slingerplanten en bamboestruiken maakten het rijden lastig.
Daar vertoonde zich ook voor ’t eerst een wallabie in hun nabijheid;
het dier sprong haastig voorbij, zonder, zoo ’t scheen, de reizigers,
die afgestegen waren, te bemerken.
„Wilden!” fluisterde de zwarte, stak het hoofd vooruit en sperde zijn
oogen wijd open; doch de boomen, de struiken en het hooge gras
belemmerden het vergezicht.
„Missa Roda, bewaar boemerang in de hand!” zei de Australiër.
In een oogenblik lagen de weinige kleedingstukken, die hij droeg, aan
den voet van een reusachtigen eucalyptus.
„Wat wil je nu doen?” vroeg Knol verwonderd, „daar kom je nooit in.
Dien boom omspannen vijf mannen nog niet.”
„Jacky „kamin” maak!” antwoordde de blackboy op zijn gewonen
geheimzinnigen toon. „Jacky knap zwarte man!”
Inderdaad Jacky wist overal raad op. Met zijn tomahawk sloeg hij een
vingerdikken bamboestengel dicht bij den grond af. Ook de pluim kapte
hij weg en boog daarop het tien meter lange riet in tweeën, tot het
kraakte; de beide einden maakte hij eveneens buigzamer door ze te doen
kraken. Daarna maakte hij met veel moeite een lus van het dunste eind,
stak er den linker arm in, sloeg toen na een paar vergeefsche pogingen
den bamboe om den boom heen, greep het losse eind met de rechterhand en
draaide dit eenige keeren om zijn rechterarm. Nu plaatste hij den
rechter voet tegen den grond, trok den bamboe aan en liet zijn lichaam
zoo ver mogelijk achterover hellen; eindelijk trok hij ook zijn
linkerbeen op, zoodat hij tegen den boom stond als een vlieg tegen den
wand.
Met schokken steeg het taaie riet langs den gladden stam op, en met
elken schok plaatste de zwarte den eenen voet boven den anderen. In
korten tijd had hij den ondersten tak bereikt en klom als een eekhoorn
verder.
Met behulp van zijn „kamin” kwam hij op dezelfde wijze weder beneden.
„Majols!” berichtte hij, „prairie achter het bosch in brand; wallabies
jagen!”
„Wel, Jacky, zet je daarom zoo’n benauwd gezicht? We hebben immers onze
geweren; de wilden zullen ons wel met rust laten, als ze zien dat we
goed gewapend zijn!”
„Neen, Majols veertig, vijftig; wij drie in de boomen!”
„Als jij maar zegt, hoe wij in de dikke stammen moeten klimmen. Ik zie
geen kans het met jouw „kamin” te doen, Jacky. En jij Kees?”
„Ik heb ook weinig lust, mijn nek te breken!”
„Welnu, Jacky, dan zullen we hier je broertjes afwachten!”
Doch daarin had Jacky weinig lust. Hij scheen niet op een ontmoeting
met zijn rasgenooten gesteld te zijn.
„Meegaan, witte mannen Jacky nakruipen, paarden meetrekken, naar den
zoom. Majols ons niet zien kan!”
Weder vloog een wallabie voorbij; ze drukte onder het springen den
voorpoot tegen den met jongen gevulden buidel.
In de rechterhand de revolver, in den linker de teugel van het paard
houdend, volgden Willem en Knol den zwarte door het kreupelhout.
Aan den zoom van het bosch hield Jacky stand, ging op de knieën liggen
en beduidde den Hollanders, dat zij hetzelfde moesten doen. Een
grasvlakte strekte zich voor hen uit. Eenige naakte wilden, reusachtige
kerels, liepen met brandende gomtakken rond en staken het gras op
verschillende plaatsen in brand. De wind dreef den rook van de
verborgen reizigers af, zoodat ze er geen last van hadden en ze de
vlakte in haar geheel konden overzien. Langs den hoogen rand van het
bosch stonden, met den rug naar hen toegekeerd, een tiental met lange
speren gewapende wilden; aan de tegenovergestelde zijde der vlakte
wachtten een twintigtal, eveneens gewapend, de wallabies en
buidelratten op, die voor de naderende vlammen vluchtten. Zij wierpen
hun speren naar de vlugge dieren, doch bleken niet zeer behendig te
zijn. De meeste kengoeroes ontkwamen, slechts drie vielen in de handen
der wilden. Deze drongen met den buit het bosch in, niet verre van de
plaats, waar de drie mannen bij hun paarden verscholen lagen.
In de volgende dagen ontmoetten de ruiters wild in overvloed; bij elken
maaltijd aten ze gekookt of gebraden kengoeroevleesch, dat den
Nederlanders steeds beter smaakte; Jacky evenwel bleef hardnekkig de
voorkeur geven aan ongekookte spijzen.
De voortreffelijke gids wist steeds een ontmoeting met de wilden te
vermijden. Het was werkelijk, of hij ze ruiken kon, zooals Dilly
beweerde. Eens slechts kwam men er dichter bij dan gewoonlijk. Om
ongemerkt voorbij te komen, stegen de ruiters af en omwonden de hoeven
der paarden met gras. Jacky scheen door een geheimzinnige oorzaak
aangetrokken en tegelijk afgestooten te worden. Telkens als hij een
tien of vijftien schreden gedaan had, bleef hij staan en boog het hoofd
naar de zijde van het kamp der wilden; dan zwoegde zijn borst en
huiverde hij over het geheele lichaam.
„Corroborrie!” fluisterde hij met bevende lippen. „Majols dansen en
zingen!”
Een dof gebrom, als werd er in de nabijheid op omfloerste trommen
geslagen, trof de ooren der Nederlanders, die ingespannen luisterden.
„Bora!” zei Jacky nauwelijks hoorbaar; van bijgeloovigen angst puilden
hem de oogen uit het hoofd; met geweld zich ontrukkend aan de
betoovering, die hem naar de plaats trok, vanwaar het geluid kwam,
vluchtte hij met groote sprongen in tegenovergestelde richting. Willem
en Knol moesten wel volgen, hoe gaarne ze eens zoo’n concert en bal der
wilden hadden bijgewoond. Jacky was niet te bewegen terug te keeren,
zelfs een rond stukje goud had geen uitwerking.
„Bora, Bora!” zeide hij nog sidderend van angst. „Majols Jacky
doodsteek, opeet!”
„Maar wat is dat dan voor een vreeselijk en gevaarlijk ding, zoo’n
bora; is het soms een boa, een slang?” vroeg Willem.
„Neen!” schudde Jacky. „Niet slang; boa!” De zwarte liet zijn
schitterend witte tanden zien. Eén snijtand in de bovenkaak ontbrak.
„Begrijp jij er wat van, Kees?”
„Geen steek! Of het moest een aardigheid van de wilden zijn, elkander
bij zoo’n gelegenheid de tanden uit te slaan.”
„Kees, als we op den terugweg met ons drieën zijn, moeten wij het er
eens op wagen zoo’n indrukwekkende plechtigheid af te kijken!”
„Ja, als we met ons drieën zijn. Jij schijnt er niet aan te twijfelen,
Herman Borgers te zullen vinden; als je op de goudvelden rondgezworven
hadt, zooals ik, zou je er nog zoo zeker niet van zijn.”
De hitte werd op den middag zoo drukkend, dat Willem en Knol na den
maaltijd besloten, in de schaduw van een mimosaboschje een paar uur te
gaan slapen. Ze sloten gerust de oogen, daar ze wisten dat Jacky de
wacht hield, en met een palmtak hen voor de steken der gevaarlijke
insekten beveiligde.
Willem werd wakker, wreef zich de oogen en bemerkte met schrik, dat de
gids verdwenen was.
„Kees! word wakker! Jacky is weg!”
„Wat blief?” riep Knol, die verschrikt opsprong. „Maar daar liggen zijn
kleeren, zijn broek en zijn hemd; alleen zijn bijl zie ik niet; en
ginds grazen drie paarden. Maak je niet ongerust, Willem, hij is niet
weg.”
„Maar waar zit hij dan? Ik zie hem nergens. Ja wel. Daar ligt hij op
den buik aan den plas te drinken. Is de vent gek geworden? Hij heeft
pas een geheelen ketel thee leeggedronken.”
Willem en Knol liepen naar den plas.
„Jacky, wat doe je daar?”
Maar Jacky gaf geen antwoord. Door een teeken gaf hij den Nederlanders
te verstaan, dat ze naast hem moesten gaan liggen.
„Ik mag een kraai zijn, als ik er wat van snap!” zei Knol. „Hij heeft
zijn mond vol water.”
„Laten we in vredesnaam maar gaan liggen, Kees. Ik ben toch ook
nieuwsgierig, wat voor kunsten hij nu weer zal vertoonen.”
Meer dan een half uur lagen de drie mannen op die wijze aan den plas.
„’t Begint me te vervelen, Kees!”
„En mij niet minder, Willem!”
„Stilte!” gebood Jacky met een duidelijk gebaar en wees op een insekt,
dat over den plas gonsde.
„Dat is een bij, als ik het wel heb!”
„Dat geloof ik ook, Willem; wat zou hij daarmee willen doen?”
Jacky’s oogen volgden elke beweging van de bij. Nu was ze dicht bij
zijn hoofd, dat het water bijna aanraakte. Eensklaps spoot de zwarte
het water uit zijn mond op de bij. Het insekt viel in den plas. In een
oogwenk was Jacky opgesprongen en had het diertje gegrepen. Voorzichtig
nam hij het tusschen de vingers van de linkerhand; hij bevestigde met
een droppel hars eenige draadjes wol, die hij waarschijnlijk uit zijn
flanel of zijne dekens had geplozen, aan de pooten van de bij, en
plaatste het diertje op zijn hand om het te laten drogen.
„Wat beteekent dat Jacky?” vroeg Willem, die evenals Knol in de
grootste verbazing had toegezien.
„Bij wegvliegen naar het nest, honing, lekker!” antwoordde Jacky en
smakte met de tong.
Daar vloog de bij op, doch de wol bezwaarde haar zoozeer, dat ze zich
slechts langzaam kon verwijderen. Na eenige wendingen nam ze de
richting naar het bosch. Jacky haar na. Het hoofd omhoog, den tomahawk
in de hand, volgde hij nu eens springend, dan weder rennend het insekt,
dat door de vlokjes wol zelfs op een afstand duidelijk zichtbaar bleef.
Verrast en nieuwsgierig naar den uitslag liepen Willem en Knol den
bijenjager na; doch ze konden hem niet bijhouden en verloren hem uit
het gezicht. Het kloppen met de bijl in het bosch echter zeide hun,
waar hij zich bevond. Nadergekomen zagen ze hem een tiental meters
boven den grond met het lichaam tegen een gladden boomstam aangedrukt.
Alleen de teenen van zijn linkervoet vonden steun in een inkeping, die
hij met zijn tomahawk had gemaakt; nu was hij bezig ter hoogte van zijn
heup een tweede te hakken. Zoo hieuw Jacky zich al klimmende een trap
uit, tot hij den eersten tak had bereikt en zich op kon trekken. Boven
in den boom begon hij een gat te hakken; de splinters vielen op Willem
en zijn reismakker neer.
„Missa’s pas op!” schreeuwde Jacky.
Een oogenblik later viel een zware honigraat op den grond; honderden
bijen gonsden er om heen; een tweede en derde raat volgden. Nu kwam ook
Jacky naar beneden; vlug als een aap daalde hij de ongemakkelijke en
gevaarlijke trap af. Dat de bijen op sommige plaatsen in klompen op
zijn naakt lichaam zaten, scheen hem niet te deren. Hij legde de raten
op zijn hoofd en liep er op een drafje mee naar den plas, om zich zelf
en de raten van de aanklevende bijen te zuiveren. De honig smaakte
uitmuntend.
Weinige dagen daarna bereikte men een onafzienbare vlakte; Jacky wees
den beiden Nederlanders de richting, waarin ze rijden moesten om den
grooten weg te bereiken, en nam afscheid.
„Dag, Jacky! goede reis! Als je bang bent voor missa manager, zeg hem
dan maar, dat je de witte mannen in de scrub hebt laten steken.”
„Yohi! Jacky zeggen witte mannen dood, opgegeten door de Majols!”
„Goed, maar zeg Mr. Dilly in stilte, dat het niet waar is. Dag Jacky!”
„Ik ben nu al verlangend, Kees, het verbaasde gezicht van Mr. Walebone
te zien, wanneer hij ons goed en wel ziet terugkomen!”
„En wat moet Jacky dan zeggen?”
„Daaraan dacht ik juist, Kees. Hoe goed hij zich ook kan redden als de
nood aan den man komt, hij heeft me toch geen grooten dunk van zijn
verstand gegeven, hij kan, geloof ik, niet nadenken.”
Midden in de uitgestrekte vlakte zagen Willem en Knol tot hun
verwondering een blokhuis voor zich. ’t Was een kazerne van de zwarte
politie, door de regeering van Queensland aangesteld, en geposteerd op
plaatsen, waar de inboorlingen nog als gevaarlijk werden beschouwd.
De zwarte ruiters waren op dit oogenblik voor het grootste gedeelte op
marsch, om een stam Majols te tuchtigen,—dat wil zeggen te
vernietigen—die een Engelschen zendeling opgegeten hadden.
De sergeant, de eenige blanke, die aanwezig was, vertelde hun dit,
terwijl hij hen naar den grooten weg geleidde.
„Maar maken die zwarte agenten dan nooit gemeene zaak met de wilden?”
vroeg Willem nieuwsgierig.
„Wel neen!” antwoordde de sergeant. „Mijn jongens zijn allen uit een
andere streek van de Torrestraat of uit Victoria; die kennen geen
grooter pleizier dan de Majols, die een strooptocht ondernomen hebben,
voor den kop of nog liever in den rug te schieten!”
De groote weg lag vóór hen, en nu zagen zich de beide Nederlanders zich
op eens weder in de bewoonde wereld verplaatst.
Huifkarren en troepen bereden of onbereden goudzoekers kwamen hun te
gemoet of werden door hen ingehaald. Op allerlei wijzen vervoerden de
mannen hun bagage. De eene schoof een beladen handkar voort; een tweede
had zijn boeltje op een kruiwagen geladen; een derde, minder met
aardsche goederen gezegend, torste zijn geheele bezitting, die uit een
opgevouwen tent, een deken en goudgraversgereedschappen bestond, tot
één pak gebonden op zijn rug.
Ginds hadden twee kerels het hoofd tusschen twee sporten van een ladder
door gestoken, waarop hun tenten, houweelen, spaden en tinnen
waschschotels lagen, en droegen zoo hun have op de schouders naar de
goudvelden.
Thans was Knol de aangewezen gids. Hij geleidde Willem door een doolhof
van houten kramen en linnen tenten, waarvoor allerlei koopwaren lagen
uitgestald, en waar het van luidruchtige koopers wemelde.
Dit was evenwel slechts een voorpost van de eigenlijke goudstad, die
men weldra bereikte.
Daar getuigde alles van de koortsachtige haast, waarin de stad, of
beter gezegd het hoofdkamp der goudzoekers, was ontstaan.
Geen rooilijn, geen regelmaat was er in de straten te ontdekken, die
dan ook nauwelijks dien naam verdienden. Alleen de regeeringsgebouwen
en de banken waren gedeeltelijk van steen opgetrokken en met zinken
platen gedekt: alle overige woningen op ruwe en slordige wijze van hout
of boomschors vervaardigd, of eenvoudig uit eenige lappen zeildoek,
tusschen ijzeren of houten palen gespannen.
Drie vierden van die krotten en barakken bleken kroegen en speelholen
te zijn, waar versufte en verdierlijkte wezens op den grond lagen of op
de vaten zaten en tegen handen vol stofgoud een afschuwelijk vocht te
drinken kregen, dat van whisky of gin alleen den naam had.
De overige tenten en kramen waren, op een enkele slagerij of bakkerij
na, winkels, waar alles te koop was, wat een gouddelver noodig kan
hebben.
’t Gejoel en geschreeuw in en om de kroegen en winkels werd
ondraaglijk. ’t Scheen wel, of de geheele menschenmassa, die naar de
goudvelden stroomde of vandaar voor korten tijd of voor goed
terugkeerde, zich in die weinige bochtige straten had samengepakt.
Aan rijden te midden van die dringende en duwende menigte viel niet
meer te denken. Willem en Knol stegen af.
„Kunnen we geen anderen weg kiezen, Kees? Ik kan mijn paard niet meer
voortkrijgen, en het gejoel hier bezorgt me hoofdpijn?”
„Neen, we moeten hier door, in de andere straten is het nog veel
voller. Gebruik je ellebogen maar. Straks krijgen we lucht; ik weet een
plaatsje waar we uitblazen kunnen. Pas op! houd je paard bij het gebit,
niet bij de teugels; anders heb je kans dat ze je den teugel
doorsnijden en dan kun je fluiten naar je beest. ’t Wemelt hier van
paardendieven, die in het gedrang hun slag trachten te slaan!”
Eindelijk sloeg Knol een dwarsweg in, waar het rijden weer doenlijk
was, en hield na een poosje stil voor de winkel-herberg van een
Chinees, bij wien hij reeds meermalen zijn intrek had genomen.
De langgestaarte zoon van het Hemelsche Rijk kwam haastig naar buiten
loopen, en boog onophoudelijk als een knipmes, toen hij de beide
ruiters voor zijn toko zag staan. Hij herkende Knol onmiddellijk.
„Ha! Sir Raap! ik heb u wel gezegd, dat u terug zou komen. Die ééns in
de velden gelukkig is geweest, kan het in de bush of de stad niet meer
uithouden. Sir Raap, u gaat zeker weer eens uw geluk beproeven?” zei
Taipoen in onmogelijk Engelsch, terwijl hij de Nederlanders de paarden
hielp ontladen.
„Daar vergis je je leelijk in; Sir scheele Water-Chinees, en dat gaat
je ook niemendal aan. Breng nu maar gauw onze paarden in den kamp en
schaf wat te eten; maar geen katten- of hondenvleesch hoor, of ik vil
je levend!” riep Knol met woest rollende oogen en smeet zijn revolver
en mes op tafel.
Met een sluwen glimlach op zijn effen, geel gezicht boog de Chinees tot
op den grond en snelde onmiddellijk heen om Knols tweeledig bevel te
volvoeren.
Willem keek zijn makker aan en schoot in een lach.
„Wat scheelt je nu, Kees? Waarom ben je op eens zoo woedend en waarom
snauw je dien Chinees zoo af?”
„Hij zou ons anders trachten af te zetten. Als je dat Chineesche
gebroed niet overbluft, spelen ze den baas over je. Laat mij maar
begaan, Willem; hij moet zich verbeelden, met een paar woeste
gouddelvers te doen te hebben. Lach vooral niet, als ik hem soms wat al
te moorddadige dreigementen naar zijn gladden knikker gooi, of hem eens
aan zijn staart trek!”
Bij het eten vloog Taipoen op Knols wenken. ’t Eenvoudig maal was
spoedig afgeloopen en Knol stak een pijp op.
„Kom aan, Willem, nu moeten we eens overleggen, op welke wijze wij je
vriend Borgers zullen zoeken. Ik zal je vertellen, hoe de boel hier in
elkander zit, dan kun jij een plan maken. Onderweg heb ik er al een
poos over loopen denken. Ten eerste heb je hier een postkantoor, waar
de goudgravers wel eens de streek opgeven, waarheen ze denken te
vertrekken. Ten tweede heb je een gouvernementscommissaris, waar de
pacht voor de claims betaald moet worden, en je naam in het register
wordt geschreven. Ten derde heb je de bank,—neen, eerst had ik je
moeten zeggen, dat er eigenlijk twee soorten van goudgravers zijn: je
kunt bij een maatschappij voor vijf shilling daags onder den grond
graven, of op je eigen houtje boven den grond. In het eerste geval
vindt je je vriend binnen een paar dagen, in het andere geval misschien
nooit. Nu is er nog een soort of eigenlijk is dat hetzelfde. Neen, toch
niet hetzelfde. Kijk eens, Willem, je kunt den grond nog eens nagraven
en uitwasschen, waar de maatschappij al met machines gewerkt heeft, of
je kunt, net als ik gedaan heb, op goed geluk het land ingaan om nieuwe
velden te zoeken. Dat noemen ze hier „prospecting” en dan krijg je een
premie van den commissaris. Dat begrijp je toch wel?”
„Heel goed, Knol! Ik moet zeggen, je hebt er slag van de zaken netjes
uit elkander te zetten; je hebt je carrière misgeloopen, Kees; je had
professor moeten worden. Maar als ik het zelf eens zag, zou ik het toch
nog iets beter begrijpen!”
„Zeg eens, houd me, als ’t je belieft, niet voor den gek. Ik heb geen
drie jaar op de Fransche school gegaan, zooals jij; daar had mijn vader
geen geld voor!”
„Kom, niet kwaad worden, Kees. ’t Is immers maar gekheid. Laten we maar
eens een kijkje nemen. Ik hoor stampen; zijn dat de machines, waar je
van sprak?”
„Ja. We kunnen onze paarden en ketels veilig hier laten. Bij den
Chinees zit de schrik er al in. Ga maar mee!”
Een kwartiertje buiten de goudstad kwamen de beide Hollanders op een
uitgestrekt terrein, waar de grond was omgewoeld, alsof er een menigte
mollen en konijnen—maar dan zoo groot als olifanten—aan het werk waren
geweest. ’t Was een chaos van huishooge hoopen kwarts, bergen leem en
zand, donkere mijnputten, diepe kuilen, met een zwartachtig water
gevuld, en kunstmatige watervallen.
In de plassen werkten stoombaggermachines met emmers aan de
Jacobsladders, die afgrijselijk knarsten; aan alle zijden staken onder
de afdaken groote locomobielen hun zwarte pijpen boven het glinsterende
kwarts uit, en braakten dikke rookwolken uit, die als een mist boven
het terrein bleven hangen. Met donderend geweld vielen ontzaglijke,
ijzeren blokken, door de ijzertouwen der dreunende stoommachines
opgetrokken, op de kwartshoopen neer en stampten het goudbevattende
steen tot gruis.
Menschen en paarden waren slechts bij de machines te zien, en op de
plaatsen, waar het water zich van een hoogte op het vermorzelde kwarts
stortte.
„Laten we verder gaan, Kees. Ik geloof niet, dat we Herman hier
behoeven te zoeken!”
„Dat is de Waterloomijn,” antwoordde Knol, die bij het ontzettend
geraas zijn makker verkeerd verstond, „en dan moest je eens onder den
grond zien. Daar staan honderden en duizenden mannen, half naakt, tot
aan de heupen in het water te wroeten, of liggen in de droge mijnen op
hun rug in de gangen het kwarts los te hakken, en als ze daar eens een
klomp goud vinden, waarnaar ze op de velden zoo lang tevergeefs hebben
gezocht, is het voor de maatschappij, en niet voor hen.”
„Ik zei, dat we maar terug moesten keeren. Dien ik zoek, is hier toch
niet te vinden.”
„Neen, dat geloof ik ook niet, hier komen de goudwerkers eerst, als ze
houweel en spade voor brood hebben moeten verkoopen.”
„Kom, Knol, laten we het maar eens op een andere manier beproeven. Wijs
mij eerst het postkantoor; als we daar geen voldoende inlichtingen
krijgen, gaan we naar den commissaris.”
Het postkantoor, een lange houten loods met steenen pui, was alleen
voor poste-restante en de verzending naar de kustplaatsen ingericht.
Bezorgd konden de brieven uit den aard der zaak hier niet worden; wie
een brief verwachtte, moest van tijd tot tijd komen hooren of liever
zien. In groote, platte bakken met glazen deksels—voor elke letter een
of meer—lagen de brieven evenals de bakken zelf, alphabetisch
gerangschikt. Willem zocht natuurlijk alleen in bak B. En jawel, daar
lag een brief voor Herman Borgers, met een Nederlandsch postzegel.
Alleen de geadresseerde evenwel mocht hem in ontvangst nemen. Wel liet
de beambte Willem het omslag van nabij bezien; het postmerk bewees, dat
Herman Borgers sedert drie maanden niet in de stad, in elk geval niet
op het postkantoor geweest was. Dit was alles, wat Willem in het
kantoor gewaar kon worden.
Op het kantoor van den goudcommissaris moesten ze een tijdlang wachten.
De regeeringsbeambte was met een tiental helpers aan de loketten bezig,
het stofgoud der goudzoekers te wegen, en tegen een wissel op Brisbane
of Rockhampton in ontvangst te nemen.
Willem deelde hem zijn verzoek om inlichtingen naar een Hollander op de
goudvelden mede, en de man was zoo vriendelijk hem uit te noodigen
binnen te komen.
Tusschen twee rijen verbazend hooge brandkasten nam Willem met Knol
plaats, en wachtte geduldig, tot de commissaris een oogenblikje de
handen vrij zou hebben.
Wat de welwillende man hem mededeelde, was weinig geschikt om zijn hoop
te versterken. Voor een maand of zes waren, volgens de boeken, door
Herman Borgers een tiental oncen goud—een waarde van ongeveer dertig
pond vertegenwoordigende—op het kantoor bezorgd; de wissel was op zijn
verzoek op de gouvernementsbank gedeponeerd, daar Borgers opnieuw naar
het binnenland dacht te vertrekken.
„Kunt u niet gissen, in welke richting, Mijnheer?” vroeg Willem.
„Dat kan ik onmogelijk”, antwoordde de vriendelijke beambte, „dat
houden de „prospectors” zooveel mogelijk geheim; dat begrijpt u wel. In
geen geval werkt hij bij een maatschappij; u behoeft hem derhalve in
den omtrek van veertig mijlen niet te zoeken, daar is de grond aan
onderscheidene maatschappijen verpacht. Hij zal, zooals de meeste
„prospectors”, den loop der hoofdrivier gevolgd zijn en daarna een of
anderen zijtak, die nog niet bewerkt was, gekozen hebben. Meer kan ik u
niet zeggen. Het aantal van die zijtakken en bijriviertjes is zoo
groot, dat ze niet eens alle benoemd of in kaart gebracht zijn. Het
eenige, wat u doen kunt, is, op goed geluk het land ingaan en overal,
waar u ziet graven of wasschen navraag doen. ’t Blijft echter een
hopeloos werkje! Heeft u geen portret?”
De commissaris werd weder aan een der loketten geroepen en luisterde
nauwelijks, toen Willem hem dank zegde voor zijn hulpvaardigheid.
„Good luck!” riep hij door het loket, toen hij Willem en Knol door de
gang zag vertrekken.
Op de bank lag nog steeds de wissel ter beschikking van Herman Borgers.
„Dat is een slecht teeken, Willem”, beweerde Knol. „’t Is de gewoonte
niet van de goudzoekers, langer dan een paar maanden weg te blijven.”
„Denk je, dat ik zoo spoedig den moed laat zakken? dan ken je me nog
niet. Morgen gaan we op weg, Kees. ’t Geluk heeft me zoo dikwijls
gediend; waarom zou het mij nu den rug toekeeren! We weten nu waaraan
we ons te houden hebben. Het is nu zeker, dat Herman het binnenland
langs een of ander zijriviertje is ingegaan; dat is reeds veel
gewonnen.”
„Als je ondervonden hadt, zooals ik, wat het beteekent het binnenland
in te gaan, zou je er zoo licht niet over denken. Geen oogenblik ben je
daar je leven zeker, de wilden....”
„Neen, vertel maar niet verder. Je brengt me toch niet van mijn plan
af, Kees; en mee moet je, daar helpt geen lieve vader of moeder aan!”
Bij Taipoen, den Chinees, teruggekeerd, vonden Willem en zijn
reismakker de groote kamer achter den winkel vol goudzoekers. De mannen
hadden hun roode of blauwe flanellen tot aan den schouder opgestroopt
en zaten aan een lange, van twee schragen en een plank gevormde tafel,
aan bijtafeltjes te eten. Elk had zijn geweer tegen den muur gezet, en
deed zich te goed aan het ossenvleesch en brood, dat de vlugge Chinees
hun voorzette.
De delvers, die bij Taipoen hun intrek namen, als ze naar de stad
kwamen, waren niet van de ruwste soort. ’t Waren meestal vaste klanten,
die niet op het gewoel in de kroegen der hoofdstraten gesteld waren, en
hier na maanden van eenzaamheid op de verwijderde goudvelden een paar
gezellige dagen kwamen doorbrengen. Na het eten vertelden ze elkander
hun lotgevallen of doodden den avond met kaartspelen. Wel was de inzet
soms een halve once stofgoud; maar zoo grof als in de andere kroegen
werd er bij Taipoen niet gespeeld, en een vechtpartij was eene
zeldzaamheid.
„Knol, zijn er geen kennissen van je bij?” vroeg Willem.
„Daar heb ik dadelijk naar gekeken. Neen. Maar al was dat het geval,
wat zou het ons geven? Naar wien moet ik vragen? Naar Herman Borgers?
naar een Hollander, aan wien niemand zien of hooren kan dat hij het is?
Naar een man met een neus, twee oogen en een baard zooals iedereen? Ik
geloof, dat de lui daarachter me hartelijk zouden uitlachen, als ik zoo
dwaas was het te vragen. Als we nu nog een portret hadden, zooals de
commissaris vroeg, dan was het mogelijk, dat we hem vonden; nu geef ik
geen dubbeltje voor de kans; als ik jou was, Willem, zou ik een brief
op het postkantoor laten en stilletjes naar het station terugkeeren.”
„Je hebt gelijk, Kees. ’t Is een onbegonnen werk, en toch moet ik het
beproeven. Ik heb nu eenmaal tot mijn zuster gezegd, dat ik naar Herman
zoeken zou, al moest ik dwars door Australië trekken. Ik wist toen
niet, wat dat was; nu weet ik het wel, en toch zal ik woord houden!”
zei Willem opstaande; hij ging met het hoofd in de handen voor het raam
zitten en keek naar de zon, die bloedrood achter de heuvels in de verte
wegdook.
Hij bemerkte zeer goed, dat Knol weinig lust had hem te volgen en
misschien wel beslist zou weigeren. En wat dan? Knol was de eenige, die
Herman van aangezicht kende; hij zelf was er niet zeker van, den
beminde van zijn zuster nog te zullen herkennen, evenmin als hij Knol
op het eerste gezicht had herkend. De moeilijkheid lag hoofdzakelijk in
den baard; dat sieraad was in Queensland zoo algemeen, dat een barbier
er een zeldzaamheid was.
Een weinig ontmoedigd haalde hij voor de honderdste maal den
ongelukkigen brief voor den dag en bekeek hem van alle kanten. Maar wat
kon dat adres hem helpen? Kijk, het omslag was op de vouw reeds
doorgesleten. Onwillekeurig keek Willem er in. Wat een dikke brief! En
zijn zuster had er op gerekend, dat hij lang onderweg kon blijven; ze
had er een stukje karton ingedaan; zonder twijfel voor de stevigheid.
Neen! ’t Is een portret!
„Goede Hemel! Knol, we zijn geholpen! Ik heb een portret!” riep Willem
in blijde verrassing opspringend.
„Laat zien, Willem. Hij is het, sprekend, hoor! Alleen de baard
mankeert er op, en ook is hij wat magerder geworden. Je bent werkelijk
een gelukskind. Nu is er kans en nu ga ik ook mee! Geef het eens hier!
nu zal ik ook de lui daar binnen eens vragen, of ze hem in den laatsten
tijd gezien hebben.”
Geen der aanwezige goudzoekers kende evenwel een persoon, die op het
portret geleek.
„Dat beteekent niets, Knol. We zullen er wel vinden, die hem herkennen.
’t Spijt me, dat ik zoo even bijna den moed liet zinken; dat was jouw
schuld, maar het zal me niet weer gebeuren!”