De ruiters, wier getal nu tot vier geklommen was, zetten dadelijk den
tocht naar Darlingstation voort. Een breed platgereden pad wees een weg
door de prairie; spoedig kwam men op den hoofdweg uit, waarvan de
vertrokken gids een bocht had afgesneden.
„Ook nu kunnen we weer een korteren weg kiezen,” zei Dilly, „maar die
leidt eenige mijlen door de scrub heen; ik weet niet of de heeren
daarop gesteld zijn.” Dit zeggende keek hij Willem en den Engelschman
vragend aan.
„Waardoor, zegt u?”
„Door de scrub. Dat is een dichtbewassen wildernis, waar het rijden
moeilijk valt en we vaak eerst den weg moeten kappen.”
„Dat beteekent niets,” antwoordde Willem, die geen pijn meer voelde,
met een minachtend schouderophalen. „We hebben al een geheelen dag door
een bosch gereden.”
„Dat is een danszaal, mijnheer, bij het lapje grond, dat we straks
moeten doortrekken: dat zult u ondervinden!”
De prairie was niet zoo groot als ze van het bosch uit, scheen; na een
straffen rit van een uur bereikte men een dorre vlakte, bezaaid met
groote, witte keisteenen van allerlei vorm. Een enkele grasboom of
mangostruik vermocht niet de eentonigheid te breken.
Iguana’s,—groote, grauwe hagedissen—afschuwelijke dieren met kammen op
den rug en een langen staart waren, zoo ’t scheen, de eenige bewoners
van de steenvlakte. Ze kropen weg achter steenklompen, wanneer de
honden ze uit hun dagslaap wakker schudden.
De weg slingerde zich dicht langs hooge, steile rotswanden, de
uitloopers van het gebergte. De steenen waren er blijkbaar door
menschenhanden aan den kant geworpen, waar ze een dubbelen dam van
eenige voeten hoogte vormden; zonder dezen maatregel zou de weg zelfs
voor beslagen paarden onbegaanbaar geweest zijn. Evenwel, dit
veroorzaakte een ander ongerief. De glinsterende breuken der opgehoopte
keien weerkaatsten de zonnestralen; dit deed in ’t eerst de oogen
pijnlijk aan en werkte op den duur verblindend.
De paarden werden schichtig; men moest ze blinddoeken. En voort ging
het nu in wilden galop door de doodsche vlakte, zoodat de honden moeite
hadden de ruiters bij te houden. Gelukkig duurde de tocht door deze
woestenij niet lang; een groene streep in de verte kondigde grasland
aan; maar daarachter rezen, toen men naderbij kwam, zwartgroene muren
op: de scrub. Een ondoordringbaar netwerk van boomen, struiken en
slingerplanten versperde hun den weg. Na eenig zoeken vond Jacky de
opening, waardoor Dilly en hij dien morgen de grasvlakte hadden
bereikt. Door een poort in het dicht gebladerte traden de mannen, de
paarden aan den teugel geleidend, in het donkere warbosch, waar den
geheelen dag schemering heerschte. Een vochtige koelte woei hun te
gemoet en verkwikte hen na den snellen rit door de gloeiende
steenvlakte.
Boven hun hoofden slingerden zich de lianen; op den klammen bodem
werkten zich haar wortels in elkander, zoodat nu eens de koppen, dan
weer de pooten der paarden er in verstrikt raakten, en ze met behulp
der kapmessen moesten bevrijd worden. Een duffe aardlucht steeg bij het
verder doordringen uit de halfvergane stammen en rottende bladeren op.
Op de wijze der inboorlingen liep men achter elkander, Jacky voorop;
elk trachtte zooveel mogelijk het voetspoor van zijn voorman te
drukken. Dit gaf het voordeel, dat alleen de voorste den weg behoefde
te kennen en de beletselen had weg te snijden; Jacky liep dan ook
alleen gevaar op slangen te trappen, waarvan het in de struiken
wemelde. Ook schildpadden hielden er zich in menigte op, maar de
blackboy wist ze behendig uit den weg te schoppen.
Een uur ongeveer was men op deze wijze voortgegaan, toen het bosch
lichter en struiken en slingerplanten minder dicht werden. Men kon weer
te paard stijgen zonder gevaar te loopen met het hoofd in de struiken
te blijven hangen; toch waren de ruiters meer dan eens verplicht, plat
op het zadel te gaan liggen.
De paarden schenen water te ruiken; ze hinnikten, spitsten de ooren en
snoven de lucht op.
Ook Jacky moest iets bijzonders bemerken; hij wenkte stil te houden.
„Scht! Scht! Blacks (zwarten)!” fluisterde hij Dilly, die achter hem
reed, in het oor.
Allen luisterden met gespannen aandacht. In de verte, waar de omtrekken
der boomstammen bij ’t zwakke schemerlicht nauwelijks zichtbaar waren,
scheen hout gehakt te worden. Een onregelmatig aanhoudend geklop drong
van die zijde tot de reizigers door.
„Ga eens zien, wat ze doen, Jacky, en onderzoek eens, of ze iets kwaads
in het schild voeren!” zei Dilly zacht, „wij wachten hier!”
Snel sprong Jacky van het paard, en gleed onhoorbaar tusschen de
struiken voort in de richting, vanwaar het geluid kwam.
Vijf minuten later dook de slanke, cacaokleurige gestalte uit een
fuchsiastruik in de onmiddellijke nabijheid der wachtenden op.
„Niet kwade, missa; jagen opossum, twintig, niet boemerangs!”
boodschapte hij Dilly.
„Dan zijn ze niet gevaarlijk,” zoo wendde deze zich tot Willem en Mr.
Stake, „maar voor alle zekerheid zullen we toch een omweg maken. Of
wilt u eens een kijkje nemen? Bevreesd behoeft u niet te zijn; bij de
minste verdachte beweging schieten we de mannen neer; de vrouwen en
kinderen zijn niet gevaarlijk.”
„Wij zijn niet bevreesd, Mr. Dilly!” antwoordde Willem eenigszins
geraakt over den geringen dunk, dien de opzichter van zijn moed had.
„Als het niet te lang ophoudt, zoude ik gaarne eens een troepje van die
lui in hun element zien.”
„Ik ook!” zei Mr. Stake vooruittredend, „ook al hadden ze krijgswapenen
bij zich!”
„Ga dan maar met Jacky mee; ik blijf bij de dieren.”
Jacky beduidde hun, hoe ze gaan moesten om niet ontdekt te worden. Van
den eenen hoogen struik of boomstam sloop men in gebukte houding naar
den andere, en zoo kwam men ongemerkt in de nabijheid van het kamp der
wilden.
Zooals Jacky reeds gezegd had, waren een twintigtal zwarten aan het
jagen. De kinderen vochten met elkander of klommen in de boomen. Van
kleeding was bij jongen noch ouden eenig spoor te ontdekken. De jongens
en mannen klopten met kromme stokken, waaraan een steen gebonden was,
tegen de stammen; blijkbaar met het doel, ergens een holte te zoeken.
Een jongen vond, wat hij zocht, en boorde nu met een groote
mosselschelp een gat in het weeke hout. De zwarte stak zijn naakten arm
in de opening en haalde er een schreeuwende en spartelende buidelrat
uit te voorschijn. Hij slingerde het dier met den kop tegen den stam en
beroofde het zoodoende van het leven.
Niet zoo spoedig had een andere jongen het buitenkansje van zijn broer
of neef opgemerkt, of hij eischte schreeuwend zijn deel. De vinder was
evenwel niet geneigd, den buit te deelen; de andere hield vol; hij
greep de groote buidelrat bij de achterpooten en trachtte het beest aan
de handen van den rechtmatigen eigenaar te ontrukken, met het
natuurlijk gevolg, dat het in tweeën werd getrokken. Elk zette nu uit
vrees opnieuw te moeten deelen snel de tanden in het warme, bloedende
vleesch en at zijn portie met ingewanden en al op.
Om een vuur van harshout zaten eenige leelijke vrouwen in een kring;
een ervan hield een ongevilde schapenbout bij den poot in het vuur;
telkens als een plek, naar haar zin, genoeg geblakerd was, beet ze er,
rukkend en trekkend als een hond, wien het vleesch te taai is, een stuk
uit; daarop gaf zij den poot aan haar buurvrouw, die intusschen al haar
bewegingen met begeerige blikken gevolgd had en nu op dezelfde wijze
voortging den poot te ontvleezen.
„Schaap van station, dieven ikke doodschiet!” fluisterde Jacky Willem
in het oor.
„Dat zul je niet!” zei Willem en drukte het geweer van den blackboy,
dat deze reeds opgeheven had, tegen den grond.
„Niet schieten!” gebood ook Mr. Stake.
Jacky gehoorzaamde, hoewel met tegenzin: ’t was hem aan te zien, dat
hij met het grootste genoegen eenigen van zijn stamgenooten het licht
zou hebben uitgeblazen.
De drie mannen lagen verscholen achter een heuvel van drie à vier meter
hoogte, gevormd uit gras, bladeren en takjes, en, zoo het scheen, met
opzet tusschen de omringende struiken verborgen. Een eind verder naar
het kamp lag een tweede heuvel, evenals de eerste koepelvormig, maar
niet zoo hoog, zoodat de mannen er tusschen de struiken door
gemakkelijk overheen konden zien.
Een der wilden scheen iets bijzonders ontdekt te hebben; hij wees naar
de zijde waar de reizigers lagen, en dadelijk ontstond er een verward
rumoer; de vrouwen lieten hun poot, de jongens de gevangen ratten in
den steek en de geheele bende kwam lachend of schreeuwend aansnellen.
Willem en Mr. Stake maakten een beweging om op te springen, maar nu
gebood Jacky met een duidelijk gebaar: „Liggen blijven!”
Als een lawine stortte de schreeuwende troep op den tweeden heuvel;
allen, mannen, vrouwen en kinderen begonnen haastig in de takjes en
verrotte bladeren te wroeten; wat ze losgekrabd hadden, schopten ze met
de voeten ter zijde.
Verwonderd keken de Europeanen naar de grabbelende zwarten; Jacky’s
listige oogen glinsterden van boosaardige vreugde.
De heuvel was in korten tijd een meter lager geworden, en een gejuich
ging er op, toen een der jongens een ei, zoo groot als dat van een
gans, uit de dampende mest te voorschijn haalde. Nu duwde een oud man
met sneeuwwitte haren de vrouwen en kinderen met geweld op zijde,
zoodat verscheidenen hals over kop van den heuvel rolden; geholpen door
een paar jongens, groef hij voorzichtig de rottende bladeren geheel weg
en legde een tiental eieren bloot, die met het stomp naar boven in een
symmetrische figuur naast elkander in den mest stonden.
Daarop scheen Jacky gewacht te hebben; de moeite van het graven liet
hij aan de wilden over, den buit had hij besloten zichzelf toe te
eigenen. Met een gillenden, vervaarlijken kreet sprong hij te
voorschijn en zwaaide zijn geweer boven zijn hoofd.
„Poeh! Poeh! Poeh!” schreeuwden de verschrikte wilden en stoven uit
elkander. De kinderen sprongen op den rug der moeder, klemden zich om
haar hals vast, en snel waren allen achter de dikke stammen verdwenen.
Jacky haalde de eieren uit den heuvel en stopte, zooveel hij er bergen
kon, in zijn wijde broekzakken en tegen zijn borst in het flanellen
hemd. Op het oogenblik, dat hij het tiende, waarvoor hij geen plaatsje
wist te vinden, op den kolf van zijn geweer wilde stuk slaan, snorde er
een speer door de lucht, die vlak naast hem in een boomstam drong en
daar trillende bleef zitten.
Willem en Mr. Stake, die het zonderlinge nest genaderd waren, dekten
zich zoo snel ze konden; Jacky daarentegen greep zijn geweer en sprong
met een woedend gebrul tusschen de struiken, om den vermetele te
straffen. Een minuut later knalde een schot.
„Dood!” zei Jacky leukweg en vergenoegd, toen hij terugkwam; maar met
spijt keek hij naar zijn eieren, verscheidene er van waren gebroken.
„Een lieve jongen!” zeide Mr. Stake in het Nederlandsch tot Willem.
„Een wild beest is het!” antwoordde deze in dezelfde taal.
Alle drie kwamen op de plaats terug, waar Dilly hen wachten zou; maar
noch van dezen, noch van de dieren was een spoor te ontdekken; dat wil
zeggen voor de Europeanen, niet voor den Australiër. Deze snoof een
paar malen de lucht op als een speurhond, welke gewoonte misschien zijn
liefelijken bijnaam had bezorgd; daarop kroop hij op handen en voeten
rondom de plaats, waar men elkander had verlaten, en onderzocht daarbij
opmerkzaam elk blaadje, elk grassprietje, dat hem iets scheen aan te
duiden.
De opzichter had het blijkbaar onnoodig geacht, een teeken achter te
laten, dat Jacky op het spoor kon brengen; bij diens bedrevenheid in
het spoorzoeken kon hij die moeite sparen.
Mr. Stake zat op een boomwortel en wachtte geduldig den uitslag van het
onderzoek af. Willem daarentegen kon nauwelijks zijn bezorgdheid
verbergen; wat zou er van hen worden, als zij in deze wildernis
verdwaald waren? Hij wist bij ondervinding, wat verdwalen in een
doolhof was. De St. Pietersberg was echter, bij de scrub vergeleken,
nog maar een slatuintje; ginds wachtte ook alleen de honger, hier
bovendien slangen en ander ongedierte en, op den koop toe, een speer
met weerhaken, door onzichtbare handen geslingerd.
Tot zijne geruststelling stond Jacky op, wenkte hem te volgen en sloeg
zonder eenige aarzeling een bepaalde richting in. De oogen van den
zwarten gids waren onophoudelijk in draaiende beweging; geen gebroken
takje op den bodem, geen schram in den gladden bast van een boomstam
ontging hem. Als bewijs, dat ze op den rechten weg waren en als proeve
van zijn kunst, raapte hij van den grond een verdord eucalyptusblaadje
op, berook het en reikte het daarop met een voornaam, onverschillig
gebaar Willem over. Deze bekeek het van beide kanten; er was niets
bijzonders aan te bespeuren; het was vochtig en half verrot, als alles
wat op den bodem lag.
„Nat, jouw hond gedaan!” zei Jacky vol trots op zijn ervaring.
„Bah!” riep Willem en liet het vieze blad vallen. Jacky schaterde het
uit.
Hondengeblaf trof de ooren der reizigers en weinige oogenblikken later
sprong Pollo tegen Willem op. De scrub ging in bush over; daarop kwam
men aan een groote, door boomen omringde vlakte. In het midden lagen
verscheidene met bamboe omzoomde poelen, waarop zwemvogels van allerlei
kleur en vorm onbevreesd rondzwommen. Eerst als de honden blaffend
kwamen aanstormen, vlogen ze kwakend en klapwiekend op, om een eind
verder weder neer te strijken.
De opzichter had dicht bij een plas vuur aangelegd en thee gezet. Hij
had, toen hij een schot hoorde vallen, niet in de scrub durven blijven,
uit vrees dat de wilden uit weerwraak hun verraderlijke speren op hem
of de dieren zouden richten.
Jacky haalde het overschot der eieren voor den dag en bood het
gezelschap er eenige van aan.
„Ik zou u niet raden ze te openen, als u ten minste uw eetlust niet
bederven wilt. Van de tien zijn er negen vuil en verspreiden een
afschuwelijken stank.”
„Lekker!” zeide Jacky, nam alle eieren voor zich en begon ze, vuil of
niet, uit te slurpen.
„Welke vogel legt die eieren?” vroeg Willem.
„Dat doen hier verscheidene soorten. Ik heb er echter nooit een gezien;
de dieren zijn erg schuw, ze werken alleen ’s nachts of ’s morgens in
de schemering aan hun heuvels. Ze worden hier heuvelvogels genoemd en
van hooren zeggen weet ik, dat ze op kalkoenen gelijken.
De maaltijd was geëindigd en de tocht werd voortgezet. Opnieuw had men
een kreupelbosch door te worstelen; daarop volgde weder een
uitgestrekte grasvlakte, afgewisseld door kleine scrubs, kale rotsen en
groote, diepe plassen, die in den regentijd zich waarschijnlijk tot één
groote rivier zouden vereenigen.
„Kengoeroes!” zei Dilly in den namiddag en wees op eenige beweeglijke,
zwarte punten in de verte. Kengoeroes zien, en er jacht op maken scheen
één te zijn bij de bushmen.
Haastig werden de paarden ontladen.
„Full speed!” commandeerde de opzichter en voort ging het in vliegenden
galop. Willem pakte zijn beestje weder bij de manen, klemde zich stevig
vast en sloot de oogen.
De kengoeroes bemerkten eerst onraad, toen de ruiters niet ver meer af
waren. Ze stoven eerst naar alle kanten uiteen; een der grootste hield
stand en deed een schril gefluit hooren. Op dit sein verzamelden zich
de verschrikte dieren, en met verbazende sprongen—het kleine bovenlijf
voorovergebogen, de korte voorpooten tegen de borst gedrukt,—vloog de
geheele troep, een twintig stuks groot, vooruit en het groote dier, dat
het sein gegeven had, na. De bedoeling der springers was duidelijk:
rechts van de vervolgers lag een stuk scrub; dit te bereiken was hun
eenige uitkomst.
De jagers trachtten hun den pas af te snijden en reden rechthoekig op
de richting der vluchtende dieren in, maar de kengoeroes namen sprongen
van zeven à acht meters en waren den paarden te vlug af. De honden, die
ver achtergebleven waren, zwenkten, toen ze de kengoeroes naar de scrub
zagen vluchten, naar rechts; ze kwamen zoodoende de paarden voor en
volgden de gejaagde dieren op de hielen. Reeds hadden enkele
vluchtelingen de struiken bereikt. De wijfjes konden zoo snel niet
medekomen; zij hadden ook haar jongen te dragen; eerst als ze de honden
achter zich hoorden snuiven, wierpen ze de jongen uit den buidel en
repten zich dan, van haar last bevrijd naar de veilige wildernis. De
aanvoerder van den troep, de „old-man”—zooals hij door de kolonisten
genoemd wordt—dekte, nu de laatste wijfjes de struiken genaderd waren,
den aftocht. De meeste honden zetten de weggeworpen jongen na; slechts
twee, Pollo en Bully (een groote Schotsche dog), achtervolgden de
kengoeroes. Bully was op het punt een wijfje te bereiken, toen de
old-man—een reusachtig dier, in zittende houding grooter dan een
man—hem in den weg sprong. Bully vloog op hem af, maar voor hij tijd
had den kengoeroe bij de keel te grijpen, sloeg de old-man hem de
voorpooten om den hals, drukte den huilenden dog stevig tegen zich aan,
tilde den sterken achterpoot op, en met den middelsten teen, die van
een geduchten klauw voorzien was, scheurde hij hem van onder tot boven
den buik open. Daarop zette hij koers naar het bosch, maar Pollo
versperde hem den weg; ook de jagers kwamen naderbij.
Dit ziende, vluchtte de kengoeroe in tegenovergestelde richting,
onmiddellijk gevolgd door Pollo. ’t Scheen wel of hij telkens den hond
opzettelijk liet naderen, om op het oogenblik, dat Pollo hem meende te
grijpen, weer vooruit te schieten.
„Hij lokt je hond naar de rivier, snijdt hem den weg af!” schreeuwde
Dilly tegen Willem, die ver vooruit was. Doch de paarden waren bek-af;
de kengoeroe en de hond wel tweehonderd pas vooruit.
Daar sprong de old-man in een der diepste plassen en keerde zich naar
zijn vervolger. Alleen zijn kleine kop en de nietige voorpooten staken
boven het water uit. De kengoeroe zag er volstrekt niet gevaarlijk uit;
Pollo bedacht zich geen oogenblik en sprong in den plas.
Daarop had het sluwe dier gerekend; niet zoodra was de zwemmende hond
binnen zijn bereik, of hij pakte hem om den hals en duwde hem onder.
Zooals eene waschvrouw een stuk linnen door het water slaat, zoo
sleurde de kengoeroe den grooten hond van rechts naar links, van links
naar rechts door het water heen.
„Help! hij verdrinkt mijn hond!” schreeuwde Willem, wiens paard bijna
ineenzakte.
„Schiet! missa, schiet!” gilde Jacky, die tusschen twee poelen was
doorgereden en van de andere zijde van de rivier zoo snel naderde, als
zijn hijgend paard het toeliet.
Willem vuurde, op gevaar af den hond te treffen; de kogel sloeg op een
pas afstand in het water. De kengoeroe schrikte, liet den hond los en
keerde zich om, met het doel naar de andere zijde te ontvluchten. Daar
zag hij Jacky, die schreeuwend, een stijgbeugel aan den riem boven zijn
hoofd zwaaiend, kwam aanjagen. Een paar honden naderden van dezelfde
zijde den plas. Aldus in het nauw gebracht, keerde de kengoeroe zich
opnieuw om, stak den hals vooruit, legde als een loerende kat de lange,
opstaande ooren plat tegen den kop, sprong uit het water en met een
gillenden kreet op Willem toe, die inmiddels den plas was genaderd.
Het dier was vreeselijk om aan te zien. De anders zoo zachte
gazellenoogen schoten vonken. Willems paard steigerde; hij zelf sloeg
in doodsangst de armen om den hals van zijn rijdier; als hij viel, was
hij verloren.
„Houd vast! In Godsnaam, houd vast! Wij komen!” schreeuwden Mr. Stake
en Dilly te gelijk.
De razende kengoeroe sprong als een panter tegen de borst van het paard
op, dat van angst brieschte; maar op hetzelfde oogenblik sloeg Jacky
hem met den zwaren stijgbeugel op den kop, zoodat hij neerviel. Een
oogenblik later was hij door de honden in stukken gescheurd.
„Dat was een gevaarlijke positie, Mr. Roda; je hebt je goed gehouden;
als je losgelaten hadt, was je er om koud geweest. Kijk eens, wat een
klauw!” zei Dilly.
„Waar is mijn hond?” vroeg Willem, toen hij van den schrik bekomen was.
„Pollo! Pollo!”
Pollo hoorde het niet meer. Zijn lijk dreef op den plas. De hulp was te
laat gekomen, de kengoeroe had hem verdronken.
„Arm dier, heb ik je daarvoor, de halve aarde om, mee moeten voeren!”
zuchtte Willem.
„Kom, Mr. Roda, er zijn nog honden genoeg op Darlingstation. Wees maar
blij, dat je er zoo afgekomen bent!—we moeten nog hout zoeken voor het
wachtvuur!” zei Dilly.
Den volgenden morgen in de vroegte stieten de ruiters op een koppel
verwilderde koeien en kalveren. Verscheidene er van droegen een
brandmerk—de letters U. A. P. C. in een ovaal—op de linkerschoft. Een
oude stier, met een bult op den breeden nek, en met woeste oogen, was
de aanvoerder.
Het waren dieren uit de run, die thans het eigendom van Lord Greybury
was. Ze leefden hier in het wild, hielden zich daags in de bosschen
schuil en kwamen alleen ’s nachts of bij het krieken van den dag in de
vlakte, om te grazen en te drinken.
Tegen den middag bereikten de ruiters Darlingstation, waar Mr. Walebone
den squattersleerling en zijn oom vriendelijk welkom heette.