HOOFDSTUK VII.

De volle maan goot haar stille licht over het landschap uit en spande

een net van zilveren mazen over den Gelderschen IJsel, wiens kabbelende

golfjes Willem reeds van verre toelachten.

Meester en hond waren zeer vermoeid en vlijden zich op het zachte

oevergras neder, om een poosje uit te rusten. Geen levend wezen hadden

ze op hun nachtelijke wandeling ontmoet, een enkele haas, die over den

weg sprong uitgezonderd. Willem haalde zijn kaart voor den dag; de maan

wierp zulk een helder licht op het papier, dat de zwarte stippen,

strepen en namen duidelijk zichtbaar waren. Volgens deze moest hij zich

op dit oogenblik tusschen Brummen en Dieren bevinden, maar veel dichter

bij de laatste dan bij de eerste plaats.

Aan de overzijde der rivier teekenden zich donkere hoogten tegen den

lichteren hemel af; dat moest de Carolineberg zijn; daar achter lag de

uitgestrekte Veluwe, met haar bosschen en heidevelden, waar de

vluchteling voorloopig een veilige schuilplaats hoopte te vinden.

Daartoe moest de rivier overgestoken worden. Een bootje was nergens in

den omtrek te ontdekken; er bleef dus niets anders over dan den

overtocht al zwemmende te beproeven.

Voor dat eindje zwemmen was Willem niet bang: de IJsel was niet breed,

en hij had meer dan eens het IJ bij Amsterdam achter de zwemschool

overgezwommen; doch hij vreesde dat de stroom in ’t midden der rivier

hem te sterk zoude zijn. De keus was hem echter niet gelaten; aan gene

zijde der rivier kon hij zich eerst veilig rekenen; en wilde hij,

zooals zijn plan was, vóór zonsopgang een goed eind op de Veluwe zijn,

dan diende hij zich niet lang te bedenken.

Snel liep hij den hoogen oeverrand af en sprong moedig in de rivier;

Wiedu volgde zonder aarzelen.

Het water was koud en de strooming sterk; de zwemmer spande alle

krachten in en bereikte zonder ongeval het midden der rivier. Met een

paar fiksche slagen sneed hij schuin door den fellen stroom. Nu

verzwakte de gedachte aan omkeeren bij het snijden van het koude water

zijn moed niet meer; elke slag, al kostte hij pijn en inspanning,

bracht hem nader bij den oever en bij de vrijheid. Eindelijk voelde hij

grond onder de voeten en hijgende klom hij tegen den glibberigen oever

op, waar de hond reeds door snelle schuddingen met het lichaam een

stofregen deed ontstaan.

Vóór hij in het water sprong, was Willem warm van ’t loopen, nu rilde

hij van koude in zijn natte kleederen; hij wist geen beter

verwarmingsmiddel dan onverwijld op marsch te gaan. Hij zette den pas

er in, en nu ging het met goeden moed de Veluwe op.

De Veluwe! Wat de witte plek is op de kaart van Afrika, is het hart van

de Veluwe voor de meeste Nederlanders: terra incognita, een onbekende

streek. Voor Willem was ze dit in elk opzicht; zijn kaart reikte niet

verder dan tot den IJsel, zoodat hij nu in ’t wilde liep. Honger had

hij niet meer; integendeel hij zou op dit oogenblik de lekkerste spijs

afgewezen hebben; de gedachte aan eten alleen vervulde hem met weerzin.

En met het loopen ging het ook niet te best; zijn knieën knikten

telkens; huivering op huivering liep van zijn teenen tot zijn haren.

Hij was koud, door en door koud; de natte kleeren schenen wel aan zijn

lichaam te bevriezen, en toch stond hem het zweet op het voorhoofd.

Ongevoelig voor wat hem omringde, liep hij door, de oogen naar den

grond geslagen.

Tot nog toe had hij een straatweg gevolgd; nu was de vluchteling,

zonder dat hij het bemerkt had, op een breeden zandweg gekomen, die

zich in een rechte lijn onafzienbaar ver uitstrekte, aan beide zijden

begrensd door jong dennenhout. Een diep wagenspoor was het eenige

bewijs, dat dit onherbergzaam oord wel eens door menschen werd bezocht.

De hond volgde den afgematten jongen op de hielen; ook hem scheen het

koude bad niet goed bekomen te zijn, ook hij liet lusteloos den kop

hangen.

De zandweg ging in een voetpad over, dat ongemerkt verdween in een

heuvelachtig, zandig terrein. Nu was er geen weg hoegenaamd meer te

bekennen.

Willem sukkelde in de eens ingeslagen richting voort. Het loopen over

den golvenden bodem viel hem hoe langer hoe moeilijker; hij had dan ook

naar eigen berekening al een uur of zeven gemarcheerd.

De huiveringen volgden elkander met steeds kleiner wordende

tusschenpoozen op; van tijd tot tijd was het hem of hij zweefde, of

zijn voeten bij het nederzetten op de ijle lucht rustten, in plaats van

den bodem te drukken.

Verlangend keek hij rondom zich in de hoop een menschelijke woning te

ontdekken. Daar hij de schemering in de open lucht had doorgebracht,

waren zijn oogen aan de duisternis gewend, en buitendien was het bijna

dag te noemen, zoo helder scheen de maan, die nu haar hoogste punt had

bereikt; de nacht kon hem dus niet misleiden. Hij liet zijn oogen

weiden over elk deel van den omtrek,—niets dan schrale heide,

afgewisseld door plekken wit kiezelzand, dat in het maanlicht

glinsterde; ver, zeer ver scheen een donkere streep een dennenbosch aan

te duiden.

Met moeite sleepte hij zich in die richting voort. Thans volgden de

rillingen elkander bijna zonder tusschenpoozen op. Nu en dan voelde hij

een schok door het geheele lichaam, als iemand die hevig schrikt; zijn

handen beefden en het klamme zweet stond op zijn voorhoofd. Stond hij

een oogenblik stil, dan verbeeldde hij zich muziek te hooren, vreemde,

glasheldere tonen, die nu eens uit de verte, dan weer van boven schenen

te komen.

Zijn knieën begonnen zoo hevig te trillen, dat het loopen hem

onmogelijk werd. Hij ging aan den rand van den weg zitten en liet het

hoofd op beide handen rusten. Wiedu, die waarschijnlijk dacht dat zijn

meester ging zitten om te slapen, vlijde zich voor zijn voeten in het

zand en maakte zich gereed den verzuimden slaap in te halen.

De maan daalde reeds weder, en nog was er geen spoor van den dageraad

aan de Oosterkim te ontdekken; wel woei reeds de koude wind, de gewone

voorbode van de herfstzon.

Willem keek nog eens rond, of hij ook ergens een licht zag schemeren,

dat een menschelijke woning kon aanduiden.—Niets; zandheuvels en

boschjes van kromgegroeide dwergdennen belemmerden bovendien het

vergezicht. Hij was alleen, met den slapenden hond tot eenigen

metgezel.

Weer voelde hij zulk een schok door de leden, en nu eerst kwam de arme

jongen eenigszins tot het bewustzijn van zijn toestand.

„Zou dat koorts wezen? Zou ik hier ziek worden, hier, geheel alleen in

deze onbewoonde streek?” stamelde hij en zijn tanden klapperden tegen

elkander. Een hevige dorst kwam zijn lijden vergrooten.

Vol angst wilde hij zich oprichten om verder te gaan,—vergeefsche

poging, hij had er de kracht niet meer toe.

„Help! Help!” schreeuwde hij met heesche stem, „ik sterf!”

„Sterf!” antwoordde de echo uit een tegenoverliggend kreupelboschje.

Hij wilde opnieuw hulp roepen, maar bracht slechts een rochelend geluid

voort.

Hij kon zelfs niet langer overeind blijven zitten; machteloos liet hij

zich achterover vallen; zijn achterhoofd rustte tamelijk zacht op een

hoopje samengewaaide dennennaalden en met wijdgeopende oogen staarde

hij naar den zachtblauwen hemel.

Een wolk verduisterde op dit oogenblik de maan en nu verschenen de

sterren in vollen luister. Bij duizenden flikkerden en flonkerden ze,

groot en klein, in tintelenden gloed.

De vermoeide oogen van den koortslijder sloten zich, zonder dat hij het

bemerkte; voor hem bleven de sterren niettemin zichtbaar. Spreken kon

hij niet meer; de angst, te moeten sterven, folterde hem en bracht hem

tot wanhoop.

„Ik moet hier ellendig omkomen,” zoo raasde het in zijn hoofd, „geen

mensch weet, dat ik hier lig; wie kan mij helpen? wie kan me redden?

wie?”

In doodsangst wierp hij zich van de eene zijde op de andere. Eensklaps

schoot een gedachte hem door het hoofd en roerloos bleef hij op den rug

liggen. Daar kwam in zijne verbeelding een vreemde beweging in de

sterren; van den gezichteinder rezen ze op, trokken zich samen en

vereenigden zich vlak boven zijn hoofd tot drie vormlooze groepen; de

massa’s kregen omtrek, het werden letters; drie groote vurige letters

van saamgepakte sterren gaven antwoord op zijn zielskreet: God.

Met die gedachte, welke den doodsangst verdreef, drong tevens een

straal van hoop in zijn geprangde borst. Hij sloeg de oogen weer op.

Het licht der maan verduisterde nog steeds de omringende sterren. Nog

geen dag, nog geen verwarmende zon, en het rillen hield maar niet op.

Toch was het Willem nu beter te moede; hij meende te voelen, hoe een

zachte warmte zijn lichaam doorstroomde. Hoor! daar doet die

geheimzinnige muziek zich weder hooren; nu komt ze duidelijk van boven.

Het is een heerlijke melodie.

In verrukking sluit de koortslijder de oogen, en nu maakt zich opnieuw

een vreemde gewaarwording van hem meester; hij voelt duidelijk, hoe,

terwijl de sterren stilstaan, de aardbol zich, met hem, zachtkens

voortbeweegt; gelijkmatig, zonder schokken wentelt hij zich om zijn as,

de zon te gemoet. Daar verschijnt de dagvorstin schooner dan ooit boven

den horizon en met haar koesterende stralen verwarmt ze onmiddellijk de

ijskoude voeten van den lijdenden jongen. Zie, het spichtige heidekruid

en de dorre brem wassen eensklaps op tot welig gras, en de zwarte

kromme dennen tot bloeiende pereboomen, in wier schaduw vroolijke

kinderen spelen, zingen en dansen. Verder wentelt de aarde, en hooger

stijgt de zon. Daar verschijnen de slanke torens van Amsterdam achter

het groen der weide. De hemelsche muziek wordt nog duidelijker

verneembaar, er komt zelfs melodie in; het is een slaaplied, een

eenvoudige, roerende wijze. De zon daalt reeds weder achter den

horizon. De aarde staat stil. In de slaapkamer op de Heerengracht is

licht opgestoken. Blauwzijden dekens dekken den kouden jongen toe en

voor ’t hoofdeinde van het mahoniehouten ledikant zit zijne moeder. Ze

neemt zijn hoofd tusschen de handen, kust hem op het voorhoofd en zingt

het slaaplied ten einde. Haar stem wordt al zwakker en zwakker; de

kamer hoe langer hoe killer. Het nachtlicht begint te flikkeren, het

gaat uit, neen, nu wakkert het weer aan....

„Heere, mien God! daor ligt een mensch!” roept een oud vrouwtje, zoo

hard ze kan, en laat van schrik den zak met dennennaalden, die ze

gezocht heeft, van den gekromden rug vallen. „Jan, Jan, kom es gauw

hier hèn! ik wist al niet, waarum dat biest mie zoo aan de rokken trùk;

ik dacht wel, dat er wat niet pluus zol wêzen; zoo’n stom dier.”

Haar man, nog ouder dan zij, is een eind verder tusschen de dennen aan

het strooisel zoeken. Haastig strompelt hij naderbij.

„’t Is een dooie,” zegt Jan en neemt zijne pet van de dunne, grijze

haren, „hij is kold en stief;” en met gevouwen handen en omhoog

geslagen blik, voegt hij er met trillende stem bij: „Wat God doet, is

wel gedaon!”

„Nee, Oldejan, pak gauw op, hie is niet dood! kiek, hie bêft nog! aw’em

[5] in de hut dragen en een duchtig vuurtien anleggen, kan ie nog wel

bij [6] kommen.”

Jan en zijne vrouw, hoe moeilijk het hun ook viel den zwaren last te

tillen, slaagden er in, den bewustelooze naar hun hut, die midden in de

heide stond, te dragen; zoo hoog konden ze hem echter niet houden of de

slap neerhangende armen sleurden door het zand. Wiedu sprong van de

eene zijde naar de andere en likte nu eens het zand van de rechter-,

dan weer van de linkerhand.

Jan Branse legde een vuurtje van plaggen aan, en met vereenigde

krachten schoven de beide oudjes Willem zoo dicht bij het vuur, als de

spattende vonken het veroorloofden.

Ook Wiedu zocht een warm plaatsje en koesterde zich met blijkbaar

welbehagen.

Allengs kwam er meer leven in het verstijfde lichaam van den zieke; hij

wentelde zich om, trachtte zich op te richten en stamelde

onsamenhangende woorden.

Jan Branse en zijn vrouw lagen op hun knieën bij het vuur en wierpen,

toen ze zagen, dat de warmte den bewustelooze goed deed, telkens nieuwe

plaggen op het vuur, zoodat er weldra een buitengewone hitte in de hut

heerschte en dampwolken uit Willems doorweekte kleederen opstegen.

„Oldejan, wat zol er met den jongen ebeurd wêzen? Zien kleeren bint nat

en ’t hef in geen veertien dagen erègend!”

„Dat weet ik niet, vrouwe. Vreemde dingen geschieden hier, Gods werken

bint ondoorgrundelijk; Hie brengt oe van veere terug, wat oe van

dichtbij benummen wordt!”

„Ik versta oe niet, wat wi’j zeggen?”

„Vind ij ook niet, dat de jongen op onzen Jan liekt en heur ie niet,

als hie ielt, dat hier sprêk ’van vluchten en vervolgen, van

achterhalen en van schieten en geweren? Wat ik oe zegge, vrouwe, hie is

evlucht uut een kazerne of zoo wat. Hör! now rup ie um zien vaoder,

zien moeder en zien zuster. Wie weet, of onze Jan ook niet zoo um ons

rup,” en tot Willem, die nog altijd ijlde:

„Nee, mien jongen, kiek maor niet zoo angstig rond; wij zult oe niet

verraoden as Judas den Heere. Ij bint hier veilig!” en Oldejan hield

zijne beide knokige handen zegenend over Willem uitgestrekt.

„Za’k hem de kleeren van Jongejan angêven? Wat dunkt oe? ’t duurt zoo

lange, eer de ziene dreuge bint.”

„Doe het, vrouwe! wees barmhartig en oe zal barmhartigheid geschieden!

Dat hebben die ongerechtigen niet gedacht, toen ze onzen Jan

weghaalden, dat God ons een ander zol zenden, om zien plaatse in te

nêmen, en nog wel een daor ze daor in de stad recht op mienen te

hebben.

„Nee jongen, blief maor rustig liggen, der bint hier geen majoors; hier

in de schadden zult ze oe niet zuuken, en as ze oe zuuken, nog niet

vinden ooke.”

„Water, water!” kreunde Willem, die langzamerhand bij kennis was

gekomen.

„Drink maar toe, jongen! water he’w nog genog; meer as brood!” zei

vrouw Branse zuchtend, terwijl ze den dorstige een nap water aan de

lippen bracht.

„Vrouwe, vrouwe! mor niet in ’t verborgen tegen de raadsbesluiten des

Heeren. Zien wil geschiede, als Hij ons een duive zendt zal ie ook het

voeder niet vergêten.”

Hiertegen wilde vrouw Branse niets inbrengen; ze heette haar Oldejan

bij Zwarte Geerte wat koortskruiden te gaan halen en als het kon ook

een brood te leenen. „Hij kos in een paar uur terugwèzen.”

Jan Branse ging heen; zijne vrouw haalde het werkpak van haar zoon

tusschen het bedstroo uit en gaf het Willem.

Deze had intusschen met verbaasde ooren en oogen geluisterd en

rondgezien. Nog meer dan de bijbeltaal van Jan Branse, bevreemdde hem

de plaats waar hij zich bevond. Veel was er niet te zien. Behalve den

bos stroo, waarop hij in gevaarlijke nabijheid voor het plaggenvuur

lag, zag hij nog een tweeden grooteren bos; een manke bank diende tot

zitplaats en rechtbank tegelijk. Het huisraad kon er naast man en vrouw

nog wel een plaatsje vinden: een bijbel, een ijzeren pot, een blikken

kan en een paar gebarsten kopjes en borden waren de hoofdvoorwerpen.

Een opengetornde zak van juttelinnen scheidde het armzalig verblijf in

twee ongelijke deelen, het kleinste strekte, zooals het blaten verried,

aan een geit tot woonvertrek. De bodem der hut lag eenige voeten lager

dan de begane grond. De hut zelf was eigenlijk niets anders dan een

spits toeloopend dak boven een vierkanten kuil in den grond, en gevormd

door vier dunne dennenstammen, die twee aan twee, als een paar schragen

een derden dikkeren droegen. De bedekking der schuine wanden bestond

uit heideplaggen en een enkele graszode, gedragen door takken en

aangevuld door de ongelijksoortigste en zonderlingste pannen, die men

zich denken kan: oude zakken en kleeren, stukken bordpapier, verroeste

stukken blik en dergelijke meer. Alleen de voorzijde bevatte eenige

ongeschaafde planken, die een opening vrijlieten; waardoor men evenwel

niet zonder bukken kon binnengaan.

Met één oogopslag zag Willem, dat hij aangeland was bij doodarme

menschen, zoo arm als hij zich nooit voorgesteld had, dat menschen zijn

kunnen; en deze lieden, die op hun ouden dag op stroo sliepen, hadden

hem, den zieken knaap, gastvrij opgenomen en zagen er niet tegen op,

hem van hun armoede nog mede te deelen.

Zijn hoofd gloeide nog steeds van koortshitte; hij poogde tevergeefs op

te staan, al zijn ledematen waren als gebroken.

„Zu’j nog eens niet wat drinken, mien jongen? Hier is nog een kuppien

versche geitenmelk; dat zal oe goed doen. Nee, blief nou rustig liggen,

tammé [7] krieg ie een koortsdrankien, dan gaoj slaopen en morgen bi’j

weer bêter as God blieft. Nee, now mu’j niet praoten; a’j weer beter

bint, za’k oe alles wel vertellen. Hier hê’j nog een zak om onder oe

heufd te leggen, Kiek maor niet zoo benauwd, wie zult oe niet verraden.

I’j bint ummers uut een kazerne of zoo wat weg eloopen?”

Willem knikte toestemmend.

„Nou, dan ku’j gerust wezen, er gaon wel eens maonden veurbij, da’we

hier geen mensche zien.”

Willem dommelde in, toen vrouw Branse de laatste geruststellende

woorden sprak.

Den volgenden dag was de koorts nog niet geheel geweken, doch de

krachten van den patiënt waren door een slaapje van vier en twintig

uren in zooverre teruggekeerd, dat hij weder rechtop kon zitten en

zelfs, hoewel met moeite, uit de hut kon kruipen. Toen de oude vrouw

tegen het middaguur met een’ zak naalden op den rug terugkwam, vond ze

Willem voor de hut in de zon zitten.

„Da’s knap; zoo gauw had ik het niet édacht; onze lieve Heer hef een

wonder an oe edaon; toe ik oe gistermorgen in de hei zag liggen, dacht

ik eerst niet anders of ie waren dood, zoo kold en stief was ie.”

„Ik dank je wel, goede vrouw,” antwoordde Willem en drukte haar magere

handen, „ik dank je duizendmaal!”

„Geen dankensweerd; „heb oe naasten lief als oe zelf,” stiet in de

Biebel en daor mu’j [8] naor lêven.”

„Wie is toch die Jan, daar je gisteren van sprak?” vroeg Willem.

„Dat za’k [9] oe dadelijk vertellen; maar eerst mu’k [10] brood snieden

en de geit melken,” antwoordde vrouw Branse en bukte zich om in de hut

te gaan. „O, daor kump [11] mien man an: laot die het oe maar

vertellen; die kan ook zuuver Hollandsch spreken, als ie wil, en ik

worde er ook altied zoo raar van als ik er ôver sprêke; ’t is nou al

bijnao een half jaar, dat ze mien Jongejan weghaalden en wij uut ons

armoedjen eschupt werden, en toch denk ik er wel honderdmaol daags an.”

Jan Branse was, nadat hij zijn zak strooisel had afgeworpen, dadelijk

bereid aan Willems verzoek, dat hem door zijne vrouw werd overgebracht,

te voldoen.

Weldra wist de logé der hutbewoners, uit het met bijbelteksten

doorvlochten verhaal van Jan Branse, dat Jongejan, zijn zoon, door twee

soldaten en een sergeant was weggehaald en naar Zutphen gebracht, omdat

hij niet op den bepaalden tijd was opgekomen om als soldaat zijn

diensttijd door te brengen.

„En nu vraag ik oe, of dat geen onrechtveerdigheid is, die tegen den

hemel schreit!” zei Jan, naar hij meende in zuiver Hollandsch.

„Een eenigste zoon, heb ik altied ehoord, was vrij, en nu halen ze hem

van ons weg, of hie een dief was. Jij hebt oe weetje, geloof ik, ook

wel,” vervolgde Jan, schoof dichter bij Willem en sloofde zich uit

Hollandsch te spreken, „nu moet jij zelf eens oordeelen of ze mij geen

onrecht hebben aangedaan; de menschen zeggen wel dat ik stom en

eigenwijs ben en dat het mien eigen schuld is, dat alles mij

tegenloopt, maar ik heb zoo edacht: ze laten oe je eenigst kind holden,

omdat hie voor zien ouders warken moet; ze weten op het stadhuus in

Arnhem of in Zutphen wel, dat ik geen andere zuns hebbe; nou vraag ik

oe, wat heb ik nou met al die famperfoefies als aangêven, lotten en

zooveel meer nog neudig? En omdat ik dat allemaol verzuumd hebbe,

hebben ze mij mien kind weggehaald. Wat zeg jij daar nou van?”

Willem wist er niets anders van te zeggen, dan dat hij het

verschrikkelijk vond, en vroeg, of ze daardoor zoo arm waren geworden.

„Ja mien jongen was een zegen van den Heer voor ons; nooit gebruukten

ie een cent van het geld, dat ie verdiende, veur tabak of jenever; en

warken dat ie kos! warken!”

„Wij bint al zoo old, en ie wol niet hebben, dat wij wat deden; ’t is

zoo’n goeie jongen; ik wou dat je hem eens zien konden, hie is krek zoo

groot als jij; nou en toen hij weg was konden wij geen twintig gulden

huur in het jaar meer opbrengen voor ons huus in Ermelo. Ze ebben ons

er uutgezet, net als vroeger uut mien eigen huizen, die ze mij

afgestolen ebben. Daar heur je vreemd van op, he? Ja, ik heb huuzen

ehad, mooie boerenhuuzen, wel zesse. En beesten en land, zoover als je

zien kon. De buren waren afgunstig op mien riekdom, ze plaagden en

sarden mij dag en nacht; ik heb ze verklaagd bij den rechter, maar

nooit kreeg ik recht, al was het zoo klaar als de zonne, dat ik geliek

had, maar ik gaf het niet op. Het eene huus na het andere hebben ze

mien verkocht; voor de proceskosten, zeggen die dieven, alsof een

stukkien schriefpapier zooveel kan kosten als een boerenhuus. Maar laat

ik er niet meer van praten, ik kan er sikkeneurig van worden, als ik er

aan denke. Jonge, jonge, zuuk nooit rechtveerdigheid bij de menschen,

leer dat van mij. Nou en toen ze mij en mien olde vrouw uit ons huisien

hadden gejaagd, heb ik hier op de heide een hutje gebouwd, en hier

lêven wij nou tevreden met ons lot; ik bin van niemand afhankelijk als

van God, en die zal ons niet vergeten.”

Jan Branse liet zijne oogen, die hij tot den hemel had opgeslagen, op

zijn armzalige hutje vallen en zuchtte binnensmonds:

„’t Ding hêf geen weerde; anders zol ik voor de laatste maal nog eens

probeeren recht te kriegen.”

„Waar leef jullie nu van?” vroeg Willem.

„Wel, zooals je ziet, zoeken wij strooisel; dat is het manna, dat God

voor de armen op de Veluwe uut den hemel laat vallen; de dreuge naalden

leggen de boeren onder het vee, of ze maken er matrassen van omdat het

stroo hier zoo duur is. Wie kriegen een stuuver per zak, en als we nou

met ons beiden vier zakken daags ophalen, hebben we genoeg om brood en

eerappels te koopen. Onze geit is een beste, die gêf melk voor twee, en

veel hebben wie niet neudig; nou jij en de hond der bij bint, zullen

wij twee zakken daags meer zoeken.”

„Dat zal niet gebeuren, Branse!” riep Willem. „Zoo gauw ik weer sterk

ben, zal ik voor jullie werken. Ik durf toch vooreerst nog niet naar

huis gaan, want daar zal de politie wel op me loeren. Ik kan misschien

wel even hard werken als jullie Jan.”

„Je bint een brave jongen. Voor ons heb je het niet neudig te doen,

maar ik zal er oe niet afholden Gods loon te verdienen, nu Hij alles

zoo bestierd heeft. Kiek, de winter stiet voor de deur en onder de

sneeuw kun je geen dennennaalden zien, daarom heeft Hij oe hierheen

gestuurd.”

„Voor deze week heb ik mijn werkloon al verdiend,” zei Willem. „Hier

heb je twee gulden, vrouw; meer heb ik niet. Koop daar aardappelen en

brood voor. Zoo gauw ik weer beter ben, behoef jullie geen strooisel

meer te zoeken.”

„Maak oe over ons maar niet bezorgd; voor die guldens zal ik eier en

vleesch koopen, anders ben jij in acht dagen nog niet weer op de

beene,” antwoordde vrouw Branse en trachtte eveneens Hollandsch te

spreken, wat haar evenwel zoo slecht mondde, dat Willem moeite had,

zijn lachen in te houden.

De goede vrouw had intusschen haar eikelkoffie gereed; ze schonk voor

elk op zijne beurt het eenige ongeschonden kopje vol en presenteerde

het op een vijfvingerig blad; daarna kreeg elk een dikke snede

roggebrood.

Willem had volstrekt nog geen zin in het vocht, dat vrouw Branse met

den naam van koffie vereerde, en evenmin had hij honger; maar om de

vrouw genoegen te doen, at en dronk hij van beide.

Hij gevoelde zich er werkelijk door gesterkt en beproefde eens te

loopen; het ging reeds beter dan hij dacht.

Vrouw Branse zag met innig welgevallen en zelfvoldoening zijn pogingen

aan, terwijl ze door een snelle polsbeweging het in één kopje vergaarde

bezinksel van zes kopjes fantasie-koffie in draaiende beweging bracht.

Een plotselinge ruk en de middelpuntvliedende kracht wierp den droesem

in het zand.

Op aandringen van de vrouw dronk Willem het aldus gereinigde en met den

koortsdrank opnieuw gevulde kopje leeg. Daarna ging hij weer slapen en,

dank zij de versterkende middelen, die Jan uit het naastbijgelegen dorp

haalde, of meer nog waarschijnlijk zijn jeugdig en krachtig gestel, was

de zieke binnen weinige dagen geheel hersteld.

Hij beloonde naar zijn beste krachten den armen Jan Branse en zijn

vrouw voor hun gastvrijheid en naastenliefde.

Zoolang hij nog werk kon vinden bij de boeren in dikwijls ver afgelegen

dorpen, arbeidde hij op het land of in de schuur voor een karig

dagloon, dat evenwel ruimschoots in de behoeften voorzag.

Den hond, die evenveel at als zij met hun drieën, stond Willem

tijdelijk aan een boer af, op voorwaarde, dat hij hem elken Zondag

mocht komen halen. Den ongewonen naam Wiedu veranderde hij, om zijne

eigene veiligheid niet in gevaar te brengen, in den meer alledaagschen

hondennaam Pollo, waarmede het dier, zonder veel bezwaren te opperen,

genoegen nam.

De winter viel vroeg en met buitengewone strengheid in, en nu was het

werken bij de boeren voor Willem gedaan. Ze waren meest allen arm, en

ze werkten liever ’s nachts door, dan daglooners aan te nemen, uit

vrees, in het voorjaar de pacht niet te kunnen betalen.

Nu zou er onvermijdelijk broodgebrek in de hut gaan heerschen, indien

hij geen middel vond, wat te verdienen; en hij vond het.

In ’t dorpje Eerbeek waren eenige papierfabrieken, enkele door het

water uit het beekje, de meeste door stoom gedreven.

In de laatste moest, nu het bevroren beekje zijn drijfkracht weigerde,

dag en nacht doorgewerkt worden, om alle bestellingen uit te voeren.

Willem vroeg en kreeg werk. Hij werkte de ééne week ’s daags, de andere

’s nachts, en verdiende zestig centen in de twaalf uren.

Zijn werk was spoedig geleerd. Snippers uitzoeken is dan ook geen

moeilijk ambacht, maar ’t is geestdoodend. Toch hield hij het den

ganschen winter vol; het loon hoe gering ook, verzoette den arbeid.

Wanneer hij ’s morgens of ’s avonds de weinige centen in de hut bracht,

kon het gezicht van Vrouw Branse met de harde, afgewerkte

gelaatstrekken soms zooveel innige dankbaarheid uitdrukken, dat hij de

doorgestane verveling vergat.

De oude menschen wilden geen „rooie” cent meer aannemen, dan ze hoog

noodig hadden, zoodat Willem vaak meer dan de helft van zijn dagloon

overhield.

Dikwijls bracht hij uit Eerbeek iets mede naar de hut; nu eens een

kleine versnapering; een stukje snijkoek of kaas, dan weder een plank,

een lat of wat spijkers.

Oldejan timmerde, nu hij geen naalden meer kon zoeken, van den morgen

tot den avond; en langzamerhand kreeg de hut een geheel ander aanzien.

De plaggen en vodden, die haar dekten, werden door planken vervangen en

de vloer met hout belegd.

’s Zondags was er meer dan eens een stukje vleesch in den pot.

De oude vrouw kon geen woorden vinden om aan hare dankbaarheid jegens

Willem uitdrukking te geven; Branse zei gewoonlijk:

„Ik dank oe niet, ie bint een middel in Gods hand, om de

onrechtveerdigheid der menschen weer goed te maken.”

Alle drie zouden zich geheel gelukkig gevoeld hebben, indien de oude

menschen hun Jongejan bij zich in de hut hadden gezien, en indien

Willem slechts iets van zijne ouders had vernomen. Hij mat de

ongerustheid van zijn moeder, die niet wist, waar haar kind in den

strengen winter rondzwierf af, naar het verlangen van vrouw Branse naar

haar zoon. Op het laatst vond hij nergens rust noch duur; hij wilde,

hij moest een middel vinden om zijn ouders te doen weten, waar hij was

en hoe het hem ging. Een Engelsch spreekwoord zegt: Waar een wil is,

daar is een weg. De wil was er en de weg werd gevonden.

Een brief, die natuurlijk het postmerk van het kantoor van afzending

moest dragen, was te gevaarlijk; eenige andere middelen werden om

dezelfde reden even spoedig verworpen, als ze verzonnen waren.

Eensklaps kreeg Willem een goede gedachte.

„Als we Jan, den soldaat, eens een brief schreven, dat hij hier acht

dagen met verlof moet komen, dan zijn we beiden geholpen!” riep hij uit

en sloeg in zijn blijdschap over den gelukkigen inval met de vuist op

de pas gemaakte tafel. „Dan kan hij nog zes dagen hier blijven, en in

de twee overige voor mij naar Amsterdam gaan.”

„Heere mien tied, daor zol ik mien pink veur willen missen”, schreeuwde

vrouw Branse.

„Dat mot gebeuren”, zei Jan bedaard.

De brief werd geschreven, en Jongejan kwam. Het was een vlugge vent,

die in de stad, waar hij in garnizoen lag, veel van de gewone

linkschheid der heidebewoners had afgelegd. Hij was uitmuntend voor de

boodschap naar Amsterdam geschikt en bracht ze naar wensch ten uitvoer.

Willems ouders waren gezond. Zijne moeder had den soldaat met tranen in

de oogen de hand gedrukt voor zijn blijde boodschap. Zijn vader ried

hem nog eenige maanden te blijven, waar hij zoo goed verborgen was, en

dan, als hij het wagen durfde, voor één dag, zoo mogelijk vermomd, een

bezoek in Amsterdam te komen brengen. Nu reeds thuis te komen, zooals

zijne moeder wenschte,—had zijn vader gezegd,—zou roekeloos zijn, daar

de politie hun woning in het oog hield.

Willem was vast besloten het bezoek over eenigen tijd te wagen: hij

rekende stellig op welslagen ook zonder vermomming; temeer nu hij, in

de anderhalf jaar sedert hij van huis was, zooveel gegroeid en zoozeer

veranderd was, dat—zoo hij meende—zijn moeder zelve in den gebruinden

en gespierden boerenknaap, met zijne vereelte knuisten en breede

schouders, haar mager opgeschoten zoontje met witte, fijne,

aristocratische handjes, nauwelijks zou herkennen.

Hij werkte nu met verdubbelden ijver op de fabriek, zoodat het zijn

patroon wel in ’t oog moest vallen, en deze hem opslag gaf. Toen de

fabrikant eens bij toeval bemerkte, dat Willem de deelen der

stoommachine bij name kende, nam hij hem van de snipperkamer af,

plaatste hem bij den machinist en verdubbelde zijn loon.

Nu verdiende Willem geld genoeg om zich in een paar maanden een

boerenpak aan te schaffen en ruim reisgeld over te houden.

Jan Branse en zijn vrouw hadden hem niet meer noodig. Jongejan was

teruggekomen; een request, door den eigenaar der papierfabriek op

Willems verzoek ingezonden, had uitgewerkt, dat de strafdiensttijd van

den eenigen zoon op één jaar in plaats van op vijf werd gesteld.

Toen de eerste rozen bloeiden, vertrok Willem, na vrouw Branse stellig

beloofd te hebben, vóór hij de wijde wereld inging, nog eens in de hut,

die nu bijna een huis geworden was, terug te keeren.

Pollo jankte nog, toen Willem reeds met den beurtschipper te Harderwijk

onderhandelde over de passagiersvracht van de overvaart naar Amsterdam.

Willem Roda: Een jongensboek · 第 8 / 25 题