HOOFDSTUK I.

Een goede dertig jaren geleden waren van een der fraaiste huizen op de

Bocht der Heerengracht te Amsterdam alle vensters van den voorgevel

verlicht, en telkens, bij het openen der voordeur, ontsnapten enkele

tonen van zacht-ruischende muziek naar buiten.

Een onafzienbare rij koetsen, waaronder maar weinige huurrijtuigen,

besloeg een groot gedeelte der gracht.

Deftige koetsiers en palfreniers, de meeste in deftige livrei, hadden

moeite de paarden te bedwingen, die door hun gescharrel en gehinnik te

kennen gaven, hoezeer ze een flinken draf boven dit vervelende

stilstaan verkozen.

Ook de koetsiers scheen de tijd lang te vallen; van tijd tot tijd

daalde er een van zijn troon, om de handen eens flink tegen de

schouders te slaan; want het was October en de avond begon koud te

worden.

„Kees!” zoo begon een voor deze gelegenheid mooi aangekleed „apie”,

zich tot zijn achterbuurman wendend, „Kees! wat spijt het mij, dat ik

geen jas heb meegenomen; maar wie kon ook denken, dat het zoo laat en

zoo vinnig koud zou worden?”

„Ja, jongen, daarbinnen worden ze er niet veel van gewaar, dat er een

Noordenwindje opsteekt.”

„Nu, anders fideele lui, hoor, die Roda’s! Mijn nicht, die er derde

meid is, weet er alles van, en rijk! rijk! onder ons gezegd, daar zijn

jouw heer en mijn vrachtje maar Jobs bij.”

„Zeg, Kees! een goeie voor de booien, hè! zoo’n bruid in huis!”

„Daar kun je van op an, dikke; ’t regent er fooien en geen dubbeltjes,

hoor! Die lui laten zich niet lompen; als de een je een pop in de hand

stopt, geeft de ander je een achterwiel. Daar moet je maar een

geluksvogel voor wezen, zooals mijn nicht: dat is nou al de derde keer,

dat ze zoo’n akefietje hêt; mij is het van mijn leven nog maar ééns

gepasseerd en toen was ’t nog maar een kale boel. Drommels, wat word ik

huiverig!”

De dikke had gelijk; daar binnen bemerkt men niet veel van den

Noordenwind; integendeel, men zou er zich in warmer luchtstreek

verplaatst denken.

De groote zaal is ter gelegenheid van dit feest in een Oosterschen tuin

herschapen; een overvloed van tropische planten verbergt de kostbare

behangsels aan de wanden bijna geheel.

Een laan van palmen loopt naar het midden van de feestzaal, waar een

fontein, bijna tot aan de fraai beschilderde zoldering, een krachtigen

waterstraal opzendt; die zich naar alle zijden uitspreidt, ombuigt en

als een regen van diamanten neerdroppelt op een heuvel van de

zeldzaamste bloemen en bladplanten.

Stoelen en rustbanken, kunstig van bamboe en rotan gevlochten, bieden

de vermoeiden een rustplaats onder oranjeboomen.

Zacht klinken door de zaal de heerlijke tonen van een orkest, achter

een rozenhaag verscholen, en op de maat van die muziek dansen vroolijke

paren bijna onhoorbaar over den gladgewreven vloer; ze wandelen pratend

of lachend tusschen het groen, of vormen groepjes aan de buffetten, die

van kristal en zilver schitteren.

De heeren dragen, zonder uitzondering, den deftigen zwarten rok; de

jonge dames zijn in witte, roomkleurige of zachtblauwe balkleeding; de

meer bejaarde zijn minder kleurig en fleurig gekleed en ook niet,

gelijk haar dochters, met rozen getooid, doch meest met een enkel

versiersel van fonkelende diamanten.

Ziet ge dat groepje daar, om en op de rustbank bij de fontein?

Zij, te wier eere dit feest gegeven wordt, is gemakkelijk te herkennen

onder haar vriendinnen, want een bruidskrans siert haar blonde lokken.

Slank en statig is haar gestalte, ernstig vriendelijk haar schoon

gelaat.

Die jonge man naast Emilia Roda is Herman Borgers, haar bruidegom.

Er schijnt iets op til te zijn; een gegons van fluisterende stemmen

gaat door de zaal; dansers en wandelaars staan stil; aller oogen

drukken nieuwsgierigheid uit en zijn op de breede vleugeldeuren

gericht, die door eenige lakeien, in gegalonneerde livrei, wagewijd

worden geopend.

Een diepe stilte vervangt het gemurmel en verraadt de spanning, waarin

de verrassing wordt verwacht. Hoorngeschal doet zich hooren en Willem

Roda, de bijna zestienjarige broeder der bruid, treedt als heraut

gekleed binnen; hij verzoekt plaats te maken, en noodigt bruid en

bruigom met de ouders van beiden uit, naast elkander te gaan zitten.

Nauwelijks is aan dit verzoek voldaan en heeft het geheele gezelschap

zich achter de genoemden geschaard, of zangtonen, liefelijk en zacht,

als kwamen ze uit de verte, dringen de zaal binnen; het geluid wordt

sterker: daar vertoont zich aan den ingang een stoet jonge meisjes.

Allen dragen witte kleedjes, half verscholen onder rozeknoppen.

Beschilderde gazen vleugels, in vorm en kleur gelijkende op die van

vlinders, zijn op de schouders en de witsatijnen balschoentjes gehecht;

bovendien houdt elk een ruiker in de hand, waarachter velen de van

schroom blozende wangen trachten te verbergen.

Drie aan drie, in lange rij, gevolgd door evenveel jongens, in

matrozenpakjes gestoken, treden ze binnen, waarna de matrozen zich

achter de vlindertjes plaatsen.

Een van de dapperste meisjes, Emma Borgers, het zusje van den

bruidegom, heeft de solo’s van de sopraanpartij op zich genomen; Willem

heeft het leeuwendeel van den zang, hij voert de alten aan. En nu

klinken door de zaal de heerlijke tonen van den feestzang, waarvoor een

echte dichter de woorden dichtte; daarbij schreef een onzer bekendste

componisten de muziek en belastte zich nu zelf met de leiding der

uitvoering.

De genoodigden waren opgetogen; Emilia en hare moeder zichtbaar

aangedaan; en terwijl de laatste akkoorden nog door de zaal galmden,

drukten ze beurtelings hun Willem aan het hart.

De toejuichingen daverden door de zaal, dat de glasruiten rinkelden.

Doch de grootste voldoening en ’t meeste genoegen smaakte de knaap,

toen zijn ernstige, strenge vader, die—dit wíst Willem zeer goed—op

dergelijke vertooningen niet gesteld was, of ’t moest werkelijk mooi en

goed zijn, opstond en zeide:

„Uit naam van ons allen, dank ik jullie, meisjes en jongens, van harte

voor den schoonen gelukwensch; woorden en zang hebben ons zeer veel

genoegen verschaft. Maar wie is nu eigenlijk de aanlegger van het zoo

goed uitgevoerde plan?”

Al hadden dertig stemmetjes het niet luidruchtig genoeg verkondigd,

Willem’s hoogroode kleur zou hem ongetwijfeld verraden hebben.

„Welnu Willem, dan dank ik jou in ’t bijzonder, voor de aangename

verrassing, die je ons bereid hebt!”

Hierop drukte hij zijn zoon de hand, en Willem meende te voelen, dat

zijn vaders hand om de zijne trilde.

Hij had tot nu toe achting, eerbied en ook dikwijls vrees voor zijn

vader gevoeld, maar wat hem op dit oogenblik het bloed zoo deed jagen

was geheel iets anders; en als er niet zooveel meisjes tegenwoordig

geweest waren, zouden de tranen hem zonder twijfel uit de oogen zijn

gesprongen.

Toen Willem zoo naast zijn vader stond, viel het eerst goed in ’t oog,

hoezeer ze op elkander geleken. Beiden hadden hetzelfde hooggewelfde

voorhoofd, dezelfde doordringende en niettemin vriendelijke oogen, maar

ook denzelfden trotschen trek om den mond.

Zestig jaren, meerendeels in werkzaamheid op zijn kantoor of op reis

doorgebracht, hadden Roda’s haren gedeeltelijk doen grijzen; zijn

houding evenwel was kaarsrecht, en forsch en krachtig was zijn stem,

als die van een man van veertig.

Nu werd het feest eerst recht prettig, rumoerig ook. Er werd gespeeld

en gelachen, gejoeld en gedanst, dat het een aard had.

’t Was alsof de ouderen op de jongeren, hadden gewacht, om ook vroolijk

te durven zijn.

Dat Willem voor bijna alle dansen Emma, die hem bij den zang zoo wakker

ter zijde had gestaan, tot zijn danseres koos, spreekt vanzelf.

Toen ze eens samen langs een bejaarde dame walsten, zeide deze tamelijk

luid:

„Kijk me die twee eens aan, dat wordt óók nog eens een paar!”

Emma scheen het niet gehoord te hebben; Willem kleurde tot achter de

ooren, en de quadrille, die op de wals volgde, dansten ze niet meer

samen.

Intusschen, hoewel het vrij laat was, verscheen er nog een gast. ’t Was

de oude advocaat Omens, een buurman en een goed vriend van Roda.

Nauwelijks had deze den nieuwaangekomene bemerkt, of hij ging met

uitgestoken hand op hem toe, en zei, spraakzamer dan gewoonlijk:

„Wel Omens, wat ben ik blij je hier te zien; ik heb je, op mijn woord,

den geheelen avond gemist; maar hoe kom je zoo uit de lucht gevallen?

We dachten je goed en wel in Londen, of is het je daar te mistig?”

„Hé, Omens,” zei mevrouw, „u hier? Dat is vriendelijk van u; zeker pas

aangekomen?”

„Zooals u zegt, mevrouw, kersversch van overzee; ik dacht eerst morgen

hier te zijn, maar nu wil ik de gelegenheid niet verzuimen, nog even

van uw uitnoodiging gebruik te, maken, en, al is ’t maar een half

uurtje, uw familiefeest bij te wonen. Zoo naast de deur, dat gaat nog

aan, al is ’t wat laat. Ik heb me dan ook den tijd niet gegund, me

fatsoenlijk te kleeden; ’t Londensche stof zit nog aan mijn laarzen,

maar een oud vriend zult u het niet kwalijk nemen, dat hij in

reiskleeren op uw soirée komt.”

Hierop nam hij Roda bij den arm, en al pratende wandelden zij door de

zaal, tusschen de dansende paren door. Toen ze in een gedeelte der zaal

waren gekomen, waar zich toevallig slechts weinig gasten bevonden,

fluisterde Omens zijn vriend toe:

„Ik moet je noodzakelijk alleen spreken; tracht je ongemerkt te

verwijderen; ik volg je naar je kamer.”

Eenige oogenblikken later stond Roda tegenover den advocaat, wiens blik

niet veel goeds voorspelde.

„Omens! mijn hemel! wat is er met je gebeurd? Waarom zoo geheimzinnig?

Heb je me noodig, spreek vrij uit; je weet, dat je in mij een vriend

hebt, die helpen wil—en kan, als het maar eenigszins mogelijk is.”

„Dat heb ik ondervonden; die verzekering is dus overbodig. Dezen keer

geldt het echter niet mij; ook u niet, zoo ik hoop,” voegde hij er

langzaam bij, en ging, blijkbaar met zich zelf verlegen, weder haastig

voort:

„Ik ben van nacht met stormweder uit Londen vertrokken, hoewel ik eerst

gisteren daar ben aangekomen: en dat alleen om een gerucht, niets

anders, denk ik.... Je doet zaken op Londen, dacht ik....”

„Mensch, martel me niet, spreek op!” riep Roda en, door een vreeselijk

vermoeden buiten zich zelven, greep hij den ouden man in de borst.

„Je staat toch niet in rekening met Howell en Co.?” bracht deze angstig

en haperend uit.

„Groote hemel! Howell en Co. zijn gesprongen! Dan ben ik een bedelaar!”

schreeuwde Roda. „Maar dat kan niet. Op die menschen vertrouwt heel

Holland en Engeland.”

„Bedaar, vriend! zoo ver is ’t nog niet; daarom ben ik juist

onmiddellijk weer vertrokken; ’t is nog niets dan een gerucht; ’t kan

onwaar blijken, of misschien duurt het nog eenige dagen en kun je je

redden!”

Roda was doodsbleek in den leuningstoel voor zijne schrijftafel

neergevallen; zijn gezicht verborg hij in den arm, die machteloos op de

uitgetrokken klep rustte.

Geruimen tijd verbraken slechts luide zuchten een akelige stilte.

Daar drongen van beneden zwakke, doch in die stilte hierboven duidelijk

hoorbare tonen van huppelende dansmuziek tot in de kamer door.

Wezenloos rondstarend, als werd hij uit een benauwden droom wakker,

richtte de arme man zich op.

De tegenwoordigheid van zijn vriend, die hem medelijdend aanzag, bracht

hem tot bezinning en tot het besef van zijn toestand.

Mat klonk zijn stem, toen hij op de herhaalde verzekering van Omens,

dat er nog uitkomst mogelijk was, antwoordde:

„Vlei me niet met ijdele hoop; ik ken je genoeg om te weten, dat je

onderzoek gedaan hebt; indien er nog iets aan te doen was geweest, zou

je me geseind hebben. Dat jij me persoonlijk die tijding brengt, is me

bewijs genoeg; ik ben er je dankbaar voor, dat ik het eerst uit den

mond van een vriend mijn ongeluk verneem. Ja, ik zou me kunnen redden,”

vervolgde hij na een oogenblik peinzen, „door anderen te kort te doen,

of laat ik liever zeggen, te bestelen. Maar daartoe ben ik niet in

staat, daarvoor ken je mij genoeg.”

„Maar Roda,” vroeg Omens belangstellend, „je spreekt of je door dezen

éénen slag je geheele vermogen hebt verloren; zoo erg zal het toch niet

zijn; jij bent er de man niet naar, alles op ééne kaart te zetten!”

„Dat scheelt toch niet veel, Omens!” antwoordde Roda op somberen en

spijtigen toon tevens. „Met het doel mijn kapitaal tijdelijk uit den

handel te nemen, heb ik het in de laatste maanden bij Howell en Co. te

Londen saamgetrokken. In dezen ongelukkigen tijd, nu huis op huis

failleert, achtte ik mijn geld daar alleen nog veilig.”

Eenige oogenblikken liep de ongelukkige man gejaagd de kamer op en

neer, en stampte van tijd tot tijd op den vloer, of drukte de gebalde

vuist tegen het voorhoofd; daarop ging hij zitten, staarde een poos

voor zich heen en vervolgde toen veel kalmer:

„Honderden hebben mij hun spaarpenningen of het kapitaaltje, waarvan ze

moeten leven, toevertrouwd. Hun vertrouwen in mij zal niet beschaamd

worden. Ik kan den omvang van de ramp, die mij zoo onverhoeds treft,

nog niet overzien, maar, Goddank! al wat ik verloren heb, al is het

mijn geheele handelskapitaal, was mijn eigendom. Voor hun geld zijn

mijn bezittingen waarborg, en tot den laatsten gulden zal ik hun

uitkeeren, al moest ik den stoel, waarop ik zit, verkoopen, en door

handenarbeid mijn brood verdienen!”

„Eerlijke, brave man! Doch, bedenk, dat je ook vrouw en kinderen hebt;

als ieder iets verliest, heb jij nog genoeg om van te leven; vergeet je

zelf niet te veel voor anderen!”

„Zou ik een eerlijk man zijn, Omens, en zou jij me nog braaf noemen,

als ik het niet deed?”

Omens wendde zich om, om niet op zijn gelaat te doen lezen, hoe zeer

Roda’s woorden hem troffen.

„Arme vrouw!” zuchtte deze, en liep mistroostig het vertrek op en neer.

„Arme vrouw! Haar zal de slag het hevigst treffen; ze is in weelde

grootgebracht; ze heeft er zelfs nooit aan behoeven te denken, dat

rijkdom een grens heeft; en nu zich te moeten behelpen! En Willem, hij

zal niet de loopbaan kunnen kiezen, die ik voor hem wenschte, en die

hij zich zoo schitterend voorspiegelde. Studeeren kost geld, en dat heb

ik thans niet meer. Mijn dochter evenwel baart mij geen zorg; haar ken

ik beter dan iemand; ze heeft een krachtigen aard, ze zal eer een steun

dan een last voor me zijn.”

„En ik dan?” stamelde Omens met tranen in de oogen, „ik, die zooveel

aan je te danken heb?”

„Kom, vriend in den nood,” zei Roda, „’t is beter, dat onze afwezigheid

niet opgemerkt wordt; als ik mijn ongeluk nog een dag geheim kan

houden, kan ik mij vele onaangenaamheden besparen. Zie zoo! ik ben mij

zelf weer. Mijn toestand staat mij helder voor den geest. Kom mede naar

de feestzaal. Daar beneden zullen ze dezen avond nog ongestoord

genieten.”

Roda’s afwezigheid was echter wel opgemerkt.

Eenige lastige vragers werden behendig ontweken, doch die waren de

ergste niet; zwijgende opmerkers zijn gevaarlijker, want ofschoon de

geruïneerde bankier manmoedig zijn smart verborg, zijn gelaat droeg de

duidelijke sporen van de vreeselijke oogenblikken, die hij pas had

doorleefd.

Achter het masker der vriendschap schuilt wel eens de nijd.

Aan één van de gasten, die zich ook Roda’s vriend noemde, had de

onverwachte komst van den advokaat reeds bevreemd. Hij had er een ander

op gewezen, hoe zonderling en gejaagd deze zich gedroeg. Toen beide

mannen zoo geheimzinnig verdwenen, hadden ze zich in gissingen

verdiept, en nu zij hen beiden te zamen zagen terugkomen, fluisterde de

een den ander toe:

„Let eens goed op dien ouden vos; hij zet een gezicht als een oorworm,

en Roda lacht als een boer, die kiespijn heeft; mijn kop er af, als er

niet wat broeit.”

„Ja, nu je het zegt, merk ik het ook. Er is iets niet in den haak. De

oude schijnt wel gehuild te hebben. Er zit een onweer in de lucht:

morgen zullen we misschien van de losbarsting hooren.”

Voor zijne huisgenooten echter had het kloekmoedig gedrag van den armen

man de gewenschte uitwerking: hun vreugde werd niet verstoord.

Reeds lang waren de rijtuigen vertrokken en alle lichten gedoofd, toen

Willem nog wakend te bed lag en den geheelen genoeglijken avond nog

eens doorleefde.

Eindelijk viel hij van vermoeienis in slaap en droomde van zang en van

dans, van glans en van rijkdom en telkens meende hij weder die

heerlijke woorden van zijn vader te hooren:

„Ik dank je, Willem, voor de verrassing die je ons bereid hebt!”

Welk een ontzettende verrassing dien armen vader tegelijkertijd bereid

werd, wist hij niet, en kon hij derhalve niet droomen, noch hij, noch

zijne zuster, noch zijne moeder.

Al den tijd, dat die gelukkige menschen rustig sliepen, bladerde Roda

met bevende vingers in zijn boeken, om te zien wat hem nog restte van

zijn vermogen.

’t Moest luttel zijn, te oordeelen naar de moedelooze uitdrukking van

zijn in één nacht verouderd gelaat.

Den dag na het feest brachten de ochtendbladen de tijding, dat Howell

&. Co. te Londen hun betalingen hadden gestaakt, met een passief van

vijf millioen, waarvan geen shilling in kas was. De chefs waren reeds

eenige dagen voortvluchtig.

De firma was een der oudste van Europa en genoot een onbeperkt

vertrouwen, zoodat dit bericht de geheele Amsterdamsche handelswereld

in rep en roer bracht. Nog dienzelfden middag werden de luiken van het

bankierskantoor, Johan Roda, gesloten.

Willem Roda: Een jongensboek · 第 2 / 25 题