EERSTE TOONEEL.

Een open plein.

Een Koopman, Angelo en een Gerechtsdienaar komen op.

KOOPMAN. Gij weet, met Pinkst'ren was de som verschuldigd,

En sedert drong ik niet bijzonder aan,

En zou het nog niet doen, maar 'k moet op reis

Naar Perzië, waartoe ik geld behoef.

Gelief mij dus onmidd'lijk te betalen,

Of deze man voert u ter gijz'ling heen.

ANGELO. Gelijk bedrag als ik u schuldig ben,

Heb ik te vord'ren van Antipholus.

Zoo even vóór ik u ontmoette, heb ik

Aan hem een keten overhandigd, en

Te vijf uur zou ik daar het geld voor innen.

Wil mij dus begeleiden naar zijn huis,

Dan doe ik daar, in dank, mijn schulden af.

(Antipholus van Ephesus en Dromio van Ephesus komen op.)

GERECHTSDIENAAR. Dien weg kunt gij u sparen; ziet, daar komt hij.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Koop gij, terwijl ik naar den goudsmid ga,

Mij een eind touw, want dat heb ik bestemd

Voor mijne vrouw en die haar helpers waren

Om op den dag mij buitenshuis te sluiten.

Maar stil, ik zie den goudsmid daar. Ga vlug,

En koop het touw en breng 't mij thuis.

DROMIO VAN EPHESUS. Dat is 20

Wel duizend ponden 's jaars mij waard! een touw!

(Dromio van Ephesus af.)

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Nu, die op u vertrouwt, is wel bediend!

Ik zeide ginds uw komst toe en den ketting,

Maar noch de keten, noch de goudsmid kwam.

Dacht ge onze vriendschap al te hecht, wanneer zij

Werd saamgeketend? kwaamt gij daarom niet?

ANGELO. Uw scherts alle eer! maar zie, hier is de nota,

Hoeveel uw ketting weegt, tot op 't karaat,

't Gehalte van het goud, en 't duur fatsoen;

Het is zoo omtrent drie dukaten meer,

Dan ik aan dezen koopman schuldig ben;

Voldoe gij hèm thans, bid ik, want hij moet

Ras onder zeil en wacht op niets dan dit.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik heb op 't oogenblik het geld niet bij mij,

En heb ook in de stad nog iets te doen.

Breng, beste heer, den vreemd'ling naar mijn huis,

En neem de keten mee en vraag mijn vrouw,

Dat zij die in ontvangst neem' en voldoe.

Misschien ben ik er even vroeg als gij. 39

ANGELO. Dus geeft gij haar de keten dan toch zelf?

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Neen, doe gij 't maar; ik mocht mij eens

verlaten.

ANGELO. Nu, goed. Hebt gij de keten bij u, heer?

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wat ik? Ik hoop toch, heer, dat gij haar hebt;

Want anders gaat gij zonder geld naar huis.

ANGELO. Neen, geef de keten, heer, in allen ernst;

De koopman wordt gewacht door wind en tij,

En 'k hield hem tot mijn spijt te lang reeds op.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Mijn hemel! wis moet deze scherts bewimp'len,

Dat gij mij in den Egel zitten liet.

Het was aan mij u daarom hard te vallen,

Maar als een feeks zoekt gij het eerste twist.

KOOPMAN. De tijd gaat om; ik bid u, heer, besluit!

ANGELO. Gij hoort, hoe hij mij dringt;--de keten, heer!

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wel, geef die aan mijn vrouw, en haal uw geld.

ANGELO. Kom, kom, ik gaf haar u zoo pas; dus zend

De keten, of geef een bewijs mij mee. 56

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. O foei, dat is geen scherts meer; 't gaat

te ver;

Waar is de ketting? 'k Bid u, toon hem mij.

KOOPMAN. Mijn zaken dulden die vertraging niet.

Spreek, heer, hoe is 't? betaalt gij mij of niet?

Zoo niet, dan neem' die dienaar hem gevangen.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik u betalen? wat zou ik betalen?

ANGELO. Wat gij mij voor de keten schuldig zijt.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Vóór ik de keten heb, ben ik niets schuldig.

ANGELO. Ik heb ze voor een half uur u gegeven.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij gaaft mij niets; en krenkt mij, als gij

't zegt.

ANGELO. Gij krenkt mij meer nog, heer, als gij 't ontkent.

Bedenk toch, mijn krediet staat op het spel.

KOOPMAN. Neem, dienaar, hem in hecht'nis op mijn klacht.

GERECHTSDIENAAR. Ik geef gehoor.--

In naam des hertogs hebt gij mij te volgen.

ANGELO. Dit komt mijn goeden naam te na.--

Kies dus: betaal die som voor mij aan hem,

Of volg voor mij dien dienaar naar de gijz'ling.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik zou betalen, wat ik nooit ontving?

Neem mij in hecht'nis, schaapskop, als gij durft.

ANGELO. Hier zijn de kosten, man; neem hem gevangen.--

Mijn eigen broeder spaarde ik niet, als hij

Mij zoo in 't openbaar te schande maakte.

GERECHTSDIENAAR. 'k Neem u in hecht'nis, heer. Gij hoort de klacht.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik onderwerp mij, tot ik borgtocht stel.--

Maar, heerschap, gij bekoopt die scherts zoo duur,

Dat heel uw winkel zoo veel goud niet levert.

ANGELO. Nu, heer, er is nog recht in Ephesus,

Dat u beschamen zal; ik ben gerust. 83

(Dromio van Syracuse komt op.)

DROMIO VAN SYRACUSE. Er is een schip van Epidamnum, heer,

Dat enkel op de komst des reeders wacht,

Om uit te loopen. Al ons reisgoed, heer,

Heb ik aan boord gebracht en 'k heb ook de olie,

Den balsem, de aqua vitae aangekocht.

Het schip is zeilreê; lustig blaast de wind,

Aflandig; en op niets meer wordt gewacht,

Dan op den eig'naar, meester, en op u.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Weer een bezeet'ne! welk een schip, gij

schaapskop,

Van Epidamnum wacht alleen op mij?

DROMIO VAN SYRACUSE. Een schip, waarop ik plaats voor u zou nemen.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij dronken slaaf, gij, moest een touw

mij halen;

En 'k zeide u ook waarom en tot wat einde.

DROMIO VAN EPHESUS. Een touw, heer? dan toch met een schip aan 't eind?

Gij zondt mij naar de haven, om een schip.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik doe die zaak wel nader met u af,

En leer uw ooren beter acht te geven.

Maar nu, schavuit, met spoed naar Adriana,

Neem dezen sleutel, geef haar dien en zeg,

Dat ze in mijn kist, met Turksch tapijt omkleed,

Een beurs vindt met dukaten; breng die hier,

En deel haar mee, dat ik op straat in hecht'nis

Genomen ben en borg wil stellen. Vlug!--

'k Ben tot uw dienst, man, tot het geld er is.

(De Koopman, Angelo, Gerechtsdienaars en

Antipholus van Ephesus af.)

DROMIO VAN SYRACUSE. Naar Adriana? dat is waar wij aten,

Waar Dowsabel tot man mij hebben wil!

Ze is al te dik, naar 'k hoop, voor mijn omarming.

Al heb ik weinig lust, ik moet er heen;

Een meester heeft een wil, een dienaar geen.

(Dromio van Syracuse af.)

De Klucht der Vergissingen · 第 17 / 30 题