EERSTE HOOFDSTUK.

Welke streken Bob uithaalde

en hoe hij ten slotte overijld het hazenpad koos.

»Dorus!»

Dat was de stem van Moe. Zij stond aan de trap en ik zat mijn huiswerk

te maken op de bovenkamer.

»Ja, Moe! Wat wil U?»

»Dorus, ginds komt Wilde Bob aan. Laat je nu niet door hem van je werk

meêtroonen, voordat je het afhebt. Zul je niet?»

»Neen, Moe, ik zal eerst mijn werk in orde brengen, dat beloof ik U.»

»Goed, mijn jongen. Eigenlijk zag ik nog veel liever, dat je in het

geheel met dien Bob niet omging, want ik houd hem voor een heel slecht

kameraad.»

»Heusch niet, Moe, echt niet! 't Is toch zoo'n aardige jongen. Wij

houden allen evenveel van hem en hij is wel goed ook. Slecht althans in

geen geval.»

»Nu, ik wil het hopen. Dus eerst je werk af, denk daar om.»

»Ja, Moe!»

't Was Zaterdagmorgen, tien uur ongeveer, toen Moe mij dit toeriep.

's Zaterdags hadden wij nooit school, daarentegen wel op Woensdagmiddag,

welken de kinderen tegenwoordig meestal vrij-af hebben.

Eigenlijk was Moe's waarschuwing niet noodig geweest, want ten eerste

was het mijn vaste voornemen, niet te gaan spelen, voordat ik mijn werk

afhad, en ten tweede had ik mijn vriend Bob, of Wilden Bob, zooals hij

gemeenlijk genoemd werd, al zien aankomen. »Eerst leeren en dan spelen,»

zei onze meester altoos, en ik was dat volkomen met hem eens. Niet omdat

ik studeeren zoo prettig vond, o neen, maar ik was al een paar malen

naar mijne kameraden gegaan, vóór ik mijn werk afhad, en dat had mij

even zooveel malen berouwd. Want als mijn vrije Zaterdag eindelijk

al spelende voorbij gegaan was, kon ik mijn Zondag besteden, om den

verloren tijd in te halen, en dat viel mij dubbel hard, want op dien

dag werkt niemand.

Bob en ik woonden tegenover elkander, elk aan eene zijde van de beek

die ons dorp doorsneed. 't Was dus geen wonder, dat ik hem had zien

aankomen, te meer daar mijn raam, waarvoor ik zat te werken, precies op

zijn huis uitzicht gaf. Al ongeveer tien minuten geleden had ik hem op

zijne stelten, want het was juist in den steltentijd, den tuin uit- en

den weg zien opstappen, en ik twijfelde niet, of zijn weg voerde naar

mij. Want Karel Holm en ik, Dorus Volmaar, waren het meest met hem

bevriend, hoewel ik moet zeggen, dat alle jongens veel van hem hielden.

Toch kon ik mij wel begrijpen, dat onze ouders niet zoo bijster met die

vriendschap waren ingenomen, want hij verdiende zijn bijnaam van Wilden

Bob volkomen, en hij deed veel meer kattekwaad in eene week dan alle

andere jongens te zamen in een jaar. Zoo pas nog zag ik hem bij dokter

Doreman van zijne stelten stappen en zich vlug als een kat meester maken

van de glazenspuit, die in een emmer vol water onbeheerd voor het huis

stond. Mina, de meid, was zeker iets uit de keuken gaan halen, dat zij

vergeten had. En was het er hem nu nog maar om te doen geweest, zich op

de hoogte te stellen, hoe zoo'n perspompje toch eigenlijk werkt, dan was

het niet erg geweest. Maar dat wist ik wel beter, want daar kende ik

Bobje te goed voor. Neen, hij zon natuurlijk weer op iets grappigs, en

dat grappige bleef niet uit, toen de niets kwaads vermoedende Mina om

den hoek van het huis verscheen, en plotseling de volle laag kreeg. Ik

zag hoe zij van schrik de armen omhoog sloeg en in minder dan geen tijd

droop van het water.

Maar Mina is lang geen katje om zonder handschoenen aan te pakken. In

plaats van op de vlucht te gaan, zooals Bob natuurlijk van haar verwacht

had, kwam zij heel onnatuurlijk in ijlende vaart op hem af, zoodat

hij zich genoodzaakt zag, zich met achterlating van zijne stelten zoo

spoedig mogelijk uit de voeten te maken. En het ergste kwam nog voor

hem aan, want in zijne haast liep hij met geweld tegen een dikken boom

aan, waarvan een blauwe plek op zijn voorhoofd het directe gevolg was.

En het indirecte gevolg was een nat pak, want door den schok viel hij

achterover op den grond en kreeg van de dankbare Mina al het water over

zijn lichaam, dat hij nog in den emmer gelaten had. Die grap was dus ons

Bobje slecht bekomen. En zijne stelten was hij kwijt, want Mina nam ze

op en bracht ze achter het huis in veiligheid.

Ik zag uit mijn raam, hoe Bob overeind scharrelde en op een eerbiedigen

afstand bleef wachten, of het de beleedigde Mina ook behagen mocht, hem

zijne houten onderdanen terug te geven. Maar Mina maakte bedaard haar

werk af, stak daarna dreigend de vuist tegen Bob op en ging naar binnen.

Toen beschouwde Bob de zaak blijkbaar als afgedaan, want hij stak zijne

handen in zijne broekzakken en vervolgde zonder stelten zijn weg naar

mij.

Dergelijke ontmoetingen had Bob den geheelen dag door, van den morgen

tot den avond. Maar zijn humeur leed er niet erg onder. Hij was daarvoor

aan zulke afstraffingen te zeer gewoon en het was zijne gewoonte, als

hij hier of daar min of meer onaangename ervaringen had opgedaan, te

zeggen: »Wie kaatst moet den bal verwachten.» 't Was alleen maar jammer,

dat dit kaatsen bij hem nooit eens ophield, want hij was in zijn hart

werkelijk een goede jongen. Er waren er wel op het dorp, die lang

zoo berucht niet waren als hij, jongens met wie wij van onze ouders

volgaarne mochten omgaan en die toch inderdaad veel slechter waren dan

Bob. In elk geval, wij, jongens, hielden dol veel van hem, en als hij,

naar wij meenden, onverdiend beschuldigd werd, zooals Moe straks deed,

dan achtten wij het onzen plicht, hem met al de kracht te verdedigen,

waarover wij beschikken konden.

Bob was de zoon van onzen nieuwen notaris, en hij woonde nog maar een

paar maanden op het dorp. De vorige notaris was in den verschenen herfst

overleden, en Bob's vader was diens opvolger. Eigenlijk heette hij

Robert Adrianus de Wild, maar thuis noemden zij hem nooit anders dan

Bob, en wij, jongens, hadden van Bob de Wild al spoedig Wilden Bob

gemaakt, welke naam volkomen bij hem paste.

Enkele minuten na Moe's waarschuwing hoorde ik zijn bekend fluitje op

den weg. Want wij schelden nooit bij elkander aan. Karel Holm, Bob en

ik hadden afgesproken, dat wij dit nooit doen zouden, want het was

veel aardiger om een zeker signaal te hebben, waarmede wij elkander

konden roepen, zonder dat anderen daar nu juist altoos erg in moesten

hebben, en bovendien scheen het ons iets bijzonder geheimzinnigs en

rooverachtigs toe, wat ons verbazend interesseerde. Zoo hadden wij dan

een bepaald signaal afgesproken, wat door ons gefloten werd. Al spoedig

konden wij zelfs in het donker wel onderscheiden, wiens fluitje gehoord

werd. Want al floten wij dezelfde reeks van tonen, ieder van ons had

toch weer zijne bijzondere manier, waaraan hij herkenbaar was.

Ik stak mijn hoofd uit het raam, want daar wij al Juni schreven en het

prachtig weêr was, had ik het zoover opengeschoven als ik kon, en zei:

»Zoo Bobbertje. Wat ben je nat!»

»Dag Dorus! Ga je mee? Er zijn al verscheidene jongens op het

schoolplein.»

»Eerst mijn werk af, mannetje. Ben jij er al mede klaar?»

»O heden ja, een uur geleden al. Maar ik was om vijf uur al op en ben

toen dadelijk aan het werk gegaan. Iedereen slaapt zoo lang niet als

jij!»

»Dank je voor het compliment. Maar zeg, wat ben je nat?»

Ik zei dit natuurlijk alleen maar om hem te plagen, want ik wist er

alles van; hij behoefde mij niets te vertellen.

»O ja,» zei hij kortaf, »een beetje water, anders niet. Dat zal wel weer

drogen in het warme zonnetje. Dus je gaat niet meê?»

»Maar hoe kom-je zoo nat?» hield ik vol. »'t Heeft toch niet geregend?»

»Wel neen, 't zijn maar enkele spatjes water.....»

»En waar zijn je stelten?» vroeg ik, want hij moest den steek op mijn

lange slapen terug hebben.

»Och jongen, wat zeur je toch! Ik kan toch wel eens uitgaan zonder mijne

stelten.»

»Ja, zeker, -- natuurlijk. Maar straks had-je ze toch, toen ik je aan

den overkant zag loopen. En nu heb je ze niet meer.»

»Och, Mina, de meid van den dokter, heeft ze mij afgenomen. Zeg Dorus,

ik wou dat je dàt eens gezien hadt!»

»Wat? Dat ze jou de stelten afnam?»

»Neen, -- zeg jô, 't was toch zoo leuk! Ze had de glazenspuit vóór het

huis laten staan, en juist toen ze om den hoek verscheen, gaf ik haar

een stortbad, dat het een lust was om te zien. Ha-ha-ha! Wat keek ze

leelijk!»

»Zoo, dat wil ik wel gelooven. En toen kwam ze op Bobje af, en Bobje

ging op de vlucht, en hij zat zóó in den angst, dat hij niet eens den

dikken boom zag, dien hij tegenkwam, en hij bonsde er zoo hard tegenop,

dat hij een blauwen plek op zijn voorhoofd kreeg, en op den grond

tuimelde, en toen kreeg hij van de vertoornde Mina zóóveel water over

zijn baadje, dat het wel een zondvloed geleek.»

»O -- zoo! dus je hebt alles gezien? 't Staat je fraai, om het mij dan

nog te laten vertellen. Dus je gaat niet meê?»

»Neen, nog niet. -- En toen pakte Mina snel de stelten van den jongeheer

en verdween er mede achter het huis. Zeg Bob, je hadt bij slot van

rekening toch niet zooveel pleizier van de grap als Mina.»

»Dat is waar. Ze is goed bij de pinken, dat moet ik zeggen. Ik wou, dat

ik mijne stelten maar terug had. Zeg, Dorus, weet jij geen middeltje, om

ze weer in handen te krijgen?»

»Wel ja, jongen. Je gaat er doodeenvoudig naar toe, en vraagt ze met een

deemoedig gezicht terug. Dan krijg je ze wel.»

»Ik zou je danken. Pas op, Mina is niet pluis. Maar nu krijg ik een

plannetje. Zeg Dorus, als jij ze eens voor me gingt vragen! Jou zal ze

niets doen, want jij bent heelemaal onschuldig aan dit zaakje.»

»Juist, en daarom zal ze mij zeker de stelten ook niet geven. Neen Bob,

't is er haar natuurlijk om te doen, dat je zelf komt. En dan zal ze wel

niet bijzonder vriendelijk wezen, vrees ik.»

»Dat denk ik ook. -- Wacht Dorus, daar komt Mietje de Veer aan met eene

stroopkan in haar hand. Daar moet ik toch eens eene grap mede hebben.»

»Och, laat haar loopen, dat domme wicht!»

Maar Bob luisterde al niet meer naar me. Hij trok zijn mond in den

allervriendelijksten plooi en wachtte op de komst van zijn slachtoffer.

Zijne oogen tintelden van plaaglust en blijkbaar was hij zoowel Mina en

zijn natte pak als zijne stelten vergeten.

Mietje de Veer was een dochtertje van den schoenmaker, en een van de

domste kinderen van de geheele school. Idioot was ze niet, want ze wist

wel wat ze deed, maar leeren kon zij niet. Nu zou ik in Bobs geval

Mietje rustig hebben laten passeeren, want ik hield er niet van om zulke

onnoozele wichten voor den gek te houden, ten minste niet erg, maar Bob

dacht daar niet over.

»Dag Mietje!» zei hij op zijn vriendelijksten toon. »Moet je van middag

pannekoek eten!»

»Ja Bob, dat heb je geraden.»

»En lust je die graag?»

»Dat zou ik meenen. Jij niet?»

»Of ik. Ik zou wel je gast willen wezen, als ik mocht. Dan bleef er voor

jou geen pannekoek over, Mie.»

»Waarom niet?» vroeg Mietje, die niet vlug genoeg van begrip was om te

snappen, wat hij bedoelde.

»Omdat ik ze dan allemaal zou opeten!» zei Bob. »Allemaal, hoor;

misschien liet ik een halfje over voor jou, omdat ik zooveel van je

houd.»

Bij die woorden boog hij zich een weinig voorover en keek met alle

aandacht in de kan. Opeens zag hij Mie met een heel vies gezicht aan, en

zeide:

»O neen, -- dank je. Ik zou er nu geen pannekoek meer van willen hebben.

Dank je feestelijk, Mie, eet jij ze maar op. Akkebà!»

»Akkebà -- waarom?» vroeg Mietje in de grootste verbazing, daar zij

onmogelijk kon begrijpen, waaraan die snelle omkeering bij Bob te wijten

was.

Nu, ik moet zeggen, dat ik er ook niets van begreep.

»Moet +die+ stroop er op?» vroeg Bob, op de kan wijzende, en steeds met

denzelfden opgetrokken neus.

»Ja zeker, -- waarom zou die stroop er niet op moeten?»

»Je bent een dom kind, hoor Mietje. Kijk dan eens even in die kan!»

Mietje deed het, maar zag natuurlijk niets dan de ondoorzichtige

bruin-zwarte massa.

»Zie je niets?»

»Ik niet!» zei Mie. »Alleen de stroop.»

»Onder op den bodem, -- zie je daar ook niets?»

»Neen, niets, Bob, maar wat is er dan?»

»Zie je daar met allebei je oogen dan die tor niet, die er onder in

ligt?»

Mie keek met alle aandacht.

»Neen, ik zie geen tor, en -- 't is niet waar ook. Er zit geen tor in.»

»Nu, ik wèl!» zei Bob met overtuiging. »Maar jij kunt het beest ook niet

zien, omdat je er niet doorheen kunt kijken. +Ik+ zeg je, dat er een tor

in zit.»

»'t Is niet!» zei Mie ongeloovig.

»'t Is wèl!» hield Bob vol. »Ik wil wedden, dat jij het smerige dier op

je pannekoek krijgt.»

»'t Is niet!»

»'t Is wèl waar! Houd dan de kan maar onderste-boven, dan zul-je het

zelf zien!» raadde Bob met het ernstigste gezicht van de wereld aan.

»'t Is toch niet waar!» zei Mie. »Je houdt me voor den gek!»

»Nu, keer de kan dan maar om, dan zullen we zien, wie er gelijk heeft.»

En waarlijk, daar liep Mietje in de val. Doodbedaard hield zij de kan

onderste-boven, natuurlijk met het gevolg, dat de stroop op den grond

terecht kwam. Bob en zij keken met alle aandacht, of eindelijk de

bewuste tor niet volgen zou.

Doch neen, toen alle stroop er uit was, bleef het torretje absent.

»Zie je nu wel!» riep Mie triomfantelijk uit. »Zie je nu wel, dat ik

gelijk had?»

»Waarlijk, er zit er geen in!» zei Bob hoofdschuddend. »Ik dacht het

toch stellig, want 't was net, of ik het beest zag. Neen, jij hebt toch

gelijk gehad. Nu, dag Mietje, breng jij nu de stroop maar naar huis en

eet lekker!»

Nu pas ging ons Mieke een licht op. Met schrik keek zij beurtelings de

ledige kan en den strooperigen weg aan, tot zich plotseling hare oogen

met tranen vulden en zij luid schreeuwende naar huis ging. Op grooten

afstand konden wij haar nog hooren.

Maar Bob schaterde het uit van de pret.

»Zeg Dorus, hoe vind je nu zoo'n domme meid? Ha-ha-ha-ha, ik kon mijn

lachen haast niet bedwingen toen zij de kan omkeerde, en wat keek zij

ernstig. Ha-ha-ha-ha! Zóó dom heb ik het nog nooit gezien.»

»Dom is het, dat is waar. Doch jou raad ik aan, om den eersten tijd en

vandaag vooral niet in de buurt van den schoenmaker te komen, want je

weet, dat hij zijn spanriem alleraardigst weet te hanteeren. Als hij je

kreeg, zou ik je mijne broek niet graag willen leenen.»

Maar Bob deed niet anders dan lachen. Hij vond het geval

allervermakelijkst en was ten volle overtuigd, dat hij veel meer

succes had gehad, dan hij met reden had mogen verwachten.

Eindelijk kwam hij tot bedaren.

»Wat zei je ook weêr?» vroeg hij. »O ja, die schoenmaker, hé? Nu ja, hij

heeft me nog niet! Ik kan harder loopen dan hij.»

»Nu, ik waarschuw je, want hij zal meer dan kwaad zijn.»

»Och kom, dat zal zoo'n vaart niet loopen. Dus je gaat niet meê? Toe

zeg, kom maar! Je werk komt nog wel af, en 't is zulk prachtig weêr.

Hoor de jongens eens joelen. Toe, zeg, kom nu!»

»O neen, stellig niet. Ik maak eerst al mijn werk af want anders moet ik

het vanmiddag of morgen nog doen, en dat is veel onpleizieriger. Over

een paar uren ben ik klaar.»

»Een paar uren nog? Wat moet je dan nog wel doen? Ik heb er in 't geheel

maar twee uur over gewerkt.»

»O ja, maar jij kunt het ook zoo vlug, veel vlugger dan ik. Eerst moet

ik nog een kaartje van Frankrijk teekenen en dan moet ik nog drie

kwartier orgelspelen. Vóór twaalf uur ben ik dus stellig niet gereed. En

hoe eerder je nu gaat, hoe eerder ik beginnen kan, -- tot straks dus.»

Deze wenk was duidelijk genoeg, naar mij dacht. Maar Bob bleef nog

staan.

»Toe Dorus, wees nu niet zoo flauw en ga meê. Dan zal ik je vanmiddag

wel aan je kaartje helpen.»

»Neen, ik doe het niet; ga dus maar gerust heen. En als je +niet+ gaat,

schuif ik het raam dicht. Ga naar Karel Holm; die zal met zijn werk wel

niet zooveel haast maken.»

»Karel is niet thuis. Hij is naar Haarlem en komt eerst om twee

uur terug. Ga je orgelspelen in de kerk, Dorus? En heb-je al een

orgeltrapper? Zeg, dat wil ik wel voor je doen. Willen we dat

afspreken?»

Nu, dat mocht ik in geen geval, want de meester, die tevens organist

in de kerk was en mij in piano- en orgelmuziek les gaf, had mij ten

strengste verboden, ooit Bob de Wild mede te nemen, om voor mij lucht

te maken. Want Bob zat overal aan, in en op. Klom hij niet in den

preekstoel, dan stond hij den voorzanger op diens plaats in de kerk na

te apen, en dat kon hij wat koddig, -- en als hij dàt niet deed, dan

klom hij zoo hoog in den toren als hem mogelijk was. En nergens deed hij

eenig goeds, maar wel veel kwaads.

Nu had de meester wel voor mij verlof gekregen om mij op het kerkorgel

te mogen oefenen, maar natuurlijk moest ik een bedaarden jongen

medebrengen om den blaasbalg te trappen, want het was een groot orgel.

En Wilde Bob mocht mij in geen geval vergezellen. Hieruit kan blijken,

dat mijne reputatie onder de groote menschen vrij wat beter was dan die

van mijn vriend Bob, want werkelijk werd mij door dat verlof zeer veel

vertrouwen geschonken. Natuurlijk had de onderwijzer van mij getuigd,

dat ik een bedaarde, stille jongen was, die zulk een groot vertrouwen

wel verdiende. Of ik het echter nooit beschaamd heb, zal later blijken.

Dus Bob mocht in geen geval mede, wat hij zelf niet wist, daar ik het

hem nooit gezegd had.

»Ik heb al een trapper,» zei ik daarom.

»Ja, -- wie dan?»

»Jan van der Vliet. Je weet wel, dat die altijd medegaat en dat mijne

ouders en de meester niet willen, dat ik andere jongens meêneem. Maar ga

nu, want anders krijg ik mijn werk nooit af en kan ik zelfs van middag

niet meêspelen.»

Maar Bob was boos, omdat ik hem niet medenam naar het kerkorgel.

»En als ik nu eens niet wegging?» vroeg hij plagend.

»Dan schuif ik het raam dicht!» zei ik beslist.

»Doe dat dan maar, want ik blijf!» klonk het antwoord. Maar nauwelijks

had Bobje dat gezegd, of ik zag hem schichtig omkijken en plotseling het

hazenpad kiezen. Jongen, jongen, wat liep hij! Hij keek op noch om, en

liep als een hazewind.

Van zooveel veranderlijkheid had ik geen flauw begrip en ik boog mij wat

verder het raam uit om te zien, of ik de oplossing van dit raadsel ook

zou kunnen ontdekken.

En waarlijk, die was spoedig gevonden in de gedaante van den

schoenmaker, die met den spanriem in de hand met groote schreden

naderde. O, o, wat keek hij kwaad, en wat liep hij hard. Maar het eene

baatte hem evenmin als het andere, want Bob liep harder dan hij en was

spoedig in veiligheid. De schoenmaker gaf de vervolging op, juist op de

plaats, waar de kostelijke stroop op den grond lag, en nauwelijk kreeg

de brave man den vuilen plek in het oog, of hij hief de vuist tegen den

vluchteling op en riep hem na, dat hij den deugniet wel krijgen zou.

Maar nù had hij hem toch nog niet. Onverrichter zake moest hij naar huis

terugkeeren.

Wilde Bob · 第 6 / 22 题