Den 30. Augustus, den nagt te voren enige zware weerligten g

REIS DOOR

NOORD AMERIKA,

GEDAAN DOOR DEN HEER

PIETER KALM,

Professor in de Huishoudingskonst op

de Hoge School te Aobo, en Medelid der

Koninglyke Zweedsche Maatschappy der Wetenschappen.

Vercierd met koperen Platen.

EERSTE DEEL.

Te UTRECHT.

By J. VAN SCHOONHOVEN en Comp.

EN

G. van den BRINK Janz.

MDCCLXXII.

AAN DEN

WEL EDELEN HEER

PIETER CRAMER,

KOOPMAN

TE AMSTERDAM,

DIRECTEUR VAN HET ZEUWSCHE GENOOTSCHAP

DER WETENSCHAPPEN TE VLISSINGEN,

BEMINNAAR VAN

KONSTEN EN WETENSCHAPPEN,

WORDT

DE NEDERDUITSCHE VERTALING

DEZES WERKS, TEN BLYKE

VAN ERKENTENIS

EN

HOOGAGTING,

OPGEDRAGEN

DOOR

ZYN WEL EDELENS

ZEER OOTMOEDIGE DIENAREN,

JOANNES VAN SCHOONHOVEN, en Comp.

VOORREDEN VAN DEN VERTALER.

Het was de Baron Bielke, Vice president van het Hofgerigt van Finland,

die den eersten voorslag deed aan de Koninglyke Maatschappy der

Wetenschappen te Stokholm, om enen man van bekwaamheid naar Siberie,

Ysland, en andere gewesten, die op dezelve breedte met Zweden leggen,

te zenden, ten einde daar zodanige waarnemingen te doen, en zulke

verzamelingen van zaden en planten te maken, als dienstig zouden kunnen

zyn om den landbouw, de handwerken, de konsten en wetenschappen in

Zweden te volmaken. De Ridder Linnæus keurde den voorslag goed, dog

oordeelde dat ene Reis door Noord Amerika van nog uitgebreider nut

wezen zoude, dewyl de Amerikaansche gewassen in dien tyd weinig bekend,

en niet volgens de konst beschreven waren, en om verscheiden redenen

scheen het zeer waarschynlyk te zyn, dat de Noord Amerikaansche planten

zeer wel de winters in Zweden zouden kunnen uitstaan; dus dat zeer

velen van die gewassen van een zeer groot gebruik schenen te zullen zyn

voor den landbouw en de geneeskonst.

Tot dus verre was die Reis niet meer dan een ontwerp, dat egter op

nieuws op het tapyt gebragt werd by gelegenheid dat de Kapitein

Triewald, een Man in Engeland van wegens zyne bekwaamheden wel bekend,

zyne waarnemingen omtrent de zydeteelt uitgaf, en daarin gewag maakte

van een soort van Moerbeziebomen, door den Heer Linnæus ontdekt, die de

gestrengheden van de lugt in Zweden zo wel konden doorstaan als een

sparreboom. En de Graaf Tessin, een Heer van ene alomme bekende

verdienste zo wel in de staatkundige als geleerde wereld, Voorzitter

van de Koninglyke Maatschappy geworden zynde, bragt te wege dat men

eenpariglyk besloot den Heer Pieter Kalm, Professor in de

Huishoudingskonst te Aobo, en Medelid van de Koninglyke Zweedsche

Maatschappy der Wetenschappen, naar Noord Amerika te zenden. De kosten,

die op zulk ene reis lopen zouden, waren in ’t eerst een grote

hinderpaal; dog de Koninglyke Maatschappy schreef aan de drie Hoge

Scholen in het Ryk om onderstand tot ene zo grote en nuttige

onderneming. Aobo zond ene geringe somme, Lund kon niets geven, maar

Upsala maakte dit gebrek goed door ene ryke gift.

De Graaf Piper werd verzogt ene somme gelds, die uit zyn geslagt

jaarlyks aan de Hoge School van Upsala gemaakt was, tot onderstand van

deze onderneming ten behoeven van den Heer Kalm te bestemmen. De Graaf

stond het verzoek geredelyk toe. Dog de Maatschappy van de Hoge School

van Upsala nog ene jaarlyksche somme gelds, door het geslagt van

Helmsfield aan dezelve gemaakt, ten behoeven van den Heer Kalm

verkregen hebbende, weigerde de Graaf Piper zyne belofte gestand te

doen, als zynde het strydig met de wetten der Hoge School, en zonder

enig voorbeeld, dat een de zelve persoon twee jaargelden genieten

zoude. De laatst overleden Koning van Zweden, toen Kroonprins en

Kanselier der Hoge School, schreef over deze zaak, en verklaarde te

wenschen dat uit de Schatkist der Hoge School ter bevordering van zo

nuttige onderneming duizend Platen, dat is omtrent zestienhonderd

guldens Hollandsch geld, geschikt werden. Het verzoek van den Prins

werd door de Hoge School ingewilligd, en het geld der Koninglyke

Maatschappy ter hand gesteld. Het Komptoir der Handwerken gaf

driehonderd Platen, of omtrent vierhonderdentagtig guldens. De Heer

Kalm verteerde op zyne Reis zyne onderstandgelden, behalven nog wel

vyfduizend daalders koperen munt, dat is ruim dertienhonderd guldens,

uit zyn eigen zak, zo dat hy op zyne terugkomst zyne huishouding op

enen zeer bekrompenen voet moest inrigten. De overige kosten moest de

Maatschappy uit hare eigene schatkist goed maken.

Zie daar in korte woorden een uittreksel uit de breedvoerige Voorreden

van den Heer Kalm zelven, waaruit men zien kan, met welken yver voor

het gemene belang men in een land is aangedaan geweest daar het geld zo

schaarsch is, en welk ene loffelyke drift voor de bevordering der

wetenschappen in ’t algemeen, en voor de Natuurlyke Historie en de

Huishouding in ’t byzonder, de Hoge Scholen in Zweden, en zelfs

byzondere personen in dat Ryk bezield heeft, zo dat zy hunne eigene

inkomsten liever hebben willen verteren, dan zulk een nuttig ontwerp

optegeven. Diergelyk een voorbeeld hebben wy gezien omtrent den Heer

Hasselquist, die, met een ziekelyk en teringagtig lichaam naar Klein

Asia, Egypte en Palestina reisde, en zulke schatten van nieuwe planten

en dieren verzamelde, dat het Zamenstel van den Heer Linnæus noit zo

vele soorten zou bevat hebben, indien die grote Natuurkundige deze

rykdommen niet tot zyn gebruik had kunnen aanwenden, welken de Koningin

van Zweden zeer milddadiglyk gekoft heeft door het betalen van de

nagelaten’ schulden van den Heer Hasselquist, die overleed in ’t midden

zyner nuttige navorschingen. De Heer Osbeck heeft ook op zyne Reis naar

China zeer vele nuttige navorschingen op zyn’ eigen’ kosten gedaan, en

die wereldkundig gemaakt op kosten van zyn Kerspel. De Heer Toreen

stierf op de Reis, en heeft zyne brieven, in het werk van den Heer

Osbeck, tot bewyzen van zyn uitmuntend vernuft en zyne pryswaardige

begeerte ter bevordering van nuttige wetenschappen, nagelaten. In dit

Land ziet men op het verspillen van ene matige somme gelds als op

niets, dog zo is het niet in Zweden. Zo dat men deze pogingen moet

beschouwen als zeer roemrugtig voor het Zweedsche Volk en den groten

Linnæus, die in alles wat opzigt heeft op de Natuurlyke Historie de

eerste dryfveer is in dat Ryk.

De Heer Kalm, verlof van den Koning verworven hebbende om voor enigen

tyd ontslagen te zyn van het waarnemen van zyn ampt als Hoogleraar, en

paspoorten, nevens brieven van voorschryving aan verscheiden’

Staatsdienaars van wegen Zweden aan de Hoven van Londen, Parys, Madrid,

en in den Haag, gekregen hebbende, vertrok van Upsala den 16. October

1747. Den 11. December ging hy onder zeil van Gothenburg, dog wierd

door enen geweldigen storm gedwongen te Gromstad in Noorwegen

intelopen, van waar hy den 8. Februari 1748. onder zeil ging, en den

17. van die maand te Londen aankwam. Hy bleef in Engeland tot den 15.

Augustus, doende ondertusschen een reisje naar Woodford in Essex, en

naar Little Gaddesden in Hertfordshire, de verblyfplaats van William

Ellis, enen Man zeer bekend door zyne uitgegeven’ werken over den

Landbouw, dog wiens werkdadige Huishouding de Heer Kalm niet vond te

beantwoorden aan zyne leerstellingen daaromtrent in zyne werken. Ook

bezogt hy Ivinghoe in Buckinghamshire, Eaton, en verscheiden andere

plaatsen, en beschouwde alle de zeldzaamheden en de tuinen in en

omtrent Londen. Eindelyk ging hy naar Philadelphia, waar hy den 16.

September aankwam. Het overige van dat jaar besteedde hy tot het

verzamelen van zaden, en het doen van verscheiden springtogtjes rondom

Philadelphia. Den winter bragt hy onder de Zweden door, die te Rakoon

in New Jersey woonagtig waren. Het jaar 1749. reisde hy door New Jersey

en New York, langs de Rivier Hudson naar Albany, en van daar naar

Montreal en Quebec in Kanada, toen in de magt der Franschen. Tegens den

winter van dat zelve jaar keerde hy weder terug naar Philadelphia, en

zond ene nieuwe lading van zaden, planten, en andere zeldzaamheden naar

Zweden. In ’t jaar 1750. bezogt hy de westelyke delen van Pensylvanie

en de kust van New Jersey. Zyn Reisgezel Lars Jungstrom bleef den

gehelen zomer over in het eerst genoemde Landschap om zaden te

vergaderen, terwyl de Heer Kalm zelf door New York en over de Blauwe

Bergen heen naar Albany toog, en van daar, langs de Rivier de Mohawk,

naar het Land der Iroquoizen of der vyf Volken, waar hy kennis maakte

met de Mohawks, de Oneidas, de Tuskaroras, de Onandagas en de Kayugaws.

Hy bezogt en bevoer toen het grote Meer Ontario, en zag den beroemden

Waterval van Niagara. Op zyne terugreis trok hy de Blauwe Bergen op ene

andere plaats op nieuws over, en bereikte Philadelphia weder in de

maand van October.

In het jaar 1751. den 13. Februari begaf onze Reiziger zig te Newcastle

aan boord, en landde, naar enen zeer gevaarlyken togt van wegens

allergeweldigste stormwinden, den 29. Maart te Londen aan. Den 5. Mai

ging hy op reis naar Gothenburg, bereikte die plaats den 16. van die

zelve maand, en den 13. Juni Stokholm, na op dezen waarlyk nuttigen

togt drie jaren en agt maanden te hebben toegebragt. Hy keerde van daar

weder naar Aobo, waar hy in zynen eigenen tuin enige honderden van

Amerikaansche planten aankweekt, dewyl ’er nog in die plaats geen

openbare tuin is ten dienste der Hoge School. Hy gaf het verhaal van

zyne Reis by tusschenpozingen uit, ter oorzake van de kosten, die te

hoog lopen zouden indien hy het gehele werk op eens gemeen maakte, in

een Land daar men slegts weinig Boekverkopers vindt, en daar de

Schryver zelf dikwyls het werk van den Boekverkoper doen en merkelyke

sommen schieten moet.

De Reis van den Heer Kalm kwam oorspronglyk in het Zweedsch in ’t ligt.

De Voorreden van zyn eerste Deel was getekend te Aobo den 13. Juli

1753. Twee Broeders, Murray genoemd, zetteden het Werk in het Hoog

Duitsch over, in drie Delen in groot Octavo, waarvan het eerste in ’t

jaar 1754. het twede in 1757. en het derde in 1764. te Gottingen het

ligt zagen. De Heren Murray zyn Zweden, en een van hun is Leerling

geweest van den Ridder Linnæus; zo dat men op hune overzetting zo wel

als op het oorspronglyke kan staat maken. In Engeland vond deze fraye

Reisbeschryving enen uitmuntenden Vertaler, in den persoon van den Heer

John Reinhold Forster, enen Man wiens kundigheden, byzonderlyk in de

Natuurlyke Historie, en alle de Wetenschappen daartoe betrekkelyk, uit

meer dan een van zyne Werken bekend zyn. Deze gaf deze Reisbeschryving

insgelyk in drie Delen in groot Octavo in het jaar 1770. en 1771. uit,

voorzien met verscheiden fraye en geleerde aantekeningen, en met

agterlating van vele zaken, die den Engelschen Lezer niet zeer

aangenaam of nuttig zouden geweest zyn. De Heer Kalm geeft in zyn

Eerste Deel ene zo breedvoerige beschryving van den Landbouw en de

Huishoudingskonst in Engeland, dat de Reis naar Noord Amerika eigenlyk

niet dan op Bladzyde 112. van het Twede Deel der Hoog Duitsche

Overzetting begint. Dit was van veel nut voor zyne Landsgenoten de

Zweden, dog zou van gering voordeel voor den Engelschen Lezer geweest

zyn. Ook is de Heer Kalm vry wydlopig in het beschryven van zyne

overvaart uit Engeland naar Amerika, tekenende, ten gevallen zyner

Landslieden, tot de minste omstandigheden der Reis aan, welken hun, die

deze togten zelden doen, nieuw en van belang konden wezen, dog die in

Engeland vervelend zouden geweest zyn. De Heer Forster heeft om die

reden alle die byzonderheden rakende Engeland, en verscheiden’ anderen,

aangaande den overtogt over den Atlantischen Oceaan, agtergelaten. Van

de aankomst des Reizigers te Philadelphia af heeft hy den Schryver

stipt gevolgd, alleen in enige weinige byzonderheden uitgenomen, die

van zeer weinig belang waren, als, by voorbeeld, de manier van oesters

te eten, van appelen in te leggen, en diergelyken.

Wy hebben ons van beide de Uitgaven, de Hoog Duitsche en de Engelsche,

naarstiglyk bediend, de ene met de andere zo nauwkeurig vergelykende

als het ons mogelyk was. De redenen, waarom de Engelsche Vertaler het

Werk omtrent een derde bekort heeft, zo wel van kragt ten opzigte van

den Neder Duitschen als van den Engelschen Lezer zynde, zyn wy daarin

voor ’t grootste gedeelte het voorbeeld van den Heer Forster gevolgd,

en hebben onzen Lezer het verdriet willen sparen van breedvoerig de

beschryvingen te moeten lezen van het maaksel van enen ploeg of ene

egge in Engeland, en diergelyke dingen meer. Wy hebben maar een kort

berigt gegeven van des Schryvers Reis van Upsala tot Londen. Zynen

overtogt uit Engeland naar Pensylvanie hebben wy ook verkort, dog egter

enigsins breedvoeriger dan de Heer Forster doet gelaten. Maar sedert de

aankomst van den Reiziger te Philadelphia hebben wy niets overgeslagen,

of het moest de ene of andere byzonderheid wezen die ons van geen

belang ter wereld toescheen, of die de Schryver by herhaling zynen

Lezer geeft, gelyk ettelyke reizen gebeurt, en waartoe zyne wyze van

schryven by een Dagverhaal aanleiding gegeven heeft.

De Heer Kalm ontschuldigt zig in zyne Voorreden aangaande de geringe

sierlykheid van zynen styl. “Deze toont,” zegt hy, “op vele plaatsen de

afgematheid aan met de welke ik dikwyls zeer laat des avonds de pen

gevoerd hebbe.” Het afbreken van ’t verhaal, dat noodwendig door op

iederen dag het aangemerkte te gewagen moest veroorzaakt worden, en de

herhalingen die daar uit ontstaan moesten, dienen voorzeker niet om den

styl enen aangenamen zwier by te zetten. Wy hebben egter hierin gene

verandering willen maken, alleenlyk hebben wy het melden van den dag op

zulke plaatsen agtergelaten, waar het van genen dienst tot verstand des

verhaals was den juisten dag te weten waarop elke zaak is aangetekend.

De Heer Kalm heeft zig by het meten bediend van vademen, ellen, en den

Zweedschen voet, die tot den Engelschen voet staat als 1134. tot 1350.

en de Engelsche voet staat tot den Rheinlandschen als 11264. tot 11559.

Tot het doen zyner Waarnemingen aangaande het Weder, welken wy aan ’t

einde van ons Twede Deel by malkander geplaatst hebben, gebruikte hy

den Thermometer van Celsius, van den welken men zig in Zweden gemeenlyk

bedient, en de zyne was door den Heer Celsius zelven gemaakt. De

tusschenruimte op den zelven tusschen het punt van vorst en dat van

kokend water is in 100. gelyke delen verdeeld.

Op het voetspoor van den Engelschen Overzetter hebben wy in ’t noemen

der Planten ons van de namen bediend die men in het Specimen Plantarum

en ’t Systema Naturæ van den beroemden Linnæus vindt. Wy hebben niet

dan by de allerbekendste Planten de Neder Duitsche namen gebruikt,

eensdeels om dat de namen van Linnæus by de Kruidkundigen, voor wie

voornamelyk dit gedeelte des Werks van belang is, het best bekend zyn,

en dat de Planten, by hare gemene namen genoemd, evenwel den meesten

anderen daarom niet beter bekend zouden wezen, en anderdeels om dat de

konstnamen, sedert het algemene aannemen van het zamenstel van Linnæus,

by de meeste Kruidkundigen ook de algemene namen geworden zyn, daar de

gemene namen der gewassen dikwyls niet dan op ene zekere plaats

verstaan worden.

De beschryvingen, die de Heer Kalm van Dieren, Planten en Delfstoffen

geeft, schoon vry breedvoerig, dog egter, in ’t oog van zulk enen

Natuurkundigen als hy is, niet zo uitgebreid zynde als hy ze oordeelt

te moeten wezen, verontschuldigt hy zig daar omtrent, met den Lezer

naar een Latynsch Werk te wyzen, waarin hy dat gebrek belooft

opzettelyk te vergoeden.

Wy hebben gedagt den Verzamelaars van Reisbeschryvingen vermaak aan te

doen mee dit Werk in groot Quarto uittegeven, vermits de meeste

Reisbeschryvingen in het Neder Duitsch in dat formaat gedrukt zyn.

In de Hoog Duitsche Uitgave ontbreekt ene Landkaart, een hoog nodig

vereischte om ene Reisbeschryving wel te verstaan. De Heer Forster

heeft ene grote en uitmuntende Landkaart in zyne Overzetting ingevoegd,

welke men nagesneden en vertaald aan ’t hoofd van onze Uitgave vinden

zal. Ook heeft men in ons Werk verscheiden’ Platen geplaatst, die

insgelyks, alleen de Waterval van Kohoes uitgenomen, in de Hoog

Duitsche Uitgave gemist worden, en uit de Engelsche overgenomen zyn.

Wat de aantekeningen onder aan de Bladzyden aangaat, dezen zyn meest

allen van den Heer Forster, alleen enige weinigen uitgenomen.

Onderscheidshalven hebben wy die welken van dien Heer zyn met een F.

getekend.

Dit Eerste Deel staat binnen kort van het Twede gevolgd te worden, het

welk reeds geheel vertaald, en voor een gedeelte afgedrukt is.

BERIGT AAN DEN BINDER.

De Kaart moet geplaatst worden tegen over Bladz. 1. van ’t Eerste Deel.

Plaat I. tegen over Bladz. 140.

Plaat II. tegen over Bladz. 204.

Plaat III. tegen over Bladz. 206.

REIS DOOR NOORD AMERIKA.

[Vertrek van Upsal.]

Ik vertrok den 16. October 1747 van Upsal, met my nemende den Tuinier

Lars Jungstrom, enen man die zig in de kennis der bomen en planten zeer

geoeffend had, en daarenboven de tekenkonst en de werktuigkunde

verstond. Ook geloof ik niet dat oit iemant hem in onvermoeidheid op de

reis en in trouw overtreffen kan. Wy spoedden ons van Upsal naar

Gothenburg. Hier hield ons een aanhoudende tegenwind tot den 11.

December op. Dien dag gingen wy onder zeil; dog een gevaarlyke storm

dwong ons te Gromstad in Noorwegen intelopen, van waar ik een togtje

naar Christiansand deed. Den 8. Februari 1748. gingen wy weder onder

zeil naar Engeland, en bereikten Londen den 17. derzelver maand. Dog wy

konden gene gelegenheid vinden om naar Amerika op reis te gaan voor de

maand Augustus. Den tyd van ons verblyf in Engeland besteedden wy om

enige delen van dat Ryk te bezien. Eindelyk gingen wy den 5. Augustus

aan boord van de Mary Gally, Kapitein Lawson, bestemd naar Philadelphia

in Noord Amerika. Om zes uren na den middag ligtten wy het anker van

voor Gravesend, en zeilden een goed eind de Theems af eer wy het anker

vallen lieten.

[Vertrek uit Engeland.]

Wy bereikten den 6. na enige uren zeilens den mond der Theems, wendden

naar het Kanaal, houdende gestadig de kust van Kent in ’t gezigt, die

wy somtyds onder ’t laveren zeer naby kwamen. Zy bestaat uit hoge en

genoegzaam loodregt steile krytbergen, waarin men vele bedden van

vuurstenen ontdekken kan. Op deze bergen leggen voortreffelyke akkers,

meest van weit, dewelke reeds begon ryp te worden.

[Deal.]

Om zes uren des avonds kwamen wy voor Deal ten anker, ene kleine Stad

of een vlek, gelegen aan het inkomen ener Bai, welke, voor de zuiden en

oosten winden openleggende, gene zeer goede Haven maakt. De Schepen

voorzien zig hier gemeenlyk van voorraad. Deze handel, de visschery, en

de kapery in den laatsten oorlog, hebben de inwoonders merkelyk

verrykt. De Schepen die naar Londen willen nemen hier lootsen in.

[Logworms.]

Den volgenden dag zag ik ene menigte van Visschers, by ebbende zee,

naar sommige ondiepe plaatsen varen, waar men een fyn zand op den bodem

vindt, om een soort van Zeewormen [1] te vangen, die onder ’t zand hun

verblyf hebben, somtyds agttien duimen diep, en welken de Visschers uit

het zand graven met ene kleine drietandige yzeren vork. Deze wormen,

hier Logworms geheten, gebruikt men tot een aas voor de visschen.

[Het Kanaal.]

Den 8. Augustus, ’s morgens om drie uren, volgden wy den stroom het

Kanaal in, voeren voorby Dover, en zagen duidelyk de gedagte van den

vermaarden Camden in zyn Britannia bevestigd, dat op die plaats

Engeland voorheen door ene landengte aan Frankryk en Vlaanderen vast

geweest is. Beide de kusten maken hier tegen overmalkander twee

uitstekende punten; beiden bestaan uit het zelve soort van krytbergen,

die dezelve gedaante hebben, zo dat men de Engelsche kust kennende, en

naderhand de Fransche naderende, zonder te weten waar men was, dezelven

voor de Engelsche kust nemen zou. [2]

[Dungness, enz.]

Van den 9. tot den 12. Augustus dreven wy voor stroom en zeilden by

beurten door het Kanaal voorby Dungness, Fairlight, het Eiland Wight,

Portsmouth, Portland, en Bolthead.

[De Bai van Biskaye.]

Den 13. geraakten wy buiten ’t Kanaal, en kwamen in de Bai van Biskaye.

[Zware Golven.]

Den 14. hadden wy tegenwind, het welk het stampen van ’t Schip

vermeerderde, want men merkt in ’t algemeen aan, dat in de Bai van

Biskaye de zwaarste en breedste baren gaan, van gelyke grootte als in

de zee tusschen Europa en Amerika; zy zyn dikwyls ene halve Engelsche

myl breed en hoog naar evenredigheid. De Oost en Noord Zee integendeel

hebben korte en gebroken golven.

Wanneer ’er een beest aan boord geslagt wordt, hangt het bootsvolk

enige varsche stukken enigen tyd in zee, het welk het vleesch, zegt

men, goed houdt.

[Kleinder Golven.]

Den 15. begonnen de golven wat zagter te gaan, en een schuim, dat zig

’er op vertoonde, wierd gehouden by stil weder een voorbode te zyn, dat

zy enige dagen agtermalkanderen in den zelven toestand blyven zullen.

Omtrent den middag stak een noordoosten koeltje op, ’t welk nadenmiddag

aanwakkerde, en ons ene fraije vertoning gaf, dewyl de zware golven het

water naar ene streek dreven, en de noordoosten wind de baren in ene

geheel andere rigting boog. Door het geweldig slaan van de ene tegens

de andere baar, konden wy merken dat wy door enen sterken stroom

voeren, welks streek de Kapitein niet bepalen kon.

[Aanmerking.]

Van den 16. tot den 21. bleef dezelve gunstige koelte aanhouden tot ons

groot genoegen en onze verwondering, want de Kapitein merkte aan, dat

het iets zeer ongewoons is, enen oosten of noordoosten wind tusschen

Europa en de Azores, welken het Scheepsvolk de Wester Eilanden noemt,

langer den twee dagen aan een te ontmoeten, dewyl de gewone wind hier

de westen is. Dog aan gene zyde der Azores waijen allerhande winden,

vooral om dit jaargetyde, ook houden daar de westen winden niet lang

aan; waarom de Zeelieden rekenen, dat als zy de Azores voorby zyn, zy

de helft van den weg tusschen Europa en Amerika hebben afgedaan, schoon

het inderdaad nog maar een derde van den weg is. Men krygt deze

Eilanden zelden in ’t gezigt, want men houdt ’er van af ter oorzaak van

de gevaarlyke verborgen klippen, die ’er rondom heen leggen.

[Tekens aangaande den wind.]

Den 22. Augustus verzekerde ons de Kapitein omtrent den middag, dat wy

binnen vierentwintig uren enen zuidwesten wind hebben zouden. Ik vroeg

hem de reden van deze voorzegging, en hy wees op zekere wolken in ’t

zuidwesten, welker spitsen zig naar ’t noordwesten keerden, en zeide my

dat zy veroorzaakt wierden door enen wind komenden uit de overgestelde

streek. Ik hoorde dat wy thans omtrent halfweg van Pensylvanie waren.

Den 23. omtrent ’s morgens ten zeven uren ontstond de verwagte

zuidwesten wind, en versnelde onze vaart zo zeer, dat wy omtrent agt

Engelsche mylen wegs in een uur afleiden. Dog den volgenden dag ging de

wind leggen en was ons tegen, zo dat wy nauwlyks iets vorderden. Men

voorzei ons een stormpje, dewyl de bovenste wolken zeer dun en als in

strepen verdeeld waren, gelyk uitgekamde wol of garen, het welk men

altyd voor een teken van storm houdt. De strekking van deze wolken was

noordoost en zuidwest, volgens de streek van den wind dien wy hadden.

Tegen den nagt ging de wind leggen, en wy hadden ene volmaakte stilte,

het welk een teken is van ene aanstaande verandering van wind.

Den 25. en 26. ontstond de westen wind en wierd hoe langer hoe sterker,

zo dat de Zee op ons dek sloeg. Den morgen van den 27. kregen wy enen

beteren wind, die verscheiden streken doorliep, en tegen den avond enen

storm gaf uit het noordoosten.

[Waarnemingen.]

De Kapitein deelde my ene waarneming mede, die op ene langdurige

ondervinding gegrond was. Namelyk, dat, schoon de winden in den

Atlantischen Oceaan dikwyls veranderen, vooral des zomers, egter de

gemeenste wind de westen is; en dit is de reden dat de overtogt uit

Amerika naar Europa gemeenlyk in korter tyd geschiedt, dan van Europa

naar Amerika. Behalven dat zyn de winden in den Atlantischen Oceaan

gedurende den Zomer zeer aan sommige oorden bepaald, zo dat het op de

ene plaats kan stormen en op den afstand van enige mylen geheel stil

zyn. ’s Winters zyn de winden veel standvastiger, strekken zig verder

uit, en zyn heviger; zo dat dan dezelve wind langen tyd over den

gehelen Oceaan regeert, en zwaarder golven doet gaan dan des Zomers.

Den 30. Augustus, den nagt te voren enige zware weerligten gezien dog

geen donder gehoord hebbende, vroeg ik den Kapitein, of hy my daar

enige reden van geven konde. Hy zeide my, dat dit verschynsel zeer

gemeen en een gevolg van ene voorgaande hette in de lugt was; maar dat,

wanneer men het in den winter zag weerligten, voorzigtige Zeelieden

gewoon waren zeil te minderen, dewyl zy binnen weinig uren enen

geweldigen storm verwagten. Even zo is het ook als in deze wateren om

dit Jaargetyde zig een wolk in ’t noordwesten komt opdoen, want de

ondervinding doet hen dan ook enen gewissen storm te gemoet zien.

Den 1. September hadden wy tegenwind; den 2. liep de wind noordelyk,

was ons den 3. weder tegen, en den 4. en 5. was hy goed. Wy bevonden

ons den 5. op 40. graden 3. minuten Noorderbreedte en tusschen 53 en 54

graden West van Londen.

Behalven de golven die met den wind voortgingen, ontmoetten wy ’er den

4. en 5. die uit het zuidwesten kwamen, het welk de Kapitein aanmerkte

als een teken van enen voorbyzynden storm, naar den zuidwester hoek in

de nabuurschap.

Den 8. September waren wy op de hoogte van 38. gr. 24. min. N. en

omtrent 65. gr. W. van Londen. Wy ontmoetten met tamelyken wind de

zwaarste golven die wy op den gantschen togt hadden, waaruit de

Kapitein opmaakte, dat hier de scheiding wezen moest tusschen den

Oceaan en de Amerikaansche Zeeboezems, en kort daaraan kregen wy kleine

baren, schoon de wind even sterk bleef.

[Kleur van ’t Zeewater.]

Den 9. wierden wy gewaar dat op sommige plaatsen de kleur van ’t water,

dat tot nog toe van een donker blauw geweest was, wat bleker wierd.

Somtyds troffen wy lange dog smalle strepen aan, omtrent van twaalf of

veertien vademen in de breedte, waar het water helder groen, en

daardoor van het overige geheel onderscheiden was. Men schryft dit toe

aan het zand der zee of aan een zeker wier.

Den 12. ontdekten wy met stilte een zeil, dat wy voor enen Spaanschen

Vrybuiter hielden, dus wy niet weinig in angst waren; dog wy zagen het

zelve Schip enige dagen na ons te Philadelphia aankomen, hebbende het

Scheepsvolk van hetzelve de zelve vrees voor ons als wy voor hun gehad.

[Het Schip stoot.]

Kapitein Lawson, die den meesten tyd van de reis het bed om ziekte had

moeten houden, zeide ons dat wy niet ver van Amerika konden wezen; dog

de Stuurman was van ene andere mening, en men vernam den volgenden dag

des avonds nog geen Land van de grote mast; ook vond men geen grond op

de diepte van verscheiden vademen. Dus moest het de Kapitein opgeven.

Wy vervolgden dan des nagts langzaam onze reis. Om drie uren des

morgens beval de Kapitein het lood uittewerpen, en de matroos riep ten

eersten tien vadem, waarop een geweldig, geschreuw aan boord ontstond.

De Stuurman peilde zelf, dan tien dan veertien vadem, maar hoe hy

gemeten heeft weet ik niet, want een ogenblik nadat hy veertien vadem

geroepen had stiet het Schip, en daarop kreeg het agtermalkander nog

vier zeer hevige stoten. De onsteltenis was onbeschryflyk. Het was nu

’s morgens om half vyf, ’t was nog donker, schoon de maan een weinig

ligt gaf. Daar waren meer dan tagtig menschen aan boord, en wy hadden

maar enen boot. Gelukkiglyk geraakten wy weder los. Wy wendden, en

ontkwamen dus het gevaar. Toen het dag wierd zagen wy het vaste Land

van Amerika voor ons. De kust ziet ’er witagtig uit, is laag, en wat

hoger op met dennebomen bedekt. Wy wierden gewaar dat de bank, waarop

wy gestoten hadden, vlak over Arkadie in Maryland lag, op 37. gr. 50.

min. N. omtrent ene kleine Zweedsche myl van de kust.

[Aankomst in Amerika.]

Wy volgden de kust van Maryland, die wy steeds in ’t gezigt hielden;

dog Kaap Hinlopen dien avond niet kunnende bereiken, daar wy enen loots

dagten intenemen, kruisten wy den gantschen nagt voor de Bai van

Dellaware. Wy verwagtten regen, om dat het zo donker was, maar na den

ondergang der Zon viel ’er alleen een zware dauw, zo dat onze klederen,

zo wel als enige boeken, die ’t Scheepsvolk op ’t dek had laten leggen,

zo nat wierden als of ’er water op gegoten was. De Engelschen

voorspellen hieruit in Engeland ene zware hitte voor den volgenden dag,

en dit, zeide de Kapitein, had ook plaats in Amerika.

[De Kust.]

Den 14. zetteden wy met eenen gunstigen wind onze reis voort; wy hadden

aan bakboord altyd land. De Kust was laag en bedekt met een fyn wit

zand. Dieper landwaards in was het vol van dennebomen. Om half agt des

morgens kwam de loots aan boord, die van zelven van Kaap Hinlopen

gekomen was. Dit is een uitstek lands ten westen der Bai van Dellaware,

waarop een Dorp legt. Het land behoort hier geheel tot Pensylvanie, dog

het geen ten oosten de Bai is tot New Jersey. Van Kaap Hinlopen tot

Philadelphia rekent men honderd en vyftig Engelsche mylen, dog van den

mond der Dellaware af maar negentig. Wy staken de Bai over, hebbende nu

vier en dan elf vadem waters. Hier leggen verscheiden banken, waarop

menig Schip verongelukt is.

[Scheepstimmerhout.]

De Oever was landwaards in met schone Bomen bedekt, en de Loots zo wel

als de Stuurman, die te Philadelphia geboren was, verzekerden, dat het

land hierom heen vol is van het schoonste Scheepstimmerhout. De

Engelschen, vooral de Kooplieden, laten in deze Volkplantingen zeer

veel Schepen bouwen. Dit geschiedt gemeenlyk des Winters, zo dat de

Schepen met het Voorjaar in Zee kunnen gaan.

[De Dellaware.]

Een weinig na den middag kwamen wy aan den mond der Dellaware, daar wel

drie mylen breed, dog die hoe langer hoe smaller wordt, zo dat zy voor

Philadelphia nauwlyks ene Engelsche myl breedte heeft. Zy ontspringt

veel hoger landwaards in. Het land was laag, en op den Oever met zware

Eiken en andere Bomen bedekt. Tusschen de Bosschen vertoonden zig

Akkers, Landhoeven, en Weiden voorzien van vee. Hier en daar stonden

Hoibergen. De wind voerde ons van het strand enen aangenamen reuk toe,

ontstaan uit het gemaide gras en andere kruiden.

[Newcastle.]

Wy zeilden vry diep in den nagt de Rivier op, en voeren by het vallen

van den avond voorby Newcastle, ene kleine Stad, op den westelyken

Oever der Dellaware. Zy is de oudste Stad van het gehele Land, en is

door de Hollanders aangelegd. Zy heeft minder handel dan Philadelphia,

schoon zy boven die plaats vele voordelen heeft, waar onder dit geen

van de minsten is, dat de Rivier voor haar zelden toevriest, daar zig

voor Philadelphia elken Winter het Ys vastzet, zo dat ’er de

Scheepvaart voor enige weken door afgebroken wordt. Maar rondom

Philadelphia is het Land zeer sterk bebouwd, en de meeste waren vlieten

daar te zamen.

[Voorgaande bezitters.]

De Hollanders drongen zig hier uit nyd in, ten tyde dat het Land Zweden

nog toekwam. Het gelukte hen den Zweden allengskens den voet te ligten.

Het kwam zelfs tot enen openlyken kryg, waarin de Hollanders den zegen

behaalden. Dog hunne vreugd was van korten duur; want enige jaren

daaraan namen hun de Engelschen het Land weer af. Wy wierpen het anker

een weinig later.

[Chester.]

Den 15. Sept. voeren wy al hoger den stroom op. Het Land was aan beide

de Oevers byna overal bewoond, dog de Landhoeven lagen tamelyk wyd van

malkander. Om agt uren des morgens zeilden wy voorby Chester, ene

kleine Stad op den westelyken Oever der Rivier. De Stuurman wees ons al

de plaatsen aan waar nog Zweden woonden.

[Philadelphia.]

Eindelyk kwamen wy om tien uren te Philadelphia, na tusschen Gravesend

en deze plaats nog niet een en veertig volle dagen onderweg geweest te

zyn. Onze reis werd voor zeer gelukkig gehouden, want men brengt anders

in den Winter dikwyls veertien, ja negentien en meer weken, in den

overtogt door. Wy hadden weinig stormen en veel schoon weder gehad.

Kapitein Lawson verklaarde het noit zo gezien te hebben. De Zee sloeg

noit over de kajuit heen, en de vensters bleven altyd open. Verscheiden

Duitschers, die aan boord waren, sliepen op het dek. En Kapitein

Lawson’s vriendelykheid, die hy niet groter aan enen bloedvriend had

kunnen betonen, vermeerderde my zeer het aangename van de reis.

[Natuurkundige waarnemingen.]

Wy hadden op reis verscheiden aanmerkingen gemaakt rakende de

Natuurlyke Historie. [3] Wy zagen den 16. en 17. Aug. een soort van

Zeewier, Fucus by Linnæus, dat veel geleek naar ene rist uyens, zo dik

als een vuist, en wit van kleur. Digt by Amerika en in de Amerikaansche

Golf ontmoetten wy den 11. Sept. nog verscheiden soorten van wier, een

van welke soorten het Scheepsvolk Rockweed noemde. Een ander zag ’er

uit als een snoer parelen, en een ander was wit, omtrent een voet lang,

smal, overal even breed en regt. Van den 24. Aug. tot den 11. Sept.

zagen wy geen ander wier, dan het geen gemeenlyk Golfwier genoemd

wordt, [4] om dat men veronderstelt dat het uit de Golf van Florida

komt. Anderen noemen het Sargazo, en Linnæus Fucus natans. De steel is

zeer teder, rondagtig hoekig, van een donker groen; het heeft

verscheiden takken, en ieder tak heeft vele bladeren staande op ene ry,

zeer dun, getand, en ene of anderhalve lyn breed, zo dat zy veel

gelyken naar de bladen van het Yslandsch mos; de kleur is geelagtig

groen. De vrugt heeft veel gelykenis naar de onrype Jeneverbes, is

rond, groenagtig geel, glad van buiten, en wast onder de bladen op

korte steeltjes van twee of drie lynen lengte; onder ieder blad zyn van

een tot drie bessen; ik zag ’er noit meer aan. Sommige bessen waren

klein, en doorgesneden zynde geheel hol, en bestonden alleen uit ene

dunne schil. Dit scheen de plant des te bekwamer te maken om op ’t

water te dryven. De bladeren worden aan ’t einde der takken al smaller

en smaller. De bovenste zyde is glad, de beneden zyde heeft ribben; [5]

en hier vindt men dunne worteltjes, twee, drie of vier lynen lang. Men

zeide my dat dit Golfwier, gedroogd en tot poeder gestoten, barende

Vrouwen gegeven wierd. Ook bediende men ’er zig van in koortsen; dog

waarom en op welke wyze, kon ik niet te weten komen. Wat meer

zuidwaards is de Zee op sommige plaatsen vele mylen ver geheel van dit

Zeegras bedekt. Veel kleine gepunte hoorns en Hoornwier vindt men op

dit gewas; en zelden ontmoet men ’er ene rist van waarin niet enige

kleine garnaal of een klein krabje, by Linnæus Cancer minutus, gevonden

worde. Ik vergaderde ’er agt van de laatsten en drie van de eersten, en

zettede ze in een glas met water. De garnaaltjes bewogen zig zo gauw

als alen, rondom in ’t glas, maar somtyds langzaam en hielden zig stil

op den grond of aan den kant van ’t glas. Wanneer ’er een der kleine

krabjes by kwam, namen zy het by de voorste pootjes, doodden het, en

aten ’t op. Dezen vermydden daarom hunne vyanden. De krabjes geleken

veel naar de garnalen; zy zwommen altyd op ene zyde, de zyden en de

staart zig beurtelings bewegende. Zy konden hunne voorpoten in den mond

steken; de sprieten waren in gedurige beweging. ’s Morgens daaraan vond

ik alle de krabben opgegeten van de garnalen. Als deze laatsten op den

grond van ’t glas waren, kwamen zy dikwyls, met ene beweging gelyk die

van ene Waterluis of de Podura van Linnæus, in een ogenblik boven op

het water. In ’t zwemmen bewogen zy al hun poten digt by een, en zodra

zy die stil hielden zonken zy. De overgebleven garnalen bewaarde ik in

sterk water, en ’t verlies van myn krabjes werd haast geboet door

anderen, die men menigvuldig in de Bossen van ’t Zeewier vind. Ik wys

den Lezer naar een ander Werk, dat ik voor heb uittegeven, waar ik deze

Dieren nauwkeuriger beschryven zal. Op sommige plaatsen zagen wy ene

krab zo groot als ene vuist, welke zwom door de gestadige beweging van

hare poten, die zy zodra niet stil hield of het Dier begon te zinken.

Eens zag ik enen groten kreeft, zwemmenden op de oppervlakte van het

water.

[Blubbers.]

Wy vonden drie soorten van de Medusæ van Linnæus, by de Engelschen

Blubbers genaamd. De eerste is de Medusa Aurita; zy is rond,

purperagtig, opent zig gelyk een zak, waar, als ware het, drie witte

kringen binnen in zyn; hare grootte verschilt van een tot zes duimen

middellyns. Zy hebben die stekende en brandende eigenschap niet die de

andere Medusæ bezitten, gelyk by voorbeeld die welken men op de Kust

van Noorwegen en in den Oceaan vindt. Dezen vonden wy voornamelyk in

het Kanaal en de Bai van Biskaye.

Na meer dan de helft van den Oceaan te zyn doorgelopen ontmoetten wy

een ander soort van Blubbers, bekend onder ’t Zeevolk by den naam van

het Spaansche of Portugeesche Oorlogschip. Zy zien ’er uit als ene

grote blaas, of als de longen van een Beest, plat op beide de zyden,

omtrent zes duim over ’t kruis, schoon purperrood van kleur; en wanneer

men ze met de blote hand aanraakt veroorzaken zy ene groter branding

dan enige andere Medusæ. Zy worden dikwyls van de golven het onderste

boven gekeerd, dog regten zig in een ogenblik weer op, met het spitse

eind naar boven.

In de Amerikaansche Golf zagen wy behalven dit nog een ander soort, het

welk het Zeevolk genen anderen naam gaf dan dien van Blubber. Het was

van de grootte van een tinnen bord, bruin in ’t midden. De rand was

ligter van kleur, en in ene gedurige beweging.

[De Ganzemossel.]

Den 30. Aug. zag ik in den Oceaan een stuk houts dryven geheel bedekt

met de Ganzemossel, de Lepas anatifera van Linnæus. [6] In ’t Kanaal

zag ik in ’t gezigt van ’t Eiland Wight verscheiden witte Kapellen,

zeer gelyk aan de Koolkapel, de Papilio brassicæ van Linnæus. Zy gingen

noit zitten, en wy verwonderden ons dat zy zig zo ver van land waagden.

[Vliegen.]

Sommige gemene Vliegen bleven in onze kajuit de gehele reis over in ’t

leven; en gevolglyk kan men niet beslissen of dit soort ook

oorspronglyk aan Amerika eigen, dan door de Europeanen derwaards

medegebragt is.

[Bruinvisschen.]

Den Delphinus Phocœna van Linnæus, by de Zeelieden het Zeevarken

geheten, [7] ontmoetten wy eerst in het Kanaal, en vervolgens overal

aan deze zyde de Azores; maar voorby die Eilanden ziet men hem zelden,

tot dat men op de Kust van Amerika komt, daar wy hem in den mond der

Dellaware menigvuldig zagen. Zy verschynen altyd in scholen, zomtyds

meer dan honderd sterk. Zy zwemmen zeer snel; en schoon zy veel langs

het Schip zwommen, als hadden ze vermaak in ’t bruisschen van het water

tegens het Schip, verdwenen zy in een ogenblik daarna. Zy hebben de

lengte van vier tot agt voeten; hun snoet gelykt naar de snep van een

Gans; de buik is wit. Somtyds springen ze vier voet in de hoogte en van

vier tot agt voet in de langte uit het water; maar hun geblaas toont

dat hun dit moeite kost. De Matrozen tragtten dikwyls te vergeefs hun

van den boeg met een harpoen te treffen, dog hun gauwigheid was groter

dan de handigheid van ’t bootsvolk.

[De Bottelnose.]

Een ander Visch van het soort der Zeevarkens, [8] welken wy ontmoetten,

wordt by de Engelsche Matrozen Bottlenose genoemd, en zwemt in grote

scholen. Men doodt hem dikwyls met den harpoen, en eet hem. Hy is

somtyds ruim twaalf voet lang. Van gedaante en wys van zwemmen gelykt

hy zeer naar het Zeevarken. Men vindt ze overal, van het Kanaal af tot

in Amerika toe.

[Andere visschen.]

Enen Walvisch zagen wy op enigen afstand water spuiten.

Een grote Hai volgde het Schip enen korten tyd, en was schielyk uit het

gezigt, zonder dat wy in staat waren te bepalen tot welk soort hy

behoorde. Dit was de enige Visch van het kraakbenige geslagt, dien wy

zagen.

Van het Beenagtige zagen wy ’er velen aan gindsche zyde der Azores, dog

genen aan deze zyde dier Eilanden. Enen zagen wy op enigen afstand die

zeer groot was. De Matrozen noemden hem Albecor; het is de Scomber

Thynnus van Linnæus.

[De Dolphin.]

De Dolphin der Engelschen is de Dorado der Portugezen en de Coryphæna

Hippuris van Linnæus. Hy is omtrent twee en een halven voet lang, by

den kop zes duimen dik en drie duim breed. Hy wordt van den kop naar

den staart toe aan smalder, waar zyn dikte over ’t kruis anderhalven,

en zyn breedte pas enen duim is. Digt by ’t hoofd is hy van een schoon

zilveragtig groen, maar by den staart donker blauw. De buik is wit,

somtyds gemengd met een donker geel. Op de zyden vindt men enige ronde

ligt bruine vlakken. Hy heeft zes, en niet zeven vinnen, gelyk men

dagt; twee op de borst, twee aan den buik, ene aan den staart

strekkende tot aan den aars, en ene langs den gehelen rug van een frai

blauw. Hunne beweging in het water digt by het Schip was niet snel, en

gaf gelegenheid ze met den harpoen of met een angel, waar men een stuk

ingewand, een klein Vischje, of enen vliegenden Visch, aan deed, te

vangen.

De vliegende Visch is hun voornaamste voedsel; en de vrees voor den

Dolphin dwingt dien zyn natuurlyk element te verlaten, en in de lugt

zyne veiligheid te zoeken. De Dorado springt somtyds een vadem hoog uit

het water, en houdt veel van by stukken houts of tonnen, die in zee

dryven, te zwemmen. Men kookt of fruit hem, en eet hem met boter,

wanneer hy tamelyk goed, dog wat droog van smaak is. In den buik van

enen dezer visschen vonden wy verscheiden andere visschen, byzonderlyk

een visch Ostracion geheten, die nog leefde, moetende het ogenblik te

voren eerst ingezwolgen zyn. Hy had blauwe ogen, en was twee duim lang.

Nog vonden wy ’er een ander klein vischje, een zeldzaam zeeinsekt, en

enen vliegenden visch in. Alle dezen, nog niet verteerd en geheel

onbeschadigd zynde, heb ik in sterk water bewaard.

[Vliegende Visschen.]

De Vliegende visch, Exocœtus volitans by Linnæus, zwemt altyd by grote

scholen, somtyds van meer dan honderd stuks, allen te gelyk uit het

water opvliegende, wanneer zy door andere visschen, inzonderheid den

Dolphin gejaagd worden. Zy verheffen zig wel een vadem hoog uit het

water, wanneer zy van het hoogste van een golf afvliegen; en men zegt

dat ze somtyds op het dek der Schepen vallen. De grootste afstand dien

zy in de lugt blyven is een goede snaphaanschoot, en dien doen zy af in

minder dan ene halve minuut. Ik vond dat zy altyd tegens den wind in

vlogen; en schoon my hier in het bootsvolk tegensprak, bewerende dat zy

in allerhande strekkingen hunne vlugt namen, wierd ik in myne mening

bevestigd door de ondervinding gedurende de gantsche reis.

[De Bonito.]

Wy zagen insgelyks den visch genoemd Bonito, Scomber Pelamys by

Linnæus. Zy zwommen ook in scholen, jagt makende op kleine visschen,

welke jagt een geluid in ’t water maakte als dat van enen waterval,

vermits zy als in een lichaam op een gedrongen zwemmen. Dog zy hielden

zig altyd buiten ’t bereik van het harpoen.

Uit die Dieren welken op ’t land en in ’t water leven, ontmoetten wy

tweemalen ene Schilpad. Zy waren beiden omtrent twee voet in de

middellyn.

[Vogels.]

Vogels ziet men genoeg in de Atlantische Zee, maar meerder Zee- dan

Landvogels.

De Stormverkondiger, by de Engelschen Petrel, by Linnæus Procellaria

Pelagica, verzelde ons van het Kanaal af tot in Amerika. Gantsche

vlugten van dezelven waren gestadig rondom het Schip, voor al daar de

Zee, door het Schip gesneden, ene gelyke oppervlakte maakte; alwaar zy

schenen neer te vallen, hoewel ze altyd aan ’t vliegen bleven. Zy

pikken op alles wat buiten boord valt, of bekyken het ten minsten.

Kleine vischjes schynen hun voornaamste voedsel te wezen. By dag maken

zy geen geluid, maar schreuwen des nagts geweldig. Men houdt ze voor

voorbodens van storm, dus het bootsvolk hun gezelschap niet gaarne

heeft en ze Heksen noemt; maar men ziet ze niet minder by schoon weder

als anders, zonder dat ’er storm opvolgt. ’T kwam my voor, en men zeide

my dat het ook zo was, dat zy somtyds langer dan een half uur onder

water bleven. Zy gelyken naar Zwaluwen; en ’t was als of zy iets van de

oppervlakte des waters oppikten.

De Shearwater der Engelschen, by Linnæus Procellaria Puffinus, is een

andere Zeevogel, dien wy overal op onze reis zagen van het Kanaal af

tot op de Kust van Amerika. Hy heeft de grootte en gedaante byna van

een Zeemeuw of een End. De rug is bruin. Hy heeft gemeenlyk om den hals

een witten ring. Zyn vlugt is zonderling en langzaam. Wy zagen duidelyk

sommigen van deze vogels op visch azen.

Den Phaëton Æthereus van Linnæus, anders den Keerkringvogel, zagen wy

het eerst omtrent den 50. gr. N. en 49. of 50. gr. ten west. van

Londen. Hy is van gedaante als een Meeuw, en heeft twee lange vederen

in zyn staart, die hem genoeg van alle andere vogels onderkennen doen.

Hy vliegt dikwyls zeer hoog.

De gemene Meuw, by Linnæus Larus canus, zagen wy op de hoogte van

Ierland.

De Zeezwaluw, by Linnæus Sterna, schoon wat donkerder van kleur dan de

gemene, vonden wy menigvuldig zodra wy op 41. gr. N. en 47. gr. ten

westen van Londen waren. Somtyds waren het troepen van enige honderden,

waarvan er enigen op het Schip kwamen zitten.

In de Amerikaansche Golf zagen wy enen Zeevogel digt by het Schip, dien

’t bootsvolk een Zeehen noemde.

Landvogels ziet men nu en dan, en somtyds zeer ver van land, zo dat men

dikwyls moeite heeft te begrypen hoe zy zo ver komen. Den 18. Aug. kwam

’er een vogeltje op ’t Schip zitten, gelykende volmaaktelyk ene Mees,

by Linnæus Parus major.

Den 4. Sept. vlogen ’er enige Landvogels rondom het Schip, die de

Strandzwaluwen, by Linnæus Hirundines ripariæ, zeer gelyk zyn. Zy

kwamen somtyds op de zeilen zitten. Op den rug waren ze grys-bruin, op

de borst wit, de staart was een weinig verdeeld. Een zware regenbui

dreef ze van ons van daan. Den 2. Sept. zworf ene zwaluw tegens den

avond rondom het Schip, en kwam somwylen op de mast zitten. Zy scheen

zeer vermoeid te zyn. Enige malen kwam zy aan de vensters der kajuit,

als zogt zy daar hare toevlugt.

Den 10. Sept. zettede zig een grote vogel, dien wy voor een Uil

hielden, op onze zeilen. Het zelve deed ook een klein vogeltje.

Den 12. kwam ’er een Boomspegt op ons want zitten. Zyn rug was grauw

gespikkeld. Een andere landvogel uit het mosschengeslagt kwam ook ene

toevlugt by ons zoeken.

[Zeevuur.]

In het Kanaal en in den Oceaan zagen wy des nagts het water ligt geven,

vooral daar het in beweging werd gebragt; somtyds zwom een enkelde vonk

meer dan een gehele minuut lang voor datze verdween. Men ziet dit het

meest gedurende of kort na enen storm uit het noorden. Dikwyls is de

zee als ware het vol vuurs; en deze blinkende vonken zetten zig niet

zelden tegens de masten of de zeilen. Somtyds heeft dit ligt niet de

gedaante van vonken, maar gelykt eer naar het ligt dat verrot hout

geeft. [9]

Het Theemswater, dat onzen voorraad van varsch water uitmaakte, wordt

gehouden voor het beste, dat men hebben kan. In eiken tonnen opgesloten

wordt het schielyk een weinig stinkende en bezinkt, dog die kwade reuk

gaat ’er schielyk af, wanneer men het in grote stenen kruiken twee uren

lang in de open lugt laat staan. Dikwyls vatten de dampen welken uit

een ton komen, die lang toegeweest is, vuur, als ’er een kaars by komt

wanneer men de ton opent; en het Theemswater wordt geagt dit meer te

hebben dan enig ander, schoon my gezegd wierd dat het met alle ander

water even eens is.

[Vervolg van het Dagverhaal.]

Maar om den draad van het verhaal weer optevatten. Zodra wy ’t anker

voor Philadelphia hadden gesmeten, kwamen velen van de Inwoonders aan

boord, om te horen of ’er ook brieven voor hun waren. Ik ging met den

Kapitein aan den wal. Eer hy ’t boord verliet, beval hy den

Onderstuurman striktelyk, van genen der Duitsche Vlugtelingen naar land

te laten gaan, voor hy zyne vragt, of zelfs, of iemant anders voor hem,

betaald, of dat hem iemant gekoft had.

[Brieven van voorschryving.]

By myn vertrek van Londen had ik brieven van voorschryving gekregen van

de Heren Abraham Spalding, Peter Collinson, Doctor Mitchell en anderen

aan hunne Vrienden alhier. Dus was het my ligt kennissen te maken. De

Heer Benjamin Franklin, aan wien Pensylvanie voor hare welvaart, en de

geleerde wereld voor zyne nieuwe ontdekkingen in de Elektriciteit, zo

grote verpligting hebben, was de eerste die my bekend deed worden. Hy

gaf my alle nodige onderrigtingen, en bewees my alle mogelyke diensten.

[De Landsgestelte.]

Reis door Noord Amerika · 第 1 / 50 段