[1] Tegenwoordig vindt men naast dit gebouw een huis, waarin de
eigenlijke kantoren van Delfland gevestigd zijn.
[2] Wij volgen hier Jhr. B. W. F. v. Riemsdijk, Historische
beschrijving van het Klooster Sinte Agatha, met het Prinsenhof
te Delft.
[3] In den toren wijst men nog het kamertje, waar Balthasar Gerards
gevangen gezet werd na zijn moord.
[4] Wij laten hier een volledig overzicht volgen van de vorsten
en vorstinnen uit het Huis van Oranje-Nassau, in dezen grafkelder
bijgezet:
Overleden. Bijgezet.
1. Prins Willem I 10 Juli 1584. 4 Aug. 1584.
2. Louisa de Coligny, gemalin van
Willem I 9 Oct. 1620. 24 Mei 1621.
3. Prins Maurits 23 April 1625. 25 Sept. 1625.
4. Elizabeth, dochter van Prins
Frederik Hendrik 4 Aug. 1630. 18 Aug. 1630.
5. Hendrik Lodewijk, zoon v. Prins
Frederik Hendrik 29 Dec. 1630.
6. Elizabeth, echtgenoote van Henri de
la Tour d'Auvergne, Hertog v.
Bouillon 17 Mei 1642. 17 Juni 1642.
7. Prins Frederik Hendrik 14 Maart 1647. 10 Mei 1647.
8. Catharina Belgica, dochter van
Prins Willem I 12 April 1648. 5 Mei 1648.
9. Prins Willem II 6 Nov. 1650. 8 Maart 1651.
10. Amalia van Solms, gemalin van Prins
Frederik Hendrik 8 Aug. 1675. 21 Dec. 1675.
11. Eerstgeboren dochter van Prins
Willem IV 19 Dec. 1736. 22 Dec. 1736.
12. Prins Willem IV 22 Oct. 1751. 4 Febr. 1752.
13. Anna, gemalin van Prins Willem IV 12 Jan. 1759. 23 Febr. 1759.
14. Georg Willem Belgicus, oudste zoon
van Carel Christiaan, Vorst van
Nassau-Weilburg 27 Mei 1762. 1 Juni 1762.
15. Een doodgeboren kind van den Vorst
van Nassau-Weilburg 15 Oct. 1767. 24 Oct. 1767.
16. Eerstgeboren zoon van Prins
Willem V 23 Maart 1769. 28 Maart 1769.
17. Willem Frederik George, zoon van
Prins Willem V 6 Jan. 1799. 3 Juli 1896.
18. Frederica Louisa Wilhelmina,
gemalin van den Erfprins van
Brunswijk-Wolfenbuttel 15 Oct. 1819. 26 Oct. 1819.
19. Frederika Sophia Wilhelmina,
gemalin van Prins Willem V 9 Juni 1820. 27 Nov. 1822.
20. Willem Alexander Ernest Casimir,
zoon van Koning Willem II 22 Oct. 1822. 10 Mei 1840.
21. Willem Frederik Nicolaas Karel,
oudste zoon van Prins Willem
Frederik Karel 1 Nov. 1834. 5 Nov. 1834.
22. Frederica Louisa Wilhelmina,
gemalin van Koning Willem I 12 Oct. 1837. 26 Oct. 1837.
23. Koning Willem I 12 Dec. 1843. 2 Jan. 1844.
24. Willem Frederik Nicolaas Albert,
zoon van Prins Willem Frederik
Karel 23 Jan. 1846. 28 Jan. 1846.
25. Willem Alexander Frederik
Constantijn Nikolaas Michiel,
zoon van Koning Willem II 20 Febr. 1848. 21 April 1848.
26. Koning Willem II 17 Maart 1849. 4 April 1849.
27. Willem Frederik Maurits Alexander
Hendrik Karel, oudste zoon van
Koning Willem III 4 Juni 1850. 10 Juni 1850.
28. Anna Paulowna, gemalin van Koning
Willem II 1 Maart 1865. 17 Maart 1865.
29. Louisa Augusta Wilhelmina Amalia,
gemalin van Prins Willem Frederik
Karel 6 Dec. 1870. 21 Dec. 1870.
30. Amalia Maria da Gloria Augusta,
gemalin van Prins Willem Frederik
Hendrik 1 Mei 1872. 17 Mei 1872.
34. Sophia Frederica Mathilda, eerste
gemalin van Koning Willem III 3 Juni 1877. 20 Juni 1877.
32. Willem Frederik Hendrik, zoon van
Koning Willem II 14 Jan. 1879. 25 Jan. 1879.
33. Willem Nicolaas Alexander Frederik
Carel Hendrik, zoon van Willem II 11 Juni 1879. 26 Juni 1879.
34. Willem Frederik Karel, zoon van
Koning Willem I 8 Sept. 1881. 23 Sept. 1881.
35. Willem Alexander Karel Hendrik
Frederik, zoon van Koning
Willem III 21 Juni 1884. 17 Juli 1884.
36. Koning Willem III 23 Nov. 1890. 4 Dec. 1890.
[5] Dit gedicht luidt aldus:
Hugoni Grotio
Sacrum.
Prodigium Europae, docti Stupor unicus orbis,
Naturae augustum se superantis opus
Ingenii coelestis Apex, virtutis Imago,
Celsius humana conditione Decus,
Cui peperit Libani lectas de vertice cedros
Defensus verae religionis honor,
Quem lauru Mavors, Pallas decoravit oliva,
Quum bello et paci publica jura daret;
Quem Thamesis batavae Miraclum et Sequana terrae
Vidit, et adservit Suenonis aula sibi;
GROTIUS hic situs est. Tumulo discedite, quos non
Musarum et patriae fervidus urit amor.
De dichterlijke vertaling van deze Latijnsche verzen, door P. G. Witsen
Geysbeek, luidt als volgt:
Gewijd aan Hugo De Groot,
Het Wonder van Europe, als wijze al d' aard ten zegen;
't Gewrocht, waarin natuur zichzelf veredeld heeft;
't Vernuft, als beeld der deugd, tot 's hemels top gestegen;
't Sieraad, dat 's menschen stand zeer verr' te boven streeft;
Dien de achtbre Godsdienst als verdediger waardeerde,
En cedren toereikte, op den Libanon gehaald;
Dien Mars met lauwren, met olijven Pallas eerde,
Toen hij het regt van vrede en oorlog had bepaald:
In wien de Seine en Theems het wonder der Bataven
Aanschouwen: 't hof ten dienst van Zwedens rijksvorstin:
Ontwijk' dit lijkgesteent': De Groot ligt hier begraven,
Gij, die niet gloeit van zucht naar kunde en vrijheidsmin.
[6] Geestgronden.
[7] Westerbaen, in 1599 in Den Haag geboren; hij studeerde voor
dokter, huwde met Anna Weytsen, de weduwe van Reinier van Groeneveld,
Oldenbarnevelts zoon, en vestigde zich later op het landgoed Ockenburgh
bij Loosduinen, dat hij door zijn rijmkunst verheerlijkte.
[8] Zeker moet hieronder de tegenwoordige Lee verstaan worden, welke
door de Lier loopt, zoodat Naaldwijk aan een watertje zal gelegen
hebben, hetwelk in de Maas uitmondde.
[9] Zie over deze geschiedenis der droogmakerijen nader H. Blink,
Geschiedenis van den landbouw in Nederland I en II.
[10] Het spreekwoord luidde in de 16e en 17e eeuw "zoo oud als de
weg": later werd er bijgevoegd: "van Rome", "van Kralingen" enz.,
als om het denkbeeld van oudheid, reeds in het eerste gelegen, maar
niet in 't oogvallend, te versterken. (Stoett. Spreekwoorden.)
[11] Een overlevering fabelt, dat twee zusters de beide kerken in het
oude Sliedrecht zouden hebben gebouwd, waarvan de eene prachtig, de
andere zeer eenvoudig was. Zij, die de prachtige kerk had gebouwd,
spotte in ijdele trotschheid met de kerk harer zuster. De laatste
ontstemde dit zeer en met een ernstig gezicht voegde zij haar
zuster profetisch tegen: "Mijn kerk zal staan, en uw kerk zal
vergaan". Die profetie werd vervuld door den watervloed van 1421,
zegt de overlevering verder, die gaarne ijdele trotschheid met de
noodige straffen kastijdt. Niet onwaarschijnlijk is aan het vergaan
van een der kerken bij genoemden vloed de legende vastgeknoopt, zooals
de zucht des volks, om de zaken met elkander in verband te brengen,
dit gaarne doet.
[12] De bijnaam de Sterke werd aan dezen heer van Arkel gegeven
wegens zijn buitengewone kracht. Men verhaalt van hem, dat hij, te
paard gezeten, zijn arm om een balk slaande het paard tusschen zijn
knieën kon oplichten.
[13] Dit slot in de Zwijndrechtsche waard werd in 1824 gesloopt.
[14] Men zie hierover het belangrijke werkje van Mr. Overvoorde:
Oude gebouwen te Dordrecht, uitgegeven door de Vereeniging
tot instandhouding van Oude Gebouwen in Dordrecht 1900.--Aan de
bereidwilligheid dezer Vereeniging danken wij het gebruik der plaatjes
op pag. 148 en 161.
[15] Hier volgt ter vergelijking een opgave van de tijden, waarin
verschillende oude kerken in Nederland zijn gebouwd.
De Domkerk te Utrecht bestond vóór 1015, doch aan den toren zou
men in 1320 begonnen zijn te bouwen. De Pieter- en Pauluskerk te
Leiden dagteekent van omstreeks 1180; de Groote Kerk te Breda is
waarschijnlijk in het begin der 13e eeuw gebouwd; de Oude Kerk en
toren te Delft zijn van ±1240-1289 gebouwd; de Groote Kerk en toren
te Gouda zijn tusschen 1210 en 1250 tot stand gekomen; de Stevenskerk
en toren te Nijmegen zijn in 1254 begonnen, in 1273 voltooid; de
Hooglandsche Kerk te Leiden is in 1280 begonnen, in 1315 voltooid; de
Groote Kerk te 's-Hertogenbosch, begonnen 1280; Nieuwe Kerk te Delft,
begonnen 1384, voltooid 1476; de Groote Kerk en toren in Den Haag,
waarschijnlijk in de laatste helft der 14e eeuw begonnen, werden
in het begin der 15e eeuw voltooid; de Groote Kerk te Rotterdam,
in 1412 aangevangen, is omstreeks 1512 voltooid; de toren werd in
1449 begonnen en in 1646 voltooid.
[16] Aan deze vormingsgeschiedenis des bodems heeft het eilandengebied
een der oudste takken van nijverheid in deze gewesten te danken. In
deze kustlanden werd het zout tot de 15e eeuw veelal verkregen, door
dat oude, met zout doortrokken veen uit te graven en te verbranden,
waardoor in de asch het zout overbleef. Men noemde deze nijverheid
het "selbarnen" of "zoutbranden". Wanneer men hiermede aanving,
valt niet te zeggen: volgens enkele schrijvers was het onder de
Frankische koningen al sterk in zwang; in de 13e eeuw was de zouthandel
daardoor een belangrijke handel voor de Zeeuwsche steden. Zieriksee
zou zijn opkomst aan het zoutbranden te danken hebben. Ook op Tolen,
Zuid-Beveland en elders was het zoutbranden van groote beteekenis. Op
de plaatsen, waar de zoutbranderij gedreven werd, zag men nog lang de
heuvels van zelkasch, uit de overgebleven asch gevormd, waarmede men
geen weg wist, en tot belten bijeengebracht. Thans zijn die meest alle
verdwenen; omdat de asch voor de glasblazerij nuttig bleek, werden
zij met voordeel afgegeven. Ook te Enkhuizen en in Friesland, op de
Sleeswijksche eilanden en elders had het zoutbranden vroeger plaats.
De landvernieling, die dit veengraven, om er zout van te branden,
ten gevolge had, wekte in het deltaland steeds meer bezorgdheid. Men
vreesde in de middeleeuwen, toen de rijzende waterstand het gevaar
nog verhoogde, voor den ondergang des lands. Daarom werd in de 15e
eeuw het darinkdelven (derrie of darink is de naam van het lage veen)
herhaaldelijk bij plakkaten beperkt en in 1515 door Karel V geheel
verboden. Daar in dien tijd grof zout door den handel uit Spanje
werd aangevoerd, was het zoutbranden ook niet zoo noodig meer, om
het gewenschte produkt te verkrijgen.
[17] Sebastiaan de Lange, van ter Veer.
[18] Ewout Pietersz. Worst.
[19] Lodewijk Boisot.
[20] Adriaan Willemsz.
[21] Jan en Joost de Moor.
[22] Lieven Jansz. Kaersemaker.
[23] Pieter Haeck, baljuw van Middelburg.
[24] Geslacht der Evertsens.
[25] Joost en Adriaan Bankert.
[26] Veere is in de laatste jaren iets vooruitgegaan. In 1890 telde
de gemeente 175 huizen, waarvan 26 onbewoond; in 1900: 204 huizen,
waarvan 3 onbewoond.
[27] Museum Catsianum.
[28] Het ontstaan der gemeentelijke bezittingen en van de
gemeenschappelijke gronden in het algemeen vindt men uitvoeriger
uiteengezet in H. Blink, Geschiedenis van den boerenstand en den
landbouw in Nederland.