Noord-Brabant! Onwillekeurig kwam voor niet langen tijd bij den
Hollander een onaangenaam gevoel op, als hij Noord-Brabant moest
bezoeken, nog meer, als hij genoodzaakt was, daar zijn woonplaats
te kiezen. Het land "aan gene zijde van den Moerdijk" beschouwde
men als het uiteinde van Nederland, en Limburg werd nauwelijks tot
Nederland gerekend.
Zelfs was het geruimen tijd een slechte naam voor den vreemdeling,
als hij in Noord-Brabant verblijf koos of moest kiezen. Dit gewest
werd aangewezen voor vele jongelieden van rijke familiën, die in
den strijd met de wereld voor haar verlokkingen bezweken waren,
en hier werden uitbesteed, om er te wonen en minder aan verleiding
te zijn blootgesteld in de stille dorpen. Zenuwlijders, dronkaards,
verkwisters en dergelijke lieden werden tot in het eerste gedeelte der
19e eeuw ondergebracht bij de Noord-Brabantsche boeren, die in deze
schrale landouw met weinig economische ontwikkeling de voordeelen,
daaraan verbonden, goed konden gebruiken. Op tal van dorpskerkhoven
vindt men zware zerksteenen met wapens en namen der aanzienlijkste
geslachten uit den lande. Men zou aanvankelijk vermoeden, dat hier
de rustplaatsen van ambachtsheeren en hun familieleden gevonden
worden. Veeltijds is dit niet het geval en zijn het bestedelingen
uit Holland geweest, die hier door de zerk met familiewapen en naam
de laatste herinnering aan een treurig bestaan hebben achtergelaten.
Gelukkig is de verhouding tot en ook de geographische kennis van
het zuiden van ons land veel verbeterd, maar naar zijn rechte waarde
wordt Noord-Brabant nog zelden geschat, vooral wat betreft het typisch
landschapsschoon en zijn eigenaardige volkstoestanden. Zeker, Breda
kent menigeen; het Liesbosch en Mastbosch, Prinsenhage en Ginneken
zijn bekende plekjes geworden; een enkele verdwaalt nog wel eens
in het Ulvenhoutsche bosch, maar daarmede heeft men gewoonlijk het
grensgebied van zijn zomerbezoeken bereikt en wat buiten deze plaatsen
ligt, is terra incognita. De meesten sporen Tilburg, Eindhoven en
Helmond schier achteloos voorbij, alleen met de opmerking, dat er vele
fabrieksschoorsteenen rooken, maar weinigen komen tot het besluit,
deze steden te bezoeken, en nog minder, om het achterliggende land
te doorkruisen of langs de overige dorpen van Noord-Brabant rond
te zwerven.
En toch, die onverschilligheid kan enkel voortkomen uit onkunde. Want
het Brabantsche landschap heeft veel zelfstandig schoons.
De toon der Noord-Brabantsche natuur heeft iets eigenaardigs,
geheel anders dan elders op de zandgronden in ons land. Men ziet,
men proeft, men ruikt en gevoelt het, dat men in Noord-Brabant is,
zonder dat men zich in bijzonderheden rekenschap kan geven, waardoor.
Een zacht waas van rust ligt over de landbevolking, en het schijnt,
alsof de geleidelijke overgangsvormen in den bouw van het landschap
daarop invloed hebben uitgeoefend. Want terwijl de natuur rustig
en lachend is, doen de bewoners, bij hun over 't geheel armoedig
voorkomen, zich kennen door goedhartigheid en vriendelijkheid, door een
opgewekten levenstoon, die getuigt van tevredenheid, met datgene, wat
hun is aangeboden aan de tafel des levens. Van hooge aspiraties zijn
zij niet vervuld. In de sombere en geenszins altijd even zindelijke
keuken der kleine boertjes zal de schamel gekleede vrouw des huizes
ook den vreemdeling met welwillende gastvrijheid ontvangen, en hem
gaarne iets aanbieden van hetgeen keuken of kelder bezit.
Zoo paart zich het karakter der bewoners aan de natuur van het
landschap in Noord-Brabant en van beide zal men houden, als men
ze kent.
In Holland kreeg ik lief de zomerweiden,
doorvlekt van 't loome vee; het hooge gras
van 't hooiveld, bont doorbloemd; in 't veen den plas,
omzoomd door riet, en 't elzenbosch bij zijde;
de blanke en bochtige IJsel, die bij was
den uiterwaard bestroomde; booten spreiden
er golven schuin op 't vlak, dat zij doorsnijden,
die slaan aan dijk in 't riet met ruischgeplas.
Hoe zou het zandig Brabant nog behagen,
mij, kind van spel op dijk, in stroom en wei?
wat zou ik eenzaam staan op wilde hei,
zong Is. P. de Vooys, toen hij het eerst dit land leerde kennen. Maar
nadat hij er had rondgedoold over de heiden en door de bosschen,
klonk het als kinderlijk dankbaar:
Mijn zomersch land, dat ik zoo vaak doorreed
op gladden grintweg, dwars door bosch en hei,
naast open akkers, langs de stille wei,
door eik- en elzenstruik wuivend omkleed,
U dank ik vroom voor 't heldere urenblij,
den akker, dien ik zwaar bearbeid weet,
de hei, van eenzaamheid zoo grensloos breed,
grasvlak en bosch, wier vree 'k mij vaak ontzei.
Slaan wij thans een blik op de gesteldheid en de
ontwikkelingsgeschiedenis van den bodem.
Het grootste gedeelte van Noord-Brabant bestaat uit lichtgolvende
terreinen van zandgronden met geringe hoogteverschillen en zacht
in elkander overgaande terreinhellingen. De zandgronden nemen het
geheele zuiden in beslag; zij worden alleen in het noorden en westen
afgewisseld door een strook van kleigronden, die in het noordwesten
de grootste breedte hebben, en welke wij reeds leerden kennen, toen
wij van Oudenbosch over Steenbergen naar Tolen reisden. (Zie pag. 195).
De door geleidelijke overgangen golvende bodem is kenmerkend voor
het grootste deel der zandgronden van Noord-Brabant. Alleen een
uitzondering maken hierop de zandverstuivingen, welke, hetzij nog
in beweging, als de wind krachtig waait, hetzij vastgelegd door
de dennenbosschen, zoo hier en daar te midden der heiden worden
aangetroffen. Van de bewegelijke zandverstuivingen vindt men er
in den tegenwoordigen tijd niet vele meer; zij zijn meest door de
uitbreidende boschcultuur aan banden gelegd.
Voor den opmerkzamen waarnemer valt het bij een wandeling over
de velden van Noord-Brabant al spoedig in het oog, dat de bodem
er in samenstelling en oppervlakte-vormen nogal verschilt van
dien der zandgronden in Drente, Overijsel en Gelderland. In deze
laatste gewesten komen talrijke scherp geteekende reliefvormen
voor, hoogteruggen en heuvels met steile hellingen, die de vlakten
afbreken. In Noord-Brabant daarentegen is het, alsof een reuzenschaaf
den bodem heeft afgevlakt en genivelleerd. En als men iets nader
den grond beschouwt, ziet men ook, dat de hoekige, kantige, zware
keien van de Drentsche heiden in Noord-Brabant in 't geheel niet
gevonden worden. Zelfs de kleinere keisteenen van het grint, dat in
Noord-Brabant in regelmatige lagen wordt aangetroffen, hebben een
afgeronde of afgeslepen gedaante en dragen duidelijk de sporen,
dat zij over elkander werden gerold en geschoven gedurende lange
perioden, en daardoor een krachtig werkend afslijpingsproces hebben
ondergaan. Het zijn dezelfde soort van afgeslepen steenen, als men
in de snelstroomende rivieren van het bergland kan waarnemen, waar
door het afdrijvende water het rotspuin der bergen snel over elkander
wordt bewogen en zoo afgeschuurd tot deze gedaante.
Die steenen, in verband met de ligging van grint en zand in geregelde
lagen, benevens andere verschijnselen, hebben aan de aardkundigen de
gegevens verschaft, waaruit de geschiedenis van dezen bodem valt af
te leiden. Wij kunnen ons dat proces als volgt voorstellen. In het
geologisch tijdperk, dat men het Diluvium noemt, lag dit land geheel
onder water. De Maas, in den benedenloop met den Rijn vereenigd,
stroomde als een reusachtige breede stroom over een groot gedeelte
van het landschap naar zee, en niet onwaarschijnlijk voegde in het
westen langs het dal der stroompjes, die bij Breda samenkomen en
door de Mark verder vloeien, de Schelde haar wateren hierbij. De
groote waterrijkdom dezer rivieren in dien tijd was het gevolg van den
bekenden ijstijd, dien wij in deel I al beschreven, toen de gletschers
en sneeuwvelden der Alpen zich over een gedeelte van Zuid-Duitschland
voortschoven. Door het afsmelten van dat ijs en die sneeuw ontstond
een groote waterafvoer, waardoor genoemde rivieren zoo sterk met
water bezwaard werden, dat zij geheele landstreken in den benedenloop
overstroomden gedurende een lange periode. Als reuzenrivieren bruisten
die stroomen over het land, nu hier, dan daar weder een eenigszins
diepere bedding vormend, maar overal zachte hellingen doende ontstaan
en de heuvels afslijtend.
Deze rivieren voerden met hun snellen stroom het puin der vaste
rotsen uit het brongebied mede, schoven het voort over de bedding en
schuurden het daardoor op hun langen weg in groote tijdsperioden af
tot afgeronde stukken, welke wij hier nog vinden in den bodem. In den
benedenloop lieten zij het steenpuin liggen en zoo is het opgehoopt
tot vrij vlakke lagen. Voor een gedeelte is dat steenpuin verweerd tot
fijn zand, voor het grootste gedeelte was het reeds tot zandkorrels
geworden, toen de rivieren het hier aanvoerden.
Deze steenen en zandkorrels toonen nog duidelijk aan, dat zij van
zuidelijke afkomst zijn. Als wij hier over de heiden wandelen,
glinsteren na een regenbui ons allerwegen de witte kwartskorrels
tegen in den grond. Die witte kwarts nu is een produkt, voornamelijk
van de rotsen uit het Rijn- en Maasgebied afkomstig.
Wij wandelen hier dus op een bodem, door de rivieren in den diluvialen
tijd van de rotsen der Ardennen, de Vogezen en uit Lotharingen,
enz. aangevoerd en neergelegd tot regelmatige, zacht hellende lagen. De
breede, glooiend afloopende, ondiepe geul, waarlangs dwars door
Noord-Brabant de riviertjes de Dommel, de Aa en hun bijstroomen naar
Den Bosch stroomen, wijst nog het oude, verloopen gedeelte van den
diluvialen Maasloop in een zwak overblijfsel aan. De oude Scheldeloop
heeft zoo waarschijnlijk haar sporen nog in het dal der Mark, voorbij
Breda, achtergelaten. Toen in den tijd na het Diluvium dit landschap
boven water kwam, lag het daar, zooals het laatstelijk gemodelleerd
was door de afzwakkende rivieren, die allengs een meer bepaalde en
vaste bedding hadden overgehouden.
In den aardbodem vinden wij nog vele overblijfselen, welke van zijn
geschiedenis getuigen. De uitgebreide leembanken, welke op vele
plaatsen op eenige diepte onder de oppervlakte worden aangetroffen,
herinneren aan de voorhistorische rivierloopen, welke hier klei
hebben neergelegd, die later weder door zand- en grintlagen werd
overdekt. Thans worden zoo hier en daar die oude kleilagen uit de
diepte opgedolven voor de steen- en pannenbakkerijen, welke men op
onderscheidene plaatsen in Noord-Brabant in de heiden kan aantreffen.
Een aangename afwisseling in het landschapskarakter geven de vele
riviertjes, die den bodem hoofdzakelijk in een richting van het
zuiden naar het noorden doorsnijden. Vriendelijk, met allerlei
speelsche bochten zich buigend en wringend, slingeren zij door het
Brabantsche landschap, als zilveren linten de talrijke dorpen en
gehuchten tot hoofdlijnen van het leven en verkeer der bevolking aan
elkander schakelend.
Bij den bovenloop, nabij en over de zuidelijke Rijksgrens, ziet men
de eerste stadiën der wordingsgeschiedenis dier beekjes nog duidelijk
in de heiden. Uit moerassige, lage terreindeelen met struiken en
heide, hier en daar met eenig riet en andere moerasplanten begroeid,
plekken, waar het water samenloopt en door de onderliggende dichte
leemlaag niet in den bodem kan wegzinken, ziet men dergelijke beekjes
te voorschijn komen, eenzaam door de heide dwalend, schier zonder
groenen oeverzoom, of deze slechts tot een smalle strook beperkt. Maar
het stroomende water komt in de diepte in aanraking met de leemlagen
van den ondergrond, lost van dat leem iets op en voert het mede,
om het verder benedenwaarts als sliblaagjes neder te leggen langs
de oevers. Zoo ontstaan de schoone groengronden langs de stroompjes,
de met frisch, groen gras begroeide rivierzoomen, waarboven op vele
plaatsen reeksen wilgen en populieren hun slanke gestalten opbeuren
uit het lagere hakhout, dat de landen en wegen begrenst. Het is,
of de natuur van het zuiden naar het noorden reuzenguirlandes over
het Brabantsche landschap slingert, die de sombere eenzaamheid der
bruine heiden en moerassen, met hun zwarte vennen en meren, afbreken
door opgewekt leven.
Langs deze riviertjes werden oudtijds meestal de kasteelen der
heeren gebouwd; aan deze riviertjes ontstonden ook de meeste en
oudste dorpen. De riviertjes vereenigen zich op enkele plaatsen
in kommen, die centrale punten in het landschap aanwijzen, waar,
evenals de waterwegen, ook de bewoners samenstroomden bij het onderling
verkeer. In de oudheid ontstonden aldus grootere nederzettingen, dorpen
en vlekken, die niet zelden tot kleine landsteden aangroeiden. Binnen
een dergelijke kom ontstond bij de samenvloeiing van Dommel en Aa,
met hun vele bijstroomen, 's-Hertogenbosch; waar onderscheidene kleine
stroompjes samenkwamen tot de Mark en een breeder water vormden,
verrees Breda; bij Rozendaal ziet men dezelfde geschiedenis en
ook het ontstaan van Eindhoven is op deze wijze te verklaren. Van
de riviertjes ging de ontginning en inbezitneming des bodems uit;
aan hun oevers ontstonden de dorpen en van de oude nederzettingen
drong men steeds verder door in de heiden, welke de breede ruggen
der waterscheidingen tusschen de riviertjes overdekten, om die
langzamerhand te doen inkrimpen door het zich uitbreidend cultuurland.
Trots dit ontginningsproces, gedurende vele honderden jaren voortgezet,
strekken zich in Noord-Brabant nog groote heiden uit. Ongeveer 25% van
de oppervlakte wordt nog door de woeste gronden in beslag genomen. Maar
van jaar tot jaar krimpt het ledige, eentonige heideveld in.
Sedert lang werden er al pogingen aangewend, om het land met bosschen
te overdekken, en in de laatste eeuw is met kracht daaraan van tijd tot
tijd de hand geslagen. Het was vooral de invloed der Nederlandsche
Heidemaatschappij, die door wetenschappelijke voorlichting den
weg gewezen heeft, waardoor men op de schrale gronden schoone
sparrenbosschen kan doen verrijzen; in het zuiden vindt men ze reeds
in menigte, de lucht vervullend met hun opwekkende geuren.
De heiden met hun frissche natuur, door geen valsche kunst bedorven,
door geen moderne maatschappij met haar strijd en politiek, haar gedoe
en mode verontrust, treffen den dichter door hun stemmig realisme,
dat Herman Robbers juist teekent. "Bruin, rossig-vaal-bruin, naar
het oosten, zoover het oog reikt, met hier en daar wat dof-groen
van eenzame sparrenboompjes en een wazen gloed tegen de heuvlende
grondbobbels aan, lag die wijde heide, de groote, eenzame hei van het
zuidelijk Noord-Brabant, onder de dampen, die in 't zonlicht zweefden,
vaal donkerbruin in den tintel-zilveren dag, bijna zwart zelfs den
kant uit van de zon. In 't noorden en westen, in strak rechte lijnen,
een ruige zelfkant van dennenbosch, duizendpootig, en in 't zuiden,
tusschen de hei, die in rustige verte verdween in donkeren boschrand,
de torenspits met het zwarte kruisje, de daken der lage huizen en
hutten, de ruggen der beesten, het armelijk beetje bebouwde grond.
De vèr, vèr blauwende hemel, toch één met het liggende land door de
stilte die groot is, heerscht altijddurend. Het knerpen der krekels,
noch 't vinkengesjilp, noch 't regelmatig geroep van een eenigen
vogel, die hoog in de lucht heen en weer scheert, kunnen haar deren,
de stilte, noch ook het rommelen, dof, van een boerenkar over den
smallen, vast aardenen weg naar het dorp toe".
Op die heiden met hun veenplassen of vennen en te midden der
sparrenbosschen van Noord-Brabant lag het tooneel, waar het dichteroog
van Dr. Schepers zijn Bragi-zangen zag geboren worden en ontwikkelen
tot een goden-mythe.
Zonnelicht zweeft,
Gezeefd door de sparren;
Glad van glanzen glimt het ven;
't Blauw met de bolle
Blinkende wolken
Rimpelt in 't riet omruischte ven.
Heerlijk, zoo half
Omkuifd door den dommel,
Droomend te drijven op 't dobberend vlot,
Te zwemmen, waar 't zonlicht
Zuiltjes van licht maakt;
Te spartelen onder de spar.
Maar boven dat blauw,
Wie boodschapt mij
Van 't heerlijke, hooge Walhal?
Zou het er zaliger zijn?
J. B. Schepers.
Over de heiden doolt zoo hier en daar nog de herder rond met zijn
kudde, sleeploopend met zijn staf, de lange dagen aaneen, en als dan de
Gulden avond gloort
op deinende heide,
gaan de moegeweide
schapen vredig voort.
Stil is de lage lucht--
En de oude herder
hoedt ze langzaam verder
naar het klein gehucht.
J. L. Walch.
Bovenal doet het Brabantsche landschap zijn kostelijk schoon uitkomen
in den herfst, op die stille, zonnige dagen, welke geheel passen in den
toon dezer droomerige natuur, en haar tooien met feestelijke kleuren.
Want in het najaar, als het land gaat slapen,
Wordt alles zoo volkomen schoon;
Dan draagt het, al te kort, een koningskroon
Van louter bladgoud om de lichte slapen.
Frans Bastiaanse.
Wat aangaat de cultuur en ingebruikneming des bodems is het
landschapskarakter in Noord-Brabant ook een geheel ander dan in de
overige gewesten der gecultiveerde zandgronden van Nederland. Flinke,
aaneengesloten weiden, die men in Gelderland, Overijsel en Drente
op de zandgronden nog wel vindt, ziet men in de zuidelijke gewesten
van Noord-Brabant weinig. Het zijn meestal kleine stukjes grasland,
die dikwijls onafgescheiden aan de eveneens kleine stukken bouwland
grenzen en waarop één à twee koeien, aan een touw gebonden, om een paal
loopen te grazen. Een klein gedeelte van den dag komen de koeien in
het land; het meest staan zij op stal en worden daar gevoed. Gemis van
voldoend grasland en overvloed van bouwland, naast de versnippering van
grondbezit, zijn de oorzaken van deze kleine landbouwkunde. Hiermede is
ook verbonden, dat koeien, zoowel als ossen, nog veel als trekdieren
gebruikt worden. De koeien, welke de melk geven, ziet men niet zelden
ook den karnmolen drijven, den mest naar het land trekken en het
groenvoeder en hooi uit het land vervoeren.
Klein, versnipperd, onregelmatig, weinig economisch en niet naar
moderne opvatting ingericht, zijn hier de landverdeeling en de
landhuishoudkunde. Wij hebben in deze schets het oog op de zandgronden
van Noord-Brabant; de kleigronden hebben een andere landverdeeling
en een ander karakter.
In overeenstemming met dien toestand is ook de welvaart, de
levenswijze en de uitdrukking daarvan in woningbouw en weelde. De
Noord-Brabantsche boerenwoning, met die in Friesland, Groningen,
Holland en ook in Drente op vele plaatsen vergeleken, maakt een pover
figuur. De tijden van welvaart voor den boerenstand, die in de overige
gewesten de boerenhuizen in heerenhuizen en villa's hebben veranderd,
schijnen over de hoofden der Brabanters te zijn heengegaan, zonder
hen te beroeren, of in elk geval zonder er veranderingen teweeg te
brengen. In het zuiden der provincie zijn de kleine boerenhuizen
(groote vindt men er weinige, door het klein grondbezit) uiterst
eenvoudig en sober gebouwd. Naar het noorden wordt de welvaart grooter,
de boerenhuizen zijn er netter en men ziet de verfkwast meer gebruikt,
die in het zuiden wel wordt vergeten. Ook in het westen, in de Baronie
van Breda, vindt men alles flinker dan in het oosten en het Peelland.
De boerenwoningen bestaan in het Z. der provincie meestal uit een
complex van gebouwtjes bij elkander; het eigenlijke woonhuis, omringd
door schuren en stallen, in schilderachtige wanorde door elkander
geplaatst. De laatste zijn alle ruwe, houten getimmerten, zonder verf
op deuren of luiken, met stroo gedekt, veelal de grijsgele wanden
gevormd uit gevlochten horden, met leem bestreken. Elk dier getimmerten
op de hofstede heeft een eigen doel. Het kleine gebouwtje ter zijde
van het woonhuis, is het bakhuis, waar men den oven vindt, waarin
de boer zijn eigen brood bakt. Ook vindt men in vele huizen den oven
terzijde van den haard in het woonvertrek. Een ander gebouwtje op het
erf is de bewaarplaats van graan, met den dorschvloer er naast; weer
een ander dient voor de kar of voor het brandhout en de heizoden. In
de uithoeken dezer getimmerten zijn de varkenshokken, enz. Eigenaardig
schilderachtig is op het erf nog de waterput met den onverschilligen
zwengel, een langen, bijna niet behouwen, ruwen boomstam.
Het hoofdgebouw bestaat uit het eigenlijke woonhuis in het
voorgedeelte, waaraan ook een schuur is verbonden. Het woongedeelte
bestaat uit een huiskamer, tevens keuken, een groot vertrek met
bedsteden langs de wanden en de ruime schouw op den binnenmuur. Daar
brandt men op het haardvuur heizoden en takkenbossen, die een
eigenaardigen, niet onaangenamen geur verspreiden, welken men bij
het naderen dezer gehuchten (ook op de Veluwe, in Drente en elders)
terstond bemerken kan. Onmiddellijk achter het woongedeelte loopt
in de schuur een dwarsgang en daarop volgt dwars door het huis de
koestal, waar de koeien steeds op den mest staan, met den kop naar
genoemde dwarsgang. Veel mest te verkrijgen is een belangrijke zaak
voor deze boertjes; al vanouds geldt hier de spreekwijze, dat "de
mest een tweede Onzen Lieve Heer is".
Met de aldus door elkander staande gebouwtjes gelijkt de hofstede
in Noord-Brabant reeds een gehucht in miniatuur. Zij roept ons
onwillekeurig de hoeven van de oude Franken voor den geest, welke
eveneens uit vele naast elkander verrijzende gebouwen bestonden, elk
voor een afzonderlijk doel ingericht. Hoe scherp stak deze woningbouw
bij het groote Saksische huis af, waar alles zooveel mogelijk onder
één dak werd samengebracht en waar de woning voor de menschen en
de schuur uit één groot geheel bestonden. (In het O. van Overijsel
vindt men nog dergelijke woningen). De veelheid van gebouwen op een
erf wordt reeds minder, naarmate men meer het N. van Noord-Brabant
nadert, en naar het Z. van Limburg ziet men spoedig eveneens een
ander type van boerenwoning.
Eigenaardig is het in Noord-Brabant, en eveneens in Limburg, dat
de gemeenten hier veel gronden in bezit hebben, voornamelijk woeste
gronden en bosschen. Dat gemeentelijk grondbezit moet wel onderscheiden
worden van de marken, welke men elders vond [28]. Van alle woeste
gronden in Noord-Brabant is ongeveer 35 % gemeente-eigendom.
In de vroegere Baronie van Breda is het gemeentelijk grondbezit niet
zoo aanzienlijk. Zeker moet dit mede daaraan worden toegeschreven,
dat hier de bodem over 't geheel vruchtbaarder is en de grootere
welvaart der bewoners hen meer leidde tot ontginningen. Aldus was
het ook gesteld in het land van Bergen-op-Zoom. Doch in de Meierij
van Den Bosch vooral heerschte door de verregaande versnippering van
grondbezit en de geringe productiviteit van het landbouwbedrijf een
algemeene toestand van soberheid of armoede bij den boerenstand in
de 18e eeuw, naast achterlijkheid.
Talrijke stukken uit de 17e en 18e eeuw zijn er, die dit bewijzen. De
heeren op de kasteelen uitgezonderd, was schier nergens de
bekrompenheid der boeren ten plattenlande zoo groot als hier. Flinke,
groote boerderijen trof men uiterst zelden aan naast de vele kleine
bedrijven met 1 à 3 runderen. Enkel boerenarbeiders vond men daarbij
betrekkelijk weinig: zij zouden geen werk gevonden hebben bij de kleine
boertjes, die zelf het boerenwerk met ruimte konden verrichten en in
een groot gedeelte des jaars nog tijd overhielden.
Daarenboven werd over geheel Noord-Brabant de toestand der bevolking
gedrukt door de ligging in een grensgewest, dat als veroverd gebied
werd beschouwd, als bezit van de Republiek, en waar van tijd tot tijd
gedurende de 16e en 17e eeuw door den oorlog de dorpen werden plat
gebrand. Zware lasten en heerlijke rechten van allerlei aard drukten
in onderscheidene dorpen de bewoners daarenboven nog in hooge mate.
Door dien toestand van armoede zochten de landbouwers in hun
vrijen tijd er iets bij te verdienen. De vlasbouw, die vanouds een
boerenbedrijf voor eigen behoefte was, evenals de schapenhouderij voor
de wol, had hen gebracht tot spinnerij en weverij in den vrijen tijd,
om hun eigen kleedingstukken te vervaardigen. Door nood gedrongen,
kwamen zij er toe om die nijverheid uit te breiden, teneinde hierdoor
hun lot te verbeteren. Het was en bleef tot in de eerste helft der
19e eeuw nog grootendeels huisindustrie, maar die gedurende de 17e en
18e eeuw, en misschien reeds vroeger, ook al werkte voor den uitvoer
naar Holland. In Brabant kon de bevolking, met bescheidener eischen,
geringer levensbehoeften en voordeeliger levensvoorwaarden, vooral
doordien het aanvullingsarbeid was bij het boerenbedrijf, goedkooper
arbeiden dan in Holland, waar bovendien de handel en scheepvaart
hooger loonen deden ontstaan. Deze bekrompen toestand der boeren in
de streken, waar de nederzettingen tot verregaande verdeeling van den
bodem en het kleine bedrijf gevoerd hadden, legde den grond voor de
industrieele opkomst.
In streken met welvaart en groote boerenbedrijven, waar alle
handenarbeid daarvoor benoodigd was, waar geen behoefte drong tot
nevenarbeid, kon de industrie niet aldus onder de boerenbevolking
ontstaan. De zuidelijke gewesten van Noord-Brabant en die van Twente,
waar de economische toestanden weinig van elkander verschilden,
werden door gelijke omstandigheden de districten der weefindustrie
bij uitnemendheid, welke vooral na het midden der 19e eeuw van
huisindustrie bijna geheel tot fabrieksnijverheid op groote schaal
overging.
In Holland, Friesland, Groningen en Zeeland, waar eveneens de
vlasteelt in vroeger eeuwen veel tot vlasserij, spinnen en weven voor
eigen behoefte aanleiding had gegeven, had dit alles reeds in de 18e
eeuw zoo goed als opgehouden een boerenbedrijf te zijn; de gunstiger
economische toestanden der boeren in deze gewesten hadden het bedrijf
doen vergeten.
De aldus ontwikkelde fabrieksnijverheid was in enkele streken ook van
invloed op de nederzettingen. Bij huisnijverheid behoefden de woningen,
verstrooid over de dorpen, niet verlaten te worden; nu de fabriek de
arbeiders elken morgen samenriep binnen haar muren, was men er meer
op bedacht, zich in de nabijheid daarvan neder te zetten. Een vorige
generatie bleef nog half boer en was half fabrieksarbeider; de jongere
werd aan den landarbeid ontwend en groeide op als fabrieksarbeider. De
inkomsten als zoodanig waren wel niet hoog, maar toch hooger dan die
van den arbeider-landbouwer. Daardoor verleerde, helaas! deze klasse
van lieden den boerenarbeid en werden zij meer en meer afhankelijk
van de fabrieken bij het maatschappelijk ontwikkelingsproces.
Door deze omstandigheden werden in de centra van fabrieksnijverheid
de nederzettingen uitgebreid en groeiden op enkele plekken de dorpen
samen tot één groote, stedelijke nederzetting. Dat was o. a. het
geval met Tilburg. In de 15e eeuw met omstreeks 3000 zielen, in 1796
met 8500 inwoners, in 1830 met 11700, in 1850 met 14600, in 1876
met 25330 zielen, telde deze plaats in 1890: 33900 en in 1900: 40600
inwoners. Twaalf wijken of afzonderlijke dorpen, waaruit Tilburg voor
een eeuw bestond, zijn tot één stad geworden.
Wat den vorm der nederzettingen betreft, is in Noord-Brabant het
lengtetype bij de meeste dorpen overheerschend. Het type der
onregelmatig verstrooide huizen, met één of meer open pleinen
of brinken, eveneens van onregelmatige gedaante, vindt men hier
niet. Schier alle dorpen zijn gebouwd in de lengte langs den weg en
vormen in de kom veelal een breedere straat, niet zelden met linden
omzoomd, waaraan het Raadhuis gebouwd is.
De grootere dorpen ontstonden veelal aan een kruispunt van wegen en
bezitten in de kern dan een kruisstraat. Ook buiten de dorpen had de
huizenbouw, waar hij meer geïsoleerd is, langs de wegen plaats. Den
boer, die in zelfgenoegzaamheid op een groote hoeve alleen woont te
midden van zijn landerijen, zooals in Friesland, Groningen, Holland
en elders, vindt men hier zelden of niet. De versnipperde verdeeling
des lands en het verstrooide landbezit maakten dit ook onmogelijk;
daarenboven streed dat tegen den aard van het Frankische volk.
Toch vindt men in Noord-Brabant op de zandgronden niet die urenlange,
eentonige dorpen der Groninger veenkoloniën. De dorpen zijn gewoonlijk
niet lang; zij worden afgebroken door schilderachtige landwegen, om
weer door nieuwe te worden vervangen. De streek-dorpen, rechthoekig
de regelmatige, strookvormige grondverdeeling snijdend, zooals wij
die vinden te Staphorst, Ruinerwold, enz., ziet men hier niet en kan
men hier niet vinden door de eigenaardige verdeeling der gronden.
Vindt men in Noord-Brabant nergens dorpen met zulke mooie boerenhuizen
als in Groningen, daarentegen is Brabant het land van kerken, kloosters
en kasteelen, zooals geen ander gedeelte van ons vaderland. Mooie
kerken vindt men er overal, op vele plaatsen trotsche bouwgewrochten,
waar overigens bij de bevolking de grootste eenvoud en soberheid
heerscht. Het is, alsof men er de nooddruft des levens bespaarde,
om den Allerhoogste een groot, Zijns waardig paleis te bouwen. Dit
verschijnsel staat in verband met den heerschenden Katholieken
godsdienst, die de kerkelijke bouwkunst steeds heeft bevorderd. In
de noordelijke streken, die meer Protestantsch zijn, vindt men minder
van die trotsche kerken, tenminste niet uit den nieuweren tijd.
Kloosters treft men er schier overal aan, in vele plaatsen meer
dan een. Het aantal geestelijke zusters in deze provincie is zeer
aanzienlijk; schier in elk dorp en voor een groot gedeelte ook
in de steden hebben zij het onderwijs van de vrouwelijke jeugd in
handen. Maar ook de monnikenkloosters nemen er in de laatste halve
eeuw weer sterk toe; de monniken deden hier soms groote gebouwen
met een uitgebreide industrie verrijzen, zooals de Trappisten in de
Schaapskooi bij Tilburg; elders wisten zij de oude kasteelen in hun
bezit te krijgen. Sedert de aanzienlijke heeren met het te gronde
gaan der heerlijke rechten en de gewijzigde eischen des levens in
den modernen tijd hun groote buitens meer en meer verlieten, werden
die veel door monnikenorden gekocht en in kloosters veranderd. Op de
binnenplaatsen en in de schoone slotgaarden, waar eens de adellijke
jonkvrouwen zich vermaakten, waar die slanke gestalten rondzweefden
in zijde en satijn, ziet men thans de monniken of geestelijke zusters
rondwaren, gebeden opzeggend of penitentie oefenend.
Vroeger vond men veel meer kasteelen in Noord-Brabant; bijna elk groot
dorp had er een. In de werken van Jakob le Roy, "Groot wereldlijk
tooneel des hertogdoms van Brabant", in 1730 verschenen met 188
kopergravuren, vindt men die kasteelen afgebeeld en eveneens kan
men ze leeren kennen in het werk van de Cantillon, "Vermakelijkheden
van Brabant en deszelfs onderhoorige landen", met 200 kunstplaten,
van 1768-70 verschenen. De trotsche kasteelen, die hun muren uit
de grachten deden verrijzen en door hun bouw herinnerden aan den
riddertijd, zijn meest alle verdwenen; enkele overgeblevene zijn
gemoderniseerd. De bevolking is er echter nog mild met de benaming
"kasteel", welke niet zelden ook aan een gewoon heerenhuis gegeven
wordt.
Als echte kasteelen kunnen wij nog wijzen op dat van Helmond, Croy
(thans klooster) en Heeswijk; ook Bouvigne heeft nog een kasteelachtig
uiterlijk.
Noord-Brabant ontleent zijn naam aan het oude landschap Brachbant, bij
Latijnsche schrijvers Bracbantum of Bracbantia geheeten, dat ten W. en
N. aan de Schelde, ten O. aan de Dender en ten Z. aan de Haine grensde
en dus het zuidoostelijk gedeelte van het tegenwoordige Oost-Vlaanderen
en het westelijk gedeelte van Henegouwen besloeg. Dit oude Brachbant
breidde zijn grenzen uit over de nabijgelegen landstreken en verkreeg
den rang van een hertogdom. Het hertogdom Brabant grensde ten N. aan
Holland en aan de Maas, die het van het hertogdom Gelder scheidde,
ten O. aan het hertogdom Gelder en het Prins-Bisdom Luik, ten Z. aan
het graafschap Namen, ten Z.W. aan het graafschap Henegouwen, ten
W. aan het graafschap Vlaanderen en voor een klein gedeelte aan het
markgraafschap Antwerpen. Door die uitbreiding en door den rang van
hertogdom was Brabant voor het einde der grafelijke regeering een
aanzienlijk gewest der Nederlanden, welks staten bij de algemeene
vergaderingen een eersten rang innamen en de eerste stem voerden. Daar
Brabant ongeveer te midden der andere provinciën gelegen was, had ook
de Gouverneur- (of Gouvernante) Generaal zijn zetel in dit gewest,
nl. te Brussel, en het opperste gerechtshof, dat zijn rechtspraak
over alle Nederlanden uitstrekte, werd door Filips den Schoone in
1504 binnen een der steden van Brabant, nl. te Mechelen, geplaatst.
Gedurende den tachtigjarigen oorlog werd het vroegere hertogdom
verdeeld en het noordelijk gedeelte vermeesterd door de Staten
der Vereenigde Nederlanden. Dit gedeelte stond gedurende den
tijd der Republiek als Staats-Brabant bekend en behoorde aan de
Generaliteit. Het omvatte het vroegere kwartier van 's-Hertogenbosch,
d. i. de stad en de Meierij van 's-Hertogenbosch, de stad en het
Markgraafschap Bergen-op-Zoom, de stad en de Baronie van Breda, de
heerlijkheid Steenbergen, de heerlijkheid Willemsstad, de stad Grave
en het Land-van-Kuik, de vrije heerlijkheden Ravestein en Megen en
nog enkele kleinere deelen. De noordelijke streek, ongeveer tot de
lijn 's-Hertogenbosch-Klundert, waartoe de dorpen der Langstraat,
Geertruidenberg, Lage-Zwaluwe, enz. behoorden, maakten in dien tijd
deel uit van Holland.
Uit dit Staats-Brabant werd de provincie Noord-Brabant gevormd,
met eenige wijziging der grenzen. In het noorden werd Noord-Brabant
uitgebreid tot de groote rivieren en werd er dus een deel van Holland
aan toegevoegd. Hier kan men nog duidelijk den vroegeren Hollandschen
invloed ontdekken bij de bewoners. Terwijl overigens Noord-Brabant
meest Katholiek is, vindt men hier nog de meeste Protestanten.
Noord-Brabant is een vroeg bewoond gewest. Hier woonden, volgens
Plinius, in het westen de Taxandriërs en in den Karolingischen
tijd strekte zich hier de gouw Taxandrië uit, naar de Taxandriërs
aldus genoemd, terwijl in het oosten, langs de Maas, de Mosago,
de Maasgouw, lag.
Zijn vaste bevolking ontving het land door Frankische stammen. De
sporen van deze oorspronkelijke bevolking zijn nog bewaard gebleven
in de taal, die een zuiver Frankisch dialect vormt. Prof. Te
Winkel verdeelt deze taal in twee afdeelingen: in West-Frankisch
en Oost-Frankisch. Het zuiver West-Frankisch wordt gevonden in:
1. Oost-Vlaanderen, 2. het westelijk gedeelte van Zuid-Brabant,
3. het westelijk gedeelte van de provincie Antwerpen, 4. het westelijk
gedeelte der Bommelerwaard, de Tielerwaard en de Betuwe. Het zuiver
Oost-Frankisch wordt gevonden in: 1. het Land-van-Maas-en-Waal, 2. het
oostelijk gedeelte der provincie Noord-Brabant, 3. het oostelijk
gedeelte der provincie Antwerpen, 4. het oostelijk gedeelte van
Zuid-Brabant, 5. in Belgisch Limburg, 6. in het grootste gedeelte
van Nederlandsch Limburg.
In het oosten van Noord-Brabant is de Peel, die eeuwen lang een moeras
vormde, dat moeilijk kon worden overgestoken, de grens van het zuiver
Oost-Frankische taalgewest. Ten oosten van de Peel, langs de Maas, in
het Land-van-Kuik en in het Land-van-Nijmegen, is het Oost-Frankisch
met Saksische elementen vermengd, al is het ook weinig. De Saksische
elementen, die zich ten O. van de Peel in het Frankisch oplosten,
bleven door gemis van verkeer voor de gewesten ten W. van de Peel
uitgesloten. Daardoor werd de Peel een grens voor de dialecten.
Het oud-Frankische karakter spreekt ontegenzeggelijk duidelijk uit de
landbevolking van Noord-Brabant. De Franken worden gekenschetst als
vriendelijk, zacht van karakter, met goedhartige, gulle inborst en
met gehechtheid aan het oude, eigenschappen, welke men hier meer dan
ergens elders terugvindt. De Franken zijn gehecht aan hun geboorteland,
geen landverhuizers, en zoo is ook hier de landverhuizing geringer
dan in eenige andere provincie van Nederland hoewel de economische
toestanden er minder gunstig zijn.
Eenvoudig zijn de Brabanters in hun leven, in hun huis, op hun
akker, met hun rijtuig, op den weg. Welk een verschil tusschen den
Brabantschen boer op den weg met den Hollandschen, Groningschen
of Frieschen vergeleken. Geen sierlijke rijtuigen vindt men in
Noord-Brabant bij de boeren, waarmede zij uitgaan of naar de stad
rijden. Men ziet hier enkel de zwaar gebouwde, ruw bewerkte karren,
met witte huiven overdekt en nauwelijks geverfd, vervoermiddelen,
welke weinig zullen verschillen bij die uit de eerste eeuwen onzer
jaartelling. Het paard schommelt in rustigen stap over den weg, terwijl
veelal de voerman er naast loopt of op zijde van het inspan zich
plaatst en door het klappend geluid van de zweep en het eigenaardig
geroep, dat het paard verstaat, het dier leidt. Zij kennen elkander,
de omgang is vertrouwelijk. Nergens wordt ook zooveel zorg besteed om
de paarden tegen den hinder van vliegen te beschermen, als hier. Overal
ziet men in den zomer vliegennetten, terwijl groene struiken het dier
om den kop wuiven. Zoo gaat het in eentonige cadans over de wegen.
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand;
Het opgeschoffeld zand zweeft naar den kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen;
Den kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zoo trekt het dier langs 't hooge, dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang;
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt,
Hoog klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang;
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukk'len samen voort, hun leven lang.
Aldus teekent Dr. Schepers den Noord-Brabantschen boer op weg. In
die stootende karren en het belgeklank ruischt een weemoedige
landschapsmuziek, welke men in de noordelijke gewesten, waar wagens
op vier wielen gebruikt worden, mist. Ook Guido Gezelle had die muziek
opgemerkt in zijn land.
Ze stappen, hun bellen al klinken,
de vrome twee horsen te gaar;
ze zwoegen, ze zweeten, en blinken
doet 't blonde gelijm van hun haar.
Ze stappen, ze stenen, ze stijven
de strengen, en 't ronde gareel
het spant op hun spannende lijven,
de voerman beweegt ze aan een zeel.
Daar Noord-Brabant langen tijd als een overwonnen gewest beschouwd
werd, twijfelde men wel eens omtrent zijn gehechtheid aan de Republiek,
te eerder daar de overheerschende godsdienst meer overeenkwam met dien
van de zuidelijke Nederlanden. Maar al was de behandeling dezer landen
vroeger geenszins die van een gelijke, al misten de Brabanters de
rechten der overige provinciën, toch bleven zij trouw aan den staat,
waarmede zij vereenigd waren, aan den Prins, dien zij beschouwden
als hun heer. "Onder die burgers blijkt ingeboren getrouwicheyt tot
haeren naturelycken landsheere, want sy altoos bereit syn geweest
mit haren prince te leven ofte sterven", werd van hen getuigd.
Den Landsheer trouw tot in den dood!
Zwoer Brabant eeuwen lang,
Der vaadren leuze in vrede, in nood,
Zij nu der zonen zang.
U klinke ons lied, 's lands Hooge Vrouw,
U, vorstlijk maagdelijn,
't Moge U de tolk van Brabants trouw,
Van Brabants liefde zijn.
klonk het in Mei 1894, bij het bezoek van H.H. M.M. de Koningin en
de Koningin-Regentes, in Den Bosch den Vorstinnen uit volle borst
tegemoet. En waar wij reisden in Brabant, overal vonden wij er
trouwe gehechtheid aan ons vorstenhuis. Ik zag dat het sterkst in de
sombere dagen der ziekte van H. M., toen ik hier ronddoolde. Schier
geen afgelegen dorp, dat ik bezocht, of de eenvoudige menschen,
die vernamen, dat ik uit Den Haag kwam, vroegen het eerst naar de
gezondheid van H. M. de Koningin.
Wij zullen thans ons tochtje door Noord-Brabant gaan maken en aanvangen
in het westen.