Achter de heuvelenvlucht van het Zocco was de zon alweêr gedaald. De
lage hemelen langs vervloot het nu al verre schittergoud wijd-uit in
strooken en banen kleur, intenselijk als metalen gebruineerd, geel
koper, rood koper en bleek aluminium; gestolten licht; brandglansen
walmend over dwaalschijnsels en verloren zweemen; en 't hemelgewemel,
dat groende als warrelgevlam van zink en natron, smeltende in veel
heftig vuur. De aarde donkerde snel; gedoofd lagen de gronden onder het
vuren van de lage atmosferen, asschig in de kuilen der dalen van duister
vol, maar op de terreinen hoog, nog gevioletteerd, begloeid door het
lichtrag uit den horizon.
Langzaam daalde nu Johan naar de stad terug, kalm onder den blusschenden
hemel.
Hij had dien dag geloopen, veel geloopen maar door, het strand langs tot
aan den riviermond en terug, toen, wat hij nog niet had durven doen,
alleen tusschen de heuvels het land in; alle bezorgdheid en vrees voor
kwade ontmoeting, hij had er niet aan gedacht. En in den namiddag was
hij naar een bekend plekje gegaan, bekend geworden, achter het kerkhof,
en hij had zich neêrgezet daar op het groene veldje, de beenen onder
zich gehaald in een gewoonte-zitten. Het was daar goed, bijna een
thuis, niemand kwam er. Van onder over het pad trok wel eens het lange
loopgeluid voorbij van een muildier met schellen aan zijn tuig, en het
"huï-huï".... van den drijver. Dat was alles. Achter de heggen kon hij
vrouwen hooren babbelen, maar niemand kon door dien gegroeiden muur
heenzien. Andere avonden was het zoo lekker geweest daar te zitten
wachten op het donker; er zoo onbespied lang-uit te gaan liggen, rustend
met al de leden, de armen wijd-uit en de handen open, als een gekruiste
op d'aard, te liggen kijken zoo, tusschen de stekels door, hoe de hemel
somberde. En weêr had hij, terwijl allengs het veldje bleeker om hem
werd en de blaadjes van het ronde kruipkruid blikkerden als schijfjes
geld, de planten-schutting langzaam-aan donker zien worden,
groen-donker, blauw-donker en bister-donker; en nu mineraal-zwart, leken
het wel versteende stronken van reuzige koolgewassen, zoo hard en
fossielig stonden de aloë's tusschen de pluizen van het week wuivende
riet. Maar de vrouwen waren opgehurkt van bij hun graven, hem
voorbijgegaan hoog loopend langs waar hij ongezien lag, daarna was hij
ook opgekomen, om vóor het sluiten der poorten nog binnen te zijn.
Rondom dauwde van den grond het duister. En het was als een vlaag
donkere regen geweest daar voorbij de stad, die tronend met het bleeke
Hooge-huis, haar steenschijn al verloor. O, de stille avond, de zachte
avond. Beneden lag daar ginds het water van de baai te duizelen,
meêviolettend onder de verre strandheuvels, strekkend hun schuiningen
uit in het weefsel der nachtkleur, lila's en blauwen doordraad met rood
en esmerald. Voorop ijlde de minaret van de moskee de huisblokken uit,
daaronder verzonken in dit uur van het gebed.
Het was in 's wandelaars hoofd nu een kalmte als voor slaap, nu de
moordende gedachten niet meer jaagden, nu ook de jacht van zijn hart uit
was. Avondrumoer zwom aan in zijn gehoor in een laag spoelen van golven,
terwijl hij ging, ging, aankijkend met de al-leêger blikken, den
al-bedroomder hemel. Langs het kerkhof volgde hij een smal spoor
tusschen de zoden geloopen; het was hierboven kil en woestijnig; lucht
van runderen wademde in zijn ingeadem.
Staâg tredend de glooiing af, voelde Johan zich loopen als zette een
ander zijn voeten aan den gang. Daar lagen de lastbeesten al neêr, de
pooten gevouwen, saâm kuddend, saâm laag. Eén was er nog tegen de lucht
aan 't opduisteren; of hij mank was, stond de kameel op drie pooten,
gekluisterd, te herkauwen stil met den rechtgedragen kop als een
windvaan voor 't nog-lichte, maar met de hoeven verschrompeld al in den
duisteren dauw.
Van beneden kwam nu het buitenwijkje opdringen in een gerommel van
plekkerige wanden, en de smerige stadsmuur kartelen uit de diepte van
het marktveld, bibberen uit een dal vol schemer met schemerend beweeg.
Er achter schoven de huizen fosforesceerend onder den vallenden nacht.
Zie, de poorten waren nog niet dicht, zwoelzwart om in te kijken, al
trager gingen zijn voeten nu over de dikke delling van het marktveld,
over den met voetzoolgaten veel bekuilden grond.
--.... Vandaag veertien dagen dat ik hier ben, kwam even een herinnering
zwerven.... toen weêr vergeten.
Hij ging over den straatweg, tusschen menschen, met hen meêloopend in de
oplossing van het licht, zelf lichtloozer en vol al grooter leêgte,
gedachteloos, gelukkig zich zoo wegsmelten te voelen gaan. Dat was een
vriendschappelijk gevoel, dat was genotrijk geworden, dat kwam bijna
elken avond weêr, wanneer hij alleen was, dat leêgworden in het langzaam
ontastbaar worden van de dingen om hem heen. Dat kwam schokloos droevig,
zonder smart, als langzaam bezwijmen bij veel bloedverlies, dat dampte
alles weg, begeerten, minnen en haten, alles weg in de éene neiging naar
het weg-willen-wezen.
Langs hem haastten de gangende steêlui voorbij; enkelen en bij meer;
vrouwen schuivende boven het ratelen der baboesjes, in nachtwitte
omhuiving; mannen stoer en groot, roeiend met armen en beenen voort in
den avonddroom, al verder-op zich meer omwikkelende met duister in dit
stervensuur. Ze verdwenen, klimmend de muren langs naar de hooge stad,
of ze doken den nacht van de poorten in. Daar ging de
sprookjesverteller, gelijk een bekend gezicht in sluimer komt en gaat;
en het vage herinneringszien kwam als een knipoog meê, van dienzelfden
man, den slangenbezweerder.... Avond aan avond had hij naar hem staan
kijken, nooit kunnend scheiden van die markt; een bekend figuur met zijn
tasch was hij er zelve geworden; tot in het late uur doolde hij er,
wanneer het veld blond lag, wijl achter de heuvelen de zon zoo
pracht-stil van de aarde wegboog. Dan stond die man in zijn wit hemd, en
vóor hem kringen van in goor-witte krooken en vouwen verscholen
Arabieren-volk; de voorste rijen gehurkt; hij gebaren aan 't maken met
zijn oud-roode tamboerijn, schuddend de haren, die zwart en lang als bij
een vrouw, en begroezeld met vuilnis waren. Met strootjes om de staarten
aan een pin gebonden, sliertten zijn slangen slap over den grond,
venijn-geel gekronkeld, glibberig languit, schimmelachtige dingen,
onbewegelijk en smerig. Maar de tongpriemen flitsten en vlijmden hun de
harde bekken uit, streelerig, koudmakende wellust-rillingen, wanneer
gaande in kringloop, de naakte voeten van den slangenman, als bezeten
dingen langs hun koppen dansten. Grimasseerend zat het volk dan te
luisteren, knippend de oogjes, klein en sluw, om de wreede neuzen rilde
het, opgegaan waren ze in het voor Johan gansch onverstaanbare verhaal,
dat over hen als uitgeniesd werd. En ze begonnen te prevelen en zij
kusten handen en gewaad zich, zoodra maar Gods naam werd aangeroepen op
den slag van de tamboerijn.... Nu draafde de man zijn loop naar huis,
geweldig spannend den grond onder zijn koelbloote beenen, de ben met
slangen hing morsig achterop zijn rug, een flard van zijn wit
toovenaarshemd hing onder den grauwen lapmantel neêr.... weg.... weg....
rinkelde de tamboeriene langs zijn zij.
Johan slenterde over het veld, dat kreetloos leêg werd, waar ezels en
honden begonnen te dolen, snuffelend met de snoeten in 't schuifelende
afval, schaduwen. Toen vond hij zich loopen op de straat achter twee
heeren aan, hij tredend bijna in den stap van hun voeten. En in zijn
hoofd redeneerde even het bewustzijn, hoe hij wel loopen kon blijven tot
die twee naar binnen gingen.... Dat was tijdig genoeg, nog wel een uur
vóor het diner.... Zoo bleef hij een eindje achter de schommelende en
schemerwitte mannen stappen die toonloos liepen te babbelen naar elkaâr,
lip-redeneerden in den avond, onder de ommekappen, onder de koepels der
tulbanden vandaan, zonder gebaren, de handen over elkander in de wijde
mouwen. Een eindje vóor de poort keerden zij om en hij deed eveneens,
liet ze voorbijgaan en keerde toen weêrom, achter hen aan loopend,
drinkend den avond en het zieltogen van den dag. Soms voelde hij wel
klein pijnlijk, licht in de verdooving van zijn wezen zijn maag gaan
hongeren, maar dat was niets, er woelden soms krampjes van binnen, 't
was of er telkens wat van zijn lijf afging en in den nacht vervloog.
Zijn kijken ging nu de leêgte tegen van aarde en hemel. Daar voor het
nog smeulende lichte, stompten als hooger grond de Engelsche en
Spaansche fonda's op, voor het groenige geviolet van de benedenlucht.
Maar westelijker was een haal geel gebleven, scherend bijna de
vluchtende terreinen, een haat-flakker van brand nog in dat eindelooze
gemurmel, in den sluimer der kleuren, in de al-aarzeling der
ommerijzing.
Hoe langs hoe meer dampte de violette nacht de vallei vol. Onder Johan's
tam-gaande voeten verzonk de straat, die aanschokken bleef als met
wiegetred zijn slaapzieken wandel, voortvloeide onder de andere
wandelaars, de weinigen die, vreemde en verstorven wezens, doolden,
gingen. Voor hem uit bleef het praten van de beide heeren gaan,
vlinderende alleene-stemmen boven den grond, en ginds daar glimmerde de
weg nog wat, waar de straat opging tusschen de glooiingen, onder het
weeë schijnsel van de zwijmelende kim. Daar, in een gewissel van oude en
verbrande gelen, verrookt, verroost, leefde nog licht boven het donkere
alomme, luister ver-af, vaag als schijnsels die komen in de gesloten
oogen na lang staren in het licht.... Want alles schijn en geen leven
meer.... schijn, schijn, in de groote onstoffelijke wereld nu....
Johan ging terug, met de heeren mede, een onnoozele wel waarvan de
gedachten verloren zijn, met als rook boven in zijn hoofd, het vaag
gevoelde weten van zijn nog vlottende eenzaamheid.
Hij had dien morgen een brief ontvangen over Gibraltar, Engelsche post,
de brief kwam uit Parijs.... Frits was in Parijs.... die brief had hem
beroerd met een plotselingen terugslag naar zich zelven. Hij had hem bij
zich gehouden, er meê loopen praten in zelfgesprek, hardop vaak praten
met den verren schijver. Hij had hem aldoor gevoeld zoo kreukelend in
zijn hand, daar gevouwen in zijn borstzak; de brief, de brief, dat was
het ding van zijn dag geweest. Iets heel vertrouwelijks was het
geworden, dat fladderende van-uit de ziel van een ander.
Van huis uit, door de donkere straatjes en toen door het lichte buiten
was het meêgegaan: hier ben ik, hier ben ik, om je oogen te dwingen naar
binnen, naar mij; hier ben ik, en ik groet, kijk hoe ik groet.... hier
ben ik en gij zijt mijn broeder, langs ratelende, stalen banen kom ik
gevangen aan.... hier vrij en zie, over de zee en door de luchten, hier
ben ik.
En hij had gewandeld, vreugdevol; zie je wel.... zie je nu wel, op het
van-binnen juichen van zijn blije ziel; het strand langs als een
opgetogen kind in slangetjes loopend tusschen de draderige hoopen bruin
sponswier, die de vloed op het strand nalaat. Luchtig, als was er in hem
een dronkenmakend zonnegas; de handen koud; maar gevoeld aldoor het
klieven van zijn warm hoofd door het zoel-schuimende licht. Wanneer hij
er sterk aan had loopen denken, dan waren zijn oogen gaan wellen en in
een weeke verteedering: O, ik wou, ik wou....
En den muur om, en de mierende drukte in, door de volste volte,
roekeloos als hoorde de wereld aan hem. Een jonge, donkere kerel was
woest gaan schelden en hij was tartend blijven staan: wel, wat wou je,
wat zou je me wel kunnen doen, denk je.... en toen had hij in eens
vergeten en aan 't lachen, aan 't lachen, omdat hij plotseling niets
anders zag dan dien grappigen mond, zoo dicht bij zijn oogen, die
ratelende en klappende en friemelende lippen. Dat deed plezier.... alles
deed plezier.... wat een gek-doende mond, dicht als een doos die klemt
en waar dan in eens rare dingen uitkomen, of als een tuitgaatje dat je
bespuwen wil, of als een elastieke kouseband, dien je met je vingers kan
rekken.... waar de man het wel over heeft....
En het klare blauw tegen en den buiten-bergweg op.... hier ben ik, hier
ben ik, en ik groet.... en tusschen het wijd wegvloeren van de heuvelen,
groen zaaigroen en roode vorenaarde, gonsde het in hem: hier ben ik,
hier ben ik.... Zoo in den zomer je wereld kan vol zijn, om je en in je
en overal, om het zonnezingen van maar éene cigale, had hij geloopen de
vlakke wegen over, met zijn ziel zwervend boven een rust van gelijke
gedachten, zoo ruim in den zondagschen dag.
Ja.... de brief had gelijk.... reizen dat was wel een heerlijk ding,
vlottend te zijn in de vlottende werelddingen, gaan, maar gaan met je
oogen vol droomen.
Telkens had hij er weêr in moeten lezen, lezen nog eens zulke in lang
niet gehoorde woorden, vriendelijk en bekend, van ziel schijnende op
ziel, bedwelmend als zoete zelf-vleierijen. En dan was hij 't schrift
gaan bekijken, nooit genoeg, en de hand, de bekende hand had hij zien
komen op het blaadje, en 't hoofd gebukt, donker boven de hand en de
stille schouders, de sterkstille schouders. En dan de hand aan 't gaan,
de rijen langs, strepend het papier, in de hersenkracht die zet de lange
visioenen op 't papier, en den warmen bloedklop door de pen neêr op het
papier, en dan de pen aan 't ijlen, dun dik, dun dik, op neêr, op neêr,
krassend, hakend, opsjouwend tegen de koortsende emotie, in den drang
van binnen, blaadjes vol nauw geboren woorden, doorhalen hier, vergeten
woorden daar, en woorden onleesbaar als raadsels gelaten door de
ontroering op 't papier.
O, die brief met zijn eindelijke erkenning; stond hij daar niet zelve
zoo, nu plotseling het leven van die twee geleden zware jaren vattend,
den wreveltijd van het stille verzet, en het langzaam groeien van zijn
haat tegen al dat hem had willen fatsoeneeren, links en rechts.... ik
voel me zoo vrij....
In een wedloop van woorden vertelde de schrijver, hoe hij het in
Amsterdam niet had kunnen uithouden. 't Had wel een vlucht geleken,
zooals hij was weggegaan, het hoofd zwaar van het omme-geredeneer, vies
geworden van zich zelven. Naar Parijs was hij gegaan, hopend daar een
grooter leven te vinden, dat meer om hem heen stond, waar hij stil en
aan zich zelven overgelaten zou kunnen werken. En Parijs, het had zich
dadelijk zoo mooi aan hem voorgedaan, nu in den damp van zijn eersten
winterdooi, het licht-lilalillende Parijs met zijn schitterende dorures,
het verguldsel als bajonetten-geflikker op hekken en spitsen en het
geglans van zijn gouden reclames boven al de willige beweging van de
boulevards.... o, je zult zien.... ik zal.... ik zal.... maar och, het
is nu zoo'n genot, dat vrije flaneeren hier langs de straat, met mijn
oogen maar voor me uit, de handen in mijn jaszak, de armen dicht aan
mijn romp.... zoo vrij.... en zeker, zoo plezierig zeker, dat ik niemand
kan tegen komen die het noodig vindt je aan je mouw te trekken, om je
eens te laten kijken wat hij mooi vindt.... O, de stumpers.... En als ik
moê word, dan ga ik zitten voor de ramen van een café, suf-oogen naar
het spektakel; of van-boven een omnibus het prettig vinden het leven in
den nek te zien, terwijl de wielen onder je zoo knarsig hun bedrijfleven
gaan en het van de boomen zoo kalmeerend neêrdrupt in je hals. Als het
me dan te binnenkomt, hoe ik me daar ginds kwellen liet tot in de wanden
van mijn atelier, hoe ik er gewichtig moet hebben uitgezien, met een
komediantengezicht, verdwaald tusschen al die bij elkaâr gestoken
hoofden, dan moet ik lachen, lachen, en dan vindt zoo'n leuke Franschman
het noodig te zeggen: "que j'ai l'air content." Maar ach, je weet ook
niet hoe gauw je er in zit in dat bedrijfleven; blijf maar weg, als je
kunt; dat het je nooit gebeure, hoe je op een oogenblik lucide, schrikt
van te zien in wat een verwarring je meêliep, hoe ge alles zaagt zoo, en
niet het stinkende gedrang tegen je zelven in.... Verbijstering....
Maar, hoor ze dan ook orakelen, roepend als marktschreeuwers, allen door
elkaâr, allemaal en niets anders toch dan: ik, ik, ik.... Bah, wat een
drukte, als je maar te gaan hebt met je oogen en rustig werkend,
verlangend voort.... wat weten wij voor anderen, slangen die we zelve
zijn met het staarteinde in den bek.... zoeken we dan nog wat anders dan
ons eigen einde....
.... En gelezen en herlezen en meêgevoeld tot in het kloppen van zijn
polsen, den naslag van dien in eenzaamheid gestilden toorn en het zachte
zelfsussen van die onstuimige ziel. Hij was er in meêgegaan tot er hem
de slapen van waren gaan gloeien.
Want in een opflakker van binnenbrand was het schrijven ten einde
gegaan.... O, nu ik hier ben, los van dat zwatelende koor, alleen met
een nieuwe wereld die tegen mijn oogen aanvaart en ze wijd open doet
gaan, nu voel ik het nog meer, dat ik toch niets anders liefheb dan mij
zelven, en al wat anderen doen en wat anderen praten me nooit gescheeld
heeft. We babbelen daar wat over een wereld, die vlottend en broos is
als van geblazen zeepwater en voelen niet, dat ons hongerend ik daar
vloekt met zijn veel, veel, en er wel sterven zal.... Welk ander wijst
mij mijn wondervol zelf, mijn zelf, waar ik in rondleef als in een roes
van raadsels, dat ik liefheb en alleen begeer; och, ook nog in de dagen
toen ik me zelven martelde en kwelde, adoreerde het toch zijn hoongod in
't carnavalspak zoo zeer. O, die weters, wij weters, onze monden zijn
maar dingen die spreken, waarmeê we wachtertje spelen voor de poort van
onze zwijgende begeerte.
Zoo weêr geschreven; en klaar als iets te zien, zag hij het gezet
tusschen hen beiden.... en voor hem was het een antwoord geweest op zijn
eigen vage gedachten. Want in zijne van natuur buiten zichzelve levende
ziel wou het groeien in gezichten en in gedachten niet. Denken; wanneer
was hij begonnen te denken, was het van 't jaar, verleden jaar of nog
vroeger. Denken, peinzen, 't liefhebben van wat er zoo om kan gaan in je
hoofd, het troetelen van je eigen overweging, het uit elkaâr rafelen van
gedachtenweefsels en het weêr weven van nieuwe. Wat was er overgebleven
van al de wijsheid, die hij toch aangehoord had uit beminde monden?
Gezegden veel, die beelden opriepen.... maar wat al woorden waren niet
voorbijgegaan. Doch, men had goed praten, ze waren gekomen, maar door,
ongevraagd, de woorden met hun naweeën van gepeins.... Wij zeggen dat,
denk er eens over, in brief op brief, van vriend op vriend.... En zoo
gewichtig zagen ze er uit, de geschreven woorden, waar elke aarzeling
in scheen verstijfd, heerscherig en overredend, al voelde hij wel
dikwijls, 't was als een reuk op een afstand, dat ze kwamen van iemand,
die zichzelven bedwelmde met woorden, woorden, woorden.... of van een
overvolle, die van zijn kracht in den wind smeet, verzot geworden op het
rondom martelen van zijn woordjes. Soms was het dan als een schreeuw in
hem: "ze willen je kwaad doen, ieder wil je kwaad doen,".... maar de
redeneering ten langen leste had weêr gevraagd: "waarom?" Zoo waren ze
telkens blijven trekken aan vezels daarbinnen, die hij niet wist dat er
waren, getrokken hadden ze aan al die draden, van zijn binnenste naar
buiten uit, ondanks hem zelven, en met pijn, met pijn, spinsels van
weêrwoorden, in brief op brief, aan vriend op vriend.... Ik heb een
gevoel, placht hij vroeger van zich af te roepen, wanneer gevraag hem in
het nauw joeg, of je mijn darmen afhaspelt; en het was eigenlijk nog
niet veel beter.
Later ook.... vandaag de opleving.... had hij zich zelven opgedrongen
dat het toch wel goed was en verstandig veel over alles te denken....
Maar och, het verveelde zoo gauw, en eer hij het wist stond hij voor een
spiegel te spotten.... kijk, het baat niets, je hoofd blijft even
groot.... wel, was lachen niet een wijs ding?
Destijds was op een nacht eens in zijn slaap een droom gekomen.... 't
was ook weêr na een brief.... vriend N. heeft zijn baard laten groeien
en ziet er nu uit als een profeet.... stond verteld.... Toen was een
groot hoofd met een schedel als een koepel, een droogvellige gevelkop
met plooien als van leêr, met tusschen de geloken oogledenspleet een
lichtvaag, koel om van te ijzen, over zijn borst gebogen geweest. En
het hoofd verlengde zich nog door een baard, een langen profetenbaard,
eerst wit, daarna rood als oude wijnmoer. En dat stroomde over het laken
en dat knapte in 't slepen als gloeiende metaaldraden die koud willen
worden. En het hoofd, bovenop, dampte en borrelde gelijk water dat aan
de kook is. En hij was, de ontzetting, in zijn droom gaan liggen
tellen.... bij den hoeveelste zal de bol bersten.... En toen zat er zoo
ineens een stoffig-zwarte stille spinnekop met zijn krommen voorpoot op
het voorhoofd te tikken, oogenloos zat hij te tikken, en achter uit zijn
zwaar lijf spon hij draden.... een ruim vol draden.... almaar draden....
Het wakker worden.... de nachtmerrie.
Dat alles was wel koud nu en om te lachen, maar toen hij las: "blijf
maar weg", had hij dadelijk gevoeld hoe er bij hem uit al die doorleefde
dagen een heftige weerzin gegroeid was, daarginds weêr te zullen moeten
terugkeeren.... "Ik zal het rekken, ik blijf zoolang, als ik kan
weg".... had hij voor kort nog in een brief gezegd.
.... Al vèr in den namiddag, naar zijn plekje gedwaald, was hij, willend
weten hoeveel hij nog aan geld bezat, zijn gordel gaan losmaken, en zijn
bezitting gaan tellen, stillekens het rammelen vermijdend.... Ja, dat
geld, al was het zuinig geweest.... het was die twee jaar door toch maar
altijd zoo gekomen, als iets dat vanzelf sprak.... maar nu was 't
gedaan.... En hij was aan 't cijferen begonnen, zittend achter de
ondoorkijkbare heggen, die hoog als olifantstanden over hem heen
stekelden, en aan 't uitrekenen in zijn jaszakschetsboekje, als een oude
duitendief over zijn schat gebogen.
.... Laat eens zien, was zijn gedachte gegaan, indien ik morgen
vertrek.... maar dan moet ik eerst met de proviandschuit van het
Engelsche garnizoen oversteken naar Gibraltar.... gaat met het
kanonschot hier vandaan.... vervolgens van Gibraltar, den volgenden dag,
met ezels en een arriero over Algeciras naar Cadix.... geen kijken naar,
een veel te dure historie.... dus blijf ik liever.... over een week komt
de Transatlantic in de baai.... zoo ben ik wel genoodzaakt hier wat te
blijven nog.... en dat vindt je toch eigenlijk wel prettig. Men kan nu
eenmaal toch niet alles zien.... al was het ook waar, dat je in die
treinen en booten het karakteristiekste altijd langs vloog. Flap....
weêr een mooi ding voorbij, en zoo ging het altijd.... Eerst het
hôtel.... zooveel.... fooi, zooveel.... als ik eens wegging zonder fooi,
dat doen de Engelschen ook.... dan de overtocht naar Cadix.... het aan
boord brengen.... die vervelende kleine dingen kosten het meeste
geld.... je rekent er nooit op.... zooveel.
Van Cadix naar Sevilla.... daar.... den koffer lossen in el Cisno.... O
jee.... daar ook een rekeningetje betalen.... vijf dagen logies.... neen
zes.... zooveel....
Vervolgens naar Madrid, een lange zit, gelukkig was 't nu niet warm....
derde klas.... zooveel.
Dan, in Madrid allicht een paar dagen overblijven. 't Museum.... de
Velasquezzen nog eens goed zien, en de Goya's.... de zaal met zijn ouden
oppasser.... Vier maanden kopieeren, vier maanden.... et la bonne
reste....
Dat was aanraken geweest van een oude wonde, want al had hij zichzelven
gezegd er niet meer aan te willen denken, de wrok was er ingeroest en
wou maar niet uitslijten.
Wat had dan ook niet al meêgewerkt om hem dat gedoe ongenietbaar te
helpen maken, was het niet alles?.... En zoo het eens ongestoord had
kunnen gebeuren, hoe zou het geweest zijn?....
"Waarom?" was herhaaldelijk door vrienden-brieven gevraagd: "vertel ons,
waarom maak je toch eigenlijk zoo'n ding, waarom laat je je vier maanden
van je rijk leven, in een tijd dat je geen raad weten moest met je
vollen kop, je aldus kloosteren in een museum, is niet éen streepje dat
je zelf gevoeld hebt, meer waard, en meer wenschelijk voor wat je
bereiken wilt, dan al dat na leeren doen wat een ander heeft gelijnd....
geniet het, goed.... maar maak ons niet wijs, dat het voor jouw plezier
is, het doen van zoo'n hondenbaantje.... neen, amice, een slachtoffer
ben je van de domme school-traditie: groote mannen bestudeeren kweekt
groote mannen.... stijl.... stijl.... wel dien hebben we te halen uit
ons zelven.... en niet uit museums.... 't bederft je.... geloof me...."
En vaag had het toen door zijn gedachten getwijfeld:.... stijl.... je
zelf.... is het wel heelemaal dat?....
Maar dat het voor zich zelven was wat hij deed, geloofde hij ook al niet
meer. Was het niet onnoozel, zoo alle dagen aan alle wanden van het
museum te zien, te moeten bekennen, hoe het juist niet het beste van een
almaar heerlijk doorgegroeid kunstenaar was, wat je als voorbeeld werd
voorgehouden.... En hij had die meening niet voor zich kunnen houden....
"Wel, dan doe je het om het geld of om een banale eer".... Een oudere
vriend had daarentegen geschreven: "gij zult eenmaal blij zijn, een doek
van die importantie te hebben vervaardigd." Ook al niet plezierig om te
hooren.... Weêr een ander zei: "Nu je zelf vindt dat het onnoodig is,
waarom laat je je dan nog langer exploiteeren. Kom terug.... je hoort
hier.... wat hebben wij te maken met die vreemde landen.... Mauve!....
Maris!"....
Dat was wel zeker, hoe ook die eene schreef: "trek je toch alles niet
zoo aan, je doet genoeg, neem maar wat plezier," zij moesten maar eens
als hij hier zoo alleen zijn, dag in dag uit met je wrokkende zelf, al
die anderen, die altijd wel een rug vonden om tegen aan te staan.... dat
was wel zeker, dat hij ellendiger dagen nog niet gehad had.... pijn
hebben is erg, maar als je lichaam lijdt en schreeuwt, dan is er geen
mensch die dat geluid niet verstaat. In de zaal van het museum was het
balkon een uitkomst geweest, daar kon je de spijttranen laten opdrogen
in de harde zon en daar gaf het oude ventje stilletjes permissie
sigaretten te gaan rooken; als 't werk je doodverveelde, kon je daar als
een bedelaar met je rug tegen den muur gaan staan niets doen. Daar
bewaarde dat kereltje ook zijn kruik met water onder een oude sombrero
voor de koelte.... De heete dagen.... Dat oppassertje met zijn leuk
rimpelgezicht en zijn vriendschappelijke op-den-schouder-klop-maniertjes
van kom, 't zal wel gaan, houdt je maar goed, 't wordt mooi.... en dan
dat baasjes lachen.... Krom stond hij er bij met zijn handen op zijn
knieën, wanneer hij van al het Hollandsche gevloek van zijn
beschermeling geen jota begreep.
Ook was gezegd: "het rijk krijgt die dingen meteen op een koopje zoo."
Nu ja, geld was geld en 't rijk gaf 't.... maar 't was toch wel waar
ook.
Het rijk, het land, de regeering.... dat waren nu ook weêr dingen, waar
hij nooit een begrip van had kunnen krijgen uit officieel geschrijf....
was 't éen ding, waren het er honderd.... iets zonder houvast, dat niet
aan te spreken was en dat hij toch almaar zoo door boven zijn hoofd
gevoeld had.... het rijk, dat kon wel eens waar zijn, haalde er die
subsidie-gelden wel weêr netjes uit zoo.... nog niet zoo dom, dat rijk;
en als ze nu eens een kat in den zak kochten.... dat kon.... erg ook....
en wat zou het eigenlijk dat honderdkoppige ding kunnen schelen een
kopie naar een beroemd schilderij te bezitten. Maar waarom gaven ze dan
de toelage niet zoo, zonder meer.... waren ze bang dat je het in weelde
verteren zou?.... neen, er moest wat voor gedaan worden, je kreeg het op
een papiertje meê. Houden ze de jongens, die ze uitzenden voor
futloos?.... wat stond er niet al overbodigs op voorgeschreven....
groote meesters.... natuur.... of je daar niet van zelven naar kijken
ging.... je wilt toch schilder worden en dan.... officieel mensch als je
bent, de gezanten complimenteeren, en die ontvingen je als lastposten en
deden of ze voor de eerste maal van kunst hoorden in hun leven; niets,
niets voor je weten te doen, misschien niet willen.... een schande als
je toch van de regeering komt.... daar moest je nogal een zwart pak voor
meêsjouwen.... En dan series studies laten zien.... waar leveren voor je
geldje....
"Zeg het maar, zeg het maar!" was herhaaldelijk geschreven.... "is het
niet goed voor jou, dan is het voor die na je zullen komen".... en
dan....
Neen, dat begreep die Russische pensionnaire in Rome anders. Welk een
man was dat geworden in z'n herinnering met zijn rustig praten: "vous
m'embêtez avec votre Hollande.... il faut être plus sage que vos
amis.... ge zijt hier om je wat uit te zetten, pour vous élargir"....
en: "als je een wond in je hart hebt dan brandt je er hem uit.... soyez
tranquille, regardez".... En de Grieksche en de Oostenrijkers, en....
Rome was vol van die jongens, dat waren toch ook geen Fransche
seigneurs, en die liepen hun mooie dagen zoo onbezorgd door, zoo
benijdenswaard, dacht hij dan, met hun neus in de lucht.
Schacheren.... wanneer ze het là-bas nu eenmaal deden, omdat het zoo
hoort en er niet veel voor over hadden, waartoe dan al die schijn of 't
heel wat was.... wist daar dan geen mensch wat reizen een duur en
moeielijk leven is. Nu was het alleen een baantje voor rijke jongens....
je waagde er alles aan, je gezondheid.... had hij niet in Venetië een
maand lang op zijn achterstallig kwartaal moeten wachten en geleefd als
een heiden, had hij niet zijn gouden Prix de Rome, er nog aan hechtend,
in den lommerd beleend om geld te krijgen.... was 't niet ridicuul....
Halfheid.... meêdoen.... kunstglorie van een land.... zoo'n beetje à
l'instar de France. Nu ja, dan moest je den Paus niet van dichtbij
gezien hebben.... Dinges had wel gelijk, 't leek veel meer op een
exploitatie....
Maar was 't niet bepaald dwaas, kijk, het rijk stuurt je uit.... nu ja,
dat is een wassen neus, goed dan, je wordt uitgezonden namens het rijk
door een School-Commissie.... kunstvrienden uit de eerste ingezetenen
der hoofdstad.... rijke burgers.... de beschermers, de heeren, waar ten
allen tijde de kunstenaars de troubadours van zijn geweest....
uitstekend; die komen overeen, geven je op, kopieën te maken.... of je
het mooi vindt of niet, daar wordt niet naar gevraagd, jonge wildzangen
als de pensionnaires zijn, voor je welzijn dus en voor hun-zelfs
plezier.... naar oude schilderijen, die ze.... neen, corpo di Bacco, dat
was wel zeker.... ga maar na wat je te doen hadt.... zoo het origineel
werk was, niet in hun huizen zouden willen hebben. Voor den drommel,
dessertkost was 't juist niet.... Hoe zat dat zoo.... dat kwam dus niet
van hen, niet van die eerste lui.... dat kwam bepaald dus van het land,
van dat ding in de lucht.... Hoe zat dat zoo?.... Men moet
redeneeren.... moet men niet?.... Al deze schilderijen zijn beroemd als
groote kunst.... de bedoeling is: de kunst grooter te maken. Groote God,
wat een tegenspraak.... want hoe meer de pensionnaires de kracht uit die
groote meesters inzogen.... en dat was toch de bedoeling, ga maar na....
hoe meer ze thuis de kans hadden hun heele leven lang hongerlijders te
zullen moeten blijven.... dat kwam er nu wel niet zoo opaan.... maar zij
zouden dan van armoê ook wel niet veel uit kunnen voeren en waar bleef
dan de groote kunst?.... En de pittigheid van die oude heerooms, want
pittig waren ze.... kon je wel eens als oude wijn in je bol blijven
zitten. Wat moest hij daar nu meê doen?.... Et la bonne reste.... het
tweede deel van het officieele programma.... de natuur ingestuurd.
Zoo toegevend aan zijn oude hebbelijkheid, had hij zijn vlinderende
gedachten laten gaan, en toen zacht-ernstig in het gras had hij
herdenkend gelegen, de handen in mekaâr onder het hoofd gevouwen, boven
het weeke zwellen van zijn hart, en gezien als door den nevel, die een
roes in de oogen nalaat, hoe het blauw boven wegkromp in een
hooghangende melancholie....
.... Dat was al begonnen in het Museum. En daarna, zonder thuis, wonend
in herbergen, plots verloren gezet met je groeiende oogen in de wreede
zonnatuur van het stoffige Zuiën, middenin het alles vernielende licht,
middenin daar met je arm hoofd en je onmogelijke handen, zwart, zwart
van al die binnenkamersche, oud-eeuwsche schilderijen....
Dat begon al vroeg, drie uur in den morgen; daar was hij al weêr, de
harde dag, je opbrandend met onrust uit je slaap in een damp van zweet.
En je wou nog niet zien, maar het verschrikkelijke licht sloeg je in je
hersens, door je oogen in, als witte brand met rook van blauw, zengend
op alles neêr, spattend van alles op.... En dan maar aan het werk en om
tien uur al dood moe, en weêr als gisteren het werk vernietigd. Dagen
dikwijls had hij gevoeld krankzinnig te zullen worden als dat niet
ophield, en zich opgesloten met de stores dicht van zijn slaaphokje, en
op bed gevallen met het gezicht in de kussens. Maar het licht vloekte in
je hoofd, en dan verdooving gezocht in den landwijn.... hij van nature
geen drinker, om het ellendige huilgevoel in je te smoren, hoe je niets
zijt, niets in dat lichtoordeel.... Vaak midden op den dag aan den
dwaal, onder den rechtstand der zon, om wel een zonnesteek te krijgen,
wankelend tegen den brand in en dan met weêrhakerig plezier achter in je
ooren hoorend, hoe het vadsende volk je uit de schaduwen nariep, en
jongens die naakt in deur-inkijken lagen te zwijnen, achter je aan
joolden:.... "Dronkaard.... Tonto.... Gek!"
Met klein, pijnlijk leedvermaak had hij na-geproefd, hoe juist in die
dagen, hij ergens, poste-restante, een brief van een vriend had
gevonden, hoe woedend hij zich toen gemaakt had om de ongeloofelijke
liefelijkheid van dat schrijven.... als gekluts-kluts van water dat
onder boomen voorbij zappelt.... en dat hier in deze verzengde wereld
toen....
Hoe lang had hij daar wel gelegen, ongejaagd, zoo warm onder den koelen
hemel, te genieten het volle liggen.... dan òp, want dat vervloekte
rekenen moest gedaan zijn....
Van Madrid naar Burgos, zooveel.... was ook op de route voorgeschreven
geweest te bezoeken om zijn kathedraal. Daar had je het nu weêr....
Was het niet zonderling, had hij honderdmaal wel gedacht, dat in al die
voorschriften de architektuurstudie zoo gebiedend was aangewezen. Voor
Spanje:.... Toledo, 't Escuriaal, Cordoba.... in Granada was bevolen
ernstig het Alhambra te bestudeeren. Pompeji, Ravenna vooral in
Italië.... Ja, er was bijna geen stad, als 't niet was om de museums,
dan ging je er met je boeltje naar toe, uren sporens, om de
architektuur. En dat had veel geld gekost van je traktementje en
moeielijke zuinigheidsdagen had het gegeven, vooral in Italië, dat
achterna moeten zitten van de architektuur.... Nu ja, dat was voor het
breede zien.... "l'architecture est la mère de tous les arts", leerde de
school.... Byzantium in Italië nagaan.... Egyptische invloeden over
Griekenland terechtgekomen in Italië.... net zaadpluisjes, hier groeien
ze en honderd uren verder komen ze eerst op. Italië had soms wel geleken
van oude overschotten te zijn gebouwd. En in Spanje, de Moorsche
architektuur, de Moorsche geheimvolle zon-schaduwkunst met zijn zinnige
spinsels van nachtwichelarij, gehavend en in 't hart getroffen door den
ascetenijver van de dwepende Gothiek:.... de moskee van Cordoba.... Maar
't Alhambra, het wellust-bouwsel waar de oude Moorenweelde het mooi
vrouwenlijf meê heeft overdroomd, borduursel en weefwerk van steen en
als in gaas de koelte bewarend bij het klaterende zonnewater van vijvers
en fonteinen.... hij had het er geen twee uur in kunnen uithouden;
gerestaureerd, beknoeid stond het daar, gelijk een opgezet beest dat
naar kamfer stinkt, dood, leêg, de kolossale liefhebberij van een heel
volk. En dan de Renaissance, die overal wel, storm van
menschenhartstocht, scheen rondgegaan, waai-ademend hoe in elk mensch
God woont, blazend de stelsels door elkaâr, brokken naast brokken, maar
zettend eindelijk de hoogmoedige persoonsdaad in 't gezicht van de
verstervende leeren.
.... Van Burgos naar Parijs.... zooveel.... te lang.... Bordeaux.... het
eerste plan rechtdoor is beter.... Burgos.... Irun.... Bordeaux.... daar
ook een museum.... tot Parijs.... zooveel en eenmaal daar.... och
wat.... als de hemel invalt dragen we allen een blauwe slaapmuts....
Toen alles zoo gewikt was en nagecijferd, had hij zijn gordel om het
lijf gegespt, opgelucht klaar, en was weêr achterover wat gaan liggen,
lekker op den grond als op een tapijt.... Parijs, Parijs, was het
begonnen te gonzen in zijn hoofd.
Vier jaar wel al geleden, in de maand Mei, voor de eerste maal op reis,
was hij er geweest. Vrienden die er waren, zouden hem af komen halen van
de Gare du Nord.... herkenningsteeken: het wuiven met een witten
zakdoek....
.... Veel muren met gele plakkaten langs, aanplakbiljetten bedaverd met
veel letters.... plezier.... plezier.... en met de schuddende omnibus,
andere schuddende omnibussen voorbij, donkere, volgeladen reiswagens,
waar van-achterop de conducteurs onverstaanbaar riepen naar elkaâr,
schuinzeilend stonden met de hand aan de trapleuning naar boven.... Dan
leigrijs, van buiten een huis zoo stil, met een breed-uitvarende
steentrap onder een tempelend portiek.... de Madeleine.... drie bekende
gezichten.... Frits ook, met hem op de trap. Maar van binnen een mist
van wierook en bloemengeur in de dreunende bedwelming van koraal en
bazuinen. Het ruim boven donker, open met bleeke gaten nacht, de muren
vaag met sidderende nissen weg. Beneden een volk van dames, geknield op
den kerkvloer, een stil-ruischende en plooi-schuifelende schaar voor de
bidstoelen neêrgezegen in lekkerruikende verdooving. Bij de zacht
toe-vallende tochtdeur een veranderzieke bijeendringing van in- en
uitgangers, veel straatgezichten, werkmannen in blouses, met petten in
handen; wijven met hooge wangen en rulle haren, zich bekruisend of niet;
heeren met kale hoofden en snorren, zich bekruisend. En van achter,
boven het rood-rooklichtende altaar, uit den schemertuin van
bloementuilen, het gehosiannah van een vrouwenzang, de hemelstem wel van
een onzichtbaar vliegenden engel door het ruim, blauwend in dank....
Alzoo leeft een mensch van herinnering.
De dienst uit.... en een verwonderlijk hoog opstekende Engelschman in
een geruite reisjas, met een oogglas in zijn kop van rood kippenvel
gekneld, dringend vooruit met onwijkbare schouders, brutaal naar de
bloemen toe. Doch de dames voorbij in een wasem van violetten en
tusschen de rijen geschemer van witte kinderen, meisjes, serafijntjes in
wolkjes van gaas, mistig omsluierd, met kroontjes om de hoofdjes. En een
gezeur van stemmetjes; want bij de deuren ook de communiantjes, blozend
met neusjes nieuwsgierig onder pimpeloogjes en bedelend allerliefst: "la
charité s'il vous plaît." En klankspringen lieten ze de aalmoezen in
taschjes van roode pluche, in de handjes wit geganteerd: "la charité,
als 't u blieft, voor de maand van Marie."
* * * * *
--"Hè!.... hè!" grauwde het nog eens terug.
Vooraan, waar de Zoccostraat gaat in de kleine markt, was Johan een man
die klom in de borst geloopen, en geschrikt blijven staan met de handen
bang voor zich uit.
--"Hè!" uitte hij ook op zijn beurt, helder hoorend hoe zijn stem lager
was dan gewoonlijk.
--"Ah, daar hebben we den schilder," ginnegapte hoog-uit Vogels bekend
geluid, "wat een buitenkansje." Hij stak zijn pijp bijna in 't gezicht
van den ander en raffelde in een adem van rhum en smook: "hoe is het,
zijt ge bang, mijn waarde, dérangeer u niet.... 't Is waar, het is een
weinig donker, mais que voulez-vous.... men is hier niet in Amsterdam,
par exemple." En goed gehumeurd als hij scheen: "zal ik u naar Antonio
brengen, ik kom er vandaan.... hé?.... ging wat eten.... daar heb ik den
jongen Jachjemed gezien, Antonio geeft wel een lantaarntje"....
Maar Johan:.... "merci".... hij wist nu wel den weg, het was altijd 't
zelfde paadje.
--"Nu ja," smakte Vogel en hij deed zulk een zwaren haal, dat het gelurk
wel uit een kelder scheen op te reutelen, "nu ja, het is niet
ausserordentlich groot hier, dat vindt zich vanzelf; maar kom, ik heb
den tijd. Zoo goed als gij tegen mij opliep, kunt gij ook tegen een
ander oploopen; waarom zou ik u niet liever brengen."
--"Ik had u gisteren avond nog verwacht," praatte hij naast Johan....
"men ziet u zoo weinig."
Het kleine marktruim, nachtvol, zwanger van zwart, zwol op onder te
raden wanden. En Johan, zoekend grenzen en tastbaarheid, speurde het
moskeetorentje zoo 't hoog uit den omme-chaos reikte, want de hemel
bewaarde nog licht. Een geflipflap van stemmen vleermuisvlerkte de
donkertes laag uit.... late mannen.... schooiers misschien zonder thuis,
die den avond door verpraten bleven onder de bogen van den bazar....
stak daar niet iemand het plein over.... een geschimmer gleed er.... hij
zei:
--"Gisteren avond.... toen.... heb ik gewerkt."
En hij had de woorden nog niet gezegd, of het onbegrijpelijke beroerde
hem, hoe hij zoo in eens kwam aan dit prompte leugentje.... waarom? was
het niet even eenvoudig geweest te vertellen hoe hij met zich zelven
geen raad geweten had en maar naar bed was gegaan....
Waarschijnlijk liepen ze nu tot voor het klimmende straatje, in Johans
staroogend nog-willen-zien begon het duister te blauwen. Dat
ondoorgrondelijke, dat tastdonker was dat niet de steeg naar Sivory's
kroeg.... Maar achter hoekhuisblokken verslonk de laatste lucht, de
voeten gingen meer aan het aarzelen. Vogels stem kwam rad en spoelend
uit het vocht van zijn onzichtbren mond.
--"Wij waren met zijn.... hoeveel wel?.... monsieur de Redacteur du
Réveil, monsieur de kolonel mijn vriend Badaud, monsieur de minister,
ook wel, knecht van den Zweedschen consul, wissen Sie.... even voor 't
tafeldienen zag 'k hem bij Antonio, ha!.... mijn kameraad de Zwitsersche
fotograaf en ik.... voilà déjà cinq.... n'oublions pas, monsieur Cré....
Wat is dat?" zweeg het geraffel met een hik.
Een duistere knel om den arm had Johan tot stilstaan gedwongen. De
dokter rommelde voor zijn voeten, zijn spraak zwom laag en slibbig,
terwijl hij prevelde: "encore un petit aigle."
Maar dadelijk huiverde zijn hoofd weêr op, blootshoofds steeg het met
zijn hoog frontaal, schimmerig of het met fosfor was bestreken.
--"Ik wist het wel," hinnikte hij, "ik heb het door mijn schoenzolen
heen gevoeld.... weêr een buitenkansje.... de tweede vandaag al.... voel
hij is nog warm, nog geen half uur kapot." Zijn stem zakte, Johan bleef
staan. Vogel zei zijn hoed te zoeken, in het bukken gevallen.
--"Zeg er niets van aan monsieur Crépieux.... niets, hoort ge," drifte
het vraag-bevelend.... toen alsof Johan wat gezegd had: "nun, wat zou
het, ik vertel hem morgen dat ik ze met andere van Mustapha gekocht
heb".... Hij streek het doode beestje de veêren glad, zijn hand aaide.
"Ça vaut bien deux autres bons grogs. Que voulez-vous? heeft hij niet
het geld, hij.... en ik.... heb ik niet een fijne neus? Maar gaat u even
meê terug, hij mag 't niet zien, deze bêtise in mijn hok deponeeren, 't
is dichtbij.... dichtbij."
En over het plein, door den al blauwender nacht sjokten weêr hun paren
voeten; zwaar gezet, klankten ze hol, wanneer geen rulligheid knerpte,
stappen gelijk die bauwen in een kerk. Vogel bromde dikwijls wat, als
spon hij raadselwoorden in zijn knevel, maar ging vooruit, den weg wel
wetend. Johan achter hem aan, waadde door den nacht, soms geloovend te
zien het zwakke licht-beweeg, de schommelende hand van Vogel, maar
ruikend waar hij liep, de prikkeling, de aanwaaiing van den smook. En 't
was binnen in hem ook duister en leêg, die sombere voeten klopten zoo
ellendig alleen, hij had wel willen gaan wegloopen. Diagonaal staken ze
de markt over.... Zoo was ook zijn weg naar het logement.... daar was
gauw licht en ordelijke gezichten, wat moest hij nu meêgaan naar dat
hok.... Boven de algeheele verzinking van de dingen begon de hemel te
gaan in desolate pracht, enkele sterren, koel en eenzelvig, pinkten er
als knipoogen hun wit licht-gevonk.
Maar een dijk van opgestopt duister kwam verbijsteren zijn spalkstaren.
Hij wankelde terug, zoekend opnieuw met handen en het stapbeen te hoog
in de knie gekrompen, zocht, zocht. Tegen zijn geloop in begon de weg
als een berg te staan.
--"Pas op, mon petit monsieur," riep Vogel vooruit.... "we gaan de
ruelle in.... attendez! Dan zal ik u wat licht geven."
Er gloeide als een vuurvlieg een lichtstip. Witte rook-kringeltjes
festonneerden, siswolkjes, en dan niet meer, want zuchtend zogen Vogels
lippen het pijpkratertje in brand. Johan hoorde hem zacht tegen den muur
de asch uitslaan en toen aan 't blazen, tot er vonken vlogen, tot
bloedend voor het steeggat het schema van zijn hoofd verscheen met
tintels in 't natte saffier van zijn oogen. Hij spoog, den mond bitter,
en kortademig van inspanning ging hij opnieuw zijn klots-klots,
verzwolgen in het slopzwart.
--"Ha, ha!" lachte hij vroolijk daarna en stootte zijn stem de steeg
in.... "je me dis, hoe gemakkelijk het zijn zou, zich zoo een beetje te
kunnen bijlichten, als we in den kuil zullen liggen.... Des clowns que
nous sommes.... vanavond is hier réunion in de Engelsche club.... een
Italiaansche prestidigitateur die de kust afreist.... alzoo hebt ge
gisterenavond gearbeid.... Ja?"
--"Zeker," antwoordde Johan kortaf, met zijn verzinsel al verlegen....
maar het kon toch evengoed zoo geweest zijn, niet waar? waarom, wat
behoefde hij het te vertellen hier in deze akelige steeg, waar je
telkens met je neus tegen iets geloofde op te loopen.... Waarom? 't Is
waar, verscheiden malen had hij hem ontmoet, op straat of bij Antonio,
en al was dan ook onwillekeurig de eerste opwelling: alweêr die man, zij
hadden elkaâr gezocht, daar was niets tegen te zeggen, samen gewandeld,
gepraat, gepraat.... O, hij mocht het zich willen bekennen of niet,
Vogel trok hem aan door zijn.... ja, door wat niet al, door zijn oogen,
die raadsels, onnoozel soms en dan weêr zoo ironiek schril, maar vooral
door den hoogen toon van zijn oordeel, vaak zoo heel voornaam.... Was 't
niet prachtig, hoe hij telkens het geklets in de kroeg kon uitmaken....
precies een stop op een flesch.... dicht.... het schenken is gedaan....
drinken jullie liever wat anders, bijv. een grog van rhum.... kittelig
was het om er naar te zitten luisteren.... van zelve begon het dan te
jeuken van binnen, er groeide tegenspraak.... "Zeker", herhaalde hij
stelliger, alsof hij 't zelve geloofde.... "en daarna heb ik nog een
brief geschreven."
--"Zoo, zoo, ook nog een brief geschreven, wel dat's braaf," lachte de
ander, "nun das versteh ich, war doch auch einmal jung, leidenschaftlich
jung".... zijn geluid stond.... "En ze is mooi?"
--"Wat?.... o, erg mooi, bepaald heel mooi, wissen Sie."
--"Hm.... dat zeggen wij mannen allen."
Door het slop smakten en zogen de schoenzolen weêr voort of sloffend òp
van uit het benauwde lage, telkens wanneer het brokkelige gepraat, het
harde klanken van Vogels stem maar even stil was. Johan door al dat
stikkedonker verbijsterd, voor het immer aandringende zwart schuw als
voor gevaar, aarzelde opnieuw, tastend naar de kilkou der muren, zoo
dichtbij, en strompelde dan, al trachtend met de voeten den weg te
begrijpen, tegen vuilnis op, er onder tegenaan geheuveld.
--"Dat vervloekte donker," mopperde hij, aan zichzelven overgelaten,
Vogel vergeten.
--"Houd uw oogen naar boven, dan ziet ge van zelve het pad in de lucht,"
waarschuwde de stem een eind hem vooruit in den vunzen nacht. Hij bleef
stil, vroeg plagerig: "en wat hebt ge gisteren wel gedaan, darf ich
fragen."
--"Ach, niet veel bizonders," loog Johan door, nu zekerder gaande en den
spot in de stem van Vogel niet dadelijk hoorend. "Ik was een teekening
begonnen.... verbeeld u," sloeg hij door, geïllumineerd door zijn
verzinsel.
Maar Vogel viel in:
--"Attention, we gaan rechts om, de weg klimt wat, pas op.... geef me uw
hand.... pardon!"
Wendend en toen blind voorover tegen het duister klommen ze langzaam,
stap in stap. Vogel rookte niet meer, scheen wel, zeker was zijn pijp
leêg. En Johan kijkend naar de geul lucht boven zijn hoofd, in het
nachtelijke ongewisse blauw, vervolgde met radde tong:
--"'t Is een heel mooi geval, wissen Sie, er zijn er hier honderden, het
zou prachtig kunnen zijn, zoo ik het zie nu, magnifique...."
--"Pas si bête, waarde: toch nooit zoo mooi als uw leugen wel zijn kon.
Hebt ge dat gisteravond allemaal in uw bed bedacht.... indien onze
compagnie u niet bevalt.... mij ook niet.... waarom te liegen?....
gelooft ge inderdaad.... ach neen.... dat's rein onmogelijk."
.... Hoor hoe hij liep te grinneken in zijn snor, zijn eigen plezier te
eten, blij natuurlijk dat die ander daar achter hem aan moest gaan als
een bestrafte jongen. En de lust begon Johan op de tong te branden om te
zeggen, om het uit te roepen dat het wel waar was, en dat het hem niets
schelen kon uitgelachen te worden hier in dat smerige donker.... maar
toen, plotseling zonder wil.... rammelde de bekentenis zijn mond uit:
--"Och ja, ik was een weinig verdrietig en ben maar naar bed gegaan; en
van dien brief is ook niet waar, wissen Sie, 't is allemaal niet waar."
--"Maar dat is een confessie, mijnheertje, dat wordt hoe langer hoe
grappiger, o mon bon, ce bon petit monsieur!"
En het was of daar waar hij ging het zwart schudde van de pret....
Zeker, hij liep met zijn mond open van vroolijkheid, de tanden bloot in
den nacht.... Hoor, nu hield zijn slof-stap stil en de stem kwam kappen
zijn eigen genot af:
--"Nog wat rechts, en dan zijn we er!"
Bengelend gelijk een klokkeslinger kwam diep uit de hoeksche steeg een
vlam aan wandelen. En spookhoog, ook los van den grond, geestte het
lichtbeeld van een Oosterling in een damp van ontbonden duister,
stillig-stil.
Een schok, die hem in de beenen sloeg, had Johan doen staan. 't Doffe
klop-klop van paard-hoefslag was als vijzels in zijn ooren aan het
stampen, even waren zijn tanden in zijn mond aan het rikketikken
begonnen.
De naderende Arabier bleef aanvaren winnend in grootte en in
lichtkracht, nader kwam hij gewiegd door zijn paard, hoog heerlijk
gezeten in het reine mousseline. Gelijk een ster voor Drie-Koningen,
bakende over hem heen de aan een stok gedragen lantaren, het pad zoo
blootleggend voor zijns paards pooten. De lantaren wiebelde aan tusschen
de wanden van de wijdere steeg, het duister ontraadselend waar de
ruiter ging, die blank-straf en ondoorgrondelijk, keek naar niets uit de
koepelende omhulling van zijn nachtwitten en begloeiden mantel.
Koolzwart roezemoesde uit het kappe-open knevel en baard, waar achter
hem nachtte de luchtstrook; waar de knechtskop van een neger
schonkglimmerig uit aankwam met een roodende fez; toen zijn roode
lijfjas.
--"Ziedaar een licht dat tenminste op zijn tijd komt," zwetste Vogel
nog, toch ook wat lager. Voor een nis op een stoepje zag Johan hem staan
schemeren, los ook hij van den nacht, gebukt-schevig, bezig met rommelig
te zoeken naar een sleutel in zijn broekzak en hanghebbend in zijn lage
hand den gevonden arend aan de krampende pooten.
Dan een muurlengte rechts, wendde het paard al schuif-trappelend om,
gestuurd door de onteziene handen van zijn heer. Dwars stond het in de
steeg. De lantaren, wind-schommelend, brandde neêr op de ritselooren van
den witten hengst en op zijn omkruivende manen zijig, merkte de gleuven
van den krommen spierhals en de uitsnuivende wrongen van den neus waar
stil hijging uit dampte. En op stangen en trenzen vonkte het rood en
goud, want het paard knikte de pooten in stap, toen kwam het schabrak
ontbloeien in een mysterie van arabesken, en in den bak des stijgbeugels
de gele voet van den hoogen musulman.
En als in een tooverhuis droeg het paard den Moor onder het nu stille
gloeilicht voorbij, wiegend hem statig weg, ijskalm en onbegrepen
hoogheerelijk in het open donker.
Zwart-glanzig stuurde de knecht zijn paard vast aan. Hij hield in zijn
knookvuist den lantarenstok, zoo een lans in rust wordt gedragen, nu ook
het achterlijf van den hengst heenhobbelde, rozig als besneeuwd,
bebaldakijnd onder den nasleep van den mantel.
De lantaren binnen, omraamde rood het portiek; schuw blauwde het in de
steeg. En binnen de roode knecht met zijn glimmende eunuchenfacie; toen
viel de nacht als een bui. Op 't gevoel af had Vogel met doffen smak het
doode beestje neêrgesmeten in het andere open donker.
Hij peuterde zijn werkplaats dicht: "Die arme Seigneurie, hij heeft meer
dan vijf vrouwen, men zegt zes, men zegt zeven."
En door den nacht terug en veroordeeld tot een dubbel donker, daalde
Johan met hem.... twee duistere menschen die elkaâr niet zien. Vogel was
stil geworden, het broeide om hem als liep hij in een stom dreigement,
niets was er dan het leven van de voeten. Dom ging het loopen goed, de
zakkende weg maakte nu het gaan gemakkelijk. Uit de hemelstraat boven de
steeg prikten de sterren hun blinklicht neêr in Johans oogen, en
kasteelige donkers schoven voorbij.... de uitbouwsels, die als groote
kooien zijn, op schraagsels in den muur gestut.
En hij zoo gaande was blij dat Vogel niet sprak.
.... Was het niet als een droom nu al veertien dagen, een wonderlijk
leven, onverzadelijk om er naar te kijken, nooit genoeg, telkens wat
anders om het vorige te verdringen tot het wel herinnering geleek; zoo
kwam er van werken maar niets, alle dagen dezelfde beloften aan
zichzelven vandaag zal ik dit doen, dat en dat, en er was nog altijd
niets gebeurd. Nu ja.... een paar schetsjes.... niet veel.... hoe kon
het ook anders.... dat nare geld.... nog een paar dagen, dan was het
sprookje voor goed uit.... Hoe zou hij zich in Holland weêr voelen....
hoe langs de straten daar gaan.... allemaal andere menschen geworden in
die twee jaar?.... twee jaar.... waren het er niet meer.... waren het er
geen twintig.... dertig....
--"En dan te denken dat ik ook eens mijn eigen paard reed, mijn goed
paard.... ma pauvre Mirsa".... mopperde de dokter vlak voor hem, uit
zijn eigen gedachten.
Grottig vloeide voor 't gezicht weifeling van lucht. Haastiger onder het
gaan slonk de al dalender steeg. Toen klankten weêr de eenzelvige
stappen op het kleine Zocco. En de opstapelingen, duister als waren zij
gegroeid, stuwden zich op naar het hooge open boven, naar het rouw-blauw
van den hemel, magistraal met zijn benageling van sterren. Maar
insidderend lag er het zwarte van onder, er doolden spinraggen en
raadselen van schijn, draderig geflinster schoot er het wanden-duister
langs, als lijnen van telegrafen. Vogel kwam aangedrongen, Johan rakend
en toen los, toeschietelijk met het goeielijke in zijn gepraat dat hij
hebben kon, liep hij weêr te vragen:
--"Alzoo gelooft ge wezenlijk, dat een vreemdeling die hier veertien
dagen is, als gij; die komt waar wij komen, als gij; op een avond naar
bed zou kunnen gaan, dadelijk na zijn diner, en zijn twaalf, nun, zeggen
we elf uurtjes, kan doorslapen zonder dat wij het zouden weten?.... hoe
is dat zoo?.... pscht," slikte hij tot fluisteren zijn stem in, "loopt u
een beetje hier, daar komt monsieur Crépieux aan.... ik ken zijn
lantaren."
Maar in het gauwe gaan was het lichtje achter Johans rug flap uit gelijk
een uitgewaaide vlam; nagezeten menschen die op de teenen vluchten, zoo
draafde hij schichtig achter den schichtigen Vogel. Ze waren de groote
Zoccostraat voorbij gesneld. En nu langs den opstand waaronder overdag
de koopvrouwen met de brooden zaten, bedaarde het geloop. Achter hen
bauwde uit den donker de stevig aanstappende mannenpas, in den zakkenden
gang met val van klank.
--"Hij gaat eten.... hij woont bij den muur, mijn patroon.... ce
Crépieux."
Dan vóor hen, waar kwam het zoo snel vandaan? schommelde alweêr een
ander rood lichtje, het ging, schijnende dwaalvlam, op, neêr, soms als
in een tocht aanvarend.
--"Loop wat aan!" stookte Vogel weêr op. "Ce bon brute daar kan ons wel
een beetje bijlichten.... Kom toch."....
--"Ik zeg: 't is niet de eerste maal dat ik zoo mijn geluk zoek."
Tot op twee manslengten achter het bakentje liep Johan meê, willoos in
het rillerige donker. De Arabier keek niet om of op, gewend. Hij sjokte
als een nachtdief, vallend het duister tegen, met zijn bekapten kop in
den loop voorover; met het soppige geluid van zijn tippende muilen onder
het opgeschop van zijn nachtjas, geleek hij soms meer een vrouw. En het
vlammetje oproepend zijn knuist uit den nacht der mouw, brandde
roetlicht neêr in een cirkelkring van stervend rood: een heraldiek
teeken, de lichtschim van een kruisvaardersschild, zoo schoof het naast
den duister-witten man. Spraakloos gingen ze in het lawaai geworden
leven van de voeten; de blinde muren schroeiden op uit een gerikketik
van vuil en onkruid, schijn vlottend naar schijn. De eerste steeg week
wijd-zwart in den wand en duisterde achter hem dicht; een deurpost
paalde met zijn hoogen drempel er onder en voorbij; toen zwenkte Vogel,
latend den gangenden lantarendrager, op den lichtschraai af die midden
in de steeg Sivory's kroeg uitwalmde.
--"Een glaasje op onze gelukkige ontmoeting, is 't niet?" zei Vogel.
Maar Johan bedankte, neen, wezenlijk, hij had geen lust, ergen
honger.... en 't was al zoo laat, de dokter moest Jachjemed maar naar
buiten sturen.... neen, wezenlijk niet.
--"Des bêtises."
In den schamperen kroeggloed, glom het ellendige geween van zijn lichte
oogen. Zeker, ze waren groot geweest en gespannen in het duister, maar
al gordijnde de vouw er over, brekend het even kralende gekijk. En zijn
neus vlak pakkend het deurlicht, snavelde er tusschen neêr, hard en
onverschillig in een stijlen rug, maar verdrietelijk toch met zijn
hangende punt. Een zenuwachtig rilletje trok op onder uit den bluf van
den knevel en zijn mond, zijn spotmond, hoe zou die er wel onder
uitzien. En nu ging zijn linksch oog daar nog meer knijpen in een geraad
van rimpeltjes; maar boven het andere kromp de brauw, stijgend, als in
hoon, hooger.... Och, oolijk was het bijna om er om te lachen, maar ook
om er beroerd van te worden. Hij stond vaal in zijn verwaarloosde jas;
tegen zijn nek op frommelde een boord te hoog, welig warde het haar er
over. Laag hingen de handen langs neêr, missend de pijp.
--"Ik zal nog een glaasje nemen.... een tout petit.... waarom zou ik
niet?.... de rhum van Antonio is goed.... geeft me slaap.... en slapen
wil ik.... waarom niet?.... Bonsoir.... ge weet.... niets vertellen aan
monsieur Crépieux.... Dus ge komt morgen bij mij kijken?" bleef hij even
staan zeggen.... "doe het maar.... tot morgen dus, bonsoir."
Johan alleen, wachtte in het straatje.... Als nu die jongen maar
dadelijk kwam.... 't was eigenlijk zoo noodig niet, eergisteren was hij
ook wel alleen naar huis gescharreld.... Maar hij had zich nu plotseling
verloren en zoo moe gevoeld; tegen den muur was hij aan gaan leunen, met
niets geen kracht meer. Hij wachtte. Uit het kroegebinnen rommelde 't
mannengezwatel, onverstaanbaar door-elkaâr-gewar van spraak; hoog op
steigerde lachen, aanvarend op den lichtschraai naar buiten....
Antonio's plezier.... Voor zijn oogen was het werkplaatsje van den
kleermaker verschijnend, slaperig met hangende deur, een dicht huis dat
zijn geheimen bewaart. In het duister stond hij, machteloos, zoo òp, zoo
leêg, zijn maag was een leêg ding ook, o, hij had honger en dorst. En de
table d'hôte kwam in zijn hoofd blinken, linnen-blank met veel licht,
met rinkelende karaffen, met rookend eten, volop, veel zou hij eten.
Zwart, stop-zwart ging de steeg in het niet; door de wijdte was het
stil, suisstil, maar de kroeg naast hem, een gat rood walmend leven hier
in het nacht-overal. Hoor, daar ging een hond aan het blaffen, van vèraf
hortte het de huizen over, viel het in donkeren huilval, druischend in
zijn ooren neêr. Zeker, de nacht wou van hem, hij had den nacht
gedronken, te veel, met zijn oogen, met zijn ooren, met zijn adem en met
zijn handen ingetast. Hoog over de steeggeul en over de dompende
blokken, daar achter en daar rechts en daar links, daar schoof de nacht
ruimte van grondeloosheid, verijsd, gemat, vliedend in ijle atmosferen
boven het maan-blauw al hooger, bewicheld met sterren, radeloos al meer.
En met de behoefte, plotseling, iets van zich zelven heelemaal te zien,
stak hij zijn hand langzaam van zich af in den rossen deurgloed.
Hoor, daar was Vogels verweerstem fel van zich afbekkend.... een
onbekend geluid raffelde er tegen in. Dan gromde het wat van uit de
diepte: zoetsappig gekeuvel, gekwispel en gekal van mannen die door den
neus praten. Vast zaten er Arabieren te drinken.... Eergisterenavond
ook.... Maar dat kwam van den opgeruimden kolonel met zijn joviale
vertelsels, en dadelijk toen Antonio's jongensachtig lachen, duidelijk
over het voorplaatsje aangedragen door het roetachtige geroezemoes:
--"Oh, monsieur Badaud, schei uit, ik stik."
--"Pak aan, muchacho.... licht."
Dat was de stem van Antonio's vrouw.... nu zou Jachjemed wel dadelijk
hier zijn....
En Johan ging los van den muur.