AANTEEKENINGEN

[1] A. F. Pott, Die Personennamen, insbesondere die Familiennamen

und ihre Entstehungsarten auch unter Berücksichtigung der

Ortsnamen. Leipzig, 1853.

[2] Zelfs de aanhaling van Pott's werk in de noot op bl. 22 van

dit boek, heb ik niet uit eigen aanschouing; zy is overgenomen uit

Taylor's Words and Places, bl. 125.

[3] Förstemann, Altdeutsches Namenbuch, dl. II. bl. 835. Förstemann,

Ortsnamen, bl. 178, 204, 245. Grimm, Geschichte d. Deutsch. Spr.,

bl. 775. Deut. Gramm., dl. II, bl. 349-352. Kemble, Saxons in England,

dl. I, bl. 56-63, en 445-480. Kemble, in Philolog. Proceedings, dl. IV,

bl. 1-9. Guest, in ib., dl. I, bl. 117. Pott, Personen-namen, bl. 169,

247, 553. Chrichton, Scandinavia, dl. I, bl. 160. Zeuss, Herkunft

der Baiern, bl. XII, XXIII, XXXV. Massmann, in Dorow's Denkmäler

alter Sprache und Kunst, dl. I, bl. 185-187. Schott, Deut. Col.,

bl. 211. Max Müller, Lectures on Language, 2de series, bl. 16. Latham,

Ethnol. Brit. Is. bl. 241. Latham, Eng. lang., dl. I, bl. 111. Meyer,

Ortsnamen, bl. 139. Bender, Ortsnamen, bl. 103, 104. Vilmar, Ortsnamen,

bl. 264, 265. Buttmann, Ortsnamen, bl. 2. Wright, Celt, Roman, Saxon,

bl. 438-441. Edinburgh Review, dl. CXI, bl. 374-376. Donaldson, English

Ethnography, bl. 61. Taylor, Words and places, bl. 124 en vervolgens.

[4] Eelking, Fokking, Groening, Harting, Huising, Imming, Janning,

Kamping, Leffring, Menning, Nolting, Onning, Popping, Rensing,

Sieberding, Teding, Uiling, Veering, Wiebeking.

[5] Zie Zwitzers' Ostfriesisches Monatsblatt, Jaargang 1882, bl. 531.

[6] Addingh, Hammingh, Herdingh, Hiddingh, Idsingh, Julsingh, Luytingh,

Mensingh, Oostingh, Reiningh, Staringh, Stratingh, Tabingh, Tullingh,

Weytingh, Woltringh.

[7] Zie D. Buddingh'. Het boetregt, bevattende een oudheid-, geschied-

en letterkundig onderzoek naar oorsprong en naambeteekenis van

het geslacht Buddingh', benevens de genealogische verspreiding van

dien stamboom en zijne takken. Delft, 1863. Zie ook De Navorscher,

XXXIV, 420.

[8] Elinge, Ebbinge, Eppinge, Hachtinge, Hiddinge, Hilbinge, Houwinge,

Lubbinge, Lussinge, Meursinge, Santinge, Sinninge, Tabinge, Uninge,

Waninge, Wanninge, Willinge, Woltinge. Buiten Drente ook Bonninge,

zelfs Bonningue in Fransch-Vlaanderen, Temminge, Soninge, Ubbinge, enz.

[9] Zie Driessen, Monumenta Groningana vet. aev. ined. I, pag. 17, X.

[10] Behalve Radink zijn van dezen zelfden oud-germaanschen

mansvóórnaam Rado ook nog de volgende geslachtsnamen afgeleid:

Rattinck, Ratinckx, Radix, Reading in Engeland (?); Rahden,

Raats, Raat, Raedt, Raets, Radema Raadsma, Radsma en Ratsma. En de

plaatsnamen Radinghem, een dorp in Artesie (Frankrijk); Reading

in Berkshire (Engeland); Raddington in Somersetshire (Engeland);

Radewert, oorspronkelike naam van de dorpen Rauwert (of Raard) en

Raard in Friesland; Raetshove (in het Waalsch Raccourt), stadje in

het nederlandsch-sprekende gedeelte van de belgische provincie Luik;

Radegast, dorp by Bleckede (Lüneburg) Hanover; Radingsdorf, dorp by

Prägarten in Boven-Oostenrijk, enz.

[11] Bentinck, Bollinck, Boltinck, Bontinck, Bultinck, Daeninck,

Derinck en Derink, Deuninck, Dieperinck en Dieperink, Dirckinck,

Elderinck en Elderink, Essink, Goethinck, Haitinck, Hissink,

Johanninck, Lamrinck, Reymerink, Ruytinck, Siegerink, Sikkink,

Slabbinck, Stalinck, Teyink, Tenckinck, Teuninck, Volmerinck en

Volmerink, Wiltinck en Wiltink, Wolberink.

[12] Mellink, Reerink, Roelvink, Stroink, Temmink en Temminck,

Voetelink, Wassink en Waszink, Wilbrenninck, Wiltink en Weenink.

[13] Ch. Creemers, Aanteekeningen over het dorp Stramproy; Roermond,

1871, bl. 53.

[14] Ghellynck, Gyselynck, Hallynck, Hebbelinck en Hebbelynck,

(Hebbelynckx komt ook voor), Hellynck en Hellinckx, Merghelynck,

Kempynck, Wytynck.

[15] Bruinings, Boyungs, Eldringson, Ewings, Geerlings, Heymingson,

Lammingsen, Merings, Ottings, Schellings, Sillings, Snellings,

Stuvinghs, Tellings, Tjaberings, Tolings, Warrings.

[16] Bierinckx, Buelinckx, Frelinckx, Hebbelynckx, Hellinckx en

Hellynckx, Honinckx, Kranincx, Noninckx, Ooninckx, Pulincx, Ruytinckx,

Snellinx, Surinx, Ratinckx.

[17] Zie Ad. Duclos, Reivaart. Brugge, 1882, bl. 56.

[18] Klein-Bentinck, Olde-Bronninge, Klein-Budding, Klein-Bussink,

Olde-Dubbelink, Olde-Eitinge, Ny-Hoving, Olden-Huising, Nye-Manting,

Groot-Nibbeling, Klein-Starink, Klein-Ubbink, Olden-Waving,

Olden-Wening, Klein-Hiddink, Klein-Wiecherlink.

[19] Edixhoven (Edinkshoven), Frelinghuysen, Gussenk'lo, Hennixdael,

Haslinghuis, Heusinkveld, Nunninghaven, Olminkhof, Poppinghuis,

Renninghoff, Ridderikhof (Ridderinkhof), Rottinghuis, Schortinghuis,

Suringbroek, (zie bl. 48), Wanninkhof, Wellinghuysen, Wiggelinkhuizen,

Wittinghoff, Yserinkhuizen.

[20] Hallungius, Hundlingius, Olingius, Reddingius.

[21] Dotinga, Ebbinga, Eppinga, Feddinga, Fokkinga, Gauwinga, Hettinga,

Hoitinga, Ypinga, Kempinga, Lettinga, Menninga, Nanninga, Ockinga,

Ouwinga, Poppinga, Reininga, Sibinga, Sikkinga, Tamminga, Ubbinga,

Wybinga.

[22] Kruisinga met Kruizenga en Kroezinga, Muischenga en Musschenga,

Plantinga en Plantenga, Vitringa.

[23] Ennenga, Veenenga, Grimmenga, Hommenga, Yettenga, Cannenga,

Libbenga, Minnenga, Nammenga, Offenga, Peunenga, Ruidenga, Stuivenga,

Torenga, Walenga.

[24] Donga (Dodinga); Enga en Engga (Enninga, Ennenga, zie bl. 57);

Fenega (Feninga, zie bl. 58); Follega (Follinga); Hillega (Hillinga);

Hudig (Huding); Immig (Imming, zie bl. 19 en 32); Mennega (Menninga,

zie bl. 54); Minnigh (Minning, slechts een andere form als Menninga,

maar van den zelfden mansnaam afgeleid); Radix (Radiks, Radinks,

Radink, zie bl. 37); Ridderikhof (Ridderinkhof, zie § 22); Schallig

(Schalling); Suerickx (Surinkx, Surinks, zie bl. 48); Taank (Tadink);

Weddik (Weddink) en Willige (Willinge). Laatstgenoemde naam komt ook

in Drente als geslachtsnaam voor, en is met Willink, Wilma, Willes,

Willen en 't engelsche Wilson afgeleid van den ouden mansvóórnaam

Wille, die in Friesland nog voorkomt, vooral in de verkleinformen Wilko

(Wilco) en Wiltje.

[25] Zie Oorkonden der Geschiedenis van het St. Anthony-Gasthuis te

Leeuwarden, I, bl. 133.

[26] Ibid. dl. I, bl. 112.

[27] Eekhoff, Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, dl. I,

bl. 40.

[28] Oorkonden der Geschied. van het St. Ant.-Gasth. te Leeuwarden,

dl. I, bl. 141.

[29] Van Rijn. Oudheden en gestichten van Friesland, dl. I, bl. 262.

[30] Dat men oudtijds, zoo wel in Friesland als elders in de

Nederlanden, zeer onnaukeurig, zeer onstandvastig was in de spelling

der eigennamen, is overvloedig bekend. Om een enkel voorbeeld te

noemen, zoo vind ik den geslachtsnaam Burmania op de volgende wyzen

geschreven: in eene oorkonde van 't jaar 1433, als Burmanningha; in

eene andere van 1425: Burmana (als een eenvoudige tweede-naamvalsform

op a, van den mansnaam Burman); van 1502: Buyrmangye; van 1507:

Bwrmanghie; in een ander stuk van 1507: Burmannie; van 1520: Burmannia;

van 1524: Van Buurmanya; van 1546: a Bourmannia en van Bourmannia in

't zelfde geschrift; van 1558: van Burmanya; van 1562: van Bourmania;

van 1563: van Burmannia; van 1574: van Bormannia; van 1580 en '81:

Burmania; van 1582: van Buermannia. Alle deze stukken kan men vinden

in de Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthony-Gasthuis te

Leeuwarden. Rienk Burmania nog, die in 1482 Olderman te Leeuwarden was,

schreef zynen naam: Burmanghia. En een geestelike der Roomsch-katholyke

kerk, die in 1876 te 's Hertogenbosch woonde, heet Burmanje, naar de

hedendaagsch friesche uitspraak.

[31] Zie Eekhoff, Geschiedk. Beschrijving van Leeuwarden. dl. I,

bl. 376.

[32] Donia (Dodinga); Venia, Veenje (Feninga); Finia, Fynia, Fynja,

Fynje (Fininga); Vissia (Vissinga, Fissinga); Frisia (Frisinga,

Friesinga); Groenia en Groenje (Groeninga); Hania, Hanja, Van Hanja,

Hainja, Hanje, Hainje (Haninga); Hunia (Huninga); Inia (Ininga); Lelia

(Lelinga); Rinia en Rynja (Rininga); Runia (Runinga); Sinia, Synja

(Sininga); Sminia, Van Sminia (Smidinga); Tynje (Tininga); Tania,

Tanja en Tanje (Taninga of Tanninga).

[33] Corty (Korting, Kortenga, van Kort, Cord, eene bekende

samentrekking van Koenraad, Conrad, Konert); Donny (Donga =

Dodinga, van Dodo, Doede; of van den mansvóórnaam Donne, die aan den

geslachtsnaam Dons oorsprong gaf, en aan den naam van Donningen, een

dorp by Clerf in Luxemburg); Emmery (Emmering, van Emmert, Emhart);

Ferry († Fernia = Ferringa, van Ferre, ook Fere, zie bl. 30); Grévy

(Grevinge, Grevingh, † Grevinga, zie bl. 76, ook Grevinchovius, zie

bl. 52); Gerry (Gerring, van Gerre, Ger; ook de geslachtsnamen Gersma

en Gersonius komen hier van); Hardy (Harding, Harting, Herdingh, van

Hart); Henny (Henning, Hennye in Noordwest-Duitschland; zie bl. 70,

van Henne); Hovy (Hoving, Hovinge, Hovingh, Hovinga, zie bl. 50, van

Hove, Houe); Rembry, (Remberdink, Remmerding, voluit Remberchting,

van Rembert, Rembrecht, Rembercht, Renbercht, Reginbercht); Remy

(Remminga); Warny (Warninck); Werry en (half-hoogduitsch) Wehry

(Wering, Weringa); Schaly (Schalinga), zie bl. 73.

[34] Maaldrink, Meestringa, Meyering, Meyerink, Meyeringh, Neirinckx,

Neyrinckx, Neirynck, Ridderink, Rigterink, Schildering en Schilderink,

Schippering, Scholting, Schulting, Scholtink, Schultink, Smeding,

Smedink, Smedinga, Vissering, Vischering, Vogeding, Weeveringh en

Weverink.

[35] Zie Drenthsche Volksalmanak voor 't jaar 1842, Koevorden, bl. 159.

[36] Over het woord skelta, schulte, scholte, schout, en over de

eveneens luidende mansvóórnamen, met de geslachtsnamen daarvan

afgeleid, zie men mijn opstel: »Schelte, Scholte, Schulte, Schout,

Schuit", in De Navorscher, Dl. XXXII, bl. 386.

[37] Zie Taylor, Words and Places, bl. 492 en 499.

[38] Muysson, Hemmingson, Neeteson, Nicolson, Pierson, Robertson,

Sanderson, Stevenson, Tamson, Waleson, Wouterson.

[39] Hubregtse, Jansse en Janse, Jooste, Jorisse, Karelse en Carelse,

Leendertse, Lievense, Matthysse, Pieterse, Theunisse, Robberse (van

Robber, Robbert of Robert, Rodbert, Hrodbercht).

[40] Constantse, Davidse, Ferdinandusse, Gideonse, Gilyamse, Jobse,

Jonasse, Willeboordse.

[41] Duyvensz, Evertsz, Hilbertsz, Klaasesz, Koensz, Laurensz,

Woutersz.

[42] Halbesz, Igesz, Lolkesz, Meinesz, Mellesz, Nannesz, Oeblesz,

Oomsz, Poppesz, Rinsesz, Ruurdsz, Roukesz, Seebesz, Sibblesz, Sybesz,

Sickesz.

[43] Feitz, Leendertz, Lootz, Reitz.

[44] Dirks, Egberts, Engelberts, Folkerts, Gerberts, Gerrits met

Geerts, Gheeraerdts en Geeraerts, Hendriks en Heins, Huberts, Koerts

en Coenders, Koops, Lodewijks, Roelofs, Rutgers, Sybouts en Sibolts,

Stoffels, Wouters.

[45] Gerolts, Gerrebrands, Godschalks (en Gosschalk in enkelen form),

Helmers, Herrewijns, Hildebrands, Remmers, Roelants, Volkmaars,

Wigbolts (en in versletenen form Wiebolts), Wyemars en Wiemers,

Willebrands.

[46] Doedes, Douwes, Ealzes, Feddes, Rengers, Rinkes, Sierds, Sjerps,

Sipkes.

[47] Derx, Farx, Franx, Fredrix, Haex, Hendrickx, Hendrykx, Marx.

[48] Dl. I, bl. 36--van 't jaar 1462.

[49] Dl. I, bl. 240--van 't jaar 1530.

[50] Dl. I, bl. 313--van 't jaar 1542.

[51] Dl. I, bl. 316--van 't jaar 1542.

[52] Dl. I, bl. 319--van 't jaar 1542.

[53] Register van den aanbreng van 1511. Dl. 1, bl. 169.

[54] Domis, Duyvis, Galis, Heinis, Jonxis, Mienis, Stammis, Steenis,

Tamisz, Tanis, Veenis, Warris.

[55] Gyssen en Giezen, Huygen, Joosten, Jorissen en Gorissen, Keessen,

Kersten en Carsten, Luyken, Nolten, Onnen, Oortgysen, Otten, Rijcken,

Thijssen, Wynen.

[56] Foppen, Hedden, Heeren, Hubben, Luyten, Makken, Okken, Pollen,

Poppen, Rensen, Synen en Zynen, Snellen, Themmen, Uniken, Warren

en Wobben.

[57] Feickens, Fockens, Foekens, Heykens, Huigens, Leeuwens, Meddens,

Onnens, Rykens, Roukens, Tjabbens, Tiddens, Tonkens, Ubbens en Uilkens.

[58] Haefkens, Haentjens, Kannekens, Lollekens, Luydjens, Mintjens,

Schellekens en Scheltjens, Seuntjens, Vennekens.

[59] Giltjes, Loosjes, Maatjes, Onnekes, Rinkes, Solkes, Waalkes,

Zoontjes en Wulmkes, dat is de mansvoornaam Wilhelm, samengetrokken

tot Willem, in verbasterde uitspraak Wullem, in schrijfwyze verkort

tot Wulm, in verkleinform Wulmke, in den tweeden naamval Wulmkes.

[60] Bernarda, Bruna, Geldra, Gosliga, Hameka, Hoga, Idsarda, Jilderda,

Jorna, Yska, Menalda, Popta, Reinalda, Rembada, Reverda, Ripperda,

Ruurda, Sjoerda, Tjaarda, Wiarda, Wynalda, Albada, Bloema, Hora,

Meina, Rommerda.

[61] Taylor, Words and Places, bl. 381.

[62] Ik mag hier niet achter wege laten te wyzen op eene verklaring

van den uitgang ma achter friesche patronymikale geslachtsnamen,

voorkomende in mijn geschrift Een en ander over friesche eigennamen,

en die aanmerkelik afwijkt van de verklaring die ik hier aangaande

deze namen geef. Nadere onderzoekingen, ten gevolge van het vinden en

gebruiken van vele bronnen in oude geschriften en oorkonden, die my

vroeger onbekend waren gebleven, of ook ontoegankelik waren, hebben

mijn oordeel in deze zake thans volkomen gewyzigd. Ik herroep dus

by dezen, wat ik in bovengenoemd opstel ter verklaring der ma-namen

heb geschreven.

[63] Bennema, Beintema, Bronnema, Dekema, Epema, Epkema, Feikema,

Gaikema, Gjaltema, Haitsema, Hobbema, Ykema en (Van) Ikema, Yntema,

Klasema, Lieuwema, Mellema, Ottema, Piekema, Ritsema, Sipkema, Tietema,

Uilkema, Wierdema.

[64] Entena, Epena, Falkena, Frankena, Imckna, Yntena, Matena (zie

bl. 110), Sytena, Ubbena, Ukena, Wibena, Wymna.

[65] Zie Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthonij-Gasthuis

te Leeuwarden, bl. 5.

[66] Ibid. bl. 9.

[67] Ibid. bl. 13.

[68] Duursma, Engelsma, Folkertsma, Geldersma, Gerbertsma, Hendriksma,

Hoitsma, Jansma, Jorritsma, Lammertsma, Meindertsma, Nammensma,

Pietersma, Riemersma, Sierdsma, Sigersma, Steensma, Tjalsma, Tjebbesma,

Tiemersma, Wigersma, Wierdsma.

[69] Namen als Kopinga, Klaassen, Andriessen, Tomson, enz. zijn

eigenlik even zonderling samengesteld als Leefsma. Immers ook hier

is een vreemde, een hebreeusche naam (Jacob), twee andere bybelsche

namen (Andries, Andreas en Tom, Thomas), en een kerkelike naam

(Klaas, Nicolaus), allen dus van vreemden oorsprong, verbonden met de

germaansche patronymikale uitgangen inga en sen, son (zoon). Zie hier

eenigen van die byzondere nederlandsche geslachtsnamen, aan bybelsche

en kerkelike mansvóórnamen ontleend, en eigenlik even zonderling van

samenstelling, wegens de dietsche en friesche aanhangsels.

Van den bybelschen mansvóórnaam Petrus zijn afgeleid de nederlandsche

geslachtsnamen Pietringa (Peterynck vond ik in West-Vlaanderen, als

een naam uit de vorige eeu), Pietersma, Pietsma, Piersma, Petersma,

Pietema, Pietersen, Pieterse, Pyttersen, Pieters, Piers, Pieren,

Pierson, Peterson, Peeters, Peters, Petersen, Petri, Pietjes.

Van Nicolaus: Klazinga, Klasinga, Klasenga, Klasema, Klasing, Clausing,

Klaassen, Claeysseune, Claessens, Klaasen, Klasesz, Nicolzon, Nicolai,

Lykles, Lyklema, Lycklama (zie § 45).

Van Andreas: Andriessma, Andriessen, Andreessen, Andriesse, Anders,

Andersen, Andreæ, Drewes, Dreevsen.

Van Jacob: Kopinga, Copinga, Coops, Koops, Koopsma, Kops, Koppen,

Koppe, Jacobs, Jacobson, Jacobi, Japikse, Jaapies.

Van Martinus: Martens, Maartensz, Meertens, Mertens, † Martena,

Martini.

Van Thomas: Thomassma, Thomassen, Tomsen, Toms, Tomson.

Van Paulus: Paulusma, Paulsen, Pauwels, Pauwelse, Paulen, Pauli,

De Pauly.

Van Caspar: Caspersma, Kaspers, Caspari.

Van Christophorus: Stoffelsma, Stoffels, Stoffers, Christoffels,

Stuffers.

Van Christianus: Christiaenssens, Christiaanse, Kerstsma, Kestma,

Kastma, Karsten, Carsten, Corst, Cors, Corstiaans, Kersting, Christ,

Carstensen, Kersten.

Van Mattheus: Matthyssen, Thyssen, Theys, Tysma, Tiesma, Thysma,

Tiesema, Tiessema, Thyssens, Matthes, Mathiessen, Matthaei.

Van Bonifacius: Fazinga, Faasma, Faassen, Fasen, Vaasen, Vase.

De zeer talryke nederlandsche geslachtsnamen, die hunnen oorsprong

aan den bybelschen mansnaam Johannes ontleenen, vindt men in §

58 opgenoemd.

[70] Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthony-Gasthuis te

Leeuwarden, bl. 82 en 91.

[71] Franssema, Hoolsema, Ilpsema, Jeltsema, Klootsema, Luurtsema,

Roelfsema, Tietsema, Weitsema.

[72] Ten einde geen nederlandsche geslachten misschien te krenken,

worde hier als voorbeeld slechts de duitsch-friesche geslachtsnaam

Von Ompteda vermeld. De naam waarvan dit patronymikon is afgeleid, is,

in zynen oudsten, oorspronkeliksten form Ummo, Omme, en in dien form,

ook verkleind als Omke, en als Umo, Ome, Oomke, nog in Friesland in

gebruik. Van daar de geslachtsnamen Ommenga, Omenga, Oomkens, Omen,

Ooms, Oomsz, Ummen en Umken. Vele friesche mansvóórnamen worden in

Friesland door willekeurige achtervoeging eener t verformd; van Haio

maakt men Haite, van Ubo, Oebe maakt men Oebt, Oept, Upt, en zoo ook

van Ummo, Omme is Umt, Omt geworden. Men ging zelfs verder, en hing

er nog eene t achter; zoo kwam van Haite de form Haitet; van Oept,

Upt maakte men Uptet, van Umt, Omt werd Umtet, Omtet. Nu neemt in den

mond der Nederlanders de m geerne eene p of b achter zich; Middenleek

werd Medemlik en Medemblik; Emuden werd Emden, Embden. Zoo ook werd

Umtet en Omtet tot Umptet en Omptet. Deze naam door achtervoeging

der oud-friesche a in den tweeden naamval geplaatst, geeft het

patronymikon Ompteda (niet Ompteta; zoo komt van Albert en Hilwert,

ofschoon deze namen beiden op t eindigen, Alberda en Alberdingk,

Hilverdink, enz. met eene d). Dit oud-friesche geslacht Ompteda,

oorspronkelik gezeten op 't Zand in Fivelgo, waar de Ompteda-burcht is,

is zeer verspreid in de friesche gouen aan beide oevers der Eems. De

afstammelingen er van schryven hunnen naam op verschillende wyzen,

als Ompteda, Von Ompteda, Umpteda, Omta, Umta, en formen dien ten

gevolge nu vijf verschillende maagschappen. Een soortgelyke naam is

de geslachtsnaam Impteda, die tegenwoordig, door letterkeer, in den

verbasterden form Impeta voorkomt, en een patronymikon is van den

mansnaam Imptet, Imtet, Imte, Imt, Immo.

[73] Ter Haagha met Van Terwisscha en Van Terwisga (tor wiska is

Oud-friesch voor ter weide, zur Wiese, Platduitsch tor Wische, op

of aan de weide) zijn de eenigste friesche geslachtsnamen, die dit

voorvoechsel ter, dat elders algemeen is, by zich hebben. Zie § 98.

[74] Serbruyns, Serclaes, Serdobbels, Sergeys, Sergeyssens, Sergeysels,

Serjacobs, Serlippens, Serneels, Serniclaes, Seroyen, Serpieters,

Serreyns, Serruys, Sersanders, Sersimoens, Serstaas, Serstevens,

Servranckx, Serweytens, Serwouters.

[75] De Navorscher, dl. XXVIII, bladz. 28.

[76] De Navorscher, deel XXVIII, bladz. 28.

[77] Arnoldi, Augustini, Brandi, Conradi, Eberhardi, Gysberti,

Hilbrandi, Jacobi, Martini, Matthaei, Meinardi, Michaëlis, Nicolai,

Petri, Rudolphi, Simonis, Wilhelmy, Winoldi.

[78] Ruardi (van Ruard [Ruwaert], Ruurd), Sybrandi (van Sybrand,

Sîgbrant), Taconis (van Taco), Tjallingii (van Tjallingius, Tjalling),

Wiardi (van Wiard--zie bl. 115), Wybrandi (van Wybrand, Wîgbrant),

Wigboldy (van Wigbold), Wigeri (van Wigerus, Wiger, Wîgher).

[79] Eyssonius, Hajenius, Heynsius, Hillenius, Jansenius, Janssonius,

Matthesius, Mettenius, Nolthenius, Stratenus, Tielenius.

[80] Johannink, Johanningmeyer, Johans, Janninga, Janninge, Janning,

Jannink, Janzing, Janssonius, Jansenius, Janszeune, Jansone, Janseune,

Janson, Janneson, Jantzon, Janssen, Janssens, Jansse, Jansen, Jansens,

Janse, Jansé--in verfranschten form, even dwaas als Tanjé op bl. 69

vermeld; zie ook § 165. Janszen, Jansze, Janzen, Janze, Jansz, Jans,

Jannen, Janne, Jannesse, Janesse, Jannissen, Jannisse, Jantz, Jantzen,

Jansma, Jansema, Jenning, Jennings, Jenninck, Jentink, Jens, Jensson,

(misschien ook Jenny, zie § 30), Jensen, Jensma, Jensema, Jentsema

(dit is een oud-friesche verkleinform Jentse, Jen-tse of Jen-ke, Jenke,

in 't Hollandsch Jannetje, friesch ts == k), Jentzema, † Janthiama en

† Jantiema (eveneens oud-friesche verkleinformen), Jantjes, Jennen,

Jenniskens, Jennissen, Jennessen, Jeenenga, († Jenia, zie § 29), Jeens

(de form Jeen komt in Friesland nog als mansvóórnaam voor), Jentjema,

Jone, Joons, Hannes, Hanson, Hanssen, Hanssens, Hannessen, Hansen,

Hansens, Hanse, Hansma, Hansema, Hensen, Henss, Henssens, Henskens. Dan

nog de geslachtsnamen, wier oorsprong van den mansnaam Johannes in

versletenen en verkorten form, of van de oud-germaansche mansnamen

Hanno, Henno, in verkleinform Hanke (Hancko) en Henke (Hencko), aan

twyfel onderhevig is: Hanning, Hannema, † Hankema, Hanken, Hankes,

Henning, Hennye, Henny (zie § 30), Hens, Henkema, Henkes, enz. enz.

[81] Groninger Volksalmanak, 1838, bl. 142.

[82] Historische beschouwing der nederlandsche eigennamen, in De

Jager's Taalkundig Magazijn, dl. IV, bl. 317.

[83] Oorkonden der Geschiedenis van het Sint-Anthonij-Gasthuis te

Leeuwarden, bl. 46.

[84] Toevallig is Oldeneel ook de naam van eene buurtschap by

Zwolle. Wat die naam als plaatsnaam beteekent, weet ik niet. Maar

het is waarschijnlik dat de eene of andere van de verschillende

maagschappen, die den naam Oldeneel dragen, dien naam aan dat gehucht

ontleenen, terwijl by anderen de oorspronkelike beteekenis »Oude

Cornelis" kan zijn.

[85] Zie het toeblaadje (feuilleton) van het nieusblad

Volksblad. Enschede. Jaargang 1882, no. 48, onder den titel Kwade

Bette door M. J. Wuyster.

[86] Oorkonden der Geschied. van het St.-Anthony-Gasth. te Leeuwarden,

dl. 1 bl. 39.

[87] Eleazar en Eliazar, Elias, Esau, Ezechiël (en Ezechiëls), Jehu,

Jeremias, Jesse, Joël, Jonas, Isacq, Juda en Levy (zie bl. 130), Laban,

Manasse, Nabal (en Nopol? eene andere uitspraak van dezen naam?),

Nathan, Ruben (en als patronymikon Rubens), Salomon en Solomon,

Samuël, enz.

[88] Clephas, Lazarus, Marcus en Markus, Mattheus en Matthaei (zie

bl. 150), Nicodem, Stephanus, Thomas, enz.

[89] Germanus, Gratiaen, Gregorius met Gregory en Gregoor, Jeronimus,

Ignatius, Julianus, Krispyn, Pancras, Quiryn, Rochus (met Rochusz en

Rochussen), Servatius en Zervaas, Severien (met Severijns, Severijnse),

Silvester, Urbanus en Uurbanus, Vincent en Valentyn. De geslachtsnaam

Kiliaan kan tweederlei oorsprong hebben; hy kan de naam zijn van den

heiligen Kilianus, en hy kan ook een latynsche form zijn om aan te

duiden, dat de drager van dezen naam een Kieler is, iemand geboortig

van, of t'huis behoorende in de stad Kiel in Holstein, of in de Kiel,

een buurt by 't Hoogezand in Groningerland.

[90] Jagers, Jaegers, Jaeghers en Jegers, Houtzagers, Keersmaekers

en, in wanspelling, Kerssemakers (kaarsemaker); Klerckx en Clerckx,

Kosters, Costers en Custers, Kramers, Kremers en Creemers; Kuipers,

Kuypers, Cuypers, Kupers, Küppers en het verlatynschte Cuperi;

Koopmans, Coopmans, met de versletene formen Coomans en Comans;

Lantmeeters, Leydeckers, Meesters, Messemaeckers, Rovers, Olieslagers,

Pelsmaekers, Schoenmakers, Schoemaekers en het zuid-nederlandsche

Schoesetters; Schrynemaekers, van het verouderde schrijn, kast als

meubelstuk (in Friesland heeten de kastmakers nog schrijnwerkers);

Snepvangers (snep = snip), Snyders, Snieders en Snyers, Teegelbackers,

Waersegers, (waarzegger), Weevers, enz.

[91] Zie ook mijn opstel: Brabantsche en flaamsche geslachtsnamen,

in De Navorscher dl. XXVIII, bl. 22, 191, 358.

[92] Hoefnagels en Houfnaeghels, Hombrouckx, Haseldonckx, Kerekhoffs,

Kievits, Koevoets, Quaeyhaegs, Rijsheuvels, Roosbroeckx, Snoeks en

Snoucks, Spitaels, Steenackers, Sterckx, Stroobants, Roeyaekers,

Vingerhoets, Vloeberghs, Welvaarts.

[93] Zie Josef Haltrich, Sächsischer Volkswitz--Overdruk uit een

tijdschrift--bl. 6.

[94] Zie De Handelingen der Apostelen, hoofdstuk VIII vers 27.

[95] Zie Edw. Gailliard, Glossaire flamand, op het woord stragier.

[96] Zie mijn opstel Land, volk en taal in West-Vlaanderen, in De

Tijdspiegel, 1884, bl. 1.

[97] Bremer en Breemer, De Keulenaar, De Ceuleneer, De Ceuleneir en

Ceulenaere, Clever, Hamburger, Luykenaar, Reeser en Santenaire. Beide

laatstgenoemde namen, waarvan Santenaire (in Vlaanderen voorkomende)

in verfranschte spelling, zijn afkomstig van rijnlandsche stedekes,

naby de nederlandsche grens gelegen, van Rees namelik en van Xanten.

[98] Bregentzer (van Bregentz, stad in Oostenrijk), Dannenfelser (van

Dannenfels, dorp in den Beierschen Palts, by Kirchheim-Bolanden),

Darmstädter (van Darmstad in Hessen), Eltzbacher (van Eltzbach, dorp

by Bischofsheim in Beieren), Kirberger (van Kirberg, vlek in Nassau,

by Wiesbaden), Mansvelder, (van Mannsfeld, stad in de pruissische

provincie Saksen), Oppenheimer (van Oppenheim, stadje in Rijn-Hessen),

Prager (van Praag in Bohemen), Wormser (van Worms in den Rijn-Palts),

Venetianer (van Venetië in Italië), enz.

[99] Abcouwer (van Abcoude, voluit Abekenwoude, maar in volksuitspraak

Apkou--dorp by Amsterdam); Alphenaar (van Alfen, dorp in Rijnland, of

ook in Noord-Brabant); Berkouwer (van Berkou, zoo als de volksuitspraak

is van Berkwoude, een dorp in Zuid-Holland); Blesker (een friesche

form; van De Blesse, een dorp in Friesland op de overijsselsche grens);

Brusselaar, Brusselaere en zelfs Bruysselaere, met de patronymika

Brusselaers, Brusseleers en Brusseleirs (van de stad Brussel);

Dordregter en Dortsman; Hagenaar (een inwoner van 's Gravenhage);

Huyser en Huizer (van Huizen, het gooische dorp, of van Huyssen,

het geldersche stadje); De Hulster, D' Hulster en Den Hulster,

misschien ook De Hilster (van de stad Hulst in Vlaanderen); Yperman

(van de stad Iperen in Vlaanderen); Kuindersman (van het vlek de

Kuinder in Overijssel); Grolman (van Groenlo of Grol in Gelderland);

Lekkerkerker (van het dorp Lekkerkerk in Zuid-Holland); Lemmersman

(van het vlek de Lemmer in Friesland); Lommelaar (van het dorp Lommel

in Belgisch-Limburg); Mechelaire (van de stad Mechelen in Brabant);

Meppelder (van de stad Meppel, in de wandeling Meppelt genoemd,

in Drente); Oostwouder (van het dorp Oostwoude in Noord-Holland);

Ottolander (van het dorp Ottoland in Zuid-Holland); Pekelder (van

het vlek de Pekel-A in Groningerland, in de wandeling enkel de Pekel

genoemd); Schager (van het vlek Schagen in West-Friesland); Toolenaar

(van de stad ter Tolen in Zeeland), enz.

[100] Deze naam wordt vermeld in T. D. Wiarda, Ueber Deutsche Namen,

bl. 126.

[101] Beerstra, van het dorp Beers, moet dus eigenlik Beersstra zijn;

Beetstra, van het dorp Beets; Boonstra en Boornstra, van het dorp

Olde-Boorn, door de Friesen in de wandeling Boarn, Boon genoemd;

Broekstra, van het dorp Broek; Budstra, van het gehucht de Bird,

gewoonlik volgens de friesche uitspraak de Bud genoemd, by Grou (deze

geslachtsnaam komt dan ook te Grou voor); Dragstra, van het vlek

Drachten; Gaastra (eigenlik Gaaststra), van het dorp Gaast; Groustra

en Grouwstra, van het dorp Grou; Heegstra, van het dorp Heeg; Ylstra

(eigenlik Ylststra), van het stadje Ylst; Joustra en Jouwstra, van

het vlek de Joure; Kielstra en Kylstra, van het gehucht de Kiel by

't Hoogezand in Groningerland; Knypstra en Kniepstra, van het dorp

de Knype of Nieu-Brongerga; Kootstra, van het dorp Koten; Lemstra,

van het vlek de Lemmer; Nestra (Nesstra ware beter geboekstaafd),

van een der drie dorpen Nes, die er in Friesland gelegen zijn;

Sneekstra, van de stad Sneek; Steenstra en Stienstra, van het dorp

Stiens; Teernstra, van het dorp Teerns; Teunstra, van het dorp Tirus,

in friesche uitspraak Tuns of Teuns genoemd; Troelstra, van het

dorp Ter Oele, in de wandeling tot Troele samengetrokken; Tzumstra,

van het dorp Tzum of Tjum; Wierstra, van het dorp Wier, of van eenig

ander wier, welk woord, nevens therp, in het Friesch eene hoochte of

heuvel beteekent; Wynstra, van het dorp Wyns of van de buurt Wyns by

Oosterend--allen friesche plaatsen. En nog velen meer, die men vinden

kan in mijn werk Een en ander over friesche eigennamen.

[102] Alstorphius, van Alsdorf, zoo als wel drie dorpen

in Rijn-Pruissen heeten, een by Aken, een by Trier, een by

Coblentz. Essenius; de plaatsnaam Essen is in Nederland eigen aan drie

gehuchten, by Barneveld in Gelderland, by Diepenveen in Overijssel,

by Haren in Groningerland; en in Duitschland aan wel vijf verschillende

plaatsen. Fledderus, van het drentsche dorp de Vledder; Gronovius, van

het westfaalsche stadje Gronau, aan onze twentsche grenzen gelegen;

Hempenius, van het dorp Hempens by Leeuwarden; Noordanus, van de

stad Norden in Oost-Friesland; Parisis, van Parijs; Schotanus, van

het dorp (Olde- en Nye-) Schoot, in Friesland; Sevecotius, van eene

plaatsnaam Zevenkoten of Sevecote in Vlaanderen; Staphorstius, van

het dorp Staphorst in Overijssel; Stavorinus, van de stad Staveren in

Friesland; Tilanus, van de stad Tiel in Gelderland; Swalmius, van het

dorp Swalmen by Roermond in Limburg (zie Nav.: XXXIII, 294); Buranus,

van het stadje Buren in Gelderland; Verdenius, van de stad Verden in

Hanover; Werumeus, van een der in de friesche gewesten talryke dorpen

die Wierum of Werum heeten; Winsemius, van het friesche dorp Winsum;

Colonius, van de stad Keulen, enz.

[103] Zie Navorscher, dl. XXVI, bl. 351 en 362.

[104] Zoo geven onze zeelieden, in het Engelsche-kanaal zoo

wel bevaren, aan het Nau tusschen Dover en Kales (Calais), aan

de vooruitstekende landpunt van Dungeness, waar de ligplaats is

onzer loodskotters, en aan den Start-point der Engelschen, nog de

oud-nederlandsche namen van »de Hoofden", »de Singels" en »Goudstaart."

[105] Elzas, Nassau, Navaere (Navarre), Neumark (eene gou van het

pruissische gewest Brandenburg), Noorweegen, Oostenrijk, Padmos

en Patmos, Piemont, Pommeren, Pruissen, Sauerland (eene gou van

Westfalen), Spanje, Tirol en Tyrol, Toscanie, Waldeck, Wetterau (eene

hessische gou), enz. Ook nog Portugaels, dat als een patronymikon in

den tweeden naamval staat.

[106] Brandenburgh en Brandenburg, Calisch met Kalisch, Kalis en Calis

(stad in Polen), Clermont, Craeau, Dublin, Edenburg, Fernambucq,

Kantelberg (dit is de oud-nederlandsche form van den naam der stad

Canterbury in Engelland), Konijn (Conin, stad in Polen; zie ook

bl. 210), Lankester, Libau (stad in Koerland), Lion (?), Lissa (stad

in Polen), London en Londen, Madras, Marseille, Mesritz en Meseritz

(stad in Polen), Mureia, Orleans, Parijs, Presburg, Riga, Robaeys (deze

naam, in Vlaanderen voorkomende, vertoont den byzonder-vlaamschen

form van den naam der stad Roubaix, oorspronkelik Roodebeke, in

Fransch-Vlaanderen), Romen en Roomen, Rouaan en Rowaan, Toledo,

Versailles, Wyborgh en Wyburg (stad in Finland).

[107] Yonge, Christian Names, dl. I, bl. 54.

[108] Dresden, Dusseldorf en Dusseldorp, Frankfort, Halberstadt,

Hamburg, Hanou (Hanau is eene stad in Hessen, waarvan d'inwoners

veelvuldig in verbinding stonden met Nederlanders, en waar ook nog

in deze eeu eene nederlandsche herformde gemeente gevestigd was),

Heilbron, Keulen, Lobensteyn, Luneburg, Maagdenburg, Manheim, Metz

(deze dikwijls voorkomende geslachtsnaam, en die door verschillende

maagschappen gedragen wordt, kan ook een patronymikon zijn,

en wel een tweede naamval van den ouden mansvóórnaam Met, Mette;

zie bl. 154. Vooral waar hy als Mets geschreven wordt, zal dit het

geval zijn). Dan Minden (komt ook, volgens de hollandsche uitspraak,

als Minde voor); Neurenberg (en misschien is Neurdenburg hiervan wel

eene verbastering); Regenspurg (nog in de oude zuidduitsche spelling,

met p in plaats van b), Selle en Zelle (Celle, stad in Hanover),

Andernagt, (dat is Andernach aan den Rijn; zie § 156), Sleeswijk,

Spandaw (Spandau, Spandow, stad in Brandenburg, Pruissen); Speyer

(de hoogduitsche form van den naam der stad Spiers, in den Pfalz);

Straatsburg, Weymar, Wolffenbuttel en Zerbst, eene stad in Anhalt.

[109] Benraadt (dorp in de Rijnlanden by Dusseldorp), Berssenbrugge

(dorp in Hanover by Osnabrück), Burlage, Boerlage, Buurlage (Burlage

is een dorp in Oost-Friesland), Brandligt (dorp in de graafschap

Bentheim), Dornseiffen (dorp by Siegen in Westfalen), Emmelkamp (dit

is de nederduitsche naam van het dorp Emblicheim, in de graafschap

Bentheim, aan onze drentsche grens by Koevorden gelegen); Geelkerken,

nederduitsche form van den naam van het stadje Geilenkirchen, in de

Rijn-provincie, naby onze limburgsche grenzen gelegen, Gescher (dorp

in Westfalen naby onze twentsche grens), Gilhuys, nederlandsche form

van den naam van het stedeke Gildehaus, in de graafschap Bentheim,

naby onze twentsche grens gelegen, Holtrop (dorp in Oost-Friesland);

Iburg (vlek in Westfalen, by Osnabrück), Kleinenboich (dorp in de

Rijn-provincie, by Gladbach), Kleve (stad in de Rijn-provincie, naby

onze geldersche grens), Kloppenburg (stadje in Oldenburg), Kniphuisen

(in Jeverland, Oldenburg), Kranenburg en Cranenborg (stedeke in de

Rijn-provincie, naby onze geldersche grens), Meurs (Mörs, stadje in

de Rijn-provincie, by Keulen), Noordhoorn (Nordhorn, stadje in de

graafschap Benthem, aan onze twentsche grens), Norden en Noorden (stad

in Oost-Friesland), Pruim (verhollandscht van Prüm, een stadje bezuiden

Aken in de Rijn-provincie), Steinvoort, Steinfort en Steinfoorte

(Steinfurth, stadje in Westfalen), Tekelenburg en Tecklenborg (stadje

by Munster in Westfalen), Tinholt (gehucht by Emlenkamp--zie hier

boven), Viersen en Vierssen, Wagtendonk en Wassenbergh (alle drie

stadjes in de Rijn-provincie, aan onze limburgsche grens), Weener

en Witmond met Witmondt (twee oostfriesche stadjes), Witlage (dorp

by Osnabrück), Wittmarschen (Wytmarschen of Wietmarschen, de naam

van een oud en beroemd klooster, thans van een klein gehucht in de

graafschap Benthem, by Noordhoorn aan onze twentsche grens), enz.

[110] Hoogezand, Muntendam, Dwingeloo, Hoogeveen, Vollenhove, Kampen

(kan ook een patronymikon zijn), Steenwijk, Appeldoorn, Barneveld,

Eibergen, Amerongen, Montfoort, Akersloot, Medemblik, Wydenes,

Goudriaan, Pijnacker, Baarland, Cats, Middelburg, Zirkzee (eene

wanspelling van Zieriksee), Eindhoven en Enthoven, Oosterwijk,

Steenbergen, Broekhuizen en Broekhuyse, Beverloo, Valkenburg,

Calmpthout, Hoogstraten en Hoogstraeten, Moll, Aarschot, Loven

en Leuven, Oudenaarde, Ronse, Kortrijk, Meenen, Blankenberg,

Belle, Peene, Linzeele, enz. Dit laatste (Lynsele, Lijnsele,

Leinsele), is de oud-nederlandsche naam van het oud-vlaamsche dorp in

Fransch-Vlaanderen, dat thans den verfranschten naam van »Lincelles"

draagt.

[111] Zie De Navorscher, dl. XXVIII, bl. 88.

[112] Eene zonderlinge, den oore beleedigende en de tonge vermoeiende

samenstelling van geslachtsnamen, eigen aan een enkel persoon, is

Van Taack Trakranen (Van Taack Tra Kranen). Zoo deze naam ook nog

eens tot eenen enkelen monsternaam samenvloeide, gelijk Tra Kranen

reeds tot één naam geworden is! Vantaacktrakranen!

[113] Drentsche Volksalmanak, jaargang 1839, bl. 29 en jaargang 1840,

bl. 143.

[114] Van Engeland, Van Hessen, Van Holstein, Van Ierland, Van Italië,

Van Kent (graafschap in Engelland), Van Liefland, Van Nassau, Van

Oostenrijck, Van Polen, Van Pommeren, Van Pruissen, Van Savoyen,

Van Saxen, Van Spanje, Van Zweeden en Van Sweden.

[115] De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 41.

[116] Zie myne opstellen »Friesland over de grenzen", in het

tijdschrift De Tijdspiegel, jaargang 1882, en »Eenige bizonderheden

aangaande de kleederdracht der Friesinnen", in het tijdschrift De

vrije Fries, dl. XV.

[117] Van Dantzig, Van Dresden, Van Edenburg, Van Gosselaar (zoo deze

naam althans eene verbastering is van Goslar, eene stad in den Hartz),

Van Hamburg, Van Havre, Van Hoey, Van Koppenhagen, Van Leipsig en Van

Leipzig, Van Lissa (stad in Polen--zie bl. 210), Van London, Van Luik

en Van Luyk, Van Lunenburg. Van Mansfeld en Van Mansvelt (Mannsfeld,

stadje in de pruissische provincie Saksen, by Merseburg), Van Memel,

Van Messel (dorp in Hessen, by Darmstadt), Van Milaan, Van Namen

en Van Naamen, (Namen is eene waalsche, dus voor Nederlanders eene

vreemde stad, even als Luik en Hoei), Van Napels, Van Oldenburg en

Van Oldenborgh, Van Parijs, Van Praag, Van Rensburg, Van Ryssele, Van

Robaeys (Roubaix, stad in Frankrijk--zie bl. 209), Van Rowaen (Rouaan,

stad in Frankrijk--zie bl. 209), Van Straatsburg, Van Tonderen, Van

Tonningen, Van Toulon, Van Venetië, Van Weenen, enz. Misschien ook

Van Oven en Van Ove, van den naam der hongaarsche stad Ofen?

[118] Van Crefeld, Van Dorsten, Van Dulken, Van Duren en Van Duuren,

Van Dusseldorp, Van Emmerik, Van Erkelens, Van Eupen, Van Gangelt,

Van Gelder, Van Goch en Van Gogh, Van Griethuizen en Van Griethuysen,

Van Gulik en Van Guylik, Van Heeringen, Van Keeken, Van Kempen, Van

Ketwich, Van Keulen en Van Colen, Van Kleef, Van Lennep, Van Meurs,

Van Orsoy, Van Rees, Van Rijnberk, Van Santen, Van Schermbeek, Van

Siutfyt, Van Sonsbeek en Van Sonsbeeck, Van Stralen, Van Straelen en

Van Straalen, Van Suchtelen, Van Trier, Van Viersen en Van Vierssen,

Van Wesel, Van Weezel en Van Wezel, enz.

[119] Van Bilderbeek (Billerbeck, stadje niet ver van onze geldersche

grenzen), Van Brethorst (dorp by Minden), Van Dortmond, Van Koetsveld

(Coesfeld, stadje by onze geldersche grens), Van Lingen, Van Loon

en Van Lon (Lohn, Stadt-Lohn, stadje aan onze geldersche grens. Deze

naam kan echter ook van het belgisch-limburgsche stadje Loon of Looz

komen), Van Minden en Van Minde, Van Ogtrop (Ochtrup, stadje aan onze

twentsche grens), Van Osenbruggen, Van Ossenbruggen en Van Ossenbrugge

(dit is de nederlandsche form van den hoogduitschen naam der stad

Osnabrück. Oudtijds was in Friesland ossenbrugsch linnen zeer bekend),

Van Asbeck (gehucht by Ahaus), Van Hassbergen (dorp by Osnabrück),

Van Riemslo (dorp tusschen Osnabrück en Herford), Van Ledden (gehucht

by Ahaus), Van Vrede en Van Vreeden (Vreden, stadje aan de geldersche

grens), Van Zoost (Soest, stad in Westfalen; deze naam wordt als Soost,

Zoost uitgesproken, ook door de Hoogduitschers), enz.

[120] Van Nieuwenhuis (Nieuwenhuis, Nienhuis, Nienhaus, Neuenhaus,

een benthemsch stadje aan de drentsche grens), Van Emmelenkamp (zie

bl. 212), Van Wittmarschen (Witmarschen, Wietmerschen, zie bl. 212),

Van Wilsum en Van Ulsen, dorpen in die landstreek), enz.

[121] Van Doornum, Van Geuns en Van Goens, Van Jennelt, Van Jeveren,

Van Hinte, Van Leer, Van Lengen, Van Norden en Van Noorden, Van

Varelen, enz. Jever en Varel behooren slechts in volkenkundigen zin

tot Oost-Friesland, maar in staatkundigen zin tot Oldenburg.

[122] Fr. Arends, Erdbeschreibung des Fürstenthums Ostfriesland. Emden,

1824.--bl. 207.

[123] Van Haren, Van Assen, Van Coeverden, Van Kampen, Van Deventer,

Van Zutphen, Van Tiel, Van Loenen, Van IJsselstein, Van Egmond,

Van Haarlem, Van Leyden, Van Alphen, Van Eyndhoven, Van Breda, Van

Broekhuizen, Van Weert, Van Tholen, Van Hulst, Van Turnhout, Van

Lier, Van Deynze, Van Beveren, Van Aalst, Van Brussel, Van Heyst,

Van Houtryve, Van Hautryve, Van Autryve, Van Outrive (aangaande

deze vier laatste namen zie men bl. 218), Van Vive, Van Iperen, Van

Honschoten, Van Suypeene (Zuid-Peene, dorp in Fransch-Vlaanderen),

Van Uxem, dat zijn allen welbekende namen aan welbekende nederlandsche

plaatsen ontleend.

[124] Van Bergen-Henegouwen, Van Brussel, Van Brugge (veelal Van

Bruggen gespeld, en daardoor twyfelachtig), Van Damme, Van Deynse,

Van Diest, Van Evere, Van Gaveren (met De Gavere--in franschen form),

Van Geel en Van Gheel, Van Gent, Van Gend en Van Ghent, Van Haerlebeke,

Van Halmael, Van Hantryve (zie bl. 218), Van Heyst, Van Herzele, Van

Herenthals, Van Hoboken, Van Iperen, Van Kanegom en Van Caneghem, Van

Lier (één noordnederlandsch geslacht Van Lier is niet afkomstig van de

zuidnederlandsche stad Lier, maar van de oostfriesche stad Leer, welke

naam vroeger ook wel »Lier" werd geschreven--men spreekt »Leier"),

Van Leuven en Van Loven, Van Lommel, Van Lookeren, Van Meenen, Van

Moll, Van Moorsele, Van Otichem, Van Peer, Van Pelt, Van Petegem,

Van Popering, Van Reekem, Van Sichem, Van Slype (Verslype, dat is

Van der Slype, komt nog in Vlaanderen zelve voor), Van Somerghem,

Van Sotteghem, Van Staden en Van Staa, Van Stockum, Van Tienen, Van

Tongeren, Van Turenhout, Van Tuerenhout en Van Tuerenout, Van Vive,

Van Waerschoot, Van Wetteren, Van Zantvliet, enz.

[125] Van Hazebrock (met Hasebroek, enz., zie bl. 218), Van Honschoten,

Van Mardijck, Van Suypeene, Van Peene en Van Peen, Van Stapele,

Van Uxem, Van Wynoxbergen, enz.

[126] Van Driel, De Dwingelo (merkweerdiger wyze komt deze naam in

verfranschten form voor), Van Gennip, Van Gestel, Van Groeningen,

Van Heemskerke, Van Cuyck, Van Lieshout, Van Moock, Van Oirschot, Van

Ommeren, Van Os, D'Overschie (ook in franschen form), Van Puyfelick

(Pufflik, dorp in Gelderland, in het Maas- en Waalsche), Van Rijswijck,

Van Ruynen, Van Schijndel, Van Son, Van Stratum, Van Tilborgh, Van

Velsen, Van Zuylen, enz.

[127] Zie een opstel over Munnikreede, van H. Q. Janssen, in het

jaarboekje Cadsandria, voor 1854, te Schoondyke in Zeeusch-Vlaanderen

uitgegeven.

[128] Zie N. de Roever, Nadere bizonderheden betreffende

Jan Theunisz. Blanckerhoff, voorkomende in het tijdschrift

Oud-Holland.--Amsterdam, 1882, jaarg. I, bl. 89.

[129] In hoogduitschen form, als Von Beesten, komt een geslachtsnaam,

van dezen dorpsnaam ontleend, nog tegenwoordig in de Nederlanden

voor; zoo ook Van Besten (te Antwerpen), en elders nog de zuiver

nederlandsche form Van Beesten.

[130] Deinuma en Deinema, van het dorp Deinum; Dokkuma, van de stad

Dokkum; Dongjuma, van het dorp Dongjum; Ferwerda, en het versletene

Ferweda, van het dorp Ferwert; Holwerda, van het dorp Holwert; Jelluma,

van het dorp Jellum; Jorwerda, van het dorp Jorwert; Kluurda, van

het gehucht Kluurd, by Kimswert; Memerda, van het gehucht Memert, by

Winsum; Miedema, van het dorp Miedum; Rauwerda, van het dorp Rauwert;

Salverda, van het gehucht Salwert by Franeker; Sieswerda en Zieswerda,

van het gehucht Sieswert of Sydswert by Hichtum; Weidema, van het

dorp Weidum; Wurdema, van het dorp Wirdum (de naam van deze plaats

wordt door de Friesen als Wurdum of Wuddum uitgesproken), enz.

[131] Helwerda, van het gehucht Helwert by Rottum in Fivelgo; Leta,

van de Lete, een gehucht by Bellingawolde; Lula, van de Lule, een

gehucht by 't Hoogezand; Wedda, van het dorp Wedde, en nog velen meer,

zoo wel friesche als groningsche, die in mijn werk »Een en ander over

friesche eigennamen," in De vrije Fries, dl. XIII, zijn aangegeven.

[132] Van der Dussen, Van der Dusse, Verdussen; de Dusse is een

stroomke in Noord-Brabant, in het Land van Altena. Van der Eem

en Overeem; de Eem is het rivierke waar Amersfoort aan ligt. Van

der Eems, de rivier tusschen Groningerland en Oost-Friesland. Van

der Giessen, Van de Giesse, Vergiesse; de Giessen is een stroom

in Zuid-Holland, die by Giessendam in de Merwede valt. Van Heule,

Verheule, Verheul; de Heule is eene beek in West-Vlaanderen; het woord

heule, heul heeft evenwel ook de algemeene beteekenis van waterloop,

water-affloeiing. Van IJssel, Van den IJssel, Verysel, in wanspelling

ook Van den Eyssel. Van der Lei, Verley, Verleye, By de Lei; de Leie

is eene rivier in West-Vlaanderen; maar het woord leie heeft ook de

algemeene beteekenis van waterleiding, en komt, b. v. in Friesland,

ook als plaatsnaam voor. Van der Lek en Van der Leck. Van der Linde

en Van der Linden, ook Verlinde, Verlind; de Linde is een rivierke in

Friesland; deze geslachtsnaam kan echter ook afkomstig zijn van den

boom die linde heet; zie § 135. Van Maas, Van Maese, Van Maze, Van der

Maas, Van der Maesen, Van der Maze, Vermaas, Vermaes, Vermaese. Van de

Mandele, Van der Mandele, Van de Mandelen, Van de Mandel, Vermandele,

Vermandel, ook door de zeer gewone verwisseling van l en r, Van der

Mandere, Vermandere, Vermander; de Mandele of de Mandelbeke is een

rivierke in West-Vlaanderen. Van de Merwe, Van de Merwede en Van der

Merve. Van de Niers; de Niers is een rivierke in Limburg. Van Rijn,

Van Rhijn, Van den Rhijn, in wanspelling ook Van Reyn. Van de Roer; de

Roer is eene rivier in Limburg, die by Roermond in de Maas vloeit. Van

de Rotte, ontleend aan het zelfde riviertje waar ook Rotterdam zynen

naam naar draagt. Van der Schelde, Van der Schelden, Verschelde en

Verschelden. Van Schie. Van der Swalm en Van der Zwalm; de Swalm is

een rivierke in Limburg. Maar een ander rivierke in Oost-Vlaanderen, by

het dorp Strypen, draagt ook den naam van de Zwalm; naar dit rivierke

draagt een geslacht Van der Zwalmen zynen naam. Eene hofstede, ter

Zwalme genoemd en aldaar gelegen, behoorde oudtijds aan den stamvader

van dit geslacht; eene afsonderlike tak van het geslacht Van der

Zwalmen heeft zynen naam verlatynscht tot Swalmius (zie Navorscher

XXXIII, bl. 467). Van der Vecht, Van der Vegt en Van der Vegte. Van

't Vlie; het Fli is de stroom voor Harlingen, die tusschen Fliland

en ter Schelling in de Noordzee valt. Van de Waal en Verwaal. Van

de Werken; de Werke is eene oude, thans meest verloopene rivier in

Noord-Brabant by Werkendam. Van de Worm en Van der Worm; de Worm is

een rivierke in Limburg. Van Zoom; de Zoom is het rivierke in Brabant,

waar de stad Bergen (op Zoom) aan gelegen is.

[133] Berg, Brink, Dam, Dijk, Duin, Haven, Hoek en Honck, Hoff, Huis,

Kolk, Laan, Oort, Poel, Sluis, Strand, Veen, Veld, Zee.

[134] 'T Felt (het veld), De Geest en De Gheest, Den Duyn, De Hoogt,

De Hoek, De Hoorn, De Poel, 'T Sas, De Wal en De Walle, De Weide,

De Winkel, De Zee.

[135] Van Dijk en Van Dijck, Van Duin en Van Duyn, Van Hoeck, Van

Hee, Van Houtte, Van Hove, Van Lee en Van Lede, Van Neste, Van Ooi,

Van Ooy, Van Oye en Van Oyen, Van Oordt en Van Oorde, Van Rood met

Van Rooy, Van Rooyen, Van Raay en Van Raey, Van Veen, Van Vliet,

Van Wijk en Van Wijck.

[136] Zie mijn opstel: Amerzode, in De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 128.

[137] Van den Bosch, Van den Bossche, Van den Bussche en Van den

Bos, Van den Berg, Van den Bergh, Van den Berge, Van den Berghe,

Van den Berghen, Van de Brug, Van den Burg en Van den Borg, Van

't Einde, Van 't Ende, Van den Ende, Van den Eynde, Van der Geest

(zie bl. 247), Van der Gracht, Van der Graft en Van der Grift--dat

zijn drie verschillende formen van één en het zelfde woord. Verder

Van der Hage en Van der Haeghen, Van der Heide, Van der Heiden, Van

der Heyde, Van der Heyden, ook Van der Heeden (vergelijk Van Hee op

bl. 247), en zelfs Vandereyden, op zuidnederlandsche wyze, alles aan

elkanderen geschreven, en dat, volgens de vlaamsche uitspraak, de h

verloren heeft. Van den Hoek, Van der Hoeven en Van der Houven, Van

't Hoff en Van den Hove, Van der Hout, Van der Kamp, Van der Laan,

Van der Kolk en Van der Kulk, Van der Kuylen, Van der Meere, Van der

Meire en Van der Meer, Van den Oever, Van 't Padje, Van der Poel,

Van de Put, Van de Putte, Van 't Rood, (zie bl. 248), Van der Sluis,

Van der Vaart, Van der Veen, Van der Feen, Van der Ven, Van der Venne,

Van der Vinne, allen verschillende formen van een en het zelfde woord,

maar dat in de verschillende nederlandsche gewesten eene eenigszins

verschillende beteekenis heeft. Eindelik nog Van der Veer, Van de

Velde en Van der Velden, Van de Voorde, Van de Voordt en Van der

Voort, Van der Weg en Van de Weghe, Van der Weide, Van de Woestyne,

Van de Woesteyne en Van de Waestine, Van der Woude en Van der Zee.

[138] Verburg, Verburgh, Verburgt en Verborg, Vercauteren (cauter,

kouter is een zuidnederlandsch woord, en beteekent eene groote

uitgestrektheid aanéénliggende boulanden of akkers), Vercruysse,

Vercruyssen, Verkruysen, Verdonck, Vergote, Verhage, Verhagen,

Verhaege, Verhaeghe, Verhaeghen, Verhave, Verheyden, Verheyen en

Verhey, Verhoeven en Verhouven, Verkerk, Verleyen (zie bl. 243),

Vermeer, Vermeere, Vermeire, Vermeeren, Vermeiren, ook, half duitsch

Vermehr. Verder Vermeersch (zie bl. 250), Vermeulen, Verschuur en

Verschueren, Versluys, Versteeg, Verstege, Versteegh, Versteghe en

Verstegen, Verstraete en Verstraeten, Vervelde en Vervelden, Vervenne

(zie bl. 249), Vervliet, Vervloet, Vervoort en Vervoorde, Verwei en

Verwey, Verwerft, Verzele.

[139] Oudtijds was deze zonderlinge uitspraak der n als ng ook in

sommige hollandsche en andere noordnederlandsche tongvallen zeer

algemeen. Onder anderen in dien van Amstelland. Men zie hierover

maar eens na hoe Gerbrand Adriaensen Bredero zyne zestiende-eeusche

amstellandsche boertjes spreken laat. Ook nog heden hoort men

dezen zelfden neusklank der n in den tongval van het dorp Soest by

Amersfoort, en elders in Eem- en Gooiland.

[140] Angenroen (ang [d]en ro-en, aan den roden, aan de rode, zie

bl. 248 en 258), Ingenbleek (ing [d]en bleek), Ingebos, Ingendael,

Ingenhaag, Ingenhols (hols, holts, holtz, holt, hout), Ingenhoof,

Ingenhorst, Ingenlath, Ingenegeren, Ingenohl, Ingeveld, Opgenhaaffe

(zie § 104).

[141] Zie mijn opstel: Geslachtsnamen met ingen en angen beginnende,

in De Navorscher, dl. XXIX, bl. 33.

[142] Zie Craandijk en Schipperus, Wandelingen door

Nederland. Supplement.

[143] Te Kloeze (kloese is de saksische form van het hollandsche kluis;

het adellike huis De Kloese is by Lochem; de geslachtsnaam Van der

Kloes komt ook voor). Verder Te Lintelo, Te Lintum, Te Nuil, Te Pass,

Te Riele, Te Roller, Te Cock, Te Strote (saksische form van straat, ook

voorkomende in de geslachtsnamen In der Stroth en Strootman). Dan nog

Te Veltrup, Te Walle, Te Water, Te Welscher, Te Winkel, Te Gussinklo

(zie bl. 36), Te Wechel, Te Hennepe, enz.

[144] Ten Heuvel, Ten Hove, Ten Cate en Ten Kate, Ten Kley (klei,

kleigrond; Van der Klei en Verklei met Kleistra komen ook voor), Ten

Oever, Ten Raa (rade, rode, zie bl. 248, 258 en 259), Ten Sythoff en

Ten Siethoff (het enkele Sijthof komt ook voor), Ten Wolde, Ten Zeldam.

[145] Ter Gouw, Ter Loo, Ter Marsch, Ter Pelkwijk, Ter Schure,

Ter Spill, Ter Stege, Ter Velde, Ter Weeme (weême, wedeme, wedem,

ook widem, widom is het oud-saksische woord voor het huis van den

geestelike, voor de pastory dus. Als zoodanig is dit oude woord in onze

noordoostelike gouen nog heden wel in gebruik; de geslachtsnamen Van

Weemen en Weemstra zijn er ook van afgeleid). Eindelik nog Ter Weer.

[146] Zie De Navorscher, dl. XXIX, bl. 36.

[147] De Navorscher, deel XXXIII, bl. 278.

[148] Dykstra, Endstra, ook tot Enstra versleten (van end, einde);

Vaartstra, ook tot Vaatstra versleten, omdat de Friesen de r van het

woord feart, vaart niet laten hooren; Veldstra, ook versleten tot

Velstra; Geestra (Geeststra ware beter schrijfwyze) van geest, gast,

zandgrond (zie bl. 247); Heidstra en Heitstra, Kampstra, Kamstra

en Camstra. Verder Poelstra, Poortstra, Zandstra en Sandstra, ook

versleten tot Sanstra, omdat de Friesen in het woord sand, zand,

de d niet uitspreken. Verder Schanstra (Schansstra, van schans,

ware beter), Strandstra, Toornstra, van toorn, toren, enz.

[149] Van den Herreweghen, Van der Hougstraeten, Van Hoonacker, Van

Horshoven, Van Issacker, Van der Mensbrugge met Van der Meynsbruggen en

het eenvoudige Mijnsbrughen, Van de Meulebroucke, Van der Noordaa, Van

Quekelberghe, Van Schevichaven, Van Schilfgaarde met het eenvoudige

Schilfgaarde, Van den Sigtenhorst met het eenvoudige Sigtenhorst,

Van der Slagmolen, Van den Diepstraten, Van den Weyenberg met

het eenvoudige Weyenberg, Verzijlberg, Van de Rovaart, Van den

Crommenacker, Van de Veerdonk, Van den Santheuvel, Van den Huygevoort,

Van de Siebkamp.

[150] Zie Levensbericht van Mr. C. J. Nieuwenhuis, in de

Levensberichten der afgestorvene medeleden van de Maatschappij der

nederlandsche letterkunde. Leiden, 1882.

[151] Zie De Navorscher, jaargang XXXIII, bl. 245.

[152] De Navorscher, dl. XXVI, bl. 360 en 363.

[153] Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, dl. I, bl. 48.

[154] »Feuchte Niederung;" zie O. Preuss, Die Lippischen Familiennamen,

in het Jahrbuch des Vereins für niederdeutsche Sprachforschung,

jaargang IX, bl. 15.

[155] Brugman, Bruggeman, Brugmans en Bruggemans, Daalman, Dijkman en

Dijkmans, Duinman, Geestman en Gastmans. Geest en gast zijn benamingen

van hooge zandgronden, in tegenstelling met marsch, maarsch, meersch,

dat lage kleigrond, aan zee of rivier gelegen, beteekent; vandaar

Marschman, Maarsman, Meerseman, Mersmans, De Meersseman (echter kan

Marsman enz. ook marskramer beteekenen). Verder Heideman, Heuvelman en

Heuvelmans, Kolkman, Moerman, Moorman (zie bl. 197 en 198), Poelman,

Plasman, Poortman, Slootmans, Polderman, Sluisman en Zijlman met

Zijlmans (sluis en zijl is het zelfde; zie bl. 248), Straatman

en Stegeman, Veldman met Veltman, Feldman en Feltman, Veenman

en Veenemans, Wegman, Weideman en Weydeman (Weiman en Weyman kan

hiervan eene samentrekking zijn, maar ook evenzeer jager beteekenen;

zie bl. 298), Woldman en Woltman (in onze saksische gouspraken staat

wold voor 't algemeen-nederlandsche woud = bosch), Sandman, enz.

[156] Blikslager, Brouwer, Herder, Kapper, Kramer, Koopman, Molenaar,

Paardekoper, Schoenmaker, Timmerman, Smid, Snyder, Visscher, Voerman,

Zeehandelaar, Zwaardemaker.

[157] De Bleeker, De Brouwer, De Coopman, De Koning, De Kleermaker,

De Looyer, De Landmeter, De Munter, De Jager, De Visscher.

[158] Zie Register van den Aanbreng, dl. I. bl. 174.

[159] Zie De Navorscher, dl. XXXII, bl. 85, 361, 362, 551.

[160] Men zie aangaande dit belangryke woord De Bo's Westvlaamsch

Idioticon en Guido Gezelle's Loquela, jaargang 1883, bl. 14.

[161] Register van den Aanbreng in 1511, dl. I, bl. 4.

[162] De Molenaar, De Molenaer, Meulenaar, De Meulenaar, De Meulenaere,

De Meuleneere, De Meuleneir, Muller, Mulder, De Mulder, De Muylder,

De Muyldere, De Meulder (ook half-verfranscht als De Meuldre),

De Molder, enz. Müller en Möller geven door hunne spelling hunnen

hoogduitschen oorsprong te kennen. De geslachtsnaam De Meulemeester

(ook in hoogduitschen form als Mühlemeister voorkomende) behoort

ook tot de molenaars. Zoo mede Meulman en het patronymikale Meulmans

met het hoogduitsche Möhlmann. Ten slotte nog Van der Molen, Van der

Meulen, Van der Muelen, Van de Molen, Vermeulen, Vermeule, Termeulen,

Verwatermolen, Van der Slagmolen, Van der Heymolen, Van Dromole

(d. i. Van de Roode-molen), Frankemolen, Homulle, Katemolen (kate,

zie § 99) en het verbasterde Kattemulle, enz.

[163] Groenman en Fruitman, Appelman, Augurkiesman en Komkommerman,

Kalkman en Steenman, Hooiman en Stroman, Melkman, Blikman en Yzerman,

Lakenman en Pelsman, Vlasman en Hennipman, Matteman en Doozeman,

Brilleman, Mosselman en Oesterman, Suikerman, Mosterman, Vleesman en

Spekman, Wafelman, Visman en Botman.

[164] Zeeman, Timmerman, Landman en Veldman (ook Feltman en Veltman),

Bouman en Weiman, Huisman (zie bl. 301) en Schuurman, Veeman, Koeman

met Coeyman, Schaepman met Schaapman, Voerman, Veerman, Aschman,

Modderman en Baggerman.

[165] Huysmans, Schuurmans, Coeymans, Ackermans, Timmermans, Yzermans,

Botermans, Knechtmans.

[166] Cruysmans, tegenover 't onverbogene Kruseman (de man met kruis,

kruus, kroes haar? zie den geslachtsnaam Kruishaar), Vorsselmans,

Hellemans, Nelemans, Palstermans, Hurtmans, Oerlemans, Stockmans,

Mosmans, Hezemans.

[167] Zie Register van den Aanbreng van 1511, bl. 14.

[168] Register van den Aanbreng van 1511, dl. 1, bl. 3 en bl. 168.

[169] Louis de Baecker, Les Flamands de France--Gent, 1851--bl. 185.

[170] Informacie up den staet, faculteit ende gelegenheit der steden

ende dorpen van Hollant ende Vrieslant--bl. 118 en 402.

[171] Register van den Aanbreng van 1511--bl. 13.

[172] De Oude Tijd, jaargang 1870, bl. 114.

[173] Van den Bergh, Histor: Beschouwing der

nederl. Eigennamen. Bl. 316.

[174] Louis de Baecker, Les Flamands de France. Bl. 372.

[175] Oorkonden van het St. Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden. Bl. 265.

[176] De oude Nederlanders hadden te recht eenen tegenzin om de zelfde

klinkletter twee maal onmiddellik naast elkanderen te plaatsen. Daarom

schreven zy straet en muer, gelijk de Vlamingen voor weinige jaren

nog deden, terwijl de Hollanders reeds sedert anderhalve eeu straat en

muur schryven. Zoo ook Blaevoet in plaats van Blauvoet of Blaeuvoet;

immers u en v is oorspronkelik de zelfde letter. Hoe omslachtig staan

daar tegenover de spelwyzen Blaauwvoet volgens Siegenbeek, Blauwvoet

volgens De Vries en Te Winkel, waar men de u of v vier maal naast

elkanderen plaatst (immers w is twee maal v of u) en zeven of acht

klinkers op elkanderen laat volgen! De naam van Wilhelm Blaevoet

komt reeds voor in eene oorkonde van den jare 1176 (Zie Louis de

Baecker, Les Flamands de France, bl. 372) En nog heden bestaat deze

geslachtsnaam in Vlaanderen.

[177] Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens. Dl. II, bl. 207.

[178] Algoed, Alderbesten, Alderliesten (een versletene form van

alderliefsten, allerliefste), Bemindt, Bly met De Bly en Evenbly,

Brave, Dankbaar, Dapper, Edel, Ernstig, Frisch, Geneugelijk,

Goedertier, Helder, Kloek en Cloeck, Knap en Knappe, Levendig,

Netjes, Kostelijk, Rijk en Ryckaert, Rustige, Suyver, Vrolik, Vrolijk,

Vroolik en Vroolijk, Verheugd, Vlug, Vroom, Welgemoed, Weltevreden

en Weltevreede met Content. Nevens Welgemoed komen ook nog voor:

Ligtermoed (licht te moede, licht- of luchthartig), Vrymoed en

Vriemoet, en het min of meer raadselachtige Verschgemoed.

[179] Behouden (zeker oorspronkelik de bynaam van iemand die behouden

bleef by eenig groot ongeluk, of die behouden t' huis kwam van eene

gevaarlike reize?), Flauw, Nugteren, Verdoold, Verloren en Verloore

met Vermist (deze laatsten als bynamen van vermiste, verdoolde

of verlorene, maar weêr te recht gekomene kinderen?), Weerloos,

Welbedacht, Welbekend, Zagt en De Sagte en Zuinig. Aangaande den naam

Verloren zie men ook § 157.

[180] Leep, Stout, Woest. De naam Stout kan ook opgevat worden in de

oude beteekenis van moedig, dapper (zoo als by den bynaam van Karel

den Stoute); ook kan hy eene verdietsching zijn van den hoogduitschen

geslachtsnaam Stolz, die ook hier te lande voorkomt.

[181] De Goedt, De Goeje, De Goeyen, Den Goeyen, Den Besten, De Coene,

De Kloeke, De Kuysche, De Milde, De Rijcke en Ryke, De Vroe en De Vroey

(versletene en verfloeide formen van De Vroede), De Vroome en Vroome,

De Waeker en De Wijs met het hoogduitsche Weis en het fransche Le

Sage. De bynaam De Vroede is reeds van zeer oude dagteekening. Immers

droeg, volgens het brugsche weekblad Rond den Heerd, dl. VIII, bl. 106,

een aanzienlik burger van de vlaamsche stad Iperen, ten jare 1127,

den naam van Wilhelm de Vroede.

[182] Den Dullen (dat is: de dolle), De Loome, Monster (dat ook

oorspronkelik de naam wezen kan van het dorp Monster [Monasterium]

in het hollandsche Westland), De Harde, De Herde en D'Harden, De Quay

(oude spelling en versletene form van De Kwade), De Simpel, De Slimme

en Slimme (met de hoogduitsche weêrga Schlimmer), De Sot, De Staute

(zie Stout hier boven), De Sukkel en Sukkel. Verder De Surgeloose

(het woord zorg wordt in menige gouspraak als zurg, surg, surch

uitgesproken,--(zie bl. 223) met Sorgeloose en Sorgeloos, De Wilde,

De Wild en De Wildt, en eindelik Luysteraar.

[183] Den Held met Held, Heldt en Helt, Goedbloed en Goetbloet met

Goedhart, ook Jongbloed, Jongebloed, Jonckbloedt, Jonckbloet en

Jonkbloed; dan nog Jonkhart.

[184] De Praetere, De Sorgher, Sorgdrager, Helper, Trooster en

Raadgever, Ligthert en Ligthart, Pronckert en Pronk, De Sloovere

en Sloof. Een byform van den naam Raadgever is nog de geslachtsnaam

Raadgep, eene zonderlinge quasi-verdietsching van den hoogduitschen

maagschapsnaam Rathgeb, die ook in ons land voorkomt. Dat deze

naam reeds zeer oud is, bewijst d' omstandigheid dat hy reeds in de

middeleeuen in versletenen form voorkwam. Immers zekere Wouter Ratgheer

(Raadgever) was ten jare 1345 schepen der stede Sluis in Vlaanderen

(zie De Oude Tijd, jaargang 1870, bl. 114.). Verder behooren tot deze

groep nog de namen Looper en De Looper (een oude beroepsnaam? uit

den tijd toen de groote heeren er eenen looper op nahielden?), De

Wandeleir, Springer en De Springere, Stapper, De Fluiter en Fluyter, De

Telder, Hardlooper en Hartlooper met Dribbelaar, Vlieger, De Vlieger en

De Vlieghere, Hoogklimmer, Zwemmer, Duyker, Duiker en Duker, Schuyler,

De Slooper, Stoker en Roker, Blazer, Blaaser en Brommer, Waayer en

Zwaayer, Swerver en Zwerver, De Smyter, Roeper en De Roeper, Schrikker,

Kermer, Lagcher, Weener (kan ook de naam zijn van het oostfriesche

vlek Weener), Schreyer en in Friesland Schriemer (eigenlik skriemer,

dat schreier beteekent). Ten slotte nog, als patronymikon, Droomers.

[185] Leedegang en Ledeganck (oorspronkelik zeker wel de bynaam van

eenen ledigganger, leêglooper), Drayer (kan ook aan een handwerk,

wieldraaier, ontleend zijn), Praalder, Sluyper, Zwendelaer, Dobbelaer,

Dobbelaar, Dobbeleer, Dobbeleire en De Dobbelaere met De Dobbeleer.

[186] De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 234 en 236.

[187] De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 113.

[188] Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangteekens, dl. I. bl. 40.

[189] De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 128.

[190] Informacie up den staet van Hollant, bl. 469.

[191] De Navorscher, dl. XXVIII, bl. 456.

[192] De Uithangteekens, dl. I, bl. 243.

[193] Zie Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom van

Haarlem--Haarlem, 1880--dl. VIII, bl. 72.

[194] Keetell, Ketel, Goteling en Gutteling, Schotel, Leepel, Mes en

Hakmes, Emmer, Tobbe, Kuip en De Cuype, Ton, Ledder (de friesche form

van het woord ladder), Beezem, Bezem en Besem, Korf, Fles, Stoop en De

Stoop, Beker en De Kroes (deze naam kan ook by Kroese, enz. op bl. 343

worden gevoegd), Stoel, Hooghstoel, Stoof, Stoove (oud-nederlandsche,

nog in West-Vlaanderen in volle gebruik zijnde naam voor »kachel"),

Keers en Kaars, De Kandelaer en De Kandeleer (in de 16de eeu was er te

Delft eene brouery die »In de Kandelaer" heette, even als in de 15de

eeu te Leuven--Uithangteekens, dl. I, bl. 48 en dl. II, bl. 210),

Slot, Sleutel en De Grendele, Klok en De Klok, Bril en Brill. De

boere-gereedschappen worden vertegenwoordigd door de geslachtsnamen

De Carne en Ploeg. Verder komen nog voor Cruywagen, Korswagen (is dit

eene verbastering van het oude woord kordewagen = kruiwagen, nog heden

in Friesland, by letterkeer, kroodwagen, krode genoemd?), Stelwagen,

aan verschillende geslachten eigen, en het versletene Stelwag (wat

beteekent dit woord eigenlik? De wagenmaker heet in Groningerland

»stelmaker"--zie bl. 308), Goedewaagen, enz. Vermoedelik is deze

laatste naam oorspronkelik wel Goudewagen, gouden wagen, 't welk de

West-Vlamingen als goede wagen ongeveer uitspreken. De naam is wel te

Gouda inheemsch, maar kan zeer wel uit Vlaanderen afkomstig zijn. »De

Gouden wagen" was oudtijds als uithangteeken of gevelsteen veel in

gebruik, vooral aan boere-herbergen en afspanningen; te Leeuwarden

zijn er nog heden twee herbergen, die zoo heeten.

[195] Uithangteekens, II, 265.

[196] Uithangteekens, II, 203.

[197] Uithangteekens, II, 170.

[198] Uithangteekens, dl. II, bl. 190.

[199] Uithangteekens, dl. II, bl. 238.

[200] L. L. de Bo, Westvlaamsch Idioticon, op het woord Biebuik.

[201] Uithangteekens, dl. I, bl. 47 en 48.

[202] Uithangteekens, dl. I, bl. 39.

[203] Informacie up den staet van Hollant, bl. 427, 437, 442, 488, 545.

[204] J. P. Blok, Eene hollandsche stad in de middeleeuwen--'s

Gravenhage, 1883--bl. 60.

[205] J. H. van Dale, Het Sluische St. Kathelyne gilde, in De oude

Tijd, jaargang 1870, bl. 114.

[206] Rond den Heerd, dl. VIII, bl. 106.

[207] De Navorscher, dl. XXVII, bl. 80.

[208] De Navorscher, dl. XXVII, bl. 398.

[209] In Noord-Brabant ligt ook een dorp dat Beers heet (in het

land van Kuik); in Over-IJssel (Ambt Ommen) ligt een gehucht Beerse,

en in het Land van Antwerpen, by Turnhout, nog een dorp Beers. Naar

dit laatste dorp draagt zekerlik het antwerpsche geslacht Van Beers,

waar de dichter Jan van Beers toe behoort, zynen naam. Misschien ook

Beersmans; zie bl. 322.

[210] W. Eekhoff, Geschiedkundige beschrijving van Leeuwarden, dl. II,

bl. 419.

[211] »In den witten Brack", was in 1600 de naam van een huis te

Delft. Zie Soutendam, Een wandeling langs Delfts straten en grachten;

bl. 18.

[212] Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, dl. I, bl. 48.

[213] De Navorscher, dl. XXVII, bl. 78.

[214] De Navorscher, XXVII, bl. 411, 412, 413.

[215] Bernh. Brons Jr. Friesische Namen, bl. 56.

[216] Edw. Gailliard, Glossaire flamand--Brugge, 1882--bl. 191.

[217] Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, dl. I, bl. 48.

[218] Zie Uithangteekens, dl. II, bl. 15, 328.

[219] Zie Uithangteekens, dl. II, bl. 315, 369, 371.

[220] Register van den Aanbreng van 1511, dl. III, bl. 60.

[221] Uithangteekens, dl. II, bl. 353.

[222] »In de Quack" was in 1600 de naam van een huis te Delft. Zie

Soutendam, Een wandeling langs Delfts straten en grachten, bl. 18.--De

kwak, eene soort van reiger, werd hier in de middeleeuen als wildbraad

gegeten.

[223] Zie De Navorscher, dl. XXVII, bl. 78, 340, 453 en 505.

[224] Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, dl. I, bl. 47.

[225] Wagenaar, Amsterdam, IV, bl. 401.

[226] De Navorscher, dl. IV, bl. 129.

[227] De Navorscher, dl. XXVII, bl. 412.

[228] Zie Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, dl. II, bl. 378.

[229] Zie mijn opstel: Naamsoorsprong van Apeldoorn, in De Navorscher,

dl. XXV, bl. 559.

[230] Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangteekens, dl. II, bl. 389.

[231] E. Laurillard, Familienamen, in het tijdschrift De oude

Huisvriend, jaargang 1882.

[232] Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, dl. II, bl. 42.

[233] Donckerwolcke, Slagregen, Stofregen, Hagel, Hagelslag en

Haegelsteen, De Donder en Den Donder met Donders in patronymikalen

form, Blits en Blitz, De Mist, De Rijm, Grondijs en Koudijs. De Dauw en

Den Dauw, Mooiweer, Springvloed en Springvloet, Vuur, Vlam en De Vlam,

De Rook en De Roock, Vonk en het hoogduitsche Funke, Van den Ochtend

en Van den Avondt, Avonts en Savendts, en ten slotte Middernacht.

[234] Zie Rond den Heerd, jaargang VIII, bl. 106.

[235] Register van den Aanbreng van 1511, dl. I, bl. 15.

[236] Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, dl. II, bl. 227.

[237] Zie mijn opstel Bier en Bierdrinkers in Friesland, voorkomende

in de Friesche Volksalmanak voor het jaar 1884--Leeuwarden, 1884.

[238] Dat de wijn koel ware, gold oudtijds als eene byzonder

gewenschte eigenschap, gelijk uit vele volkseigene oude geschriften,

enz. blijkt. Zoo luidt ook eene strofe in het schoone oud-nederlandsche

volkslied van Oostland:

»Daer sullen wi avont end' morgen

»Noch drincken den coelen wiin."

[239] Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, dl. II, bl. 192.

[240] De Navorscher, dl. XXIII, bl. 272.

[241] Roem, Luister, Moed met Vrymoed en Vriemoet, Rust, Gewin,

Troost, Kracht en Kraft met Krafft, Vernuft, Kunst en Duizendkunst

(oorspronkelik zeker een bynaam voor eenen duizendkunstenaar), Kennis

en Goedraad.

[242] Hoon en De Hoon, Hoogmoed, Kommer, List, Moedwil, Noodt en De

Nood, Ongena met Ongenaed, Ongenaeden, Ongenae en Onghena, Onrust,

Schade, Sorg en Cleynsorgh, Schuld, De Spot, Twist, Verraed en Vrees.

[243] Geselschap met Sellschap en Sellschop, Godsdeel en Aelmoes,

Den Handel, Post en De Post, Haest en De Haast, Krediet en Contant,

Koopmanschap, Lotery, Musyck en Vogelgezang, Politiek, Praal en

Pronk, Koestapel, Slaap (zie bl. 328 en 437) en Sluymer, Sieraad,

Oorlof en Paspoort, Schim en Spook, Scheepvaart en Zeevaert, Vijlbrief

(veilbrief?), De Wet, Wonder, met het hoogduitsche Wunder.

[244] Zie Guido Gezelle's maandblad Loquela, te Rousselaere uitgegeven,

in den jaargang van 1883, bl. 85.

[245] Zie E. Laurillard, Familienamen, voorkomende in het tijdschrift

De oude Huisvriend van J. J. A. Gouverneur, jaargang 1882.

[246] De Navorscher, dl. XXVIII, bl. 85.

[247] De Navorscher, dl. XXVIII, bl. 399.

[248] Zie De Navorscher; dl. XXXII, bl. 156.

[249] »Familienamen", een opstel, voorkomende in het tijdschrift

De oude Huisvriend van J. J. A. Goeverneur; in jaargang 1882. Men

vergelyke aangaande dezen naam ook De Navorscher, dl. XXXII, bl. 484.

[250] De Navorscher, dl. XXX, bl. 537, 570. XXXII, bl. 482.

[251] Vreugdenhil en Vreugdeneel (misschien oorspronkelik wel een

en de zelfde naam), Rotteveel, Vethake, Wouterlood, Lammerschop,

Wijckerheld, Latynhouwers, Duizendstraal, Boerlijst, Kroothoep,

Handlugten, Heuveldop, Rijnbende, Liedermooi, Herderschee, Nagtglas,

Koorenblik, Ondereet, Schuttero, Stokkentreeft, Geiregat.

[252] Pieleprat, Pingeweele, Plutschouw, Hioolen, Margadant, Nonhebel,

Jiskoot en Yskoot (oorspronkelik misschien wel een en de zelfde naam),

Zetteruam, Hoyack, Schuak, Pollones, Lasones, Kempees, Uloth, Mieremet,

Nogarede, Boldoot, Fevesur, Wambersie.

[253] Zie het tijdschrift Rond den Heerd--Brugge, 1873--dl. VIII,

bl. 364.

[254] J. Ter Gouw, Amsterdamsche Kleinigheden, bl. 58.

[255] Dr. J. P. Blok, Eene hollandsche stad in de middeleeuwen,

bl. 336.

[256] Lancsweert en Lancksweirdt, Caluwaert en Scheluwaert, Versnaeyen,

De Duerwaerder, Verstrynghe, Ghiseleers (De Gyselaar), Verhougstraete

(Van der Hoogstraten), Heylbrouck (Heilbroek), De Visschere (De

Visscher), Meulebrouck (Molenbroek), Van den Broucke (Van den

Broek), De Ketelaere (Ketelaar), De Bacquer (De Bakker), Bouckhout

en Buckenhaut (Boekhout), Dieryckx (Dirks), Heynderykx (Hendriks),

Schelfaut (Schelfhout), Wautermaertens (Woutermaartens), De Cuenynck

(De Koning), De Brauwere (De Brouwer), Van Loven (Van Leuven), enz.

[257] Zie het tijdschrift 'T Daghet in den Oosten, te Hasselt in

Limburg uitgegeven, dl. I, bl. 7 en 8.

[258] Zie mijn opstel Een en ander over friesche eigennamen,

voorkomende in het tijdschrift De Vrije Fries, dl. XIII, bl. 185

en vervolgens.

[259] Dethmers, Drewes, Egges, Hemmes, Rykels, Ritzes, Tjapkes, Uges,

Uunkes, Walles.

[260] Luxen, Makken (zie bl. 39 en 102), Okken (zie bl. 102), Onnen

(zie bl. 107-109), Opten, Poppen, Tjaden, Toppen, Uniken (zie bl. 102).

[261] Dekens, Diddens, Ebens, Haykens, Meddens (zie bl. 107), Oomkens

(zie bl. 138), Sybens, Takens, Tammens, Tebbens, Tiddens en Tydens

(zie bl. 107 en 108), Uilkens (zie bl. 107 en 108), Wibbens.

[262] Bonthuis, Bulthuis, Diephuis, Dijkhuis, Dijksterhuis (een

verhollandschte oud-friesche form: dîkstra hûs, het huis aan of op den

dijk), Evenhuis, Grashuis, Goedhuis (elders komt de form Goethuys ook

als geslachtsnaam voor), Leemhuis, Lesterhuis, Maathuis, Noorthuis,

Padhuis, Schilthuis, Schortinghuis, Stenhuis (steenhuis, stins),

Veenhuis, Wolthuis.

[263] Ten Sijthoff, Ten Wolde, Ten Zeldam, Ten Berge, Ten Heuvel,

Te Braacke, Ter Loo, Ter Heerdt, Te Pelkwijk, Te Kloeze, Ter Schure,

Ter Stege, Ter Kuile, Ter Weeme, Ter Wee, Ter Seller, Te Lintum, Te

Lintelo, Te Walle, Te Welscher, Te Wechel, Te Veltrup, Te Boekhorst,

Ten Woldhuis, Te Hennepe.

[264] Aarnink, Annink, Bennink, Eggink, Emmink, Essink, Esselink,

Geelink, Hesselink (zie bl. 35), Heyink (zie bl. 108), Mensink (zie

bl. 32), Onnink (zie bl. 28 en 107), Roelvink (zie bl. 40), Roerdink,

Reerink (zie bl. 132), Starink, Immink (zie bl. 28 en 61), Wesselink.

[265] Top, Dijt, Pot, Pas, Dil, Bor, Pan, Lol, Mul, Kas, Ton, Vijn,

Bos, Wor, Kis, Lak, Lof, Bas, Out, Vel, Bijl, Hos, Wit, Bek, Rob, Rol,

Kaan, Laan, Pont, Tool, Plas, Boon, Saal, Swan (de friesche form van

het woord zwaan), Gons, Mens.

[266] Dr. J. H. Halbertsma, Beoordeeling van den Nieuwen frieschen

Volksalmanak voor 1854, in het tijdschrift De Gids, jaargang 1856.

[267] De Carne (zie bl. 366), Van Schillen, Beirnaert, De Queeckere,

De Keirel, Lanszweert (zie bl. 364), De Cloet, De Bergh, Van Dromme,

Stalpaert, Van Uxem (Uxem is een dorp in Fransch-Vlaanderen), Andevoet

(zie bl. 348), Van Merris, De Boye, Beschuydt, Coen en De Coene,

Halover (zie bl. 469), Verlende, Landsheere, Hardevuust, De Blonde,

De Haene, Houvenaghel, Blaevoet, De Graeve, Ruyssen, Huysman, Roose,

Kempe, Brandt, Van Daele, De Cupere, Van den Pitte (zie bl. 497),

Van Clyte, Cent, Quekebijl, De Mey, De Draeck, Van Rechem, Yves,

Hubben, Staelen, enz. Deze drie laatste namen zijn patronymika van

oud-nederlandsche mansvóórnamen; zie bl. 102 en 103.

[268] Bussemaker (zie bl. 298), Hoogklimmer, Nyhuis, Ridder,

Schoemaker, Schuerhuis, Slimme, Sluyter, Sweyghuis, Te Gempt, Ten

Bruyel, Tiedeman, Timmerjans (zie bl. 173), Van Almelo, Van Beesten

(zie bl. 240), Van Delden, Van der Veen, Van der Velde, Van der

Schwaag, Van Hoek, Van Nes, Van Sloten, Van Werde, Van Wijnkoop,

Visch, Vreehuis, Wever, Woerthuis, Zwitsers.

[269] Beninga, Boyunga, Hayunga, Menninga, Ubbinga, Onja, Epkema,

Halma, Tadema, Agena, Tammena, Ukena, Bronsema, Gersema en Gerzema,

Wiertzema, Extra (dat is Ekstra [of Van den Eik], in welken form deze

naam ook voorkomt), Feenstra, Zylstra.

[270] Tapper, Vegter, De Vries, De Boer, De Beer, de Jonge, Juister

(zie bl. 201), A Tellinghuis (zie bl. 240), Lemmersman (zie bl. 204),

Groeneveld, Van Bingum, Van Norden, Van Wirdum, Van Lengen, Van

Emden, Van Borkum (deze van-namen zijn allen aan oostfriesche

plaatsen ontleend), Van Koten, Van Egten, Van Hoorn, Van Heteren,

Van Buiren, Van Delden (deze van-namen zijn allen aan nederlandsche

plaatsen ontleend), Schipper, Ter Gast, Bakker, Cramer, Goudschaal,

Oylam, Noteboom, Bleeker, Brouer, Wildeboer, Westerhoven, Boekholt,

Groenewold, Houtrouw (zie bl. 469), Van der Laan, Van der Wall,

Pannenborg, Van Brethorst (zie bl. 229), Kluin (zie bl. 424), Van Onna,

Van Hove, Van Geest, Van Oosterloo, Van der Plassen, Meeuw, De Leeuw,

Edenhuizen, Jongebloed, Rosenboom, Goeman, De Vroome, Sleutel, Knoop,

Van Raden, Teerling, Geelvink, Buisman, Dijkman, Akkerman, Visser,

Dapperheld, Woortman, Blikslager, Kroon, Pastoor, Kuiper (met het

verlatynschte Viëtor--zie § 67), Tresling, Groen, enz. enz.

[271] Zie De Navorscher, dl. XXV, bl. 559.

[272] Da Costa, Spinosa, Da Cunha, Carvalho, De Pinto, Diaz, Vaz,

Santilhano, Pinedo, Pereira, Salvador, Ferares, Mendes, Chumaceiro,

Del Canho, Alveres Vega, Sequeira, Sarphati, Oliveira, Salzedo,

De Lima (en verbasterd De Lieme), Capadose, De Leon, Cardozo,

Caminha, D'Andrade, De Souza, De Miranda, Montanhes, Belinfante,

Coutinho, D'Oliveira, D'Ancona, Melhado, Cassuto, Querido, Pesaro,

De la Fuente, De Murcia, Morpurgo, Montezinos, De Casseres, Palacios;

en vele dubbele of samengestelde namen: Gomez de la Penha, Henriquez

de Castro, Teixeira de Mattos, Vaz Diaz, Vaz Nunes, Bueno de Mesquita,

Franco Mendes, Cattela de Lima, Ozorio Colaço, Cohen de Lara, enz. Ik

heb hier de spaansche en portugeesche namen door elkanderen vermeld,

omdat ik ze niet uit elkanderen ken.

[273] Wetschryver, Drukker en Letterzetter, Brilleslyper, Baszanger,

Tabakspinder, Ziekenoppasser, Beddekoper en Zwartverwer, Groenman en

Fruitman, Oesterman en Suikerman, Erwteman, Sjouwerman, Blokjesman,

Matteman, Doozeman, Goudstikker, Kornalynslyper, Velleman, Viskoper,

Pakkedrager.

[274] Creyghton, Downer, Eastwick, Ellis, Farncombe, Forbes, Haighton,

Hamilton of Silvertonhill, Hodshon, Leeson, Maitland, Murray, Nicolson

(ook verbasterd tot Nicolzon), Robinson, Sutherland, Taylor, Torley,

Umbgrove, Wassington, Ferguson, Hutchinson (ook verbasterd tot Hutgezon

en Hutzezon), Errington, Wigmore, Woodhouse, Webster, enz.

[275] Macleod, Mackay, Mac-Intosh, Mac-Pherson, Mac Lenan, Mac

Gillavry, Maclean, Macfarlane, Mackensie en Mackenzie, Mac-Evoy,

Macdaniel. Ook Stuart?

[276] Daalgreen (verdietscht uit Dalgren), Herngreen, Holmström,

Hugström, Kofoed, Knudsen, Larsen, Lindgreen, Lindquist, Lindström,

Löfquist, Skoruppe, Sörensen en Sörnsen (komt overeen met onzen

geslachtsnaam Severynse), Swensson, Rosenquist, Thaarup, Warngren, enz.

[277] Basoski, Bennewitz, Biallosterski, Bonnewits, Boneski, Borski,

Brurselisky, Broselisky, Conitzkie, Cwalosinsky, Czerwinsky, Danizek,

Clewitz, Filarski, Fitzki, Fritschy, Jaski, Jastrzemski, Krasnapolsky,

Kretschmar en Kretschmer, Laskewitz, Loesewitz, Lutomirski, Majofski,

Macovich, Maschek, Plasky, Prillevitz, Jacobowicz, Strelitzky,

Stadnitski, Scriwanek, Saltowski, Trippelvitz, Waekwitz, Zawadzky,

Zirschky.

[278] Fraykin, Frenay, Léautaud, Libosan, Longarijoux, Mejan

(verdietsching van het oorspronkelike Méan), Thiange, Onclin, Ottignon,

Pirkin, Randaxhe, Raeskin, Scailquin, Sauterel, Squilbin, Taskin,

Vergnes, Vifquin, Xhaflaire, Xhoneux.

[279] Zie het tijdschrift De aarde en hare volken--Haarlem, 1883,

bl. 270.

[280] Barnasconi, Beccari, Beltrami, Bignudini, Brentano, Buffa,

Caramelli, Comaita, Cossa, Del Campo, Del Forno, Fiora, Genovesi,

Giani, Giunta d'Albani, Granello, Guglielmi, Jacometti, Paravicini di

Capelli, Piccaluga, Rigidiotti, Sartini, Sciaroni (ook verbasterd tot

Saroni), Serodini, Solaro, Sormani, Tognacca, Torchiaua, Travaglino,

Usellino, Zanini, Zazzarini.

[281] Zie De Navorscher, dl. XXVI, bl. 79.

[282] Zie Soutendam, Eene wandeling langs Delfts straten en grachten,

bl. 72.

[283] Wttewaal, Wtteneng, Van Wtberge (Uitbergen is een dorp

in Vlaanderen), Hughebaert, Van der Haeghen, Van den Meiracker,

Van Henxthoven, Huughe, Duyvewaerdt, Van Rysselborghe, De Bacquer,

Swertvagher, De Sorgher, Clerqs, Clerckx, Haesebroucq, Quakkelaer,

Quistecoorn, Van Cuyck.

[284] Spindler en Spindelaar, Heppner en Heppenaar, Eichner en

Eykenaar, Winckler, Winkler (waar deze naam van hoogduitschen oorsprong

is, is hy of ontleend aan eenen der zeer talryke plaatsnamen Winkel,

in Duitschland, of aan het woord winkel, hoek--'t welk trouens op het

zelfde neêrkomt) en Winkelaar--ook Winkeler komt voor, zie bl. 204),

Fiddler en Fiddelaar, Schnitzler en Snitzelaar met Snitslaar, Scheidler

met Scheidelaar, enz.

[285] De Navorscher, dl. XXVII, bl. 400.

[286] Handelingen van het provinciaal Genootschap van kunsten en

wetenschappen in Noord-Brabant, over het jaar 1861, bl. 32.

[287] Agricola, Cantor, Carbasius, Faber, Mechanicus, Nauta, Prior,

Rector, Rusticus, Senator, Textor, Velius, Viëtor.

[288] Scrinerius (Schryner), Scriverius (Schryver), Cohensius (zie

bl. 526), Costerus, Schenkius (zie bl. 327), Brouerius.

[289] Essenius, Fledderus, Hempenius, Neomagus, Noordanus, Hartogensis

(van 's Hertogenbosch), Roldanus, Schotanus, Staphorstius, Stavorinus,

Swalmius, Tilanus, Verdenius, Winsemius, Werumeus.

[290] Eyssonius, Gardingius, Hagtingius, Hallungius, Hajenius,

Heynsius, Hellenius, Hillenius, Jansenius, Janssonius, Matthesius,

Mensonius, Mettenius, Nolthenius, Stratenus, Tielenius, Reddingius.

[291] Andere latynsch-nederlandsche geslachtsnamen, die hier niet

allen nader verklaard kunnen worden, zijn nog: Schomerus, Mebius

(in Noord-Duitschland als Möbius, niet zeldzaam), Mylius, Rovius,

Oeberius, Lotichius, Venius, Radius, Bouricius, Avenarius, Quaestius,

Quintus, enz.

[292] In dit register zijn, in 't algemeen genomen, de namen

van vreemden oorsprong niet vermeld. Eene uitzondering maken die

hoogduitsche, engelsche, fransche en enkele andere vreemde namen,

met de namen die grieksche en latynsche formen vertoonen, in zoo

verre zy in eenig byzonder verband met nederlandsche geslachtsnamen

staan. Of ook zoo zy in hunne spelling reeds min of meer verdietscht

zijn, en half en half tot nederlandsche namen geworden.

De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis · 第 42 / 42 题