E. DE GESLACHTSNAMEN DER NEDERLANDSCHE ISRAËLITEN.

§ 162. De talryke byzonderheden en eigenaardigheden, waardoor de

geslachtsnamen der nederlandsche Israëliten zich onderscheiden van

die der andere, der germaansche Nederlanders, ook de vele namen

van vreemden oorsprong die zy dragen, nopen my om hunne namen in

eene afsonderlike groep samen te vatten, en ze hier afsonderlik te

vermelden en te beschouen.

Oppervlakkig zoude men denken dat de Israëliten geslachtsnamen zouden

dragen, aan de hebreeusche taal ontleend. Dit is echter slechts

by uitzondering het geval. Hoe vele eeuen zijn er ook niet reeds

verloopen, sedert de hebreeusche taal de eigenlike volksspreektaal

der Joden was! Wel wordt het Hebreeusch nog steeds door hen gelezen,

geschreven en beoefend, wel is het nog steeds de taal hunner openbare

en byzondere godsdienstoefeningen, maar als dageliksche spreektaal is

het, althans by de nederlandsche Joden, geheel buiten gebruik gekomen,

al is het dat er evenwel vele hebreeusche woorden nog voorkomen in de

basterdtaal die zy wel onderling gebruiken. En omdat de geslachtsnamen

toch onmiddellik uit de volksspreektaal ontstaan, en slechts zelden

uit de boeketaal, althans niet als deze eene verouderde is, zoo vinden

wy hierin de opheldering van het zeldzaam voorkomen van hebreeusche

geslachtsnamen onder de Israëliten. Een der meest voorkomende is

Cohen, een naam, die aan zeer vele onderling niet verwante geslachten

eigen is, en die als het oorbeeld van eenen joodschen geslachtsnaam

gelden kan. Deze naam, priester beteekenende, en hooftsakelik, zoo

niet uitsluitend, aan leden uit den stam van Levi, uit het geslacht

van Aäron eigen, komt ook nog in andere formen voor. Te weten als

Cahen, Cohenno en Acohen.--Cohn en Cahn zijn hoogduitsche formen en

Cohensius is een verlatynschte, allen in Nederland voorkomende. Ook

Elkan is de zelfde naam, maar met het lidwoord daar voor (even als

de geslachtsnaam De Priester onder de germaansche Nederlanders),

en 't eenvoudige Kan met het hoogduitsch-formige Kann is, als

israëlitische geslachtsnaam, ook eene verbastering van den naam Cahn,

Cahen, Cohen. Nevens Elkan is my ook nog de (onzinnige) geslachtsnaam

Van Elkan voorgekomen. Cohnstamm, ook van hoogduitschen oorsprong,

en Caun moeten mede tot de Cohen-namen worden gerekend, en, naar ik

meen, de geslachtsnaam Consenheim eveneens. Messias, Jeschurun, Jesurun

en Jessurun (alle drie formen zijn my voorgekomen), Rabbi, Susan met

Susanna, Suzanne, Suzan en Soesan zijn mede hebreeusche geslachtsnamen

van nederlandsche Israëliten. Jesurun is een verkleinform van het

woord Israël, en komt in de bybelboeken voor; b. v. Deuteronium XXXII,

vs. 15, en elders. [271] Susanna komt in de bybelboeken als vrouenaam

voor (Evangelie van St. Lukas VIII, vs. 3), en is als zoodanig ook

onder ons in gebruik. Over de beteekenis van dezen naam zie men het

tijdschrift De Navorscher, XXXIII, 283.--Vele bybelsche mansvóórnamen,

by de nederlandsche Joden als geslachtsnamen in gebruik, b.v. Emmanuel,

Boas, Eleazar enz. (zie bl. 179), zijn ook uit de hebreeusche taal

afkomstig en kan men dus eveneens tot deze groep rekenen.

Geslachtsnamen aan andere vreemde talen als de hebreeusche ontleend

(te weten aan de spaansche en portugeesche talen), komen onder de

Israëliten in Nederland zeer veelvuldig voor. Immers in het laatst

der zestiende en in het begin der zeventiende eeu werden de Joden

in Spanje en Portugal hevig, ja tot den dood toe vervolgd om de

wille van hun geloof, dat zy niet met het Christelike verwisselen

wilden. Daardoor gedwongen die landen te verlaten, weken zy in

grooten getale uit, en vestigden zich grootendeels in Holland,

voornamelik te Amsterdam, waar de eerste portugeesche Joden in 1593

aankwamen. De spaansche en portugeesche Joden voerden toen reeds

grootendeels, zoo niet allen, vaste geslachtsnamen, en zy hebben

die aloude namen, waar onder er velen zijn die tot de eervolste

namen moeten gerekend worden, om de wille der edele, deugdryke,

geleerde en bekwame mannen, die ze gedragen hebben, tot den dag van

heden behouden. Zie hier eenigen daarvan: Lopez de Suasso, Orobio

de Castro, De Leao Laguna, [272] enz.--Eene halve eeu later als deze

intocht der spaansche en portugeesche Joden in ons land plaats greep,

kwamen vooral ten jare 1656 eveneens duizenden van Israëliten uit

de oostersche landen van Europa, uit Polen, Galicie, enz. zich in

Nederland met der woon vestigen. Ook dezen waren, althans gedeeltelik,

wegens geloofsvervolging en onderdrukking uit die oost-europesche

landen gevlucht. Ten deele ook kwamen zy naar de ryke Nederlanden,

waar toen handel en verkeer en vryheid bloeiden als nergens ter

wereld, om hun fortuin te zoeken, en in den regel te vinden. Die

toevloed van oost-europesche Israëliten (ook van hoogduitsche Joden

welke eveneens grootendeels van oost-europeschen oorsprong zijn)

duurt nog steeds voort, ook in onze dagen. De groote hoeveelheid

hoogduitsche geslachtsnamen, of namen die door hunne formen hunnen

hoogduitschen oorsprong verraden, onder de Israëliten voorkomende,

zijn door die inwykelingen in ons land gebracht. Want ook de poolsche,

galicische en andere oost-europesche Joden dragen meestal hoogduitsche

geslachtsnamen, gelijk zy onderling ook veelal de hoogduitsche taal,

in min of meer verbasterden form gebruiken. Geslachtsnamen als Polak

(onder de Israëliten vry algemeen; zie bl. 197), Konijn (zie bl. 209),

Bosnak (zie bl. 197), Krakau, Belgrado, Meseritz, geven mede getuigenis

van hunnen oorsprong uit de slavische landen van oostelik Europa.

Twee formen van geslachtsnamen zijn vooral onder de hoogduitsche

Israëliten zeer menigvuldig verspreid. Te weten patronymika op

son, sohn eindigende, en plaatsnamen, die de plaats van herkomst

van den eenen of anderen stamvader aanduiden. Die plaatsnamen als

geslachtsnamen komen zoo wel op zich zelven voor, als verbogen,

door achtervoeging van er (Frankfurter). Als voorbeelden van zulke

byzonder-israëlitische patronymikale geslachtsnamen vermeld ik:

Boasson, Davidson, Abrahamson, Jacobson, Levison en Levyssohn (zie

bl. 130).

Byzonder-israëlitische geslachtsnamen die den oorbeeldig-nederlandschen

patronymikaal-form op enkele s vertoonen, zijn zeldzaam. Zie hier

een paar: Zadoks, Gomperts, Rubens, Israëls, Arons, Nathans.

Geslachtsnamen van plaatsnamen afgeleid en op er eindigende, vertoonen

by de nederlandsche Israëliten veelal de namen van duitsche en

oost-europesche steden; b. v. Binger, Hamburger, Frankfurter,

Eltzbacher, Bremer, Oppenheimer, enz.; zie bl. 203. En dit is

ook het geval by de enkele, de onverbogene plaatsnamen die als

nederlandsch-joodsche geslachtsnamen voorkomen: Wertheim, Emrik,

Krakau en Cracau, Lemberg, Presburg, Konijn, Belgrado, Calisch,

Lissa, Meseritz, enz.; zie bl. 209. Ook Speier, de hoogduitsche

form van den naam der stad Spiers in den Paltz. Het is een meer

hoog- als nederduitsch, veel min nog nederlandsch gebruik, om

geslachtsnamen, aan plaatsnamen ontleend, op deze twee wyzen te

formen. Het oorbeeldig-nederlandsche gebruik eischt het voorzetsel

van vóór den plaatsnaam, die als geslachtsnaam dienst doet. En zoo

hebben die Israëliten, welke herkomstig waren uit duitsche plaatsen,

naby onze grenzen gelegen, en waar de nederduitsche taal gesproken

wordt of oudtijds ook byzonder-nederlandsche formen zeer gebruikelik

waren, by hun aannemen van eenen geslachtsnaam hier te lande, daartoe

ook den nederlandschen form met van er voor, gebruikt. B. v. Van

Emden, Van Norden, Van Leer, Van Gelder, Van Crevelt, Van Minden,

Van Cleef, enz. Zie bl. 227. Byzonder zijn ook de maagschapsnamen

Vrieslander, Engelander en Zeelander, allen aan joodsche geslachten

eigen. Vrieslander, Engelander en Zeelander, in plaats van Fries,

Engelschman en Zeeu, zijn ongebruikelike woorden. Een echte,

germaansche Nederlander zal ze niet gebruiken.

§ 163. Al de vreemde, uit vreemde talen oorspronkelike namen, met al

de namen die onnederlandsche formen vertoonen, en al de namen die aan

vreemde plaatsnamen ontleend zijn, maken met elkanderen wel de groote

helft uit, zoo niet drie-vierde-deelen, van alle geslachtsnamen die

door nederlandsche Israëliten worden gedragen. Hunne overige namen

zijn goed-nederlandsch van form en oorsprong. Maar niettegenstaande

dat, vertoonen zy in 't algemeen genomen nog zoo veel byzonders en

eigenaardigs, dat men ze uit de andere nederlandsche namen herkennen

kan. In der daad, geslachtsnamen die ook evenzeer door eigenlike

(germaansche) Nederlanders als door Israëliten worden gedragen,

zijn betrekkelik zeldzaam. Als zulken noem ik: De Vries en De Jong,

De Leeuw, De Beer, De Haan, Koster, Brouwer, Van Gelder, De Haas,

enz. En deze namen (zoo men de beide eerstgenoemden en ook Van Gelder,

Van Gelderen, enz. uitzondert, die zeer veelvuldig voorkomen en aan

onderscheidene onderling niet verwante maagschappen eigen zijn)--deze

namen zijn buitendien nog betrekkelik zeldzaam onder de Joden, al

hoe algemeen ze ook onder de eigenlike Nederlanders mogen zijn. Maar

vele overigens zuiver-nederlandsche geslachtsnamen zijn slechts

aan israëlitische geslachten eigen, en worden ook gereedelik als

joodsche namen herkend. Als zulken noem ik: Wetschryver, Loteryman,

Goudstikker, Kornalynslyper, Porcelein, Citroen, Augurkie, Eitje,

Ziekenoppasser, enz.

De geslachtsnaam De Leeuw, door Israëliten gedragen, heeft dit

eigenaardige, dat hy niet aan eenen huisnaam ontleend is, zoo als

by de andere Nederlanders die De Leeuw heeten, in den regel wel

het geval is. Integendeel, onder de Joden is deze geslachtsnaam in

gebruik gekomen als kenteeken dat de drager er van tot den stam van

Juda behoort, by welken israëlitischen stam reeds van oude tyden af

de leeu (de leeu van Juda) als kenteeken op de wyze van wapenteeken

gold. Of ook, de geslachtsnaam Leeuw geldt als eene verbastering, eene

quasi-verdietsching van den mansvóórnaam Levi. Zoo zijn ook de vele

overgangsformen tusschen Leeuw en Levi te verklaren; b. v. De Leev,

De Leeuw, Leeuw, Löwe, Lion, Löb, Löfson, Löbson, Levison, Levyssohn,

Levisohn, Leeuwenberg, Leeuwensteen, Lewenstein, Leeuwenstein,

Löwenstein, Löwenstamm en ook het friesche Leefsma. Verder Leefmans,

het enkele Levi, Levie, Levy, De Levie, De Levita, enz. Tegenover

Löwenstein staat ook de geslachtsnaam Aronstein, tegenover Löwenstamm

ook Cohnstamm. Nevens Leeuw komt onder de nederlandsche Israëliten

ook de geslachtsnaam Leeuwin voor. Zoo deze naam niet uit scherts,

als een tegenhanger van Leeuw, aangenomen is, dan zal hy wel als eene

ongeschikte verdietsching moeten worden beschoud van den naam Levin

(eigenlik eene verkorting van Levinus, Lebuinus), die in Duitschland

aan joodsche geslachten eigen is. Dit joodsch-duitsche Levin is onder

de hoogduitsche Israëliten in gebruik genomen als eene »verfraaiing"

van den joodschen mansvóórnaam Levi. Zoo is het onder de hedendaagsche

nederlandsche Israëliten ook wel gebruikelik hunne aloude en eervolle

namen Isaäc, Mozes, Levi, enz. waaraan zoo schoone herinneringen

verbonden zijn, te verkersteliken, of liever te ontjoodschen, door

Isidoor of Isouard, Moritz of Maurice, Lion of Louis van te maken.

Eigenaardig is het dat er onder de friesche Israëliten ook

byzonder-friesche geslachtsnamen voorkomen. Deze joodsch-friesche

namen, door de friesche Israëliten in navolging van de namen der

ware Friesen aangenomen, zijn ten deele afsonderlik en opsettelik

door hen geformd, gemaakt, bedacht; gedeeltelik ook, als reeds onder

de Friesen bestaande, overgenomen. Zy deden dit als 't ware om de

Friesen te behagen, even als zy ook in andere landen wel geslachtsnamen

maakten en aannamen, geformd uit de taal van het volk waaronder zy

wonen. Zulke friesche geslachtsnamen van israëlitische maagschappen

zijn: Woudsma, Dykstra, Oostra, Woudstra, Feitsma, die ook door Friesen

zelven worden gedragen en van hen zijn overgenomen. En Leefsma (zie

bl. 130), Drielsma, Drilsma, Dwingersma, Van Biema, Turksma en Fryda,

die afsonderlik geformd, en slechts aan Israëliten eigen zijn.

De groote massa van het Israëlitische volk in Nederland (zoo men de

spaansche en portugeesche Joden onder hen uitsondert, met de groote

kooplieden, de aanzienliken en ryken in 't algemeen)--de groote massa

had geene eigene en vaste geslachtsnamen tot in het begin van deze

eeu. Zy noemden zich met hunnen vadersnaam in den tweeden-naamval,

als patronymikon; b.v. Mozes Isaacs of Izaks, Jacob Baruchs, Levi

van Manasse, Josua van Abraham, enz. Deze eenvoudige, ter nauer

nood voldoende onderscheiding was hun genoeg; ja, velen onder hen

waren er byzonder aan gehecht als aan iets eigenaardig-joodsch. Deze

laatsten verzetten zich dus in 1811 aanvankelik tegen het aannemen

van eenen vasten geslachtsnaam, 't welk van hen zoo wel als van

ieder ander nederlandsch staatsburger werd gevorderd. En toen hun

aanvankelik verzet niet baatte, en zy zich aan de wet moesten

onderwerpen, trachtten velen de zaak bespottelik te maken door

allerlei zonderlinge en dwaze namen op te geven. Immers dachten

zy dat dit dragen en voeren van vaste geslachtsnamen geen stand

zoude houden; dat het slechts een tydelike maatregel was, door

het fransche bewind genomen, maar die by de verjaging der fransche

onderdrukkers, waar op zy, met alle vaderlanders, hoopten en die dan

ook niet uitgebleven is, weêr zoude worden afgeschaft. Intusschen,

by de herstelling van het huis van Oranje-Nassau aan het hoofd van

het bewind in de nederlandsche gewesten, bleef de fransche wet in

volle kracht bestaan, dus ook de geldigheid der geslachtsnamen,

onder het fransche bestuur aangenomen. Vele Israëliten die dwaze en

leelike geslachtsnamen vrywillig hadden aangenomen, zagen zich hier

door eenigszins bedrogen, althans te leur gesteld; en velen hunner

zonen en kleinzonen zullen heden ten dage nog wel verdriet hebben en

ergernis van deze ongepaste geslachtsnamen. En al ligt er nu ook niets

onteerends in,--zoo de kleinzoon misschien een aanzienlik of rijk

man geworden is, dan is het voor hem toch gewis niet aangenaam dat

zijn grootvader zich Paardebek of Vischschraper heeft laten noemen,

en hy die ongeschikte namen nu ook moet voeren.

Vele Israëliten namen in 1811 geslachtsnamen aan, ontleend aan den

handel dien zy dreven, aan de betrekking die zy vervulden. Maar

omdat onder de Joden velen zijn die betrekkingen vervullen, ambten

bekleeden, handwerken uitoefenen welke onder de Christenen niet

gebruikelik zijn, of slechts bepaaldelik aan hen zelven eigen

zijn,--of ook omdat er onder de Joden handel gedreven wordt,

vooral kleinhandel, straatventery, die eveneens slechts hen

eigen is, zoo hebben de nederlandsch-joodsche geslachtsnamen ook

daardoor veel eigenaardigs. Koster, Schoolmeester, De Boer zijn

nog geslachtsnamen die zoo wel door Israëliten als door andere

Nederlanders worden gedragen. Maar Vleeschdrager en Vleeskruyer,

Vischschraper, Kleerkoper en Loteryman, Ossedryver, Augurkiesman

en Komkommerman zijn namen slechts aan Joden eigen. Tot deze groep

behooren verder nog Rabbi, Onderwyzer en Voorzanger, [273] enz. Vele

geslachtsnamen van nederlandsche Israëliten zijn ontleend aan de namen

der waren waar in de lieden handel dreven, welke die namen in 1811

zich toeeigenden. Als voorbeelden noemen wy: Diamant, Parel, Paerl,

Porcelein, Schaapwol, Citroen, Peper, Tabak, Carstanje, Komkommer,

Augurkie, Eitje. De geslachtsnaam Lotery duidt ook nog een middel

van bestaan aan, dat veel door Israëliten wordt waargenomen.

Als besluit van deze joodsch-nederlandsche namen mogen hier nog eenigen

vermeld worden, die bepaaldelik aan spot en scherts hun ontstaan te

danken--of te wyten--hebben; het zijn Paardebek, Perexempel, Hangjas,

Drieduiten, Agsteribbe, Zomerplaag, Hardlooper en Dribbelaar, Natkiel

en Witjas, Keessie en Lampie, Roosenik (zie bl. 458), enz.

Eigenaardige joodsch-nederlandsche namen zijn buitendien nog: Koetser,

eene halve verdietsching van het hoogduitsche Kutscher; Schuttero,

Cohenno en Van Mindeno. Deze laatste namen zijn eigenlik de namen

Schutter, Cohen en Van Minden, die eveneens aan joodsche geslachten

eigen zijn. Om welke reden men er eene o achter heeft gehangen,

waardoor deze namen tamelik onzinnig, althans zeer zonderling geworden

zijn, is my niet bekend. Was het om ze meer gelijkformig te maken aan

de geslachtsnamen der portugeesche en spaansche Joden, waar onder er

velen zijn die op eene o eindigen? De ontaalkundige geslachtsnaam

De Schaap is ook eigenaardig-joodsch. Maar de schijnbaar eveneens

ontaalkundige geslachtsnaam De Graan, ook aan eene israëlitische

maagschap eigen, moet hiermede niet op eene lijn worden gesteld. Deze

naam immers is slechts eene verbastering, eene halve verdietsching

van den franschformigen naam De Gran, dat is Van Gran, ontleend aan

den naam der hongaarsche stad Gran, vanwaar die maagschap herkomstig

is;--niet waar?

Ten slotte mogen hier nog drie maagschapsnamen worden vermeld, alle

drie aan israëlitische geslachten eigen, en die zeker, door hunne

beteekenis, juist aan Israëliten al weinig voegen. Die namen zijn

Menist, de naam van eene protestantsch-christelike secte, de Mennisten

of Doopsgezinden (zie bl. 441); Santcroos, eene verbastering van den

portugeeschen (?) naam Santa-Croce, het heilige kruis; en Salvador,

de spaansche naam van den Verlosser.

De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis · 第 36 / 42 题