Kees. »Nou, skriif my dan mar op foor C. Cats!"

De heer Cats had daar misschien nog al wat op tegen, en de schryver of

de ambtenaar van den burgerliken stand ook. Maar er was niet aan te

doen--Kees bleef op zijn stuk staan. Natuurlik, hoe meer »de heeren"

zich daar tegen verzetten, hoe meer pret Kees in het geval kreeg. En

zoo kreeg de man ten slotte zynen zin. De schryver kon den zonderlingen

geslachtsnaam C. Cats wel niet anders te boek stellen dan als Seecats

of als Zeekats. En zóó geschiedde het. Aldus werd Cornelis Zeekats

de stamvader van dit nog te Leeuwarden bestaande geslacht. [246]

Raad eens, lezer! wat beteekent de geslachtsnaam Roosenik? Iemand uwer

zal misschien gissen dat de i uit e bedorven is, dat het eigenlik

Roosenek of Roseneck zal moeten wezen, en zynen atlas opslaan om by

eene bocht van den Rijn of eene andere rivier van Duitschland te zoeken

naar eene plaats die zoo heet. Een ander zal, op den uitgang lettende,

vermoeden dat het een poolsche of hongaarsche naam is. Alles mis. Ik

zal het u vertellen. In 1811 was er onder de velen die nog geenen

geslachtsnaam hadden en er daarom eenen moesten kiezen, iemand die

deze gelegenheid wilde waarnemen, om den naam van zyne lieve vrou

te vereenigen. Zy heette Roosje. Maar daar hy begreep dat in den

geslachtsnaam, dien zy beide van nu af aan dragen zouden, beide ook

moesten vermeld worden, noemde hy zich Roos en ik. Zoo is de naam

Roosenik ontstaan. 't Was eene onschuldige aardigheid, waar wy vrede

meê zouden hebben, ware 't niet dat men met zulke aardigheden van

anderen wel eens wat nutteloos hoofdbreken vergt. [247]

Hartsuyker is een geslachtsnaam, die iedereen aan de woorden

hard en suiker, aan een hard klontje suiker zal doen denken. En

toch is de oorsprong en de beteekenis van dezen naam een geheel

andere. Hartsuyker is namelik eene quasi-verhollandsching van den

oorspronkeliken form, waaronder deze naam reeds oudtijds voorkwam; te

weten van Hartsoeker. Ook nog heden is deze naam, in laatstgenoemden

zuiveren form, aan eene byzondere maagschap eigen. In de noordoostelike

Nederlanden, ik meen in Drente, is de form Hartsuyker ontstaan. Daar

wordt, in de friesche en friso-saksische gouspraken, het woord

suiker als sûker (met hoogduitsche u, dus ongeveer als soeker), en

ook wel als süker uitgesproken. Men schijnt gemeend te hebben dat

in den geslachtsnaam Hartsoeker dit woord soeker, sûker voorkwam, en

verhollandschte dien naam dus, in geschrifte, tot Hartsuyker, al bleef

men des niet te min steeds Hartsoeker uitspreken. De geslachtsnaam

Hartsuyker is nog heden in de noordoostelike Nederlanden inheemsch,

evenals de oorspronkelike form Hartsoeker in Holland. Wat nu echter

de beteekenis van dit woord hartsoeker (hart- of hardzoeker?) is,

moet ik bekennen niet te weten. Is het misschien de naam van een oud

wapentuich? van eenen hart-zoeker, of harts-vanger?

Viergever en Fürbringer zijn nog twee geslachtsnamen, die ik te zamen

vermelde, omdat in beiden het woord vuur (vier, für) voorkomt, en de

beteekenis van beiden niet veel onderscheid oplevert. Hoe deze namen

ontstaan zijn, kan ik niet verklaren. Zijn vuurgever en vuurbrenger

misschien oude benamingen van eenen man, belast met het aanleggen,

het aanmaken of aanboeten van vuur? Zie op bl. 469 den geslachtsnaam

Bütefür.

Smakelooze, ja, zeer leelike geslachtsnamen, een last voor

wie ze moeten dragen, zijn Paardebek en Paardehaar, Kalfsvel en

Kattestaart. Aan duidelikheid van beteekenis laten deze namen niets

te wenschen over. Maar hoe deze en gene man er toe gekomen is, zulk

eenen naam als zynen geslachtsnaam te aanveerden, is minder duidelik.

Minder ergerlik dan de voorgaande namen, ofschoon dan altijd nog leelik

genoeg, zijn de geslachtsnamen Vogelpoot, Arenspoot, Beerepoot, Tot

den Berenclauw, enz. Het schijnt dat oorzaken van heraldischen aard

(byzondere figuren op geslachtswapenschilden voorkomende) aanleiding

gegeven hebben tot het ontstaan dezer namen. Als zoodanig zijn zy dan

ook reeds op bl. 364 door my vermeld, even als de geslachtsnamen

Iserbyt en Minnebo, die ook tot de zonderlinge namen gerekend

worden moeten, reeds op bl. 346 en 317 genoemd zijn. Aangaande den

zonderlingen geslachtsnaam Met den Ancxt verwijs ik naar bl. 256.

Boerendans is zekerlik ook al een zonderlinge geslachtsnaam. Een

gehucht Boerendans ligt er by het overijsselsche dorp Batmen. De

geslachtsnaam zal wel aan den plaatsnaam ontleend zijn. Maar hoe komt

dan nog die plaats aan zulken dwazen naam? Is het de naam geweest van

eene herberg waar de boeren wel kwamen dansen? Te Brugge toch draagt

nog heden eene herberg dezen naam. Of stond daar »De Boerendans"

op een uithangbord afgebeeld, gelijk elders wel »De Kalverendans"

en »De Apendans"?

Duyvendak. Beteekent deze maagschapsnaam een huis, kenbaar aan de

vele duiven die er in den regel op het dak zitten--het huis dus

van eenen duive-liefhebber? En is deze naam dan van het huis op den

bewoner overgegaan?

Deze opsomming van zeer byzondere en zonderlinge geslachtsnamen zoude

te recht onvolledig genoemd worden, ware 't dat de naam Duivenbode

daar by niet genoemd en werd. Deze naam, die ook als Duyvenbode en

Duyvenboode, en zelfs als Van Duivenbode en Van Duyvenbooden voorkomt

(ook in samenstellingen: Van Leeuwen van Duyvenbode, Van Renesse

van Duivenbode, Van Duivenbode Varkevisser)--deze naam heeft eenen

merkweerdigen, geschiedkundigen oorsprong. Immers in de bange dagen

van Leidens vermaard beleg door de Spanjaarden ten jare 1574, maakten

drie burgers dier zoo zwaar benarde maar ook zoo roemrijk verdedigde

veste zich zeer verdienstelik door hunne duiven, die tydingen van het

leger dat tot ontzet van Leiden opdaagde, aan de haast vertwyfelende

burgery binnen de wallen brachten. Die drie mannen waren drie broeders

en heetten Ulrik, Willem en Jan Cornelisz. Niettegenstaande er,

tegen het einde van het beleg nagenoeg geene spyze meer in de stad

was, en niettegenstaande de drie gebroeders ongetwyfeld ook honger

leedden, zoo lieten zy toch hunne duiven in leven, en maakten er,

tot troost hunner benaude stadgenooten, zoo schoon gebruik van. Ter

belooning van, en in herinnering aan deze vaderlandslievende daad,

verleende het stedelik bestuur van Leiden in 1578 aan Willem Cornelisz,

waarschijnlik ook aan Ulrik en Jan, de vergunning, met recht van

overgang op zyne nakomelingen, om voortaan den naam Duivenbode

als geslachtsnaam te voeren. Het geslacht dat Willem Cornelisz

Duivenbode tot stamvader had, is, volgens het gene Pars in zyne

Katwijksche Oudheden mededeelt, thans sinds meer dan anderhalve eeu

uitgestorven. Hoochst waarschijnlik stammen dus de maagschappen die

thans den naam Duivenbode in de verschillende boven vermelde formen

dragen, af van Ulrik en van Jan.--Ter herinnering aan deze vermaarde

duiven, die als liefelike en gezegende boden zoo zoete troost en hoop

brachten binnen de belegerde en uitgehongerde stad, leest men nog

in het huis waar Willem Cornelisz gewoond heeft, op het Rapenburg te

Leiden, onder het eigenaardige wapenschild dat aan hem verleend werd,

dit min of meer onduidelik kreupelrijm:

Dat God gewrocht

Die va Duiveboode,

Doe God tot Boden Duiven schikte,

Ontzet voor Leydens Stad aanblikte. [248]

Elenbaas. Deze geslachtsnaam is my langen tijd onverklaarbaar gebleven,

tot dat ik in Oudemans' Bijdrage tot een Middel- en Oud-nederlandsch

Woordenboek vond dat »elenbaas" een oud-hollandsch woord is, het welk

nog in de geschriften van den oud-amsterdamschen blyspeldichter Bredero

(1585-1618) als een vleiwoordeken voorkomt, in de beduidenis van »brave

borst, knappe baas, nobele kerel, beste vriend." Het is eene inkrimping

van den vollen form edele baas, even als men oudtijds ook sprak van

»eleman" en »elegeest" voor edele man of edelman, edele geest, enz.

Een zonderling voorkomen heeft ook de maagschapsnaam Doodkorte. Ik heb

echter goede redenen om met groote waarschijnlikheid te durven beweren

dat deze naam Doodkorte eene misspelling, en dat de oorspronkelike

form van dezen naam Doodkotte is. Hy zoude dan met Exterkotte,

Haverkotte en anderen tot de kotte-namen behooren; zie bl. 266. De

naam Exterkotte is my ook wel eens, by misspelling, als Exterkorte

voorgekomen, en op deze misspelling grondde E. Laurillard [249] zyne

bewering dat deze naam zoude beduiden: de extra korte, de byzonder,

buitengewoon korte of kleine man.

Vier zonderlinge geslachtsnamen zijn my bekend, allen in de

zuidelike gewesten inheemsch, en waar van er twee goed-latynsche en

twee quasi-latynsche formen vertoonen. Oculorum en Sanctorum zijn

maagschapsnamen van zuiver-latynschen, Springorum, met Stekelorum

en Stikkelorum van nagebootst-latynschen form. Wat aanleiding kan

gegeven hebben tot het ontstaan dezer in der daad zonderlinge,

ja, wat de drie laatsten aangaat, onzinnige namen, is my onbekend

gebleven. Eenen latynschen form vertoont ook nog de geslachtsnaam Ego

(het latynsche woord voor »ik"), die reeds van oude, zestiende-eeusche

dagteekening schijnt te zijn; zie § 151.

Als tegenhangers van deze vijf of zes zonderlinge namen noem ik hier

nog de maagschapsnamen Oremus (laat ons bidden!) en Amen. Ongepaste

en dwaze scherts is misschien wel de oorzaak van het ontstaan dezer

namen. De geslachtsnamen Genesis en Leviticus, eigenlik de namen van

het eerste en derde bybelboek, mogen hier ook genoemd worden.

Wat den geslachtsnaam Amen betreft, deze zoude nog kunnen geduid

worden als een vadersnaam, op de wyze der namen in § 40 behandeld,

van den oud-germaanschen mansvóórnaam Ame, die door Förstemann

wordt vermeld, en die nu en dan nog by de Friesen in gebruik is,

gelijk hy dan ook in Leendertz's naamlijst als Ame voorkomt. De

geslachtsnaam † Amama is een byzonder-friesch patronymikon, en Amesz

een nieu patronymikon van dezen mansvóórnaam, die ook deel uitmaakt

van den aardrijkskundigen geslachtsnaam Ameshoff, het hof, de hoeve,

van Ame. Nau verwant met dezen naam Ame (misschien oorspronkelik wel

een en de zelfde naam) is de oud-germaansche, ook heden ten dage nog

friesche mansvóórnaam Ammo, Amme, waarvan de geslachtsnamen Ammema,

Amming, Ammen en Amshoff afkomstig zijn.

Moet al de oorsprong der bovengenoemde latynsche en quasi-latynsche

namen duister worden geacht, geenszins duister voor den ingewyde zijn

de volgende geslachtsnamen. Namelik wat de omstandigheid betreft,

die aanleiding gaf tot hun ontstaan, en wat de wyze aangaat, waarop

zy geformd zijn. En echter, ieder oningewyde zal my moeten toegeven

dat de geslachtsnamen Snitsevorg, Rhemrev, Ednenov, Kijdsmeir,

Reeb niet slechts een hoochst zonderling, maar tevens een alles

behalven nederlandsch voorkomen vertoonen. Het zijn eenvoudig

omgekeerde namen, namen die achterste-voor zijn gezet, namen waarvan

de laatste letter het eerst geschreven staat, en zoo vervolgens in

geregelde verplaatsing, tot de eerste letter van den oorspronkeliken

de laatste letter van den omgezetten naam geworden is. Snitsevorg is

dus anders niet als eene omzetting, van achteren naar voren, van den

geslachtsnaam (Van) Grovestins, even als Kijdsmeir van Riemsdijk,

Reeb van Beer, Rhemrev van Vermehr en Ednenov van Von Ende. Deze

zonderlinge geslachtsnamen zijn ontstaan onder de Europeërs in

de nederlandsche oost-indische bezittingen, en zijn door de vaders

gegeven aan hunne zoogenoemde natuurlike kinderen, die zy buiten wettig

huwelik, by inlandsche vrouen hadden verwekt. [250] Op zulk eene wyze

is eveneens de geslachtsnaam Vodegel in Oost-Indie ontstaan. By de

forming echter van dezen geslachtsnaam heeft men niet alle letters

van den oorspronkeliken vadersnaam omgezet. Integendeel, men heeft

de eerste lettergreep van dien oorspronkeliken naam--te weten De

Vogel--eenvoudig tusschen de tweede en derde lettergreep geplaatst,

en er Vodegel van gemaakt.

De geslachtsnamen Efdee en Erbee kunnen evenmin als de voorgaanden

verklaard worden, tenzy men hunnen oorsprong kenne. En deze

oorsprong is niet minder zonderling. Deze geslachtsnamen toch zijn

oorspronkelik anders niet als de enkele letters F. D. en R. B. Iemand

die b. v. Frederik heette, en die geen vasten geslachtsnaam had,

maar zich Frederik Dirkszoon noemde, of by inkorting, Frederik Dirks,

omdat zijn vader den voornaam Dirk droeg, heeft zich in 1811 dezen

naam toegelegd, naar de eerste letters van zynen naam en van zijn

patronymikon F(rederik) D(irks). Of misschien ook Feike Douwes of Foppe

Doedes; want deze zonderlinge naam is in Friesland ontstaan--ik meen te

Sneek. En zoo is het ook met Erbee, dat is R. B., R(obert) B(arends)

of R(inse) B(erends). De enkele letters F. D. en R. B. kon men toch

niet als geslachtsnamen voeren. Zoo maakte men daar Efdee en Erbee van.

Nog een paar enkele letters zijn my als geslachtsnamen voorgekomen; te

weten Aa en O. Om de wille der byzonderheid vermeld ik hier deze namen,

waarvan ik de eerste te Amsterdam, de tweede te Brussel vond. Of nu de

geslachtsnaam O werkelik tot de oorspronkelik nederlandsche behoort,

dan wel of hy van vreemden (waalschen?) oorsprong is, en wat of de

beteekenis van deze twee namen is, ook wat aanleiding gaf tot hun

ontstaan--dit alles is my onbekend gebleven. Ik meen echter dat by den

geslachtsnaam Aa niet gedacht moet worden aan het oud-nederlandsche

woord a of aa, water, dat in de geslachtsnamen Van der Aa en Traa

voorkomt, en op bl. 216 en 281 reeds besproken is.

§ 149. Was by het grootste getal der bovengenoemde zonderlinge

namen nog eene verklaring mogelik, en kon de oorsprong by velen

worden aangegeven, dit is niet het geval by de volgende namen,

welke ik eveneens tot de zonderlinge namen reken, maar die ik niet

verklaren kan. Ik verdeel dezen nog weer in twee groepen, welke my

wel beiden even onverklaarbaar zijn, maar waarvan de namen, die de

eerste groep samenstellen, toch uit duidelik nederlandsche woorden

en letterverbindingen zijn geformd. Maar de namen van de tweede groep

vertoonen buitendien nog een vreemd voorkomen. Zy zijn oogenschijnlik

van vreemden oorsprong.

Als voorbeelden van geslachtsnamen, die ik tot deze eerste ondergroep

brenge, noem ik Hoenderdos, Regenplomp, Missoorten. Laatstgenoemde

naam, in de zuidoostelike gewesten, meest in zuid- en

noord-nederlandsch Limburg verspreid, komt daar ook in de eenigszins

afwykende formen Missooten en Missotten voor. De verschillende woorden

of lettergrepen waaruit de bovengenoemde namen zijn samengesteld, zijn

op zich zelven genomen wel nederlandsche woorden en nederlandsche

lettergrepen (regen en plomp, dos en soorten, hoenders en mis),

maar in hunne samenstelling tot éénen naam formen zy geene redelike

woorden noch namen. Zy brengen anders niet als onzin te weeg. En dit

is eveneens het geval met de geslachtsnamen Eigenraam en Diepraam,

Vuylsteke, enz. [251]

Als voorbeelden van geslachtsnamen die by hunne zonderlingheid

en onverklaarbaarheid (voor my althans), ook nog een vreemd,

onnederlandsch voorkomen vertoonen, noem ik hier Pabbruwe, Vizjevène,

Leffef, enz. [252] Met deze namen weet ik weinig of niets aan te

vangen. Kan Vizjevène samenhangen met de maagschapsnamen Vizevene,

Vigeveno en Vigevano? En zijn alle vier deze namen slechts afwykende

spellingen van eenen en den zelfden geslachtsnaam? In allen gevalle

hebben wy hier toch met namen van vreemden oorsprong te doen. Zy

behooren allen (?) of ten deele (?) aan joodsche (portugeesche

of spaansche (?)) geslachten.--In geschriften van de vorige

eeu is my de geslachtsnaam Padbrué, ook als Padbruhe geschreven,

voorgekomen. Dat dit de zelfde naam is als het hedendaagsche Pabbruwe

is wel waarschijnlik. De verklaring van dezen naam echter wordt my

daar nog niet duideliker.

Velen van de laatstgenoemde geslachtsnamen zullen wel van

buitenlandschen oorsprong zijn, en hebben misschien, in Nederland

overgeplant, door verbasterde nederlandsche spelwyze, eerst hun

zonderling voorkomen verkregen. Zoo is de geslachtsnaam Harrebomee,

die te Haarlem inheemsch is, waarschijnlik de zelfde als de

geslachtsnaam Herbomez of D'Herbomez, die in noordelik Frankrijk, in

de fransch-vlaamsche gewesten oorspronkelik inheemsch is. [253] Dit

vermoeden verkrijgt te meer waarschijnlikheid, omdat de haarlemsche

maagschap Harrebomee oorspronkelik tot het menniste of doopsgezinde

kerkgenootschap behoort, en omdat juist vele Doopsgezinden uit de

vlaamsche gewesten van Zuid-Nederland en Noord-Frankrijk verdreven,

in vorige eeuen te Haarlem zich neder zetten, daar bescherming,

althans vryheid van godsdienst vonden, en er eene byzondere gemeente

van Vlaamsche Mennisten formden. Voor hem, die deze byzonderheden

niet kent, moet de naam Harrebomee volkomen onverklaarbaar zijn.

En zoo is het ook met den geslachtsnaam Rotteveel, die in Holland niet

zeldzaam is. Blykens het wapenschild dat door een der leden van dit

geslacht, misschien ook door meerdere leden daarvan, misschien door

allen gevoerd wordt, en dat, als een sprekend wapen, de afbeeldingen

vertoont van eene veêl, vedel, viool, en van rotten, ratten, schijnt

men te denken dat de oorsprong van dien naam Rotteveel te zoeken

zy in de namen van die dieren en van dat toontuich. Maar dit is

eene dwaling. De naam Rotteveel is eene halve verdietsching van den

hoogduitschen geslachtsnaam Rothenfeer, door niet ongewone omzetting

der verwante letters r en l. En dit Rothenfeer is eene samentrekking

van Rothenfeder, oorspronkelik een bynaam, denkelik wel gegeven aan

iemand die gewoonlik eene roode veêr droeg (misschien als sieraad

op zynen hoed?) en die bekend was wegens deze byzonderheid.--De

geslachtsnaam Geiregat zoude oorspronkelik de naam van eene straat

kunnen zijn die een »geirend, geerend, gierend" verloop had, als

b. v. de Gierstraat te Haarlem; gat zoude hier ingang van eene straat

kunnen beduiden, gelijk b. v. de benaming »het Gat van de Houtstraat"

te Haarlem bewijst. Dezen naam »gat" vind ik ook in de geslachtsnamen

Ten Rodengate, Van den Noortgate, en misschien ook in Moortgat; de twee

laatsten zijn in de zuidelike Nederlanden inheemsch. Echter niet in

Tytgat; zie bl. 456.--Onder de namen, my ten eenen male onverklaarbaar,

zijn er ongetwyfeld velen, die aan vreemde talen oorspronkelik eigen

zijn; Plutschouw b. v. en Hoyack met Schuak hebben een slavisch

voorkomen; Lasones en Pollones met Vizjevène en Vigevano een romaansch.

De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis · 第 30 / 42 题