§ 147. Een groot getal nederlandsche geslachtsnamen vertoont een
zonderling voorkomen, of heeft eene zonderlinge beteekenis. Die namen
passen eigenlik in geene der tot hier toe in dit werk behandelde
groepen. Ik heb al die namen dus, al vertoonen ze, over het geheel
genomen, onderling ook weinig of geen samenhang, met elkanderen in
eene byzondere groep samengebracht, onder den naam van »Zonderlinge
geslachtsnamen." Toelichtingen van algemeenen aard kunnen, uit den
aard der zake, by deze groep niet gemaakt worden. De namen, welke deze
groep formen, zijn onderling zoo verschillend van aard, dat zy slechts
ieder afsonderlik, of in kleine ondergroepen, kunnen verklaard worden.
Als eene algemeene verdeeling, en ten einde nog eenigszins een
gemakkeliker overzicht te verkrygen, heb ik deze groote geheele groep
onderscheiden: a. in zonderlinge namen, waarvan de beteekenis duidelik
is; b. in zulke namen, die, ofschoon ze uit duidelik nederlandsche
woorden bestaan, toch geen redeliken zin vertoonen; c. in namen, die my
ten eenen male onverklaarbaar zijn. Geen dezer drie ondergroepen echter
is scherp omschreven; er bestaan geslachtsnamen, die zoowel tot de
eene, als tot de andere dezer onderafdeelingen kunnen gebracht worden.
a. De zonderlinge namen, waarvan de beteekenis duidelik is, of die
althans verstaanbaar zijn en verklaard kunnen worden, formen, wat hun
getal aangaat, verre weg de grootste ondergroep. Velen dezer namen
zijn oorspronkelik bynamen, die, uit scherts en uit spot, uit allerlei,
soms onbeteekenende aanleidingen, aan dezen en genen man gegeven zijn.
Zie hier, in bonte opsomming, de namen die ik tot deze onderafdeeling
brenge:
Zondervan en Sondervan. Vele nederlandsche geslachtsnamen bestaan uit
eenen plaatsnaam met het voorzetsel van daarvoor, gelijk van § 78 tot §
90 aangetoond is. Die namen komen by ons volk zóó talrijk en algemeen
voor, dat niet slechts vreemdelingen aan zulke namen den Nederlander
herkennen, maar dat zelfs, in de nederlandsche volksspreektaal,
vooral in de noordelike gewesten, in het dageliksche leven een
geslachtsnaam een »van" genoemd wordt. »Hoe is je van?" in plaats
van »Hoe is uw geslachtsnaam?"--die spreekwyze kan men algemeen
by het noord-nederlandsche volk hooren gebruiken. Deze byzondere
beteekenis van dit woord heeft aanleiding gegeven dat deze of gene,
die geen geslachtsnaam, geen van had, en die er toch een wilde of
moest (in 1811) aannemen, zich Zondervan, Sondervan, dat is: »zonder
geslachtsnaam" noemde.
Misverstand schijnt aanleiding gegeven te hebben tot het ontstaan
van den geslachtsnaam Van 't Zelfde. Twee mannen, misschien broeders
of bloedverwanten, en die beiden reeds den zelfden geslachtsnaam
voerden, of ook die, nog steeds geenen vasten geslachtsnaam
dragende, overeengekomen waren zich onder eenen en den zelfden naam
te laten inschryven in de registers van den burgerliken stand, kwamen
gelijktydig by den ambtenaar, daarmede belast. De eerste man gaf zynen
naam op, en de ambtenaar schreef dien in de registers. »En hoe heet
Gy?" vroeg hy daarop aan den tweeden. »Van 't zelfde!" luidde diens
antwoord, waarmede hy te kennen wilde geven: »ik wil onder den zelfden
naam als mijn broeder of vriend hier, wiens naam Gy zoo even hebt
ingevuld, ingeschreven worden." Maar de ambtenaar begreep dit antwoord
verkeerd, dacht dat die tweede man den geslachtsnaam Van 't Zelfde
droeg of dragen wilde, en schreef hem alzoo in. Toen dit misverstand
later uitkwam, berustte de man, wien het aanging, daar in. Hy nam
genoegen in dien zonderlingen naam, en zyne nakomelingen dragen hem
nog heden. Waarschijnlik is de maagschapsnaam Dito ook op deze wyze
ontstaan, en naar men zegt, is dit ook het geval geweest met den
geslachtsnaam Van Eenennaam. Te weten: ook als antwoord op de vraag:
»Hoe heet Gy?"--»Van éénen naam!" luidde dat antwoord, 't welk ook
verkeerd begrepen werd; »van éénen naam, van den zelfden naam ben ik,
als de man, wiens naam zoo pas door U ingeschreven is."--Ik heb echter
eene bedenking tegen de waarheid van dit verhaal, het welk my gedaan is
door iemand die zelve dezen naam droeg. Zou dit Van Eenennaam niet eene
verbastering zijn van den geslachtsnaam Van Eename? En dan ontstaan
by wyze van poging om eenen verstaanbaren zin te leggen in eenen
naam dien men niet meer verstond? Deze geslachtsnaam Van Eename, die
ook als Van Eenaeme voorkomt, is afgeleid van den plaatsnaam Eename,
zoo als een dorp heet, by Audenaarden in Oost-Vlaanderen gelegen. In
de zuidelike Nederlanden is deze maagschapsnaam dan ook inheemsch.
Voor den ambtenaar van den burgerliken stand, in 1811, is ook
de oorsprong te vinden van den geslachtsnaam Zoekende. »Wie zijt
Gy?" vroeg die ambtenaar aan den man, die by hem kwam, om zich,
onder eenen geslachtsnaam, in de registers van den burgerliken
stand te laten inschryven. De ambtenaar bedoelde met die vraag:
»Hoe is uw naam?" of »Welken naam neemt Gy aan?" De man antwoordde:
»Ik ben zoekende!" en wilde daar mede te kennen geven: »Ik heb nog
geen vasten geslachtsnaam; ik ben nog niet besloten welken naam ik zal
aanveerden; ik ben nog zoekende!" De ambtenaar echter begreep--of hy
deed dit althans zoo voorkomen--dat de man zynen geslachtsnaam opgaf
als Zoekende. Hy schreef dezen dwazen naam dus in zyne registers,
en--de naam bestaat nog heden.
Vele menschen hebben het eene of andere stopwoord, dat zy veelvuldig
in hunne reden te pas, ook dikwijls te onpas brengen. Is dit
laatste het geval, dan worden die stopwoordjes hun wel door
anderen als bynamen gegeven. Zoo iets is waarschijnlik de oorsprong
geweest der geslachtsnamen Evenwel, Justement, Eveleens, Zoovele,
Aldus, Hoezoo, Perexempel, Sijnjewel, enz. Deze laatste naam,
in Fivelgo (Groningerland) voorkomende, is eigenlik de vraag
»zie-je-wel?" (als stopwoord niet zeldzaam in gebruik) in den
groningschen volkstongval. Wijl in de waalsche gewesten van België
de waalsche maagschapsnaam Houzeau voorkomt, zoo is mogeliker wyze
de naam Hoezoo slechts eene verdietschte spelwyze daar van. Hoezee,
Godhelp en Godthelp, Regtdoorzee, Ietswaard, Lukwel ('t lukt = het
gelukt wel), hebben waarschijnlik ook eenen dergelyken oorsprong,
en Nooitgedagt eveneens. Toch kunnen zulke namen ook op andere wyzen
ontstaan zijn. My is een eerzaam burger bekend in eene der friesche
steden; noemen wy hem Harmen De Vries. Hy is eigenaar van een huis,
dat in den gevel, in eenen steen uitgebeiteld, den naam draagt van
»Nooit gedacht." Dien ten gevolge, ook om hem te onderscheiden van
anderen, die den zelfden geslachtsnaam dragen als hy, wordt deze
Harmen de Vries in het dageliksche leven gewoonlik Harmen Nooitgedacht
genoemd. In dezen bynaam steekt niets onteerends. Dies wordt onze man
onbeschroomd zoo genoemd, en, zoo veel my bekend is, heeft hy zelve
daar niet op tegen. Leefden wy nu nog honderd jaren vroeger, hoe licht
zou deze bynaam niet een vaste geslachtsnaam worden? Misschien heeft
zulk eene omstandigheid ook aanleiding gegeven tot het ontstaan van
den geslachtsnaam Nooitgedagt en van anderen.
Een man die veel in zijn huis was, en weinig daar buiten, kreeg al
licht den bynaam van (Jan) T'huis. En dit kan de oorsprong geweest
zijn van den geslachtsnaam T'huis, die in Uitentuis (uit-en-te-huis),
en in Zeldenthuis met Seldenthuis zyne tegenhangers heeft. Even als
laatstgenoemde naam, zoo zijn ook geformd de geslachtsnamen Zeldenrust
en Seldenrijk. Een tegenhanger van Zeldenrust is nog de geslachtsnaam
Buitenrust. De beteekenis van den naam Seldenrijk, die in Nederland
ook voorkomt in den hoog-duitschen (zuid-duitschen of zwitserschen)
form Seltenrych, is duidelik. Ja, maar 't is geenszins zeker dat
deze naam oorspronkelik in der daad »zelden rijk" beteekent. Volgens
hoogduitsche taalgeleerden beteekent deze naam, die reeds zeer oud is,
en in Duitschland reeds betrekkelik vroeg in de middeleeuen voorkwam,
in het Oud-Hoogduitsch: »rijk aan zaligheden." Immers is Saeldenrich
de oudste form waaronder deze naam voorkomt. Toen het volk in lateren
tijd dezen ouden naam niet meer verstond, maakte het er Seltenrich,
Seltenreich van, by wyze van poging om er weêr eenen verstaanbaren zin
in te leggen. Onze nederlandsche geslachtsnaam Seldenrijk kan zeer
wel eene verdietsching zijn van den hoogduitschen form Seltenreich,
Saeldenrich. Hoe lichtelik het volk toch dwaalt in zyne duiding van
namen, kan het volgende voorval bewyzen. In myne jeugd woonde te
Leeuwarden een oude Duitscher, die Morgenschweisz heette. Die naam
was oorspronkelik waarschijnlik wel een bynaam geweest, gegeven aan
iemand die reeds des morgens vroeg zich in het zweet arbeidde. Maar
zóó vatte de leeuwarder jeugd dien naam niet op, en kon dat ook niet,
omdat zy geen Hoogduitsch verstond. Toch wist ze er een mou aan te
passen, en riep den man, die appels en noten en ander ooft langs de
straten ventte, na: »'s morgens wijs en 's avonds gek!"
Naaktgeboren en Niemantsverdriet zijn geslachtsnamen waarvan de
beteekenis voor niemand een raadsel is. Ofschoon er niets af te dingen
valt op de waarheid die in den eerstgenoemden naam opgesloten ligt,
zoo schijnt het toch alsof sommige leden van het nog al talryke,
in Zuid-Holland gezetene geslacht, dat dezen naam draagt, weinig
behagen vinden in het voeren daar van. Immers zy laten in het schryven
van hunnen naam die lettergreep »naakt" weg, als of zy dat naakt
geboren zijn niet met alle menschen op de wereld gemeen hadden. Heet
een man b. v. Jan Naaktgeboren, dan schrijft hy zynen naam wel:
J. N. Geboren. Ik zal hier maar niet zeggen, hoe ik over zulk eene
handelwyze denk. Ware er schande gelegen in dien onschuldigen naam,
of oneerbaarheid, dan zoude men deze naams-besnydenis nog kunnen
vergoêliken. Maar slechts een ziekelik jufferachtig gemoed kan,
dunkt my, ergernis of aanstoot vinden in den naam Naaktgeboren.
De geslachtsnamen Fynebuik en Soetekou houd ik oorspronkelik voor
bynamen aan lekkerbekken en smullebroêrs gegeven. Iemand die gaarne
allerlei zoetigheden eet, krijgt nog heden te Leeuwarden lichtelik
den bynaam van »soetekou," een woord van »zoet" en »kauen" (kauwen)
geformd. Suyckerbuyk en Suikerbuik zijn denkelik oorspronkelik ook
wel bynamen geweest voor menschen, die graag suiker proefden. Ook
deze naam heeft zooveel ergernis gegeven aan eenen drager er van,
dat hy niet rustte voor hy de laatste twee derde gedeelten van zynen
geslachtsnaam er achter weg mocht nemen, en er een (fransch-schynend)
de vóór mocht zetten, en alzoo dien naam volkomen onkenbaar had
gemaakt. Immers leest men eene aankondiging in het amsterdamsche
nieusblad, het Algemeen Handelsblad van den 28sten September 1883,
gedagteekend uit 's Gravenhage van den vorigen dag, en onderteekend
door Mr. G. Belinfante, advocaat en procureur, het volgende:
»Ter voldoening aan Artikel 64 van het Burgerlijk Wetboek wordt bekend
gemaakt, dat door den Heer Guillaume Suyckerbuyk, wonende te Amsterdam,
aan den Koning vergunning is gevraagd om zijn geslachtsnaam in dien
van De Suyck te mogen veranderen, zoodat genoemde Heer en al diens
wettige nakomelingen, in het vervolg De Suyck zullen heeten."
Wie zal nu, zoo hy het bovenstaande niet weet, in het vervolg in
dien geslachtsnaam De Suyck, half Fransch en half Oud-Nederlandsch,
den ouden naam Suyckerbuyk kunnen terugvinden, en den oorsprong van
dit De Suyck bevroeden?
De geslachtsnaam Nederhoed is misschien oorspronkelik de bynaam
geweest van een zeer beleefd man, even als Trouborst (borst heeft
hier immers de oud-nederlandsche beteekenis van eenen flinken,
jongen man?) die van eenen trouen, eerliken kerel, en Waterdrinker
die van iemand welke zeer matig leefde, althans in zynen drank zich
tot water bepaalde. Woordhouder, Geldmaker en Geldtelder, Liefhebber
(van wat?), Sorgdrager, Zonderland, met Landeloos als tegenhanger,
en Broodwinner zijn ook duidelik genoeg wat hunne beteekenis
aangaat. Ook deze namen houde ik voor oude bynamen. Als tegenhanger
van den geslachtsnaam Broodwinner, in Friesland inheemsch, komt in
de vlaamsche gewesten de geslachtsnaam Winnebroot voor, die natuurlik
de zelfde beteekenis heeft, en die, by misspelling en onverstand, in
Fransch-Vlaanderen als Winibroot geschreven wordt. Juist zoo geformd
als deze naam Winnebroot is ook de geslachtsnaam Winnepenninck,
die in beteekenis eveneens duidelik is. Ook als vadersnaam komt deze
naam in de zuidelike Nederlanden voor; te weten als Winnepenninckx
en zelfs als Winnenpenninckx. De maagschapsnaam Rookmaaker is
misschien oorspronkelik wel de bynaam geweest van iemand die aan
het tabaksrooken verslaafd was--even als Platteborze en Plateborse
(beide formen komen voor) die van iemand welke aan het euvel leed
van gewoonlik eene platte, geldelooze beurs te hebben. Voordewind
was oorspronkelik wel een bynaam van iemand wien het voor den wind
ging in het leven; anders gezeid: die voorspoedig was. En Te Peerdt
van iemand die veel te peerd reed of anderszins een ruiter was, in
tegenoverstelling van eenen anderen, misschien gelijknamigen man,
die niet te peerd kon ryden, maar die te voet moest gaan, en daarom
den bynaam van Te Voet kreeg. Te Voet immers, zoo wel als Te Peerdt,
komt nog heden als geslachtsnaam voor. Hondendorst (met het geheel
onverstaanbare Honderdors, een verbasterde form?) en Zonderkop,
ook Breesnee (breede snede? broods?), Cleenwerk, Blaauwendraat,
Fijn-van-Draad, Potjewijd, Wijnoogst en Wijnstroom, Helleganger en
Allemekinders zijn geslachtsnamen, die, al zijn ze niet onverstaanbaar,
toch door my niet, wat hunnen oorsprong betreft, kunnen verklaard
worden. De maagschapsnamen Goedkoop en Duurkoop zullen oorspronkelik
wel als bynamen eigen geweest zijn aan kooplieden, die hunne waren,
de eene om weinig, de andere om veel geld verkochten. Wonderlike
geslachtsnamen zijn ook Bierhaalder en Windwaayer, en niet minder
zonderling zijn Hameetman en Hameeteman (ham eet de man?), die in het
overmaassche Holland inheemsch en daar geenszins zeldzaam zijn. In
die zelfde streken, o. a. te Dordrecht, komt ook de geslachtsnaam
Hameter voor, en tevens (als tegenhanger?) Spekmyder (iemand die spek
mijdt, die geen spek eet). In der daad dwaze namen! Dwaas zyn ook
de maagschapsnamen Stoutintwoud, Vroegindewey en Schietekatte. Deze
twee eerste namen zullen oorspronkelik wel schertsender wyze gegevene
bynamen geweest zijn voor eenen dapperen jager en voor eenen veeboer,
die gewoon was reeds vroeg in den ochtend zyne bezigheden in de weide
te verrichten. De naam Schietekatte (schiet de kat) is in Zeeland en
Vlaanderen inheemsch, en komt daar in verschillende formen voor, die
aan verschillende geslachten eigen zijn. Te weten: als Schiettekatte,
Schiettecatte, Schietecatte, Schietekat, Schiekatte. Deze naam is al
zeer oud. Reeds ten jare 1342 droeg een burger van de vlaamsche stad
Oudenaarde, Lodewyc Scitcatte, dezen naam. [244]
§ 148. De lijst der zonderlinge geslachtsnamen is lang; wy hebben
haar nog niet ten halven behandeld.
Sparen en verkwisten zijn by vele lieden altijd twee byzondere
eigenschappen geweest, die aan anderen gewoonlik sterk in 't oog
liepen of ergernis wekten, en dus ruimschoots aanleiding gaven tot het
in gebruik stellen van bynamen. Eenigen van zulke bynamen zijn tot
op den dag van heden in stand gebleven als geslachtsnamen. Zie hier
enkelen daarvan: Quistecoren, Kwistewijn, Kwisthout en Quistwater,
tegenhangers van Spaergaren met Spaargaren en Spaargaare, Spaarkogel,
Spaerewijn, Sperlaecken (spaar laken) en Spaarwater. Men verwondere
zich niet, by andere zaken hier ook het water te vinden, als iets
dat door den eenen zorgvuldig bespaard, door den anderen roekeloos
verkwist werd. In sommige streken van Nederland, vooral in de zeeusche,
hollandsche en friesche polders, is zuiver drinkwater dikwijls
niet te bekomen, en dus eene kostelike zaak. Een geslachtsnaam,
die oorspronkelik zeker aan een byzonder spaarzaam man gegeven werd,
is nog Garegoed (vergader of verzamel goed, goederen). Deze naam is
ook al van oude dagteekening. Zoo vinden wy in 1514 als burger van de
stad Gouda zekeren Christoffel Gaergoet genoemd, in de »Informacie
up den staet van Hollant ende Vrieslant" bl. 372. De geslachtsnaam
Lievegoed is misschien als eenen tegenhanger van Garegoed te beschouen,
en oorspronkelik eigen aan eenen man, die zijn goed, zyne bezittingen,
byzonder lief had. Zou de geslachtsnaam Vallendgoed geene zinspeling
zijn op de onstandvastigheid der wereldsche goederen? Maar al neemt
men deze verklaring aan, dan nog is het moeielik te begrypen, hoe
dit woord tot eenen naam, tot eenen geslachtsnaam kon worden.--Vier
geslachtsnamen bestaan uit de zoete naamkes, die verliefde lui
elkanderen geven. Het zijn: Soetelief en Zoetelief, Mijnlieff,
Meliefste en, in overtreffenden trap, Alderlieste. Eene f is
uit laatstgenoemden naam gesleten. De woorden goed, lief en zoet
komen ook voor in andere geslachtsnamen, als Lievendans, Goedvolk
en Hemelsoet. Eerstgenoemde naam zal wel een bynaam zijn geweest
(Lieve, dat is: houd veel van, den dans) voor eenen liefhebber van
dansen. Goedvolk verklaart zich zelven, en is de weêrga van namen
als Goetheer, Goedvriend, enz. Hemelsoet, ofschoon wel verstaanbaar,
is echter niet zoo wel verklaarbaar. Ik weet aan dien naam eigenlik
geen mou te passen.
De laatstgenoemde naam brengt ons tot de geslachtsnamen die uit de
woorden hemel, aarde en hel zijn samengesteld. Als zoodanigen noemen
wy hier: Hemelrijk, Van Hemelrijck, Van den Hemel, Van den Hemele,
Van Aarde, Van Ertrijck, Van Aerdrijk, Van de Helle, enz. Van de
Waereld met Van Weerelt, Oldewelt, Wereldsma, enz. zijn op bl. 363
reeds behandeld. Het vagevuur komt, voor zoo verre my bekend is,
in geslachtsnamen niet voor. Een Paradies met Paradis, enz. is op
bl. 371 al vermeld geworden. De oorsprong van bovengenoemde namen
is my niet duidelik, ten zy men hen wilde afleiden van de namen van
huizen (uithangborden, gevelsteenen). In der daad kwamen hemel en hel
oudtijds wel als huisnamen voor. Van Lennep en Ter Gouw noemen eenige
voorbeelden daarvan op, in hun werk De Uithangteekens. Onder anderen
te Delft heette in 1600 eene herberg In 't Hemelrijck. Dit was volgens
Soutendam, Een wandeling langs Delfts straten en grachten, bl. 21,
»toenmaals een gebruikelike naam voor dergelijke inrichtingen." Wat
de geslachtsnaam Van de Helle aangaat, deze kan ook zijn ontstaan
te danken hebben aan het woord hel of helle, dat, op zich zelven
of in samenstellingen, in zoo menigen nederlandschen plaatsnaam
voorkomt. Men sla de aardrijkskundige woordeboeken der nederlandsche
gewesten maar op.--In West-Vlaanderen ligt een dorp dat den naam van
Aertrijcke draagt; de geslachtsnamen Van Aertrijcke en Van Aerdrijk
zijn hoochst waarschijnlik aan dezen dorpsnaam ontleend. De gedachte
is by my opgekomen of de geslachtsnaam Van Hemelrijck misschien ook
kon ontstaan zijn, en willekeurig geformd, als eenen tegenhanger
van Van Aertrijcke. Of de geslachtsnaam Van Ertrijck ook als eene
verbastering moet worden aangenomen van Van Aertrijcke, dan wel
of deze naam oorspronkelik de zelfde is of althans den zelfden
oorsprong heeft als de geslachtsnaam Van Herterijck, moet ik in het
midden laten. Het van vóór den laatstgenoemden naam schijnt op eenen
plaatsnaam Herterijk of Hertrich te duiden, die my echter niet bekend
is, in Nederland noch in Duitschland. Wel ken ik den oud-germaanschen
mansvóórnaam Harderick, Harterich, Hertrich, en deze naam komt werkelik
ook in Nederland voor. Namelik als Herterich en als Hertrich, beide
waarschijnlik van hoogduitschen oorsprong. Hoe nu de juiste samenhang
en onderlinge verhouding is van deze verschillende geslachtsnamen,
is my niet duidelik gebleken.
Signor en Sinjoor (beide spelwyzen komen voor), is een geslachtsnaam
die in de zuidelike Nederlanden inheemsch is, en waar aan het
spaansche woord señor, heer, ten grondslag ligt. Toch zijn de
geslachten die dezen naam dragen, niet van spaanschen oorsprong,
maar veeleer van antwerpschen. Immers de burgers van Antwerpen dragen
reeds sedert den spaanschen tijd, van de zestiende eeu tot heden toe,
by de andere Zuid-Nederlanders den spotnaam van Signor, Sinjoor,
Sinjoorke. Spaansche zeden, spaansche taal toch waren omstreeks de
helft der jaren 1500 en daar na, te Antwerpen zeer in zwang. Ook
lieten de kooplieden van die stad zich als »Señor" aanspreken. De
hedendaagsche bovengenoemde geslachtsnaam herinnert nog aan die
dagen. Hy is zeker oorspronkelik half uit spot gegeven aan eenen
antwerpschen señor, die zich in eene andere stad met der woon vestigde.
Onder de zonderlingste namen moet ook de geslachtsnaam Tijdgaat
genoemd worden. Oorspronkelik is deze naam in de zuidelike
Nederlanden inheemsch, en wel in West-Vlaanderen. Hy komt, zoo wel
by misspelling als by klaarblykelik onverstand wat zyne beteekenis
aangaat, en ook by verwaalsching, in verschillende formen voor,
en is, in die verscheidenheid van formen, ook aan verschillende
maagschappen eigen. Die onderscheidene spelwyzen zijn: Tijdgaat,
Tijdgaet, Tijtgaet, Tytgat, Titecat en Titeca. De twee laatstgenoemde
formen zijn verwaalschingen; zie § 165. Ik weet dezen naam anders
niet te verklaren als door hem te houden voor eene verdietsching
van het bekende latynsche gezegde: hora ruit, de tijd of het uur
vervliegt, of de tijd gaat. Dit gezegde was in de middeleeuen veel
in der lieden mond en penne, en werd toen dikwijls te pas gebracht,
ook in opschriften, b. v. op zonnewyzers, uurwerkplaten, enz.
Half aan misverstand, half aan eene uiting van speelsch vernuft heeft
de naam Olivijf, in Friesland inheemsch, zijn bestaan te danken. In
sommige nederlandsche maagschappen is de mansvóórnaam Olivier in
gebruik. Deze naam, die vroeger minder zeldzaam was als heden ten dage,
en die ook aan de geslachtsnamen Olivierse en Olleviers oorsprong
gegeven heeft, is waarschijnlik wel uit Frankrijk of uit Engelland
(ten tyde van Olivier Cromwel?) by ons ingeburgerd. Is Olivier niet
eene verwaalsching van den oud-germaanschen mansvóórnaam Ulfhari,
Olfer? Een oude naam, die by ons nog voortleeft in de geslachtsnamen
Olfers, Olfersma en Ulffers. Als een tegenhanger van dezen naam
Olivier, nog heden in Friesland ook als geslachtsnaam voorkomende,
liet iemand die geen eigen geslachtsnaam nog had, zich in 1811 als
Olivijf in de boeken van den burgerliken stand inschryven. »Heet Gy
Olivier?" zoo vroeg hy aan den man die even vóór hem zich onder dien
naam, die reeds lang de vaste geslachtsnaam was van zyne maagschap,
had laten inschryven--»heet Gy Olivier?--Wel! dan wil ik Olivijf
heeten!" En men moest den man, met deze zyne goedkoope woordspeling,
zynen zin geven. Ik meen dat dit voorval te Sneek heeft plaats
gegrepen. [245]
Te Leeuwarden komt de geslachtsnaam Zeekats voor. En dezen naam zoude
men, even als Kievits, Snoeks, enz., op bl. 188 vermeld, kunnen houden
voor eenen oneigenliken vadersnaam, voor eenen tweeden naamval van den
geslachtsnaam Zeekat, die my in Holland voorgekomen is. Of ook, men
zoude gevoegelik kunnen aannemen dat Zeekats eene halve verdietsching
ware van eenen hoogduitschen geslachtsnaam Seekatze. Maar dit is zoo
niet. Het eene zoo min als het andere. Ook deze naam Zeekats heeft
eenen zonderlingen oorsprong, op de wyze als de voorgaande naam. In
het begin dezer eeu namelik leefde er te Leeuwarden een gering man,
die geen geslachtsnaam had, even als zoo velen van zynen stand in
die plaats en in die dagen. 'S mans vóórnaam begon met de letter C;
denkelik heette hy dus Cornelis of Christiaan. Even als ieder ander
Nederlander, moest onze man in 1811 ten raadhuize van zyne woonplaats
zich onder eenen vasten geslachtsnaam inschryven laten. Hy ging daartoe
dan ook naar het stadhuis; maar hy kwam daar geheel onbeslagen ten ijs,
want hy had zich nog geen geslachtsnaam uitgedacht. Hy nam de geheele
zaak trouens zeer luchtig op, zoo als velen zyner tijdgenooten. Zoo
kwam hy »voor de heeren." Een van die heeren, die P. Cats heette,
zeggen wy b. v. P(ieter) of P(aulus) Cats, en die in de wandeling,
ter onderscheiding van anderen, welke den zelfden geslachtsnaam
voerden (zoo als dit nu ook nog wel gebruikelik is) gewoonlik P. Cats
(Pee-Cats) genoemd werd, vroeg onzen man: »Wel, Kees! wat fan nimstou
an?" (Wel, Cornelis! welken geslachtsnaam neemt Gy aan?)